Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatscourant 2010, 19571Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 9 december, nr. BJZ2010031781, houdende wijziging van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en de Regeling omgevingsrecht (afvalgerelateerde activiteiten in de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en enige reparaties)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op de artikelen 1.7, 2.12, vierde lid, 3.5b, 3.5c, 3.5d, 3.31, vierde lid, 3.34, tiende lid, 3.36, 3.42, 3.43, 4.1, negende lid, 4.21a, 4.27a en 4.94g van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de begripsbepaling ‘afleverzuil’ wordt ingevoegd:

A-hout: ongeverfd en onbehandeld hout;

2. Na de begripsbepaling van ‘besluit’ wordt ingevoegd:

B-hout: hout dat geen A-hout of C-hout is;

3. Na de begripsbepaling van ‘bovengronds’ wordt ingevoegd:

C-hout: geïmpregneerd hout;

B

Artikel 1.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de begripsbepaling ‘CUR/PBV-aanbeveling 44’ wordt ingevoegd:

CUR/PBV-Aanbeveling 51: CUR/PBV-Aanbeveling 51: Milieutechnische criteria voor bedrijfsriolering, Stichting CUR, Gouda, augustus 1997;CUR/PBV-Aanbeveling 65: CUR/PBV-Aanbeveling 65: Ontwerp, aanleg en herstel van vloeistofdichte voorzieningen van beton, Stichting CUR, Gouda, tweede herziene uitgave,september 2005;

2. Na de begripsbepaling ‘NEN 5744’ wordt ingevoegd: NEN 5766:NEN 5766: 2003: Nederlandse norm voor Bodem – Plaatsing van peilbuizen ten behoeve van milieukundig bodemonderzoek, augustus 2003;

3. Na ‘NEN 6414: NEN 6414:’ wordt ‘1988: Nederlandse norm voor Water en slib – bepaling van de temperatuur, januari 1988;’vervangen door: 2008: Nederlandse norm voor Water en slib – bepaling van de temperatuur, december 2008;

4. Na ‘NEN 6600-1: NEN 6600-1:’ wordt ‘2002: Nederlandse norm voor Water – monsterneming -Deel 1: afvalwater , maart 2002;’ vervangen door: 2009: Nederlandse norm voor Water – monsterneming -Deel 1: afvalwater , maart 2009;

5. Na ‘NEN 6966: NEN 6966:2005: Nederlandse norm voor Milieu-Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten- Atomaire emissie spectrometrie met inductief gekoppeld plasma, december 2005’ wordt ingevoegd: en C1:2006, juni 2006; NEN 7557: NEN 7557: 2009: Nederlandse norm voor Autodemontagetechnieken – Neutralisatie airbags en gordelspanners uit autowrakken, april 2009;

6. Na de begripsbepaling ‘NEN-EN 13284’ wordt ingevoegd: NEN-EN 13725: NEN-EN 13725 Bepaling van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie, september 2003;

7. Na ‘NEN-EN-ISO 9377-4:’ wordt ‘ NEN-EN-ISO 9377-4:1999 Ontw.en: Europese norm voor Waterkwaliteit-Bepaling van de minerale olie index-Deel 4 Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, december 2000;’vervangen door: NEN-EN-ISO 9377-2: 2000: Ontw.en: Europese norm voor Waterkwaliteit-Bepaling van de minerale olie index-Deel 2 Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, december 2000;

8.Na ‘NEN-EN-ISO 11143: NEN-EN-ISO 11143:’ wordt ‘2000: Europese norm voor Tandheelkunde-Amalgaanscheiders, januari 2000;’ vervangen door: 2008: Europese norm voor Tandheelkunde-Amalgaanscheiders, november 2008;

9. In de begripsomschrijving van PGS 15 wordt ‘22 september 2008’ vervangen door: 15 september 2008.

C

Artikel 2.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘vloeibare brandstof of afgewerkte olie’ vervangen door: vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel.

2. In het vierde lid wordt de tweede volzin vervangen door twee volzinnen, luidende:

Bij bemonstering van grondwaterpeilbuizen bij een ondergrondse opslagtank met vloeibare brandstof of afgewerkte olie worden de monsters onderzocht op aanwezigheid van minerale oliecomponenten overeenkomstig NEN-EN-ISO 9377-2, vluchtige aromaten (BETX) volgens NEN-EN-ISO 15680 en, voor zover er sprake is van de opslag van lichte olie, tevens op MTBE en ETBE door een laboratorium, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Bij bemonstering van grondwaterpeilbuizen bij een ondergrondse opslagtank met pekel worden de monsters op aanwezigheid van chloride onderzocht overeenkomstig NEN-EN-ISO 15682 door een laboratorium, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

D

In hoofdstuk 2 wordt na artikel 2.8 een afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 2.3. AFVALBEHEER

Artikel 2.9

De categorieën van afvalstoffen, bedoeld in artikel 2.12, vierde lid, van het besluit, waarin de afvalstoffen in ieder geval vergelijkbaar zijn wat betreft aard, samenstelling en concentratie, zijn de categorieën genoemd in de bijlage bij de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen, en:

  • a. autowrakken die vloeistoffen of gevaarlijke stoffen bevatten;

  • b. brandblussers groter dan 1 kilogram en gasflessen en overige drukhouders die gassen bevatten;

  • c. LPG-tanks;

  • d. lege, ongereinigde verpakkingen van gevaarlijke stoffen;

  • e. IBC-bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

  • f. oliedrukkabels;

  • g. gepantserde papier-loodkabels;

  • h. teerhoudend of bitumineus dakafval;

  • i. composieten van teerhoudend of bitumineus dakafval;

  • j. dakgrind verkleefd met teer of bitumen;

  • k. banden van voertuigen;

  • l. cellenbeton;

  • m. gipsproducten;

  • n. groenafval;

  • o. A- en B-hout;

  • p. kunststof dat geschikt is voor product- of materiaalhergebruik;

  • q. laminaatverpakking en kunststof, dat ongeschikt is voor product- of materiaalhergebruik;

  • r. metalen;

  • s. papier en karton;

  • t. papier- en kunststofgeïsoleerde kabels en restanten, uitgezonderd oliedrukkabels en gepantserde papier-loodkabels;

  • u. asfalt, anders dan teerhoudend asfalt;

  • v. bouwstoffen, als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit die binnen dat besluit toepasbaar zijn, uitgezonderd IBC-bouwstoffen, cellenbeton, teerhoudend of bitumineus dakafval, composieten van teerhoudend of bitumineus dakafval, dakgrind verkleefd met teer of bitumen en asfalt;

  • w. textiel;

  • x. verpakkingsglas;

  • y. vlakglas.

E

In afdeling 3.1 wordt na artikel 3.4 een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 3.1.2. Behandeling van stedelijk afvalwater

Artikel 3.4a
  • 1. Bij het in werking hebben van een zuiveringstechnisch werk verkeert de installatie in goede staat van onderhoud en worden bij onderhoudswerkzaamheden zodanige maatregelen getroffen dat geurhinder bij geurgevoelige objecten zoveel mogelijk wordt voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

  • 2. Het bevoegd gezag kan indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt maatwerkvoorschriften stellen waarin maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden geconcretiseerd.

Artikel 3.4b
  • 1. De geurbelasting, bedoeld in de artikelen 3.5b, eerste en tweede lid en 6.19b, tweede tot en met het vijfde lid van het besluit, wordt bepaald met de rekenmethode van het Nieuw Nationaal Model (Uitgave 1998, ISBN 90-76323-003) of een daaraan gelijkwaardige methode.

  • 2. De geuremissie vanuit een zuiveringstechnisch werk is de som van de emissies door de verschillende procesonderdelen, uitgedrukt in odour units per seconde, die worden bepaald met behulp van de emissiefactoren, genoemd in bijlage 5 bij deze regeling.

  • 3. Indien voor een procesonderdeel als bedoeld in het tweede lid geen emissiefactor is opgenomen in bijlage 5, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift aanvullend geuronderzoek eisen.

  • 4. Het bevoegd gezag kan, indien de geurhinder als gevolg van het opslaan en verladen van slib een aanvaardbaar niveau overschrijdt en artikel 3.5b, eerste en tweede lid, en artikel 6.19b, tweede tot en met het vijfde lid, van het besluit niet toereikend zijn om de overschrijding ongedaan te maken, aanvullend maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de technische voorzieningen in het zuiveringtechnisch werk en te treffen gedragsmaatregelen.

Artikel 3.4c

Ten behoeve van het realiseren van een aanvaardbaar bodemrisico voldoet het ontwerp- en aanlegproces van bassins, tanks en leidingen in de waterlijn vanaf het ontvangstwerk tot de selector of de beluchtingstank aan CUR/PBV-Aanbeveling 51 en CUR/PBV-Aanbeveling 65 met uitzondering van de eisen gesteld in de paragrafen 4.1, 5.1, 6.1.1, en 6.1.2 van CUR/PBV-Aanbeveling 51, alsmede paragraaf 5.2.1 van de CUR/PBV-Aanbeveling 65.

Artikel 3.4d
  • 1. Ten behoeve van het realiseren van een aanvaardbaar bodemrisico gebeurt de controle op de lekdichtheid van de bedrijfsonderdelen van de zuiveringstechnische werken, bedoeld in artikel 3.5a van het besluit, met een grondwatermonitoringssysteem dat bestaat uit:

    • a. een horizontaal monitoringssysteem bij installaties aangelegd op of na 1 januari 2012,

    • b. verticale peilbuizen bij installaties aangelegd voor die datum.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan gebruik worden gemaakt van geo-electrische metingen met een meetfrequentie van eenmaal per zes jaar.

Artikel 3.4e
  • 1. Het horizontaal monitoringssysteem, bedoeld in artikel 3.4d, eerste lid, onder a, bestaat uit horizontale buizen op een afstand van ten minste 30 meter van elkaar.

  • 2. Indien binnen een afstand van 60 meter, gemeten van hart tot hart, meerdere bassins of tanks zijn gesitueerd, wordt een extra horizontale buis geplaatst.

  • 3. Indien bassins of tanks op meer dan 60 meter, gemeten van hart tot hart, van elkaar zijn gesitueerd, wordt om de 30 meter een horizontale buis geplaatst.

  • 4. Bij de plaatsing van de horizontale buizen wordt rekening gehouden met de stroomrichting van het grondwater.

  • 5. De verticale peilbuizen, bedoeld in artikel 3.4d, eerste lid, onder b, bevinden zich op een afstand van ten minste 30 meter van elkaar.

  • 6. Indien binnen een afstand van 60 meter, gemeten van hart tot hart, meerdere bassins of tanks zijn gesitueerd, wordt een extra verticale peilbuis geplaatst.

  • 7. Indien bassins of tanks op meer dan 60 meter, gemeten van hart tot hart, van elkaar zijn gesitueerd, wordt om de 30 meter een verticale peilbuis geplaatst.

  • 8. De verticale peilbuis alsmede de plaatsing voldoet aan NEN 5766.

  • 9. De verticale peilbuizen worden benedenstrooms ten opzichte van de stroming van het grondwater geplaatst.

Artikel 3.4f
  • 1. De achtergrondwaarden aan chemische zuurstofverbruik (CZV) en ammonium-stikstof (N-NH4) worden vastgesteld in het grondwater van een bovenstrooms geplaatste peilbuis.

  • 2. Eenmaal per kalenderjaar wordt een gefiltreerd monster dat genomen is uit het horizontaal monitoringssysteem of uit de peilbuizen geanalyseerd op CZV en N-NH4. Tussen opeenvolgende monsternames ligt ten minste elf maanden.

  • 3. De resultaten van deze analyses worden eenmaal per twee kalenderjaren gerapporteerd aan het bevoegd gezag. De rapportage vindt plaats binnen twee maanden na de laatste van de monsternames, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Indien de gemeten waarden meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden wordt binnen twee maanden een nieuw grondwatermonster dat genomen is het monitoringssysteem geanalyseerd, alsmede een grondwatermonster uit de bovenstrooms geplaatste peilbuis.

  • 5. Indien de gemeten waarden gedurende drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden, wordt de meetfrequentie verhoogd naar twee monsters per jaar voor de desbetreffende peilbuis. Tussen opeenvolgende monsternames liggen ten minste vijf maanden.

  • 6. Meetwaardes die meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarde, worden gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

  • 7. Indien de gemeten waarden gedurende drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden en de afwijking geweten kan worden aan bedrijfsmatige activiteiten:

    • a. worden de daarna te nemen monsters geanalyseerd op de stoffen, genoemd in NEN 5740, en

    • b. wordt in overleg met en met instemming van het bevoegd gezag een herstelplan opgesteld.

  • 8. Het plaatsen van de peilbuizen, de analyses van de grondwatermonsters en het opstellen van de rapporten, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, en in artikel 3.4e, worden uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 3.4g
  • 1. Indien de controle op de lekdichtheid, bedoeld in artikel 3.4d, uitsluitend plaatsvindt via een grondwatermonitoringssysteem, worden ten minste één keer per 15 jaar de dilatatievoegen en onderlinge overgangen van bassins, tanks en leidingen visueel geïnspecteerd overeenkomstig CUR/PBV-Aanbeveling 44.

  • 2. De bevindingen worden vastgelegd in een logboek, dat in de inrichting aanwezig is of binnen een termijn die wordt gesteld door het bevoegd gezag voor deze beschikbaar.

F

Artikel 3.6 komt te luiden:

Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen of, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldoet een met aardgas te stoken gasturbine aan ‘Gasturbines, regels voor veilig gebruik van aardgas in gasturbines’ van NV Nederlandse Gasunie.

G

In artikel 3.12, eerste lid, wordt ‘geluidgevoelige’ vervangen door ‘gevoelige’.

H

In hoofdstuk 3 worden na artikel 3.38 twee paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 3.3.5. Opslaan en overslaan van goederen

Artikel 3.39

Voor de toepassing van artikel 3.31, vierde lid, van het besluit worden onder inerte goederen, in ieder geval de volgende goederen verstaan, voor zover deze niet verontreinigd zijn met bodembedreigende stoffen:

  • a. bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit die binnen dat besluit toepasbaar zijn, uitgezonderd IBC-bouwstoffen als bedoeld in dat artikel;

  • b. grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 39 van het Besluit bodemkwaliteit;

  • c. A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d. snoeihout;

  • e. banden van voertuigen;

  • f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf;

  • g. straatmeubilair;

  • h. tuinmeubilair;

  • i. aluminium, ijzer, roestvrij staal;

  • j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, bestrijdingsmiddelen of gevaarlijke stoffen;

  • k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l. papier en karton;

  • m. textiel en tapijt;

  • n. vlakglas.

Artikel 3.40
  • 1. Aan artikel 3.32, aanhef en onder c, van het besluit wordt bij buitenopslag van goederen in ieder geval voldaan indien:

    • a. op de laad- en loskade tot 2 meter uit de kaderand of oever geen opslag van goederen plaatsvindt, of

    • b. er een deugdelijke keerwand aanwezig is en er geen product tussen de keerwand en de kade of oever ligt.

  • 2. Om te voldoen aan artikel 3.32, aanhef en onder c, van het besluit wordt bij het laden en lossen van schepen het schoonmaken van grijpers zo uitgevoerd dat overslagresten of spoelwater niet in het oppervlaktewater geraken.

Artikel 3.41
  • 1. Aan artikel 3.32, aanhef en onder c, van het besluit wordt bij het laden en lossen van schepen met inerte goederen voldaan indien:

    • a. bij het laden en lossen van inerte goederen de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 meter, of

    • b. het schip, waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

  • 2. Aan artikel 3.32, aanhef en onder c, van het besluit wordt bij het laden en lossen van schepen met andere goederen dan inerte goederen voldaan indien:

    • a. bij het laden en lossen van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen en goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 1 meter,

    • b. bij het laden en lossen van andere goederen dan inerte goederen, en dan de goederen, bedoeld onder a, de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 2 meter, of

    • c. het schip, waar in of uit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

Artikel 3.42
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het oppervlaktewater worden goederen die boven een oppervlaktewaterlichaam worden opgeslagen en waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, opgeslagen boven een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen stoffen bevindt en de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen kan opvangen.

  • 2. Op de voorziening, bedoeld in het eerste lid, is artikel 2.4 van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het oppervlaktewater staan goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken en die boven het oppervlaktewater bovendeks aanwezig zijn, opgesteld:

    • a. boven een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen goederen bevindt en in staat is en de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen op te vangen en zodanig is uitgevoerd dat er geen hemelwater op of in terecht kan komen, of

    • b. boven een doelmatige fysieke voorziening die vrijgekomen stoffen keert zolang als nodig is om met daarop afgestemde maatregelen te voorkomen dat deze stoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen geraken. Artikel 2.3, tweede tot en met achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor ‘bodem’ wordt gelezen ‘oppervlaktewaterlichaam’.

Artikel 3.43
  • 1. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het opslaan van goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding of in gesloten verpakking, die voldoet aan de ADR-eisen voor vergelijkbare stoffen of anderszins deugdelijk is, boven een vloeistofkerende vloer of verharding of in een lekbak.

  • 2. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico worden goederen, waaruit in een significante hoeveelheid bodembedreigende stoffen kunnen uitlogen, en die niet vallen onder het eerste lid, en restafval dat dergelijke stoffen kan bevatten, opgeslagen boven een vloeistofdichte vloer of verharding.

  • 3. In afwijking van het tweede lid vindt de opslag plaats boven een vloeistofkerende voorziening indien deze zodanig tegen inregenen is beschermd dat uitlogen wordt voorkomen.

  • 4. In afwijking van het tweede lid vindt de opslag van zink plaats boven een bodembeschermende voorziening, indien opslag overeenkomstig het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 5. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat voor de opslag van andere metalen dan zink het tweede lid niet van toepassing is, indien opslag conform het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is, de opslag plaatsvindt boven ten minste een vloeistofkerende voorziening, en het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

  • 6. C-hout met KOMO-certificaat, grond en niet verpompbare baggerspecie, bedoeld en geschikt voor toepassing overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit, die ter plaatse van de opslag niet voldoen aan de artikelen 52, 59 of 60 van dat besluit, worden opgeslagen boven een bodembeschermende voorziening.

  • 7. Verpompbare baggerspecie, bedoeld en geschikt voor toepassing overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit, die ter plaatse van de opslag niet voldoet aan de artikelen 52, 59 of 60 van het Besluit bodemkwaliteit wordt opgeslagen in een foliebassin dat is uitgevoerd overeenkomstig de Richtlijnen mestbassins 1992.

  • 8. Op de opslag, bedoeld in het vijfde lid, is voorschrift 2.1 van Bijlage II bij het Besluit mestbassins milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.44
  • 1. Voor de toepassing van paragraaf 3.3.6 van het besluit en de artikelen 3.42 en 3.43 worden als goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, in ieder geval aangemerkt:

    • a. nat afval van het vegen van openbare straten en terreinen, markten en evenementen;

    • b. nat afval van het legen van openbare afvalbakken en het opruimen van stranden;

    • c. afval van het reinigen van havens, kanalen, sloten, grachten en vijvers;

    • d. afval van het reinigen van riolen, kolken en gemalen;

    • e. autowrakken die vloeistoffen bevatten;

    • f. onderdelen van autowrakken die vloeistoffen bevatten;

    • g. van buiten de inrichting afkomstige grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit niet is vastgesteld op grond van artikel 38 van het Besluit bodemkwaliteit;

    • h. van buiten de inrichting afkomstige grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de waarden, bedoeld in de artikelen 59 en 60, van het Besluit bodemkwaliteit overschrijdt, tenzij die ter plaatse van de opslag voldoet aan artikel 52 van dat besluit;

    • i. afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, uitgezonderd de apparatuur van particuliere huishoudens, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur die overeenkomstig artikel 4 van die regeling is ingenomen;

    • j. metalen met aanhangende olie of emulsie voorafgaand aan en tijdens scheiding;

    • k. gebruikte oliefilters, oliehoudende poetsdoeken en gebruikt absorptiemateriaal;

    • l. gebruikte oliedrukkabels;

    • m. beschadigde transformatoren en uitgelekte transformatoren;

    • n. beschadigde oliehoudende apparaten.

  • 2. Voor de toepassing van artikel 3.43 worden onder goederen waaruit in een significante hoeveelheid bodembedreigende stoffen uit kunnen uitlogen , in ieder geval verstaan:

    • a. IBC-bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

    • b. metalen met aanhangende olie of emulsie resterende na afscheiden van de olie of emulsie door centrifugeren of 48 uur uitlekken;

    • c. andere metalen dan aluminium, ijzer en roestvrij staal;

    • d. teerhoudend of bitumineus dakafval;

    • e. composieten van teerhoudend of bitumineus dakafval;

    • f. dakgrind verkleefd met teer of bitumen;

    • g. strooizout;

    • h. teerhoudend asfalt;

    • i. straalgrit;

    • j. geshredderd B- en C-hout;

    • k. C-hout zonder KOMO-certificaat;

    • l. gebruikte gepantserde papier-loodkabels;

    • m. gebruikte papiergeïsoleerde grondkabels;

    • n. droog afval van het vegen van openbare straten en terreinen, markten en evenementen;

    • o. droog afval van het legen van openbare afvalbakken en het opruimen van stranden;

    • p. restafval waarin vaste bodembedreigende stoffen die in een significante hoeveelheid kunnen uitlogen, kan voorkomen, tenzij toepassing is gegeven aan artikel 2.14b van het besluit of anderszins is geborgd dat dit deze stoffen niet bevat.

Artikel 3.45
  • 1. Artikel 2.11 van het besluit is niet van toepassing op het opslaan van grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit, voor zover het opslaan van grond en baggerspecie binnen de inrichting eenmalig plaatsvindt.

  • 2. Het eerste lid van artikel 2.11 van het besluit is niet van toepassing op het opslaan van grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit, voor zover het opslaan van grond en baggerspecie binnen de inrichting vaker dan eenmalig plaatsvindt.

Artikel 3.46
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van geurhinder worden opgeslagen bederfelijke afvalstoffen voor zover het niet-houtachtige plantenresten betreft binnen 14 dagen na de aanvoer uit de inrichting afgevoerd, of verwerkt in een composteringsplaats.

  • 2. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overstijgt vanwege de op- en overslag van niet-houtachtige plantenresten, maatwerkvoorschriften stellen aan de locatie van de opslag en de afvoerfrequentie van de plantenresten.

Artikel 3.47
  • 1. Aan artikel 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit wordt bij de buitenopslag van goederen behorend tot de stuifklasse S2 van bijlage 4.6 van de NeR in ieder geval voldaan indien de stoffen door besproeiing vochtig worden gehouden.

  • 2. Aan artikel 3.38, tweede lid, van het besluit wordt bij opslag van goederen behorend tot de stuifklasse S1 en S2 van bijlage 4.6 van de NeR in ieder geval voldaan indien afgezogen lucht door een filtrerende afscheider wordt gevoerd die in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Artikel 3.48
  • 1. Aan artikel 3.38, tweede lid, van het besluit wordt bij het mengen van goederen behorend tot de stuifklassen S1, S2, S3 of S4 van bijlage 4.6 van de NeR in een gesloten ruimte in ieder geval voldaan indien de ruimte op onderdruk wordt gehouden en de afgezogen lucht door een filtrerende afscheider wordt gevoerd die in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

  • 2. Aan artikel 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit wordt bij het mengen van goederen behorend tot de stuifklasse S2 en S4 van bijlage 4.6 van de NeR in de buitenlucht in ieder geval voldaan indien bij het opbouwen en afgraven van een menghoop deze goederen worden bevochtigd.

Artikel 3.49
  • 1. Aan artikel 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit wordt bij overslag van stuifgevoelige goederen in ieder geval voldaan indien:

    • a. bij het laden en lossen in de open lucht de storthoogte wordt beperkt tot minder dan één meter,

    • b. goederen uit de stuifklasse S2 en S4 van bijlage 4.6 van de NeR afdoende worden bevochtigd, zo mogelijk vooraf, of

    • c. de stofemissie van goederen uit de stuifklasse S2 en S4 van bijlage 4.6 van de NeR tijdens het laden en lossen met een nevelgordijn wordt tegengegaan.

  • 2. Aan artikel 3.38 van het besluit wordt bij het vullen van een gesloten opslagruimte met goederen behorend tot de stuifklasse S1 en S2 van bijlage 4.6 van de NeR in ieder geval voldaan indien het overstortpunt en daarmee de ruimte worden afgezogen, en de afgezogen luchtstroom wordt gevoerd door een filtrerende afscheider die in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek wordt gecontroleerd en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Artikel 3.50
  • 1. Onverminderd artikel 3.49 wordt aan de artikelen 3.38 en 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit bij continu mechanisch transport van goederen behorend tot stofklasse S1 en S3 van bijlage 4.6 van de NeR in ieder geval voldaan indien deze in een gesloten systeem worden getransporteerd, waarbij:

    • a. de inlaat- en afwerpzijde van de transporteur zijn omkast, deze omkasting continu wordt afgezogen en het afgezogen stof zoveel mogelijk wordt teruggevoerd in de productstroom, of

    • b. de inlaat- en afwerpzijde van de transporteur zijn voorzien van een afscherming in de vorm van windreductieschermen of sproeiers.

  • 2. Onverminderd artikel 3.49 wordt aan de artikelen 3.38, tweede lid, van het besluit en 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit bij continu mechanisch transport van goederen behorend tot stuifklasse S2 en S4 van bijlage 4.6 van de NeR in ieder geval voldaan indien:

    • a. goederen die in een open systeem worden getransporteerd zodanig worden bevochtigd, dat verstuiving wordt voorkomen, of

    • b. open transportsystemen in de buitenlucht worden afgeschermd tegen windinvloeden door middel van langsschermen, dwarsschermen of halfronde overkappingen.

  • 3. Onverminderd artikel 3.49 wordt aan de artikelen 3.38 en 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit bij continu mechanisch transport van goederen behorend tot stuifklasse S3 van bijlage 4.6 van de NeR in ieder geval voldaan indien goederen in open transportsystemen in de buitenlucht worden afgeschermd tegen windinvloeden door middel van langsschermen, dwarsschermen of halfronde overkappingen.

Artikel 3.51

Onverminderd artikel 3.49 wordt aan de artikelen 3.38 en 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit bij het overslaan van goederen behorend tot:

  • a. stuifklasse S1 van bijlage 4.6 van de NeR door middel van storttrechters in ieder geval voldaan indien de trechters zijn voorzien van een afzuiginrichting;

  • b. stuifklasse S2 van bijlage 4.6 van de NeR door middel van storttrechters in ieder geval voldaan indien de trechters zijn voorzien van een afzuiginrichting, of indien de goederen worden bevochtigd met behulp van een doelmatig werkende watersproei-installatie;

  • c. stuifklasse S3 van bijlage 4.6 van de NeR door middel van storttrechters in ieder geval voldaan indien de trechters zijn voorzien van doelmatige windreductieschermen;

  • d. stuifklasse S4 van bijlage 4.6 van de NeR door middel van storttrechters in ieder geval voldaan indien de goederen worden bevochtigd met behulp van een doelmatig werkende watersproei-installatie of indien de trechters zijn voorzien van doelmatige windreductieschermen.

Artikel 3.52

Onverminderd artikel 3.49 wordt aan de artikelen 3.38 en 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit bij het laden en lossen van goederen behorend tot stuifklasse S1, S2 en S3 van bijlage 4.6 van de NeR met behulp van grijpers in ieder geval voldaan indien het laden en lossen plaatsvindt met deugdelijke en van de bovenkant afgesloten grijpers.

Artikel 3.53

Onverminderd artikel 3.49 wordt aan de artikelen 3.38 en 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit bij het beladen en lossen van lichters met goederen behorend tot de stuifklasse S1, S2, S3 en S4 van bijlage 4.6 van de NeR in ieder geval voldaan indien de lichterbelader is uitgerust met een stortkoker die nagenoeg tot op de bodem van het ruim of tot op het reeds gestorte materiaal reikt.

Artikel 3.54

Onverminderd artikel 3.49 wordt aan de artikelen 3.38 en 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit bij het laden en lossen van stuifgevoelige goederen met behulp van pneumatische elevatoren in ieder geval voldaan indien stofverspreiding wordt tegengegaan door:

  • a. de weegbunkers en overstortpunten gesloten uit te voeren,

  • b. het neergeslagen stof in de overstortpunten regelmatig te verwijderen, of

  • c. de stortschoen af te zuigen.

Artikel 3.55
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissie en het bevorderen van de doelmatige verspreiding van emissies naar de buitenlucht worden ten minste bij het inpandig opslaan en overslaan van stuifgevoelige goederen de emissies, bedoeld in artikel 3.38 van het besluit, die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw is gelegen, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare.

  • 2. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de lucht, bedoeld in artikel 3.38 van het besluit.

§ 3.3.6. Het demonteren van autowrakken

Artikel 3.56

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het aftappen van vloeistoffen en het demonteren van vloeistof bevattende onderdelen bij een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding.

Artikel 3.57
  • 1. Ten behoeve van:

    • a. een doelmatig beheer van afvalstoffen,

    • b. het voorkomen of beperken van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, en

    • c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, wordt bij het bewerken van autowrakken bij een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd, voldaan aan het tweede tot en met zesde lid.

  • 2. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien werkdagen na ontvangst van het autowrak, worden de volgende stoffen, preparaten of andere producten, indien aanwezig, afgetapt of gedemonteerd en opgeslagen:

    • a. motorolie;

    • b. transmissieolie;

    • c. versnellingsbakolie;

    • d. olie uit het differentieel;

    • e. hydraulische olie;

    • f. remvloeistoffen;

    • g. koelvloeistoffen;

    • h. ruitensproeiervloeistoffen;

    • i. airconditioningsvloeistoffen;

    • j. benzine;

    • k. diesel;

    • l. LPG-tank, inclusief LPG;

    • m. accu, inclusief accuzuren;

    • n. oliefilter;

    • o. PCB/PCT-houdende condensatoren;

    • p. Batterijen;

    • q. ontplofbare onderdelen, zoals airbags en gordelspanners, voor zover deze niet zijn geneutraliseerd.

  • 3. Restanten van vloeistoffen worden zo goed mogelijk uit leidingen afgetapt. De aftappunten worden na het aftappen afgesloten.

  • 4. Indien dat noodzakelijk is voor het producthergebruik van gedemonteerde onderdelen kan in afwijking van het tweede lid worden afgezien van het aftappen van de oliën uit de in dat lid genoemde onderdelen en kan het oliefilter worden teruggeplaatst.

  • 5. Autowrakken worden binnen de inrichting ontdaan van de volgende stoffen, preparaten of andere producten:

    • a. banden en grote kunststofonderdelen, zoals bumpers, instrumentenborden en vloeistoftanks, indien deze materialen in een shredderinstallatie niet zodanig gescheiden worden dat ze als materiaal kunnen worden hergebruikt;

    • b. metalen onderdelen die koper, aluminium of magnesium bevatten indien deze metalen niet in de shredderinstallatie worden gescheiden;

    • c. glas;

    • d. katalysatoren;

    • e. onderdelen die lood, kwik, cadmium of zeswaardig chroom bevatten en als zodanig zijn voorzien van een aanduiding.

  • 6. Een autowrak wordt niet op een zodanig wijze geplet, geknipt of anderszins mechanisch verkleind dat de identiteit en de inhoud daarvan niet meer herkenbaar zijn.

Artikel 3.58
  • 1. Ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen voldoet de opslag van afgetapte of gedemonteerde stoffen, preparaten of andere producten bij een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd, aan het tweede tot en met vijfde lid.

  • 2. Afgetapte of gedemonteerde stoffen, preparaten of andere producten als bedoeld in artikel 3.57, tweede lid, worden voor zover dat nodig is voor product- of materiaalhergebruik of nuttige toepassing afzonderlijk bewaard.

  • 3. Afgetapte of gedemonteerde stoffen, preparaten of andere producten als bedoeld in artikel 3.57, vijfde lid, worden op een zodanige wijze opgeslagen dat de mogelijkheden voor product- en materiaalhergebruik en nuttige toepassing niet worden geschaad.

  • 4. Niet voor producthergebruik geschikte stoffen, preparaten of andere producten, waarvoor wel een mogelijkheid van materiaalhergebruik of nuttige toepassing bestaat, worden gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd naar een inrichting met een milieuhygiënisch verantwoorde en doelmatige verwerkingsmogelijkheid.

  • 5. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de wijze van opslag van afgetapte of gedemonteerde stoffen, preparaten of andere producten als bedoeld in het tweede tot en met vierde lid.

Artikel 3.59
  • 1. Ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen voldoet de opslag van autowrakken bij een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd, aan het tweede tot en met zevende lid.

  • 2. Autowrakken die nog niet zijn ontdaan van de stoffen, preparaten of andere producten, bedoeld in artikel 3.57, tweede lid, worden direct bij binnenkomst in de inrichting en in afwachting van verdere bewerking op een specifiek daarvoor aangewezen gedeelte van de inrichting opgeslagen en worden niet gestapeld.

  • 3. Autowrakken die nog niet zijn ontdaan van alle stoffen, preparaten of andere producten, als bedoeld in artikel 3.57, vijfde lid, worden maximaal twee hoog, met een maximale hoogte van 4,5 meter, gestapeld op een daartoe aangewezen gedeelte van de inrichting, dan wel worden op een zodanige wijze in stellingen gestapeld dat deze gemakkelijk kunnen worden geïnspecteerd en gedemonteerd.

  • 4. Autowrakken waarvan de stoffen, preparaten of andere producten, bedoeld in artikel 3.57, tweede en vijfde lid, zijn afgetapt of gedemonteerd, worden uitsluitend rechtstreeks uit de inrichting afgevoerd naar een inrichting waarin zich een shredderinstallatie bevindt waarin autowrakken worden gescheiden in direct als materiaal te hergebruiken metaalschroot en shredderafvalstoffen.

  • 5. In afwijking van het vierde lid is het toegestaan autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen, preparaten en andere producten, bedoeld in artikel 3.57, tweede lid, voordat ze overeenkomstig het vierde lid worden afgevoerd, ter beschikking te stellen aan een instelling voor oefen- en opleidingsdoeleinden.

  • 6. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de stapelhoogte voor autowrakken als bedoeld in het derde lid.

  • 7. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van het ter beschikking stellen van autowrakken aan een instelling voor oefen- en opleidingsdoeleinden als bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 3.60
  • 1. Ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt bij de ontvangst van een autowrak bij een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd, voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.

  • 2. Bij de ontvangst van een autowrak met een kenteken dat verstrekt is door een in een andere lidstaat van de Europese Unie daartoe aangewezen instantie, wordt desgevraagd aan degene die zich van dat autowrak ontdoet een certificaat van vernietiging als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de autowrakkenrichtlijn afgegeven, waarin in ieder geval de volgende gegevens zijn opgenomen:

    • a. de naam, het adres en de handtekening van degene die het certificaat van vernietiging afgeeft;

    • b. de datum van afgifte van het certificaat van vernietiging;

    • c. het kenteken van het autowrak, inclusief de kenletters van het land daarop;

    • d. de categorie van voertuigen waartoe het autowrak behoort alsmede het merk en het model van het autowrak;

    • e. het chassisnummer van het autowrak;

    • f. de naam, het adres, de nationaliteit en de handtekening van de eigenaar of houder van het

    afgegeven autowrak.

  • 3. Bij het certificaat van vernietiging wordt het bij het autowrak behorende kentekenbewijs gevoegd.

  • 4. Indien het bij het autowrak behorende kentekenbewijs niet aanwezig is, wordt dat op het certificaat van vernietiging aangegeven.

Artikel 3.61
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan wordt bij het demonteren van LPG-tanks en de opslag van de gedemonteerde LPG-tanks ten minste voldaan aan het tweede tot en met zesde lid.

  • 2. Het aftappen van LPG uit een LPG-tank bij een inrichting type B is niet toegestaan.

  • 3. Het demonteren van een LPG-tank geschiedt in de open lucht of in een goed geventileerde ruimte.

  • 4. De gedemonteerde LPG-tanks waarvan LPG nog niet is afgetapt, worden bij een inrichting type B ten minste eenmaal per twee maanden uit de inrichting afgevoerd.

  • 5. Bij een inrichting type B zijn maximaal 24 gedemonteerde LPG-tanks aanwezig, waarvan LPG nog niet is afgetapt.

  • 6. Gedemonteerde LPG-tanks waarvan LPG nog niet is afgetapt, worden als zodanig aangeduid en gescheiden opgeslagen van de LPG-tanks waarvan LPG is afgetapt.

Artikel 3.62
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan wordt bij het neutraliseren van airbags en gordelspanners uit autowrakken en de opslag van gedemonteerde airbags en gordelspanners binnen de inrichting tot een maximale hoeveelheid van 1000 gedemonteerde airbags en gordelspanners, voldaan aan het tweede tot en met het twaalfde lid.

  • 2. Het neutraliseren van airbags en gordelspanners gebeurt overeenkomstig paragraaf 6 van NEN 7557.

  • 3. Het neutraliseren van mechanische bestuurdersairbags wordt niet uitgevoerd bij een inrichting type A en type B.

  • 4. Na demontage worden de gedemonteerde airbags en gordelspanners, met uitzondering van de werkvoorraad, opgeslagen in een daarvoor bestemde, voor transport van gedemonteerde airbags en gordelspanners geschikte container of een voor opslag bestemde ruimte, die zodanig is uitgevoerd dat voldoende drukontlasting mogelijk is en waar de gedemonteerde airbags en gordelspanners gescheiden worden van de overige stoffen en materialen door middel van een afscheiding van gaas van voldoende sterkte bestaande uit staaldraad met een vrije opening van maximaal vijf centimeter dan wel door opslag in een separaat brandcompartiment.

  • 5. Gedemonteerde mechanische airbags en gordelspanners worden zodanig gescheiden van elkaar opgeslagen in een voorziening als bedoeld in het vierde lid dat de kans op onbedoeld activeren van deze airbags en gordelspanners zoveel mogelijk wordt beperkt.

  • 6. De ruimte, bedoeld in het vierde lid, bevindt zich op één centrale locatie binnen de inrichting, buiten bereik van onbevoegden.

  • 7. In en rondom de ruimte, bedoeld in het vierde lid, wordt geen open vuur gemaakt en wordt niet gerookt.

  • 8. Bij de entree van de ruimte, bedoeld in het vierde lid, is een markering aangebracht waarmee wordt aangegeven dat hier gedemonteerde airbags en gordelspanners zijn opgeslagen.

  • 9. De airbags worden met de afdekkap naar boven geplaatst.

  • 10. Elektrische airbags en gordelspanners worden niet aan statische lading blootgesteld indiende bekabeling, die direct gemonteerd is aan een airbag of gordelspanner, beschadigd is.

  • 11. Bij een inrichting type A of type B worden geen elektrische airbags en gordelspanners die zodanig beschadigd zijn dat de airbags en gordelspanners niet op een veilige wijze in het autowrak kunnen worden geneutraliseerd, ontstoken.

  • 12. De airbags en gordelspanners, bedoeld in het tiende lid, worden gedemonteerd en worden na demontage afgevoerd naar een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, van de wet.

Artikel 3.63
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden stof en gassen die vrijkomen bij het ontsteken van airbags en gordelspanners voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden stof en gassen, vanwege het ontsteken van airbags en gordelspanners, die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.64

Aan artikel 3.43 van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:

  • a. op jaarbasis minder dan 5000 autowrakken worden gedemonteerd, of

  • b. de afgezogen emissies die vrijkomen bij het ontsteken van airbags en gordelspanners worden gevoerd door een filtrerende afscheider die in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

I

Het opschrift van paragraaf 4.1.1 komt te luiden:

§ 4.1.1. Opslaan van gevaarlijke stoffen en bodembedreigende stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, vaste kunstmeststoffen, asbest, gedemonteerde airbags en gordelspanners en andere ontplofbare stoffen

J

Artikel 4.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikelen 4.1 tot en met 4.9’ vervangen door: artikelen 4.1 tot en met artikel 4.9b.

2. In het tweede lid wordt ‘artikelen 4.2, 4.9 en 4.10’ vervangen door: artikelen 4.1, 4.9, 4.9a, 4.9b en 4.10.

3. Onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid, wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het oppervlaktewater wordt bij het boven oppervlaktewater opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking en CMR-stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, vaste kunstmeststoffen, asbest, gedemonteerde airbags en gordelspanners en andere ontplofbare stoffen voldaan aan de artikelen 4.2 en 4.10a.

K

In artikel 4.3 wordt ‘3.7 tot en met 3.20’ vervangen door: 3.8 tot en met 3.20.

L

In artikel 4.4, eerste lid, onder c, wordt ‘de voorschriften van de paragrafen 3.23, 6.2.1 tot en met 6.2.16 van PGS 15’ vervangen door: de voorschriften 3.23, 6.2.1 tot en met 6.2.16 van PGS 15.

M

In artikel 4.5 wordt na ‘3.1.6,’ ingevoegd: 3.2.1.5a,.

N

In Tabel 4.8 behorende bij artikel 4.8 wordt ‘75***’ vervangen door: 753.

O

Na artikel 4.9 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.9a

  • 1. In afwijking van artikel 4.9 worden bovengrondse stationaire verpakkingen voor de opslag van afgetapte vloeibare brandstoffen bij een autodemontagebedrijf, met de daarbij behorende leidingen en appendages, met een inhoud van maximaal 270 liter per verpakking uitgevoerd, geïnstalleerd, gerepareerd en vervangen overeenkomstig BRL K903 door een bedrijf dat op grond van die BRL daartoe is gecertificeerd.

  • 2. Alle verpakkingen, bedoeld in het eerste lid, inclusief de bijbehorende leidingen en appendages worden onderhouden en beoordeeld overeenkomstig KC 111.

  • 3. De opslag van de verpakkingen inclusief de bijbehorende leidingen en appendages, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de voorschriften 4.1.3, 4.2.4 tot en met 4.2.7, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.14, 4.3.1 tot en met 4.3.4, 4.3.6, 4.3.8, 4.3.9, 4.3.11, 4.4.1, 4.4.3, 4.4.4, 4.4.7, 4.4.8, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.9, 4.5.12 en de voorschriften 4.6.2 tot en met 4.6.7 van PGS 30.

  • 4. Het lekdetectiesysteem bij de verpakkingen, bedoeld in het eerste lid, wordt éénmaal per jaar overeenkomstig KC 111 gecontroleerd op de werking ervan.

  • 5. Bij het constateren van gebreken die kunnen leiden tot het optreden van niet gedetecteerde lekken, wordt het lekdetectiesysteem, bedoeld in het vierde lid, binnen een periode van een maand hersteld.

  • 6. Het bevoegd gezag kan ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving maatwerkvoorschriften stellen aan de opstelplaats en de veiligheidsvoorzieningen van de verpakkingen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.9b

  • 1. De ruimte waarin de verpakkingen, bedoeld in het eerste lid van artikel 4.9a, zijn opgesteld voldoet aan het bepaalde bij of krachtens het tweede tot en met het tiende lid.

  • 2. De WBDBO van een ruimte waarin de verpakkingen zijn opgesteld naar een andere ruimte en van een andere ruimte naar een ruimte waarin de verpakkingen zijn opgesteld bedraagt ten minste 60 minuten.

  • 3. De wanden, het dak en de draagconstructie van de ruimte waarin de verpakkingen, bedoeld in het eerste lid van artikel 4.9a, zijn opgesteld, bezitten een brandwerendheid van ten minste 60 minuten.

  • 4. De ruimte vormt een vloeistofdichte lekbak met een inhoud van ten minste 300 liter.

  • 5. De ruimte mag slechts door deskundig personeel geopend en betreden worden.

  • 6. De ruimte heeft doorvoeringen van de stortleiding, de leegzuigleiding en de ontluchtingsleiding, die aan de bovenzijde van de ruimte worden geprojecteerd.

  • 7. De peilleiding heeft geen doorvoering door de wand.

  • 8. De beveiligingscomponenten zoals brandsmeltkleppen en detonatiebeveiligingen zijn direct aan de buitenzijde van de ruimte bevestigd.

  • 9. De ruimte is met een potentiaal vereffening aangesloten aan de buitenzijde van de ruimte en is doorgelust aan het frame van de verpakkingen met de natuurlijk aanwezige metallische verbinding.

  • 10. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de situering van de verpakkingen, bedoeld in artikel 4.9a.

P

Na artikel 4.10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.10a

  • 1. Het boven een oppervlaktewaterlichaam opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, CMR-stoffen in verpakking en bodembedreigende stoffen in verpakking vindt plaats boven een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen stoffen bevindt en de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen kan opvangen.

  • 2. Op de voorziening, bedoeld in het eerste lid, is artikel 2.4 van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Lege, ongereinigde verpakkingen van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen en vloeibare bodembedreigende stoffen die boven een oppervlaktewaterlichaam bovendeks aanwezig zijn, zijn aan de buitenkant schoon en goed gesloten of staan opgesteld boven een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen stoffen bevindt en in staat is de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen op te vangen en zodanig is uitgevoerd dat er geen hemelwater op of in terecht kan komen.

  • 4. Gevaarlijke stoffen in verpakking, CMR-stoffen in verpakking en bodembedreigende stoffen in verpakking die boven een oppervlaktewaterlichaam bovendeks aanwezig zijn, staan opgesteld boven een doelmatig fysieke voorziening die vrijgekomen stoffen keert zolang als nodig is om met daarop afgestemde maatregelen te voorkomen dat deze stoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen geraken. Artikel 2.3, tweede tot en met het achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Q

Aan het slot van het opschrift van paragraaf 4.1.3.1 wordt toegevoegd: en opslagtanks boven een oppervlaktewaterlichaam.

R

Aan artikel 4.13 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan voldoet de opslag van vloeibare brandstof in een opslagtank boven een oppervlaktewaterlichaam aan artikel 4.18a.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing op een ladingtank van een binnenschip.

S

Na artikel 4.18 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.18a

  • 1. Het opslaan van vloeibare bodembedreigende stoffen in opslagtanks boven een oppervlaktewaterlichaam vindt plaats boven een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen stoffen bevindt en in staat is de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen op te vangen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een opslagtank die dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie dat voldoet aan BRL K910 en dat ten minste eenmaal per jaar wordt beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig BRL K903.

  • 3. De vulpunten en aftappunten van een opslagtank met vloeibare bodembedreigende stoffen zijn geplaatst boven of in een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen stoffen bevindt en die de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen kan op vangen.

  • 4. De voorzieningen, bedoeld in het eerste en derde lid, zijn zodanig uitgevoerd dat:

    • a. gemorste of gelekte vloeibare bodembedreigende stoffen effectief worden opgevangen en kunnen worden opgeruimd;

    • b. er geen hemelwater op of in terecht kan komen, tenzij het hemelwater regelmatig van of uit de voorziening wordt verwijderd.

  • 5. De voorzieningen, bedoeld in het eerste en derde lid, zijn bestand tegen de inwerking van de desbetreffende vloeibare bodembedreigende stoffen en de condities waaronder deze stoffen worden gebruikt of opgeslagen.

  • 6. De voorziening, bedoeld in het eerste lid, heeft een opvangcapaciteit van ten minste 10% van de inhoud van alle opgeslagen stoffen.

  • 7. De opslagtank en de vulleiding zijn voorzien van een overvulbeveiliging.

T

Het opschrift van paragraaf 4.1.5 vervalt.

U

De artikelen 4.22 tot en met 4.32 vervallen.

V

In paragraaf 4.3.1 wordt na artikel 4.39 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.39a

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het verkleinen van hout, kurk, dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen waarbij gebruik wordt gemaakt van een installatie met een oliecircuit plaats boven een bodembeschermende voorziening.

W

In het tweede lid van artikel 4.44 wordt na ‘de afgezogen emissies die vrijkomen bij’ ingevoegd: extrusie en spuitgieten van kunststof en.

X

Na artikel 4.45 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.45a

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt extrusie, spuitgieten en shredderen van kunststof en kunststofproducten waarbij gebruik wordt gemaakt van een installatie met een olie- of koelvloeistofcircuit plaats boven een bodembeschermende voorziening.

Y

In het vierde lid van artikel 4.50 wordt ‘de omvang’ vervangen door: het volume of het gewicht.

Z

In het eerste lid van artikel 4.54 wordt na ‘waarbij vloeibare bodembedreigende stoffen worden gebruikt,’ ingevoegd: en het mechanisch verkleinen van metalen waarbij gebruik wordt gemaakt van een installatie met een oliecircuit.

AA

De artikelen 4.86 en 4.87 worden vervangen door:

Artikel 4.86

  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt bij het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen ten minste voldaan aan het tweede tot en met tiende lid.

  • 2. Het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen en het vullen van opslagtanks vindt uitsluitend plaats door of onder direct toezicht van deskundig personeel dat op de hoogte is van:

    • a. de gevaarlijke eigenschappen van de brandstoffen,

    • b. de absorptie- en hulpmiddelen, bedoeld in artikel 4.78 van het besluit,

    • c. het noodplan, bedoeld in het zevende lid, en

    • d. de instructies, bedoeld in artikel 36 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling,

    en dat direct kan ingrijpen bij morsingen, incidenten en calamiteiten.

  • 3. Bij een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen en bij het vulpunt van een bunkerstation indien dit vulpunt op de kant is gelegen, worden voorzieningen getroffen of maatregelen genomen om schade aan de afleverinstallatie en het vulpunt door aanrijdingen te voorkomen.

  • 4. Een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen en een bunkerstation zijn zodanig gelegen, dat de bereikbaarheid voor passerende vaartuigen is gewaarborgd en een zo laag mogelijk aanvaringsrisico wordt bereikt.

  • 5. Een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voldoet bij het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen aan de voorschriften 5.8, 6.5, 7.1, 7.7, 9.5, 9.6, 9.6.1.1, 9.6.1.3, 9.6.1.4 en 9.6.1.5 van PGS 28, waarbij voor ‘voertuig’ wordt gelezen ‘vaartuig’.

  • 6. Op een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen zijn de artikelen 21, 35b, e, f, j en k, 36, 45, 46 en 47 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling van overeenkomstige toepassing.

  • 7. Op verzoek van het bevoegd gezag stelt de houder van een inrichting waar vloeibare brandstof wordt afgeleverd aan vaartuigen aan de hand van de opslagcapaciteit, de aard van de opgeslagen producten en de aard van de inrichting een doelmatig noodplan op om:

    • a. lekkage zo spoedig mogelijk te stoppen en gelekte brandstof op te ruimen,

    • b. brand zo spoedig mogelijk onder controle te krijgen waarbij wordt aangegeven in welke gevallen zelf opgetreden wordt en in welke gevallen de brandweer wordt ingeschakeld,

    • c. betrokken personen intern te alarmeren en indien nodig op te roepen,

    • d. indien nodig de installatie stil te leggen of te ontruimen,

    • e. hulpdiensten, omwonenden en bevoegd gezag te informeren, en

    • f. zo nodig hulp te kunnen bieden aan degenen die zich op het bedrijfsterrein bevinden en aan omwonenden.

  • 8. Aan een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, wordt geen vloeibare brandstof afgeleverd.

  • 9. Aan een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, wordt geen vloeibare brandstof afgeleverd indien de gevaarlijke stoffen gassen zijn.

  • 10. Bij een bunkerstation waar lichte olie wordt afgeleverd aan vaartuigen, wordt geen vloeibare brandstof afgeleverd aan een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995

Artikel 4.86a

  • 1. Onverminderd artikel 4.86 voldoet een bunkerstation bij het afleveren van vloeibare brandstof aan vaartuigen ten minste aan de voorschriften 5.8, 6.5, 7.1, 7.7, 9.5, 9.6, 9.6.1.1, 9.6.1.3, 9.6.1.4 en 9.6.1.5 van PGS 28, waarbij voor ‘voertuig’ wordt gelezen ‘vaartuig’ en aan de artikelen 21, 35b, e, f, j en k, 36, 45, 46 en 47 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling.

  • 2. Het bevoegd gezag kan indien de technische staat van het bunkerstation onvoldoende is bij maatwerkvoorschrift eisen stellen die leiden tot een beschermingsniveau dat gelijkwaardig is aan bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op een bunkerstation dat beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 6 van het Binnenvaartbesluit.

Artikel 4.87

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico wordt een op de wal geplaatste vaste installatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen opgesteld boven een lekbak of een vloeistofdichte vloer of verharding.

Artikel 4.87a

  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt bij het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid.

  • 2. Het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen vindt zodanig plaats dat morsen van brandstof zoveel mogelijk wordt voorkomen. De gemorste brandstof wordt direct opgenomen met daarvoor geschikte absorptiemiddelen.

  • 3. Het vulpistool of het uiteinde van de vulleiding van een installatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen op een bunkerstation wordt weggehangen boven een lekbak.

  • 4. Een installatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen wordt niet gebruikt voor het vullen van jerrycans en andere vaten met vloeibare brandstoffen.

  • 5. Het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen vanuit een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie vindt plaats met een vulleiding met overvulbeveiliging en automatisch uitschakelinrichting die het bunkeren bij een tankvulstand van 97% onderbreken of een vulpistool dat is voorzien van een automatisch afslagmechanisme.

Artikel 4.87b

Indien blijkt dat bij het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen en het vullen van de beladingstanks van een bunkerstation de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, kan het bevoegd gezag met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de situering van de emissiepunten waar dampen van brandstof vrijkomen, of de toepassing van dampretourvoorzieningen of andere systemen om de dampen gericht af te zuigen.

BB

Na artikel 4.92 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.92a

  • 1. Onverminderd de artikelen 4.92 en 4.93 voldoet de afleverinstallatie bij het inpandig afleveren van lichte olie bestemd voor eigen gebruik vanuit een bovengrondse stationaire verpakking als bedoeld in artikel 4.9a aan het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2. Op of bij de pomp wordt duidelijk zichtbaar het veiligheidssignaal aangebracht:’ VUUR, OPEN VLAM EN ROKEN VERBODEN’ en wordt vermeld: ‘MOTOR AFZETTEN’.

  • 3. Nabij de pomp is ten minste één draagbaar blustoestel aanwezig met een vulling van ten minste 6 kg of liter blusstof.

  • 4. De afleverzuil wordt voorzien van een thermische brandmelder die is aangesloten op een akoestisch signaal.

CC

Het opschrift van paragraaf 4.7.1b komt te luiden:

§ 4.7.1b. Bewerken, lijmen, coaten en lamineren van papier of karton

DD

In paragraaf 4.7.1b worden na artikel 4.102h drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.102i

  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, wordt totaal stof dat vrijkomt bij het mechanisch verkleinen van papier en karton en van papieren of kartonnen producten, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden afgezogen emissies, die vrijkomen bij het mechanisch verkleinen van papier en karton en van papieren of kartonnen producten en die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.102j

Aan artikel 4.94g, eerste lid, van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien de afgezogen emissies die vrijkomen bij het versnipperen van papier en karton en van papieren of kartonnen producten worden gevoerd door een filtrerende afscheider die in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek wordt gecontroleerd en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Artikel 4.102k

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het mechanisch verkleinen van papier en karton en van papieren of kartonnen producten waarbij gebruik wordt gemaakt van een installatie met een oliecircuit, plaats boven een bodembeschermende voorziening.

