De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op artikel 1.9, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
Besluit:
Artikel 1. Premieopslag
De opslag, bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, wordt vastgesteld
op 0,34%.
Artikel 2. Intrekking
De Regeling vaststelling premieopslagen ter financiering van een werkgeversbijdrage in kosten kinderopvang 2010 wordt ingetrokken.
Artikel 3. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.
Artikel 4. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premieopslagen ter financiering van een werkgeversbijdrage in kosten
kinderopvang.
TOELICHTING
Sinds 1 januari 2007 geldt op grond van de Wet kinderopvang, thans de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen,
een verplichte werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang. De bepalingen met betrekking tot deze bijdrage zijn opgenomen
in de artikelen 1.8 en 1.9 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. De overheid neemt de verstrekking
van de werkgeversbijdrage voor haar rekening en de werkgevers dragen zorg voor de bekostiging daarvan in de vorm van een heffing.
De verstrekking van de werkgeversbijdrage vindt plaats door middel van een vermeerdering van de kinderopvangtoeslag, die –
evenals de kinderopvangtoeslag – aan de vraagouder wordt uitbetaald door de Belastingdienst/Toeslagen.
De vermeerdering bedraagt voor een werkende ouder met een werkende partner een derde deel van de kosten van kinderopvang (artikel
1.8, eerste lid, Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen). Voor een alleenstaande werkende ouder bestaat de vermeerdering
uit een zesde deel van de kosten van kinderopvang (artikel 1.8, tweede lid, Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen).
Dit deel wordt op grond van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang aangevuld met een toeslag
van een zesde deel voor alleenstaande ouders. Daarmee is de uitgangspositie van alleenstaande ouders dezelfde als die van
echtparen. Beide groepen ontvangen een vaste vergoeding ter hoogte van een derde deel van de kosten van kinderopvang. Voor
een werkende ouder met een partner die behoort tot een van de doelgroepen van de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) ten slotte, bedraagt de vermeerdering van de kinderopvangtoeslag eveneens een zesde deel van de kosten van kinderopvang
(artikel 1.8, derde lid, Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen).
Recht op bovengenoemde vermeerdering van de kinderopvangtoeslag geldt voor alle ouders met inkomen uit tegenwoordige arbeid,
ongeacht of zij dat als zelfstandige of als werknemer verwerven. De vermeerdering voor zelfstandigen wordt bekostigd uit de
algemene middelen.
De kosten voor de vermeerdering die aan werknemers wordt verstrekt, worden opgebracht met een door werkgevers af te dragen
heffing op de loonsom. De heffing is vormgegeven als een opslag op de premie ten behoeve van de sectorfondsen. Hiermee wordt
bereikt dat de heffing over dezelfde loonsom wordt afgedragen als de sectorpremies. De heffing voor overheidswerkgevers bestaat
uit een gelijkwaardige opslag op de premie voor het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
De hoogte van de opslag wordt op grond van artikel 1.9, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
vastgesteld bij ministeriële regeling. Onderhavige regeling strekt daartoe. De hoogte van de sectorpremie en van de Ufo-premie
is ten opzichte van 2010 ongewijzigd vastgesteld op 0,34%.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp.