Inkomstenbelasting. Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)

19 december 2010

Nr. DGB2010/4308M, Staatscourant 2010

Directoraat-generaal Belastingdienst, Brieven en beleidsbesluiten

De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit bevat het beleid op het terrein van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Met dit besluit worden het besluit van 31 oktober 2005, nr. CPP2005/1272M en een aantal andere beleidsbesluiten ingetrokken.

1. Inleiding

Dit besluit bevat het beleid op het gebied van Hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (box 3). Het box 3-besluit van 31 oktober 2005, nr. CPP2005/1272M (het oude besluit) was niet meer actueel door wetswijzigingen. Verder had het oude besluit voor een deel een voorlichtend karakter. Om die redenen wordt het ingetrokken. De onderdelen van het oude besluit die nog relevant zijn, komen terug in dit besluit. Nieuw is onder meer het in onderdeel 2.3 opgenomen beleid (van oude eigen woning via box 3 naar nieuwe eigen woning). Onderdeel 3.1.b in dit besluit is opgenomen vanwege een toezegging aan de Eerste Kamer in december 2009 bij de behandeling van de herziening van de Successiewet 1956. De besluiten van 2 juli 2002, nr. CPP2002/1856M (groen beleggen), 11 november 2002, nr. CPP2002/2865M (durfkapitaalfondsen) en 16 november 2004, nr. CPP2004/2534M (sociaal-ethische fondsen) worden ingetrokken in verband met codificatie (zie de toelichting bij het besluit van 21 december 2007, nr. DB2007/681M). Het besluit van 29 januari 2008, nr. CPP2008/138M (een goedkeuring naar aanleiding van een fout in de automatische incasso) wordt ingetrokken, maar de goedkeuring is opgenomen in dit besluit. Het besluit van 10 maart 2010, nr. DGB2010/1466M (praktische regeling na het faillissement van DSB) wordt ingetrokken, maar ook hier geldt dat de inhoud ervan terugkomt in dit besluit. Verder geldt die praktische regeling nu voor drie peildata.

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

AWR

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Besluit

Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001

BW

Burgerlijk Wetboek

Regeling

Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

VA

Voorlopige aanslag inkomstenbelasting

Wet

Wet inkomstenbelasting 2001

2. De rendementsgrondslag

2.1. Tijdig verzoek om een VA en box 3

Artikel 5.3, derde lid, onderdelen b en c, van de Wet bepaalt onder meer dat de meeste belastingschulden geen box 3-schulden zijn maar dat erfbelastingschulden dat wel zijn.

In een aantal gevallen kan de belastingplichtige de eventuele nadelige gevolgen van de regel dat de meeste belastingschulden geen box 3-schulden zijn, voorkomen. Dit door tijdig een verzoek om een (nadere) VA bij de inspecteur in te dienen en vervolgens de naar aanleiding van dit verzoek opgelegde VA voor de relevante peildatum van box 3 te betalen. Indien de belastingplichtige vóór 1 oktober een schriftelijk verzoek doet om een (nadere) VA, kan hij er redelijkerwijs van uitgaan dat de inspecteur de gevraagde VA nog in het lopende kalenderjaar oplegt. Hierdoor kan, uiteraard met inachtneming van tijdige betaling, een eventueel belastingnadeel als hiervoor bedoeld, worden voorkomen.

Goedkeuring

Na de indiening van een verzoek om een (nadere) VA kan het voorkomen dat de besluitvorming door de inspecteur meer tijd heeft gevergd dan gebruikelijk is en de belastingplichtige hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. In die situatie bestaat aanleiding om de belastingplichtige via een goedkeuring tegemoet te komen. De goedkeuring ziet op de situatie dat een belastingplichtige tijdig, dat wil zeggen vóór 1 oktober, schriftelijk om een (nadere) VA heeft verzocht, maar dat de inspecteur daaraan geen gevolg heeft gegeven, althans niet op een zodanig tijdstip dat belastingplichtige redelijkerwijs nog voor de peildata/peildatum van box 3 kan betalen.

Voor een situatie, zoals hierboven omschreven, keur ik goed dat het bedrag dat uiteindelijk op de te laat opgelegde (nadere) VA is betaald op de peildata/peildatum buiten de box 3-grondslag wordt gelaten. Het bedrag dat buiten de grondslag gelaten mag worden, is gebaseerd op de – volgens het verzoek op te leggen, doch achterwege gebleven – (nadere) VA, maar ten hoogste tot het bedrag dat uiteindelijk op aanslag is verschuldigd en binnen de betalingstermijn is betaald.

De tegemoetkoming kan worden geëffectueerd door bij de aangifte het bedrag van één of meer van de (niet vrijgestelde) box 3-bezittingen te verlagen, waardoor wordt bereikt dat het totaal van die bezittingen wordt verlaagd met bovengenoemd in mindering te brengen bedrag. De verlaging mag er niet toe leiden dat één van de bezittingen of het totaal van de bezittingen op een negatief bedrag uitkomt.

Als de aanslag inkomstenbelasting over het desbetreffende jaar reeds is opgelegd, kan de tegemoetkoming ook op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige worden geëffectueerd door een vermindering van de aanslag.

Voor de jaren tot en met 2010 geldt ook het volgende. In de situatie dat de peildatum van de box 3-heffing valt in de loop van het kalenderjaar (bij overlijden of emigratie), geldt de goedkeuring eveneens indien het verzoek om een VA is ingediend uiterlijk drie maanden vóór die peildatum.

2.2. Een fout in de automatische incasso

Het innen van VA’s door middel van automatische incasso vindt plaats in maandelijkse termijnen, steeds aan het einde van de maand. De automatische incasso van de VA’s die eigenlijk gepland stond voor december 2007 is pas begin januari 2008 uitgevoerd. Deze latere dan gebruikelijke incasso kan de rendementsgrondslag van artikel 5.3, eerste lid, van de Wet voor de betrokken belastingplichtigen in 2007 en 2008 in nadelige zin beïnvloeden. Ik acht dit ongewenst.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de rendementsgrondslag van artikel 5.3, eerste lid, van de Wet wordt berekend alsof de automatische incasso van VA’s niet in januari 2008 maar nog in december 2007 heeft plaatsgevonden. De goedkeuring geldt alleen voor de belastingplichtigen bij wie de maandelijkse termijn in januari 2008 in plaats van in december 2007 automatisch is afgeschreven. De goedkeuring kan worden geëffectueerd door bij de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2007 en/of 2008 het bedrag van één of meer van de (niet vrijgestelde) bezittingen van eind 2007 en/of begin 2008 te verlagen, waardoor wordt bereikt dat het totaal van de bezittingen wordt verlaagd met de betreffende termijn. De verlaging mag er niet toe leiden dat één van de bezittingen of het totaal van de bezittingen op een negatief bedrag uitkomt.

2.3. Van oude eigen woning via box 3 naar nieuwe eigen woning

Het komt voor dat een belastingplichtige de eigendom van zijn eigen woning overdraagt en vervolgens na de jaarwisseling de eigendom van zijn nieuwe eigen woning verkrijgt. Dat kan gevolgen hebben voor box 3. Zie onderstaand voorbeeld ter verduidelijking.

Voorbeeld

De heer A verkoopt zijn eigen woning in 2010. In datzelfde jaar draagt hij de eigendom ervan over aan de koper. Na de aflossing van zijn hypotheekschuld houdt A een bedrag over. In 2010 zet hij dat bedrag op een spaarrekening. In 2010 betrekt A een huurhuis. In 2011 zegt A de huur op, verkrijgt hij de eigendom van zijn nieuwe eigen woning en haalt hij, voor de financiering van de nieuwe eigen woning, het bedrag van zijn spaarrekening.

Verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule

Volgens de box 3-wetgeving is het bedrag dat A op zijn spaarrekening heeft gezet een box 3-bezitting, zowel op 31 december 2010 als op 1 januari 2011. Verzoeken om met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 van de AWR) goed te keuren dat box 3-heffing over het desbetreffende spaarsaldo achterwege blijft, wijs ik af. Op 31 december 2010 en 1 januari 2011 heeft A immers een box 3-bezitting en heeft hij geen eigen woning. Verder heeft de wetgever met de vermogensrendementsheffing (box 3) gekozen voor een robuust en eenvoudig uitvoerbaar systeem. In dat systeem maakt het niet uit hoe lang de werkelijke bezitsperiode is en wordt, vanaf 1 januari 2011, de rendementsgrondslag aan de hand van een peildatum (1 januari) vastgesteld. Voor de jaren tot en met 2010 geldt jaarlijks zowel een begindatum als een einddatum (artikel 5.2, eerste lid, van de Wet, tekst tot en met 2010).

3. Toedeling bij bepaalde verkrijgingen krachtens erfrecht

3.1. Stiefouders en (quasi-)stiefkinderen

Voor de toepassing van artikel 5.4 van de Wet geldt het volgende.

  • a. Onder het begrip ouder valt ook een stiefouder. Dat betekent dat artikel 5.4 van de Wet mede van toepassing is als de overledene één of meer stiefkinderen nalaat en een echtgenoot die de ouder van die kinderen is.

  • b. Onder het begrip kind (dat niet letterlijk voorkomt in de tekst van artikel 5.4 van de Wet) valt ook een kind van de ongehuwde partner in de zin van de bepalingen betreffende de erfbelasting. Dat betekent dat artikel 5.4 van de Wet mede van toepassing is als de overledene een ongehuwde partner in de zin van de bepalingen betreffende de erfbelasting en één of meer kinderen van die partner die geen kinderen zijn van de overledene zijn (zogenoemde quasi-stiefkinderen) nalaat.

3.2. Renteloze geldvordering van kind op achtergelaten echtgenoot

Volgens het wettelijk erfrecht wordt een nalatenschap van een erflater, die een echtgenoot en één of meer kinderen als erfgenaam achterlaat, als volgt verdeeld. De echtgenoot verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap. Ieder van de kinderen verkrijgt als erfgenaam een geldvordering op de echtgenoot. Die geldvordering kan renteloos zijn. Dit staat in artikel 4:13 van het BW. Ook bij een ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 4:1167 van het BW (oud) kan de vordering op langstlevende echtgenoot renteloos zijn.

Voor de toepassing van de Wet wordt een renteloze vordering aangemerkt als een bezitting waarop een genotsrecht is gevestigd. Artikel 5.4 van de Wet is ook van toepassing op een renteloze vordering als hiervoor bedoeld, mits binnen de kaders van het BW is bepaald of overeengekomen dat de vordering renteloos is.

4. Waardering

4.1. Algemeen

Bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer. Dat is de hoofdregel die in artikel 5.19 van de Wet staat. Voor de waardering van een woning die geen eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet is, gelden de artikelen 5.20 van de Wet en 17a en 17b van het Besluit. Artikel 5.21 van de Wet regelt de waardering van effecten.

4.2. Het faillissement van DSB Bank NV (“DSB”)

4.2.1. Aanleiding

Op 19 oktober 2009 is DSB failliet verklaard. Daarna zijn voor box 3 de volgende vragen gerezen:

  • a. Wat is de waarde in het economische verkeer van een bij DSB aangehouden achtergesteld deposito?

  • b. Een belastingplichtige heeft een vordering op DSB. Die vordering bestaat uit een tegoed van meer dan € 100.000 dat hij op zijn DSB-(spaar)rekening had, verminderd met € 100.000 (het bedrag dat hem op grond van het depositogarantiestelsel is of zal worden uitgekeerd). Wat is de waarde in het economische verkeer van zijn vordering op DSB?

4.2.2. Box 3-bezittingen

Box 3-bezittingen zijn onder andere:

  • achtergestelde deposito’s;

  • vorderingen (op DSB) als bedoeld onder 4.2.1.b; en

  • vorderingen (op De Nederlandsche Bank) op grond van het depositogarantiestelsel.

4.2.3. De waarde van de deposito’s en de vorderingen

Box 3-bezittingen worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer. Voor de bepaling van die waarde is het belangrijk om te weten of de deposito- of rekeninghouder (een deel van) zijn geld zal krijgen, wanneer hij een eventuele uitkering zal krijgen en hoe groot die eventuele uitkering zal zijn. In het faillissementsverslag nummer 2 van de curatoren van DSB van 29 januari 2010 (zie www.dsbbank.nl) staat onder meer dat:

  • de curatoren op grond van hun eerste indrukken voorzien dat geen uitkering op de achtergestelde vorderingen mogelijk zal zijn.

  • de hoogte van een uitkering op concurrente vorderingen van zoveel onzekerheden afhankelijk is, dat de curatoren nu geen voorspelling kunnen doen over het te verwachten uitkeringspercentage en het tijdstip waarop een dergelijke uitkering kan plaatsvinden.

In de faillissementsverslagen nummers 3, 4 en 5 van de curatoren van DSB van respectievelijk 3 mei, 2 augustus en 29 oktober 2010 (zie www.dsbbank.nl) staat onder meer dat:

  • de curatoren op grond van hun eerste indrukken voorzien dat geen uitkering op de achtergestelde vorderingen mogelijk zal zijn.

  • de hoogte van een uitkering op concurrente vorderingen van zoveel onzekerheden afhankelijk is, dat de curatoren op dit moment geen voorspelling kunnen doen over het te verwachten uitkeringspercentage en dat een eerste (kleine) uitkering niet voor het tweede kwartaal van 2011 te verwachten is.

Desgevraagd hebben de curatoren tot de datum van de ondertekening van dit besluit geen concretere informatie kunnen geven.

4.2.4. Praktische regeling

Voor box 3 kan de waarde in het economische verkeer op 31 december 2009 en 1 januari en 31 december 2010 van bij DSB aangehouden achtergestelde deposito’s op nihil (€ 0) worden gesteld. Dit omdat de curatoren voorzien dat op dergelijke deposito’s geen uitkeringen mogelijk zullen zijn.

De waarde in het economische verkeer van onder 4.2.1.b bedoelde vorderingen op DSB, ongeacht de nominale waarde ervan, is (nu) moeilijk te bepalen. Er zijn op dit moment onvoldoende feiten bekend om een betrouwbare schatting van de waarde in het economische verkeer van dit soort vorderingen te kunnen maken. Om praktische redenen keur ik daarom voor box 3 goed dat de waarde in het economische verkeer op 31 december 2009 en 1 januari en 31 december 2010 van onder 4.2.1.b bedoelde vorderingen op DSB op nihil (€ 0) wordt gesteld.

4.3. Recht van vruchtgebruik en metterwoonclausule

Artikel 5.22 van de Wet regelt de waardering van genotsrechten (bijvoorbeeld een vruchtgebruik). Een recht van vruchtgebruik dat eindigt bij overlijden, wordt gewaardeerd op grond van artikel 19, eerste lid, van het Besluit. Deze waarderingsregel geldt niet als een zogenoemde metterwoonclausule geldt. Bij een metterwoonclausule eindigt het vruchtgebruik bij overlijden of zoveel eerder als de vruchtgebruiker de woning metterwoon verlaat, bijvoorbeeld vanwege opname in een verzorgingstehuis. De waarde van het vruchtgebruik moet dan worden gesteld op het bedrag waarvoor dit vruchtgebruik zou kunnen worden aangekocht (artikel 19, elfde lid, van het Besluit).

Uit praktische overwegingen keur ik het volgende goed. Bij een vruchtgebruik in box 3 waarbij een metterwoonclausule geldt, kan de waarde worden bepaald op basis van de regels die gelden voor de waardering van een van het leven afhankelijk vruchtgebruik (artikel 19, eerste, zevende en achtste lid, van het Besluit). Voor deze goedkeuring gelden twee voorwaarden:

  • a. De vruchtgebruiker en de bloot eigenaar doen beiden een beroep op deze goedkeuring.

  • b. Het recht van vruchtgebruik en de bloot eigendom van de woning behoren voor de vruchtgebruiker respectievelijk de bloot eigenaar tot de box 3-bezittingen (artikel 5.3 van de Wet).

5. Ingetrokken regelingen

De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:

  • het besluit van 2 juli 2002, nr. CPP2002/1856M;

  • het besluit van 11 november 2002, nr. CPP2002/2865M;

  • het besluit van 16 november 2004, nr. CPP2004/2534M;

  • het besluit van 31 oktober 2005, nr. CPP2005/1272M;

  • het besluit van 29 januari 2008, nr. CPP2008/138M; en

  • het besluit van 10 maart 2010, nr. DGB2010/1466M.

6. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. In afwijking hiervan treedt onderdeel 3.1.b in werking met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2010.

Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.

Den Haag, 19 december 2010

De staatssecretaris van Financiën,

F.H.H. Weekers.

Naar boven