EE

Het opschrift van paragraaf 4.7.3 komt te luiden:

§ 4.7.3. Mechanische bewerking en verwerking van textiel

FF

In de artikelen 4.104a en 4.104b wordt na ‘breien van textiel’ telkens ingevoegd: en het verkleinen van textiel en producten van textiel.

GG

Na artikel 4.104b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.104ba

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het verkleinen van textiel en producten van textiel waarbij gebruik wordt gemaakt van een installatie met een oliecircuit, plaats boven een bodembeschermende voorziening.

HH

Artikel 4.105 vervalt.

II

Artikel 4.109 komt te luiden:

Artikel 4.109

  • 1. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het met een acculader laden van een accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat, plaats boven een bodembeschermende voorziening

  • 2. Artikel 2.11 van het besluit is niet van toepassing op het met een acculader laden van een accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.

JJ

Na artikel 6.5a worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 6.5b

In afwijking van artikel 3.38, eerste lid, is voorschrift 5.5.1 uit PGS 28 ten aanzien van een ondergrondse opslagtank met vloeibare brandstof of afgewerkte olie die is geïnstalleerd voor 1 februari 2003, niet van toepassing tot 1 februari 2018.

Artikel 6.5c

Artikel 3.43, zevende en achtste lid, is tot en met 1 januari 2014 niet van toepassing op een opslag van verpompbare baggerspecie waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2011 een vergunning in werking en onherroepelijk was.

KK

In artikel 6.8 wordt na ‘4.84c, tweede lid,’ ingevoegd: 4.85,

LL

In artikel 6.10 wordt onder vernummering van het derde tot vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Ten aanzien van een bovengrondse opslagtank met stoffen van klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar die is geïnstalleerd in de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2011 zijn voorschrift 4.3.1 van PGS 30, voor zover het betreft het installatiecertificaat uit PGS 30, en artikel 4.15, zesde lid, tot 1 juli 2012 niet van toepassing.

MM

In bijlage 2 komt het deel van de lijst betreffende Rijkswaterstaat te luiden:

Rijkswaterstaat**

Naam waterlichaam KRW

Nr. Waterlichaam KRW

Waddenzee

NL81_1

Merwedekanaal

NL14 7

Hollandsche IJssel

NL14 10

Waddenzee

NL81 1

Eems-Dollard

NL81_2

Eems-Dollard Kust

NL81_3

Waddenzee vastelandskust

NL 81 10

ARK Betuwepand

NL86_5

Amsterdam-Rijnkanaal Noordpand

NL86_6

Noordzeekanaal

NL87_1

Antwerps kanaal pand

NL89_antwknpd

Grevelingenmeer

NL89_grevlemr

Kanaal Zuid Beveland

NL89_kandzbvld

Kanaal Terneuzen Gent

NL89_kantnzgt

Oosterschelde

NL89_oostsde

Bathse Spuikanaal

NL89_spuiknl

Veerse meer

NL89_veersmr

Volkerak

NL89_volkerak

Westerschelde

NL89_westsde

Zoommeer/Eendracht

NL89_zoommedt

Zwin

NL89_zwin

Midden Limburgse en Noord Brabantse kanalen

NL90_1

Bedijkte Maas

NL91BM

Bovenmaas

NL91BOM

Grensmaas

NL91GM

Julianakanaal

NL91JK

Maas-Waalkanaal

NL91MWK

Zandmaas

NL91ZM

IJsselmeer

NL92_IJSSELMEER

Ketelmeer + Vossemeer

NL92_KETELMEER_VOSSEMEER

Markermeer

NL92_MARKERMEER

Randmeren-Oost

NL92_RANDMEREN_OOST

Randmeren-Zuid

NL92_RANDMEREN_ZUID

Zwartemeer

NL92_ZWARTEMEER

Nederrijn/Lek

NL93_7

Waal, Bovenrijn

NL93_8

IJssel

NL93_IJSSEL

Twentekanalen

NL93_TWENTHEKANALEN

Haringvliet oost, Hollandsch Diep

NL94_1

Brabantse Biesbosch, Amer

NL94_10

Haringvliet west

NL94_11

Dortsche Biesbosch, Nieuwe Merwede

NL94_2

Beneden Merwede, Boven Merwede, Sliedrechtse Biesbosch, Afgedamde Maas Noord

NL94_3

Oude Maas (bovenstrooms Hartelkanaal), Spui, Noord, Dordtsche Kil, Lek

NL94_4

Benedenmaas,

NL94_5

Bergsche Maas

NL94_6

Nieuwe Maas, Oude Maas (benedenstrooms Hartelkanaal)

NL94_8

Nieuwe Waterweg, Hartel-, Caland-, Beerkanaal

NL94_9

Zeeuwse kust (kustwaterdeel)

NL95_1A

Zeeuwse kust (territoriaal waterdeel)

NL95_1B

Noordelijke Deltakust (kustwaterdeel)

NL95_2A

Noordelijke Deltakust (territoriaal waterdeel)

NL95_2B

Hollandse kust (kustwater)

NL95_3A

Hollandse kust (territoriaal water)

NL95_3B

Waddenkust (kustwater)

NL95_4A

Waddenkust (territoriaal water)

NL95_4B

Eems kust (territoriaal waterdeel)

NL95_5B

Meppelerdiep

NL99_MEPPELERDIEP

Noordervaart (waterlichaamdeel Peelkanalen)

NL 99 PLK 01 4H

Vecht – Zwarte Water

NL99_VechtZwarteWater

NN

Na bijlage 4 wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

BIJLAGE 5 EMMISSIEFACTOREN ZUIVERINGSTECHNISCHE WERKEN

Tabel 1. Emissiefactoren ontvangwerk en voorbehandeling

Onderdeel

percentage aanvoer via vrij verval riool

eenheid

 

0–25%

26–50%

51–75%

76–100%, of bij ijzer-dosering

ontvangwerk (put, vijzels etc.)

65

46,5

28

9,5

ou/s per m2

      

roostergoedverwijdering

65

46,5

28

9,5

ou/s per m2

      

roostergoedcontainers

65

46,5

28

9,5

ou/s per m2

      

zandvanger:

     

– oppervlak

7,5

7

6

5,5

ou/s per m2

– overstort

135

48

17

6

ou/s per m

      

zandwasser

135

48

17

6

ou/s per m2

      

verdeelwerk

135

48

17

6

ou/s per m2

      

voorbezinktank:

     

– oppervlak

8,5

7,5

7

6

ou/s per m2

– overstort

18,5

16,5

15

13,5

ou/s per m

      

anaërobe tank

5,5

5

4,6

4,2

ou/s per m2

      

selector:

     

– belucht

6

5,5

5

4,5

ou/s per m2

– onbelucht

5,5

5

4,6

4,2

ou/s per m2

      

voordenitrificatietank

2,2

1,9

1,7

1,6

ou/s per m2

Tabel 2. Emissiefactoren biologisch zuiveringsproces RWZI

onderdeel:

slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.)

Eenheid

 

<0,05

0,05–0,10

0,11–0,20

0,21–0,30

>0,30

 

Beluchtingstank

      

– aërobe zone:

      

* bellenbeluchting

0,2

0,35

0,65

1,05

1,65

ou/s per m2

* puntbeluchting

      

met omkapping

0,2

0,35

0,65

1,05

1,65

ou/s per m2

* borstelbeluchting

      

met omkapping

0,2

0,35

0,65

1,05

1,65

ou/s per m2

* puntbeluchting

      

zonder omkapping

0,3

0,55

1,0

1,6

2,5

ou/s per m2

       

– anoxische zone:

      

* bellenbeluchting

0,18

0,32

0,6

0,95

1,5

ou/s per m2

* borstelbeluchting

0,18

0,32

0,6

0,95

1,5

ou/s per m2

* puntbeluchting

0,18

0,32

0,6

0,95

1,5

ou/s per m2

       

Retourslibgemaal

0,6

1,1

2,0

3,2

5

ou/s per m2

       

Nabezinktank

      

– invoerzone

0,2

0,35

0,65

1,05

1,65

ou/s per m2

– oppervlak1)

0,16

0,28

0,5

0,85

1,3

ou/s per m2

       

Na-nitrificatie

0,16

0,16

0,16

0,16

0,16

ou/s per m2

       

Na-denitrificatie

0,16

0,16

0,16

0,16

0,16

ou/s per m2

XNoot
1

Voor de overstort van de nabezinktank wordt de emissie niet apart berekend.

Tabel 3. Emissiefactoren sliblijn

onderdeel

Slibkwaliteit

eenheid

 

vers

aëroob

anaëroob

gemengd

 

voorindikker

8

3,95

 

8

ou/s per m2

naindikker

  

3,05

 

ou/s per m2

uitgegist slibbuffer

  

3,05

 

ou/s per m2

slibindiklagune

 

4,05

1,75

4,35

ou/s per m2

filterpers

 

 

zeefbandpers

 

4,05

1,75

4,35

ou/s per m2

centrifuge

 

 

afvoer en opslag

 

4,05

1,75

4,35

ou/s per m2

fosfaatbezinktank

 

3,95

  

ou/s per m2

strippertank

 

3,95

  

ou/s per m2

slibindikker

 

3,95

  

ou/s per m2

flocculatietank

 

3,95

  

ou/s per m2

ARTIKEL II

De Regeling omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Na hoofdstuk 6 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 6a. INDIENINGSVEREISTEN VANWEGE AANGEWEZEN ACTIVITEITEN

Artikel 6.3

In of bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens de gegevens overgelegd, , bedoeld in artikel 1.10, derde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen, alsmede in de gevallen, bedoeld in artikelen 1.11, vijfde lid, en 1.16 van dat besluit, de in de betrokken bepalingen bedoelde gegevens.

B

Tabel 2 in Bijlage 1 ‘Aanwijzing BBT-documenten’ komt te luiden:

Tabel 2. Nederlandse informatiedocumenten over BBT

Naam document

jaartal

vindplaats

Circulaire energie in de milieuvergunning

oktober 1999

InfoMil.nl

Handreiking (co-)vergisting van mest

september 2010

InfoMil.nl

NeR Nederlandse emissierichtlijn lucht

juni 2010

InfoMil.nl

Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB)

juni 2003

InfoMil.nl

Handreiking methaanreductie stortplaatsen

april 2007

Senternovem.nl /ROBstortplaatsen

Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij

juni 2007

InfoMil.nl

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS):

  

PGS 7: Opslag van vaste minerale anorganische meststoffen

oktober 2007

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 9: Vloeibare zuurstof opslag van

0,45-100 m3 en erratum

oktober 2007

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 12: Ammoniak: opslag en verlading

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 13: Ammoniak: toepassing als koudemiddel voor koelinstallaties en warmtepompen

februari 2009

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en errata

december 2008

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 16: Autogas LPG

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 18: Distributiedepots voor LPG

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 19: Opslag van propaan, Richtlijn voor brandveilige, arbeidsveilige en milieuveilige stationaire opslag van propaan

juni 2008

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 22: Toepassing van propaan

september 2008

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 23: Propaan, vulstations van propaan- en butaanflessen

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 24: Propaan, vulstations voor spuitbussen met propaan, butaan en dimetylether als drijfgas

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 28: Vloeibare aardolieproducten – Afleverinstallaties en ondergrondse opslag

maart 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 29: Richtlijn voor bovengrondse opslag in

verticale cilindrische tanks

oktober 2008

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 30: Vloeibare aardolieproducten: buitenopslag in kleine installaties

juni 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

BBT-documenten water

  

Landbouw

  

Afvalwaterproblematiek van champignonteeltbedrijven, aanvullende nota

februari 1989

CIW.nl

Afvalwaterproblematiek glastuinbouw

maart 1993

CIW.nl

Afvalwaterproblematiek van landbouwloonbedrijven

december 1994

CIW.nl

Recirculatie drainagewater van grondgebonden glastuinbouwbedrijven

januari 1996

CIW.nl

Afvalwaterproblematiek van witloftrekkerijen

maart 1996

CIW.nl

Afvalwaterproblematiek boomteelt en vaste plantenteelt

oktober 1996

CIW.nl

Aansluiten glastuinbouw op de riolering

december 1998

CIW.nl

Beoordelingsmethode emissiereducerende maatregelen. Lozingsbesluit open teelt en veehouderij

maart 2003

CIW.nl

Recirculeren van spoelwater. Gevolgen voor de microbiologische kwaliteit van spoelwater

september 2003

CIW.nl

Goed gietwater. Beoordelingskader voor verplichte aanleg van een gietwatervoorziening bij grondgebonden glastuinbouwbedrijven

januari 2004

CIW.nl

Achtergronddocument glastuinbouw t.b.v. KRW-decembernota 2005, eindversie

augustus 2005

CIW.nl

Bodemsanering + bagger

  

Lozingen uit tijdelijke baggerspeciedepots

april 1998

CIW.nl

Riooloverstorten

  

Riooloverstorten deel 1: Knelpuntcriteria riooloverstorten

juni 2001

CIW.nl

Riooloverstorten deel 2: Eenduidige basisinspanning

juni 2001

CIW.nl

Riooloverstorten deel 3: Model voor vergunningverlening riooloverstorten

december 2001

CIW.nl

Riooloverstorten deel 4a: Nadere uitwerking monitoring riooloverstorten, spoor 1

september 2002

CIW.nl

Riooloverstorten deel 4b: Nadere uitwerking monitoring riooloverstorten, fase B

januari 2003

CIW.nl

Scheepvaart

  

Waterverontreinigingsproblematiek bij het stralen en conserveren bij scheepswerven voor beroepsvaart en grote jachten

april 1991

CIW.nl

Industriële activiteiten

  

Afvalwaterproblematiek bij vatenwasserijen

april 1993

CIW.nl

Integrale aanpak van risico's van onvoorziene lozingen

februari 2000

CIW.nl

Verwerking waterfractie gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen

april 2001

CIW.nl

Offshore

februari 2002

CIW.nl

Integrale bedrijfstakstudie tankautoreiniging

april 2002

CIW.nl

Instrumentarium

  

Meten en bemonsteren van afvalwater

maart 1998

CIW.nl

Handboek Wvo-vergunningverlening

mei 1999

CIW.nl

Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water

mei 2000

CIW.nl

Normen voor het Waterbeheer

mei 2000

CIW.nl

Emissie – immissie

juni 2000

CIW.nl

Milieunormen in perspectief

september 2002

CIW.nl

Standaardisatie Wvo-vergunningen

mei 2003

CIW.nl

Lozingseisen Wvo-vergunningen

november 2005

CIW.nl

Warmtelozing

  

CIW beoordelingssystematiek warmtelozingen

november 2004

CIW.nl

Oplegnotitie BREF

  

Oplegnotitie BREF Chlooralkaliproducerende industrie

november 2002

CIW.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF IJzer- en staalproducerende industrie

april 2004

CIW.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Pulp- en papierindustrie

april 2004

CIW.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Ferrometaalbewerkende industrie

april 2004

CIW.nl / InfoMil.nl

   

Oplegnotitie BREF Glasproducerende industrie

augustus 2005

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

augustus 2005

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Non-ferro metaal

augustus 2005

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Raffinaderijen

februari 2006

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Afvalbehandeling

augustus 2006

Infomil.nl

Oplegnotitie BREF Intensieve pluimvee- en

varkenshouderij

juli 2007

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Afvalverbranding

maart 2007

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Grote stookinstallaties

oktober 2007

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Smederijen en gieterijen

juni 2008

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Keramische industrie

juni 2008

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Textielindustrie

Juni 2008

CIW.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Industriële koelsystemen

Februari 2009

CIW.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF’s Chemie

Juni 2010

CIW.nl / InfoMil.nl

ARTIKEL III

  • 1. Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit van 15 november 2010 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (afvalgerelateerde activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) (Stb. 781) in werking treedt.

  • 2. Op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, treedt tevens in werking:

    • a. de paragrafen 3.3.4 voor zover het opslag van bilgewater en afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks betreft en 4.1.1 voor zover het de opslag van gevaarlijke afvalstoffen in verpakking betreft afkomstig van onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen, beide ten aanzien van inrichtingen waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen,

    • b. paragraaf 4.1.1 voor zover het de opslag van gevaarlijke afvalstoffen betreft ontstaan bij bouwwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden of herstelwerkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft, ten aanzien van inrichtingen met een opslag van gevaarlijke afvalstoffen ontstaan bij bouwwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden of herstelwerkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft, waarop op 31 december 2007

      het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer;

      • 1. het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer;

      • 2. het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer;

      • 3. het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, of

      • 4. het Besluit jachthavens,

      van toepassing was of zou zijn geweest.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 9 december 2010

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

J.J. Atsma.

TOELICHTING

Algemeen

Deze regeling wijzigt de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van 9 november 2007, nr. DJZ2007104180 (Staatscourant 16 november 2007, nr. 223/pag.11,  hierna Activiteitenregeling).

De wijziging betreft de tweede tranche van het project ‘tweede fase modernisering algemene regels’ waarbij in vervolg op de eerste fase die resulteerde in de inwerkingtreding van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) per 1 januari 2008 en de Activiteitenregeling, meer vergunningplichtige inrichtingen onder algemene regels worden gebracht. Hiermee wordt tevens het streven naar administratieve lastenvermindering onverminderd voortgezet.

De wijziging betreft het toevoegen en aanpassen van voorschriften aangaande inrichtingen die onder de algemene regels worden gebracht. Daarnaast wordt de Activiteitenregeling op een aantal punten verbeterd.

Deze regeling actualiseert ook de Nederlandse informatiedocumenten over beste beschikbare technieken in tabel 2 van bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht.

In het kader van het voorontwerp van het wijzigingsbesluit is onderzoek gedaan naar de effecten van het wijzigingsbesluit en deze regeling voor het bedrijfsleven, overheden en het milieu. In paragraaf 9 van de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit wordt uitvoerig ingegaan op deze punten. Voor een toelichting op de effecten voor het bedrijfsleven, overheden en het milieu wordt derhalve verwezen naar deze paragraaf uit het algemene deel van de toelichting bij het wijzigingsbesluit.

Deze regeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal). Het college heeft besloten de regeling niet te selecteren voor een toets op de gevolgen voor de administratieve lasten.

De ontwerpregeling is op 20 juli 2010 gemeld aan de Europese Commissie (notificatienummer 2010/0506/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende de informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Hierbij is gemeld dat artikel I mogelijk technische voorschriften bevat. Er zijn geen reacties op de ontwerpregeling ontvangen.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

De definities in dit onderdeel zijn ontleend aan het Landelijk afvalbeheerplan 2 (LAP2). B-hout is niet onder A- en C-hout vallend hout. Voorbeelden hiervan zijn geverfd, gelakt en verlijmd hout. C-hout is geïmpregneerd hout. Het gaat daarbij om behandeld hout waar stoffen al dan niet onder druk zijn ingebracht om de gebruiksduur te verlengen. Voorbeelden hiervan zijn: gecreosoteerd hout (met koolwaterstoffen en teren bewerkt), gewolmaniseerd hout en hout dat met andere middelen (fungiciden, insecticiden, boorhoudende verbindingen, quaternaire ammoniumverbindingen) is bewerkt om de gebruiksduur te verlengen.

Onderdeel B

Er zijn verschillende neutralisatietechnieken die zijn beschreven in de NEN-norm 7557. In de NEN-norm 7557 worden in paragraaf 6 eisen gesteld aan de aanwezige faciliteiten in het bedrijf, de vereiste kennis van de medewerkers en de werkwijze die gevolgd moet worden bij de verschillende neutralisatietechnieken. In onderdeel G wordt gebruik gemaakt van deze paragraaf.

Onderdeel C

In de tweede fase zijn gemeentewerven en onderhoudssteunpunten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit gebracht. Gebleken is dat hier ondergrondse opslag van pekel kan voor komen. Pekel is een bodembedreigende stof. Artikel 2.11 van het besluit verplicht tot het uitvoeren van een nul- en een eindsituatie onderzoek naar de bodemkwaliteit. Het is vooralsnog niet mogelijk gebleken om voor deze ondergrondse opslag specifieke op opslag gerichte voorschriften op te nemen. Het bevoegd gezag kan dit met de algemene zorgplichtbepaling regelen en kan hiermee de bestaande praktijk voortzetten. Wel is ervoor gekozen om in artikel 2.2 monitoring van de bodem op te nemen. Hierbij moet het grondwater worden bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van chloride.

Onderdeel D

In dit artikel worden de categorieën van afvalstoffen opgesomd als bedoeld in artikel 2.12 van het besluit. Voor de volledigheid: binnen één categorie mogen afvalstoffen bij elkaar gevoegd worden, samenvoegen van afvalstoffen uit verschillende categorieën is niet toegestaan. Basis voor de indeling zijn de sectorplannen in het LAP2, waarbij afvalstromen die volgens dezelfde minimumstandaard verwerkt worden zoveel mogelijk bij elkaar gevoegd mogen worden. De letters in dit artikel bij de stromen corresponderen met en zijn ontleend aan de volgende sectorplannen uit het LAP2:

a.

Sectorplan Autowrakken

b.

Sectorplan Brandblussers en sectorplan Gasflessen en overige drukhouders

c.

Sectorplan LPG-tanks

d.

Sectorplan Verpakkingen van lijm, kit of hars en Sectorplan Verpakkingen van overige gevaarlijke afvalstoffen

e, u en v:

Sectorplan Steenachtig materiaal

f, g en t:

Sectorplan Papier- en kunststofgeïsoleerde kabels en restanten daarvan

h, i en j:

Sectorplan Dakafval

k.

Sectorplan Autobanden

l.

Sectorplan Cellenbeton

m.

Sectorplan Gips

n.

Sectorplan Gescheiden ingezameld groenafval

o.

Sectorplan Hout

p en q:

Sectorplan Kunststof en Sectorplan Verpakkingen algemeen

r.

Sectorplan Metalen

s.

Sectorplan Gescheiden ingezameld papier en karton

w.

Sectorplan Gescheiden ingezameld textiel

x:

Sectorplan Verpakkingen algemeen

y:

Sectorplan Gescheiden ingezameld vlakglas

A- en B-hout zijn in dezelfde categorie ondergebracht. Voor de bestemming verbranden in een installatie voor schone biomassa zal A-hout gescheiden moeten worden gehouden van B-hout. Als A- en B-hout wordt samengevoegd moet het behoudens eventuele nascheiding verder gezien worden als B-hout.

Binnen de categorie betreffende metalen wordt geen onderverdeling gemaakt. Met het oog op hergebruik is scheiding op metaalsoort noodzakelijk. Deze scheiding is financieel zo aantrekkelijk dat hier geen nadere eisen aan gesteld worden.

Een aantal categorieën moet gescheiden gehouden worden op grond van andere regelgeving. Die zijn niet in dit artikel verwerkt, maar gescheiden houden is wel verplicht. Het gaat hier vooral om kadavers en dierlijke bijproducten, grond en baggerspecie in de onderverdeling van het Besluit bodemkwaliteit en dierlijke mest.

Onderdeel E

Artikel 3.4a

Om te voorkomen dat geurhinder optreedt bij zuiveringstechnische werken is een goede werking van filters van belang.

Artikel 3.4b, eerste en tweede lid

Dit artikel betreft de berekening van de geuremissies. De geuremissies door de verschillende procesonderdelen wordt bepaald met behulp van de emissiefactoren uit bijlage 53. Om deze tabellen te kunnen toepassen, moeten de in tabel 1 genoemde gegevens beschikbaar zijn.

Tabel 1. Basisgegevens

ontvangwerk en voorbehandeling:

* aanvoer van het afvalwater:

via vrij verval riool of via persleiding

benodigd:

het percentage van de totale aanvoerleiding die uit vrij verval riool bestaat

  

* ijzerdosering voor ontvangwerk?

Als ijzerchloride gedoseerd wordt vóór het ontvangwerk, wordt altijd uitgegaan van de emissiefactoren in de kolom 76–100% vrij verval riool.

  

* (water)oppervlakten van alle onderdelen

in m2

  

* totale lengte van de overstorten van de zandvanger en van de voorbezinktanks

in meters

biologisch zuiveringsproces RWZI:

* slibbelasting

benodigd:

de slibbelasting van het afvalwater, uitgedrukt in kg BZV/kg d.s.d.

  

* (water)oppervlakten van alle onderdelen

in m2

sliblijn

* slibkwaliteit:

voorindikker

slibindiklagune

zeefbandpers

afvoer en opslag

vers, aëroob of gemengd slib

aëroob, anaëroob of gemengd slib

aëroob, anaëroob of gemengd slib

aëroob, anaëroob of gemengd slib

  

* oppervlakten van alle onderdelen

in m2

Door de emissiefactoren uit de tabellen 1, 2 en 3 uit bijlage 5 te vermenigvuldigen met het bronoppervlak of de lengte van de bron (bij overstorten) wordt de bronsterkte berekend. De totale emissie door het zuiveringstechnisch werk wordt vervolgens bepaald door de emissies van de afzonderlijke bronnen te sommeren.

Verspreiding

Voor zuiveringstechnische werken (communale RWZI’s) wordt voor de bepaling van de geurbelasting het gebruik van de nomogrammen in figuur 1 en 2 als een gelijkwaardige methode voor het Nieuw Nationaal Model beschouwd, mits de onnauwkeurigheid volgens de hier beschreven methode niet groter is dan 30%.

Verondersteld wordt dat de verspreiding vanuit één puntbron plaatsvindt. Deze puntbron emitteert vanuit het geurgewogen zwaartepunt van het zuiveringstechnisch werk. Het geurgewogen zwaartepunt wordt bepaald uit de emissiegewogen middeling van de x- en y-coördinaten van de procesonderdelen. De x- en y-coördinaten van een bron (bepaald vanuit een willekeurig gekozen nulpunt) worden hierbij vermenigvuldigd met de procentuele bijdrage van de bron aan de totale geuremissie en gedeeld door 100. Vervolgens worden de aldus verkregen producten van coördinaten maal bijdragen opgeteld. De optelsom geeft dan de coördinaten van het geurgewogen zwaartepunt berekend.

Met behulp van de in figuur 1 en 2 gegeven nomogrammen kan de geurconcentratie op een bepaalde afstand van het geurgewogen zwaartepunt van de zuivering worden bepaald. De zo bepaalde geurconcentratie kan als ‘worstcase’ worden gezien, omdat de uitgangspunten voor het opstellen van het nomogram ongunstig zijn gekozen: de klimatologie, windrichting en terreinruwheid zijn zodanig worden bepaald.

Figuur 1 Afstanden tot contouren 0.5, 1, 1.5 en 3.5 ouE/m3 als 98 percentiel bij verschillende geurbelastingen range 0-100 [106 ouE/h]

Figuur 1 Afstanden tot contouren 0.5, 1, 1.5 en 3.5 ouE/m3 als 98 percentiel bij verschillende geurbelastingen range 0-100 [106 ouE/h]

Figuur 2 Afstanden tot contouren 0.5, 1, 1.5 en 3.5 ouE/m3 als 98 percentiel bij verschillende geurbelastingen range 100-500 [106 ouE/h]

Figuur 2 Afstanden tot contouren 0.5, 1, 1.5 en 3.5 ouE/m3 als 98 percentiel bij verschillende geurbelastingen range 100-500 [106 ouE/h]

Nauwkeurigheid immisieberekening

Doordat de RWZI als puntbron wordt voorgesteld, kunnen de concentraties op korte afstanden van het zwaartepunt met deze methode niet nauwkeurig worden vastgesteld. Om de onnauwkeurigheid te bepalen is een grafiek opgenomen (figuur 3). Hierin is de onnauwkeurigheid gegeven als functie van het quotiënt van de afstand tot de contour en de diameter (D) van de zuivering.

Figuur 3 Onnauwkeurigheid immissieberekening als functie van de verhouding tussen afstand tot de contour (X) en diameter van de zuivering (D)

Figuur 3 Onnauwkeurigheid immissieberekening als functie van de verhouding tussen afstand tot de contour (X) en diameter van de zuivering (D)

De diameter van de zuivering wordt bepaald met de formule:

Hierin is het ‘oppervlak’ het totale oppervlak van het deel van de zuivering waar zich de relevante geurbronnen bevinden. Als de volgens deze methode bepaalde onnauwkeurigheid groter is dan 30%, dan kunnen de geurconcentraties niet met behulp van het nomogram in figuur 2 bepaald worden. In die gevallen moet een verspreidingsberekening specifiek voor de betreffende situatie worden uitgevoerd met behulp van het Nieuw Nationaal Model, waarin alle bronnen afzonderlijk worden ingevoerd.

Als de nauwkeurigheid niet groter dan 30% is en er niet wordt voldaan aan de geurbelasting dan is met behulp van het nomogram te berekenen welke geuremissiereductie nodig is.

Berekening emissiereductie

Met behulp van de geuremissiesterktes van de afzonderlijke bronnen kan worden nagegaan welke bron het meest in aanmerking komt om te worden aangepakt om de totale geuruitworp voldoende te reduceren. Normaal mag bij de verplichte maatregelen (afdekken en luchtbehandeling) worden gerekend met een reductiepercentage van 90%. Door de restemissie weer in te voeren in de uiteindelijke bronsterkteberekening kan met de nomogrammen worden gecontroleerd of voldoende emissiereductie is bereikt. De keuze van de onderdelen van de zuivering die moeten worden afgedekt moet worden afgestemd op de specifieke situatie, de benodigde emissievermindering en de daarmee gepaard gaande kosten.

Indien van een bepaald onderdeel van zuiveringsinstallatie geen emissiefactor in de tabellen in bijlage 5 is opgenomen kan de methode, zoals beschreven in de toelichting bij het tweede lid niet zonder meer toegepast worden. Aanvullend geuronderzoek kan in een dergelijk geval noodzakelijk zijn (olfactometrisch of door snuffelploegonderzoek). Hiertoe is in het derde lid de mogelijkheid van maatwerkvoorschriften opgenomen.

Artikel 3.4b, vierde lid

Geurhinder is voor de RWZI geregeld met een algemene norm, aangevuld met een aantal specifieke maatregelen in de ministeriële regeling. Beide hebben ook betrekking op het opslaan en verladen van slib. Feit is dat er zelfs in gevallen waar aan de norm voldaan wordt en de maatregelen in de regeling worden toegepast nog geurproblemen rond het opslaan en verladen van slib kunnen optreden. Om die reden is de mogelijkheid geboden naast de geurnorm en de maatregelen in de regeling nog aanvullende maatregelen hiervoor voor te schrijven, waaronder de in de tabel in de Nota van toelichting bij artikel 3.5b van het besluit genoemde maatregelen. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de frequentie waarmee en tijdstippen waarop het slib wordt afgevoerd. Nadere informatie is voorhanden in het rapport ‘Stankoverlast en -bestrijding bij de verlading van ontwaterd slib’, STOWA, Utrecht, 2004).

Artikel 3.4c, d, en e

De gebruikelijke methode om de vloeistofdichtheid van voorzieningen aan te tonen is met CUR/PBV- Aanbeveling 44. Bij zuiveringstechnische werken is deze methode echter veelal niet toepasbaar vanwege de uitgestrektheid en de omvang van de installatie. Daarom wordt de controle op de lekdichtheid uitgevoerd met grondwatermonitoringssysteem. Bij nieuwe installaties wordt een horizonaal drainagesysteem toegepast en bij bestaande installaties kan een systeem met verticale peilbuizen worden toepast.

Een relatief nieuwe techniek is inspectie met geo-elektrische metingen. In tegenstelling tot CUR/PBV- Aanbeveling 44 behoeven de bassins hierbij niet leeggemaakt en gereinigd te worden alvorens de inspectie uit te voeren. Deze methode wordt onder andere toegepast in de tunnelbouw, maar met bassins bij zuiveringstechnische werken is nog geen ervaring opgedaan. De methode wordt wel gelijkwaardig geacht aan CUR/PBV-Aanbeveling 44 en kan dus ook gebruikt worden in plaats van en grondwatermonitoringssysteem.

Artikel 3.4f

De montoring bestaat uit het bemonsteren van het monitoringssysteem en het analyseren van de monsters. Afwijkingen in de analyseresultaten kunnen veroorzaakt worden door lekkages van de installatie. Als afwijkingen in de analyseresultaten blijkt wordt de meetfrequentie verhoogd en het bevoegd gezag op de hoogte gesteld.

Blijken de afwijkingen significant te zijn en zich gedurende langere periode voor te doen, dan wordt het analysepakket uitgebreid om de aard van de verontreiniging vast te stellen. In samenwerking met het bevoegd gezag wordt dan een herstelplan opgesteld en uitgevoerd.

Artikel 3.4g

Minstens eens in de 15 jaar vindt groot onderhoud aan een zuiveringstechnisch werk plaats. Dat zijn dan tevens de natuurlijke momenten om de meest kwetsbare plaatsen van de installatie, dilatatievoegen en overgangen tussen bassins, te inspecteren.

Onderdeel F

Artikel 4.18 is vervallen toen het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer in werking trad. De verwijzing die in artikel 3.6 is opgenomen, is dus niet langer correct.

Onderdeel G

In dit artikel werd abusievelijk het begrip ‘geluidgevoelig’ gebruikt. Bedoeld is ‘gevoelig’. Met dit onderdeel is dat hersteld.

Onderdelen H en U

Paragraaf 3.3.5 betreffende opslaan en overslaan van goederen is een bewerking van een paragraaf die oorspronkelijk als paragraaf 4.1.5 in de regeling stond. Voor de overzichtelijkheid is een integrale nieuwe tekstversie gemaakt, waarin ook de oorspronkelijke toelichtingen zoveel mogelijk verwerkt zijn. Inhoudelijke verschillen zitten vooral bij de bepalingen over laden en lossen (artikel 3.41), opslag boven oppervlaktewater (artikel 3.42), bodembescherming (artikelen 3.43 tot en met 3.45) en geur (artikel 3.46). De voorschriften over stuifgevoelige goederen zijn niet inhoudelijk gewijzigd.

Artikel 3.39

In artikel 1.1 van het besluit is een definitie van inerte goederen opgenomen. Uit deze definitie blijkt dat onder inerte goederen goederen worden verstaan die niet bodembedreigend zijn, en die geen gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen zijn. In dit artikel wordt op grond van artikel 3.31 van het besluit aangegeven welke goederen in ieder geval daaronder vallen.

In deze groep worden goederen ingedeeld die bij opslag geen significante milieubelasting geven.

Artikel 3.40

Bulkopslag heeft, zonder beschermende maatregelen, de neiging een steeds groter terrein te gaan beslaan omdat de hoop uitzakt. Indien die opslag dicht bij het oppervlaktewater is gelegen zal de opslag zich op een gegeven moment uitstrekken tot in het oppervlaktewater. Dit kan worden voorkomen door de opslag op minstens twee meter vanaf de oever of de kade te houden of door middel van het plaatsen van een keerwal waarmee voorkomen wordt dat de hoop uitzakt.

Het voorkomen van verontreiniging is een essentieel onderdeel van een goede bedrijfsvoering en de zorgplicht, die elke inrichting heeft. Een goed voorbeeld daarvan is dat eventuele morsverliezen in de nabijheid van het oppervlaktewater of de riolering zo snel mogelijk worden opgeruimd. Hierdoor wordt vervuiling van het oppervlaktewater vanuit deze bron voorkomen. Een andere maatregel is de morsverliezen op kades, steigers, pontons en scheepsdelen direct, of in ieder geval binnen 24 uur, na het beëindigen van de overslagactiviteit op te ruimen. In die gevallen dat dit zou leiden tot een onredelijke inspanning zal de inrichting gemakkelijk kunnen aantonen dat zo’n maatregel niet onder de zorgplicht valt.

In het tweede lid wordt aangegeven dat het ter invulling van artikel 3.32 in ieder geval niet toegestaan is grijpers schoon te maken in het oppervlaktewater.

Artikel 3.41

Op grond van artikel 3.32 van het besluit moeten bij op- en overslag maatregelen worden genomen om te voorkomen dat stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. Bij overslag van schip naar oever betekent dit dat het schip zo dicht mogelijk tegen de oever gelegd moet worden. Aan dit voorschrift wordt in ieder geval voldaan als het schip zo afgemeerd kan worden dat er geen ruimte tussen schip en kant zit. In de praktijk is dat niet altijd haalbaar, en zal er bij overslag een spleet tussen schip en kant ontstaan. In artikel 3.41 is opgenomen dat deze spleet in ieder geval niet breder mag zijn dan aangegeven. Dat laat overigens onverlet dat de inrichtinghouder de spleet zo klein mogelijk moet houden en verder ook alles moet doen om te voorkomen dat goederen in het oppervlaktewater raken.

Artikel 3.42

Op grond van artikel 3.35 van het besluit is opslag boven oppervlaktewater van andere goederen dan inerte goederen niet toegestaan, behalve benedendeks op een binnenschip. Als uit de goederen vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, bijvoorbeeld oliefilters uit een scheepsmotor, dan moeten de goederen benedendeks worden opgeslagen boven een lekbak.

Als de goederen worden verladen, en dus bovendeks of op een steiger aanwezig zijn, dan worden maatregelen genomen om te voorkomen dat de bodembedriegende vloeistof die eruit lekt in het oppervlaktewater komt, bijvoorbeeld door de goederen in een lekbak te houden, of een andere vloeistofkerende voorziening toe te passen, zodat bij morsen de vloeistof kan worden opgeruimd voordat die in het oppervlaktewater terecht komt.

Artikel 3.43 en 3.44

In dit onderdeel worden bodembeschermende voorzieningen voorgeschreven voor andere dan inerte goederen. In deze groep zijn twee belangrijke subgroepen aan te wijzen namelijk een groep met goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken en een groep met goederen die significant kunnen uitlogen.

Groep 1: Goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken

Het is ongewenst dat vloeibare bodembedreigende stoffen in bodem en oppervlaktewater terecht komen. De meest voorkomende vloeibare bodembedreigende stof die uit goederen kan lekken is olie, maar organisch materiaal (BZV) komt ook voor. Voor deze groep geldt dat opslag plaatsvindt op een vloeistofdichte vloer (of lekbak). Uit de algemene bodemvoorschriften volgt dat deze beschermd is tegen inregenen, zodat afvalwater alleen bestaat uit de gelekte vloeistof en afvalwater van reinigingsactiviteiten.

In artikel 3.44 is een aantal goederen aangegeven die in ieder geval in deze groep vallen.

Groep 2: goederen die kunnen uitlogen

Hierin worden goederen ingedeeld die bij contact met water kunnen gaan uitlogen. Er is geen standaardnorm om uitloging van alle goederen mee te kunnen kwantificeren. Voor deze groep geldt dat de goederen alleen bodembedreigend zijn bij contact met hemel- of grondwater. Als de opslag beschermd kan worden tegen hemelwater volstaat een goede vloer die niet vloeistofdicht hoeft te zijn. Als de opslag niet beschermd wordt tegen hemelwater is een vloeistofdichte vloer (of lekbak) nodig.

Non-ferrometalen nemen een bijzondere positie in deze groep in. Metalen zoals koper, lood en zink logen uit bij contact met hemelwater. De zware metalen die uitlogen worden meegenomen door het afvalwater, en slaan voor het grootste deel neer als de onopgeloste stoffen worden afgescheiden voor de lozing. Hoewel voor deze goederen het uitgangspunt blijft dat ze bij voorkeur zo worden opgeslagen dat uitloging wordt voorkomen, omdat er geen contact is met hemelwater. Bij veel grote opslagen kan het voorkomen dat overkapping tot onevenredig grote kosten leidt. Dit is vooral bij zink het geval. Voor zink mag om die reden in gevallen dat overkapping niet redelijk is, volstaan worden met een goed afwaterende aaneengesloten vloer (bij voorkeur asfalt of ander materiaal zonder kieren). Als er contact is met hemelwater, zal op grond van het lozingsvoorschrift bij lozing op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of vuilwaterriool om aan de norm voor onopgeloste stoffen te voldoen een afscheider toegepast moeten worden, waarmee de bulk van de uitgeloogde metalen wordt afgevangen. Voor andere metalen dan zink doet de situatie zich minder vaak voor dat opslag onder overkapping onredelijk is. Om die reden kan bij andere metalen deze afwijking alleen bij maatwerk worden toegestaan. Het overgangsrecht regelt de situatie van een inrichting die onder dit besluit komt te vallen en die vergunning had voor buitenopslag van andere metalen (zie artikel 6.1 van het besluit).

Het zesde lidvan artikle 3.43 regelt enkele specifieke situaties. C-hout met KOMO-certificaat mag als bouwmateriaal worden toegepast. De uitloging is in dat geval beoordeeld, en wordt acceptabel geacht. Opslag van grotere hoeveelheden C-hout moet desalniettemin op een goede vloer plaats vinden, waarbij artikel 2.3 ook van toepassing is zodat stof dat vrijkomt moet worden opgeruimd.

Daarnaast regelen deze artikelen de opslag van zonder reiniging herbruikbare grond, indien die wordt opgeslagen op een locatie waar die niet zou mogen worden toegepast. In dat geval is een goede onderafdekking nodig om menging met de bodem ter plaatse te voorkomen. Ook hier geldt dat artikel 2.3 eveneens van toepassing is.

Artikel 3.45

Indien binnen een inrichting grond of baggerspecie wordt opgeslagen, en ter plaatse van de opslag voldoet de grond of baggerspecie aan de eisen die het Besluit bodemkwaliteit daaraan stelt is op grond van het Besluit bodemkwaliteit reeds een verkennend onderzoek van de bodem ter plaatse nodig, en is een nulsituatie-onderzoek dus niet nodig.

Als deze opslag eenmalig is ten behoeve van een werk, is ook verder bodemonderzoek (m.n. eindsituatie-onderzoek) niet nodig vanwege deze activiteit. Als de opslag binnen de inrichting vaker plaats vindt (bijvoorbeeld bij een gemeentelijk gronddepot), dan is een eindsituatie-onderzoek wel vereist.

Artikel 3.46

Niet-houtachtige plantenresten die worden opgeslagen gaan bij de opslag composteren. Als dat composteren niet goed plaats vindt leidt dit tot percolaatvorming en kan er geurhinder optreden. Om die reden moet een inrichtinghouder kiezen: Of het materiaal wordt binnen 14 dagen afgevoerd, of de inrichting verwerkt het binnen 14 dagen in een eigen composteringsplaats. De eisen aan de composteringsplaats worden gesteld in het Besluit landbouw.

Over het algemeen zal binnen 14 dagen het composteerproces nog niet zo ver gevorderd zijn dat geurhinder te verwachten is. Bij bijzonder nat materiaal of geshredderd materiaal zou eerder geurhinder op kunnen treden. In die gevallen is het mogelijk om bij maatwerk nadere eisen aan de opslag en afvoerfrequentie te stellen.

Artikelen 3.47 tot en met 3.55

Het gaat in deze artikelen over stuifgevoelige goederen. In hoofdstuk 3.8 van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) staat een aanpak om stofemissies bij op- en overslag van stuifgevoelige bulkgoederen te voorkomen. Deze aanpak is vertaald in het besluit, maar vooral in de bijbehorende regeling. Uitgangspunt is dat bulkgoederen worden ingedeeld in 4 stuifklassen (zie bijlage 4.6 van de NeR).

 

Niet bevochtigbaar

Wel bevochtigbaar

Sterk stuifgevoelig

S1

S2

Licht stuifgevoelig

S3

S4

Stoffen van klasse S1 en S3 mogen alleen binnen worden opgeslagen en gemengd. Stoffen van klasse S2 en S4 mogen ook buiten worden opgeslagen, maar moeten dan vochtig worden gehouden.

Overslag van stuifgevoelige goederen mag buiten plaatsvinden maar is alleen toegestaan als het niet te hard waait.

Bijlage 4.6 van de NeR onderscheidt ook nog klasse S5. Klasse S5 is niet of nauwelijks stuifgevoelig. Voor op- en overslag van klasse S5 zijn geen voorschriften gesteld.

Voor het tegengaan van stofemissies bij de op- en overslag van bulkgoederen is in deze regeling gekozen voor een aantal erkende maatregelen waarmee in ieder geval wordt voldaan aan de artikel 3.32 en artikel 3.38 van het besluit. Op- of overslag in de buitenlucht moet zo plaatsvinden dat geen waarneembare stofverspreiding optreedt waarmee ook verontreiniging van de omgeving en het oppervlaktewater en afspoelen van stof wordt voorkomen (artikel 3.32 van het besluit).

Op- en overslag en mengen in gesloten ruimtes moet voldoen aan een bepaalde emissieconcentratie van totaal stof (artikel 3.38, tweede lid, van het besluit).

De belangrijkste indicator voor het optreden van emissies is een zichtbare stofpluim (artikel 3.32, onder a, van het besluit). Een inrichting moet zelf maatregelen treffen om te voorkomen dat zo’n stofpluim ontstaat. Deze regeling geeft een reeks erkende maatregelen gericht op de opslag, het mengen en de overslag van bulkgoederen. Verder zijn maatregelen opgenomen voor verschillende vormen van overslag, zoals het verladen door middel van storttrechters, het laden en lossen met behulp van grijpers, het beladen en lossen van lichters en het laden en lossen met behulp van pneumatische elevatoren.

De maatregelen bestaan uit het bevochtigen, gesloten systemen voor continu transport, afzuiging van storttrechters en afgesloten grijpers waarmee zichtbare stofpluimen kunnen worden voorkomen. Als een inrichting stofpluimen kan voorkomen met andere maatregelen of zelfs zonder (de erkende) maatregelen toe te passen, is dat ook goed. Zolang het doel, namelijk het voorkomen van waarneembare stofpluimen, maar wordt bereikt.

Als een inrichting de erkende maatregelen toepast, voldoet het aan het doelvoorschrift. Mocht het bevoegd gezag toch constateren dat er structureel stofpluimen te zien zijn, dan is dat vooral aanleiding om te kijken of de maatregelen goed worden toegepast.

Behalve deze erkende maatregelen staan er in de toelichting per voorschrift ook nog een aantal extra maatregelen die kunnen helpen om de stofemissie te verminderen. Handhaven gebeurt op de visuele waarneembaarheid van de stofpluim.

Voor verkeer op en vanaf het opslagterrein is in het besluit en in deze regeling niets geregeld. Om stofverspreiding ten gevolge van verkeer op en vanaf het opslagterrein tegen te gaan kunnen indien nodig de volgende maatregelen als maatwerkvoorschrift worden voorgeschreven.

Stofverspreiding ten gevolge van verkeer op en vanaf het opslagterrein dient te worden beperkt door:

  • Het aantal verkeersactiviteiten op het terrein zo gering mogelijk te houden;

  • Transport op het terrein zo mogelijk continu mechanisch of pneumatisch plaats te laten vinden;

  • Autoverkeer te beperken tot verharde wegen die regelmatig schoongemaakt worden;

  • Het afschermen van wegen van het onverharde terrein;

  • De snelheid van voertuigen op het terrein te beperken;

  • De wegen van het terrein te sproeien.

Stofverspreiding door voertuigen buiten het opslagterrein kan worden voorkomen door voertuigen schoon te spuiten en de banden te reinigen alvorens deze het opslagterrein verlaten en door de laadruimte zodanig te benutten, in te delen of af te dekken, dat stofverspreiding door morsgoed op wegen onmogelijk wordt.

Artikel 3.47, eerste lid

Voor goederen in stuifklasse S2 is bevochtiging een goede oplossing. De frequentie van bevochtiging moet uiteraard nog steeds zodanig zijn dat geen zichtbare stofverspreiding optreedt.

Bij kleine en kortstondige opslag in de open lucht kan ook met een zeil of iets dergelijks worden afgedekt. Het bevoegd gezag oordeelt in voorkomende situaties of afdekken met een zeil voldoende is.

Behalve de erkende maatregel helpen ook de onderstaande maatregelen om stofverspreiding tegen te gaan:

  • Afdekking;

  • Aanleg van windreductieschermen;

  • Oriënteren van de lengteas van de opslag in de voornaamste windrichting;

  • Nat- en/of schoonhouden van onbezette opslagterreinen.

Voor goederen in stuifklasse S4 zijn geen erkende maatregelen voorgeschreven. Voor deze stoffen zullen alleen bij uitzondering maatregelen nodig zijn om stofverspreiding tegen te gaan.

Indien goederen behorend tot stuifklasse S4 voor langere tijd in de open lucht worden opgeslagen, kan ter voorkoming van een waarneembare stofpluim de berg zo vaak als nodig is met water en/of een zogenoemd vastleggend middel of bindmiddel worden besproeid.

Artikel 3.47, tweede lid

Bij opslag van stuifgevoelige goederen in een volledig gesloten container of ruimte wordt automatisch voldaan aan artikel 3.38 van het besluit. Voor de sterk stuifgevoelige goederen (S1 en S2, inclusief houtmot) komt ook opslag in een gesloten container voor met een afzuigpunt, bijvoorbeeld voor pneumatisch transport of om de ruimte op onderdruk te houden. In dat geval is op dat afzuigpunt een filtrerende afscheider nodig en dient het afzuigpunt bovendaks uit te komen (artikel 3.55 van deze regeling).

Als goederen van stuifklasse S3 of S4 worden opgeslagen in een silo met ventilatieopeningen of sleuven blijft de emissie doorgaans onder de in artikel 3.38 van het besluit genoemde massastroom en is een filtrerende afscheider dus niet nodig. Alleen bij uitzondering (bijvoorbeeld als een geforceerde ventilatie of zichtbare stofemissie plaatsvindt) zijn aanvullende voorzieningen nodig om aan artikel 3.38 van het besluit te voldoen.

Artikel 3.47, tweede lid; artikel 3.48, eerste lid en artikel 3.49, tweede lid

Met een filtrerende afscheider wordt een installatie of een deel van een installatie bedoeld om deeltjes in vaste of vloeibare vorm (met in begrip van aërosolen) te verwijderen uit een vloeistof- of gasstroom door gebruik te maken van een filter van deels doorlaatbaar materiaal. Afscheiding van de deeltjes vindt plaats door zeefwerking, directe botsing en/of aantrekkingskracht.

Voor het verwijderen van vaste deeltjes uit een gasstroom kan onder een filtrerende afscheider ten minste worden verstaan:

  • Doekfilter (ook wel slangenfilter of zakkenfilter);

  • Compactfilter (ook wel cassettefilter of enveloppenfilter);

  • Verbeterde compactfilter (ook wel sintamatic, sinterlamellenfilter of spirot tubes);

  • Keramisch filter;

  • Twee-traps stoffilter (ook wel metaalgaas filter);

  • Absoluutfilter (oppervlakte filter, patronenfilter, microfilter, HEPA filter).

Artikel 3.48

Behalve de erkende maatregelen uit artikel 3.48 helpen ook de onderstaande maatregelen om stofverspreiding tegen te gaan.

Om te voorkomen dat tijdens het mengen stofhinder ontstaat kunnen bij het opbouwen van een menghoop in de buitenlucht ook nog de volgende maatregelen worden getroffen:

  • Het talud van de menghoop is niet groter dan het natuurlijke talud;

  • De laatst opgebrachte laag bestaat uit de minst stuifgevoelige component van het mengsel;

  • De laag wordt voldoende vochtig gehouden.

Artikel 3.49

Het verdient de voorkeur om, als dat mogelijk is, de storthoogte automatisch te regelen. Als onderdeel van de zorgplicht zal de inrichting ter beperking van stofemissies en daaruit volgende verontreiniging van het oppervlaktewater zorgen dat grijpers en laadruimte niet overvuld worden en de laadruimte van het schip zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, gesloten worden gehouden. Dit betekent bijvoorbeeld dat zodra een laadruim gevuld is dit ook direct gesloten zal worden.

Indien geen aan- of afvoer plaatsvindt, wordt de opslagruimte goed afgesloten.

Artikel 3.50

Onder continue mechanisch transport worden bijvoorbeeld band-, schroef- of kettingtransporteurs verstaan.

Artikel 3.51, eerste lid

Behalve de erkende maatregelen uit artikel 3.51 helpen ook de onderstaande maatregelen om stofverspreiding tegen te gaan:

  • Voor het verladen van sterk stuifgevoelige goederen behorend tot de stuifklasse S1 en S2 dienen storttrechters zodanig te zijn geconstrueerd dat na het openen van de grijper boven de trechter geen – meer dan 1 meter buiten de trechterrand zichtbare – stofverspreiding kan optreden;

  • Het uitlooppunt van storttrechters mag geen stofverspreiding veroorzaken;

  • De capaciteit van de afzonderlijke delen van de verlaadinstallatie moet goed op elkaar afgestemd zijn. Hierbij moet rekening gehouden worden met de maximale vullingsgraad van de trechter. De maximale vullingsgraad bedraagt voor:

  • Stuifklasse S1 en S2 75%;

  • Stuifklasse S3 en S4 85%.

Artikel 3.52

Behalve de erkende maatregelen uit artikel 3.52 kunnen ook de volgende maatregelen als onderdeel van de zorgplicht helpen om stofverspreiding tegen te gaan:

  • het gebruik van deugdelijke en van de bovenkant afgesloten grijpers bij laden en lossen van goederen van stuifklasse S4;

  • tijdens het openen van de grijper voorkomen dat stofverspreiding optreedt in de omgeving van het stortpunt;

  • de grijper tijdens het lossen pas openen nadat deze onder de rand van de storttrechter, dan wel onder de rand van de windschermen, is gezakt.

In het geval waarin door middel van een zodanige bevochtiging ook verstuiving bij het laden en lossen met behulp van grijpers kan worden voorkomen, kan dit als alternatieve maatregel worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.53

Behalve de erkende maatregelen uit artikel 3.53 helpen ook de onderstaande maatregelen om stofverspreiding tegen te gaan.

  • In de stortkoker zijn remschotten of een dergelijke andere voorziening aangebracht om de snelheid van het te storten materiaal te reduceren;

  • Bij sterk stuifgevoelige goederen wordt de stortkoker afgezogen;

  • Bij het gebruik van een stortkoker met de zogenoemde visbekconstructie wordt de stortkoker afgezogen waarbij de afgezogen hoeveelheid lucht groter moet zijn dan de hoeveelheid lucht die wordt verplaatst door het stortgoed;

  • Bij het lossen worden de grijpers pas geopend nadat deze voldoende onder de rand van het ruim zijn gezakt.

In het geval waarin door middel van een zodanige bevochtiging ook verstuiving bij het beladen en lossen van lichters met bulkgoederen kan worden voorkomen, kan dit als alternatieve maatregel worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.55

Dit is een standaardbepaling met maatwerk voor de manier waarop afgezogen emissies worden afgevoerd. Voor een toelichting wordt hier verwezen naar de algemene toelichting over luchtmaatregelen bij de oorspronkelijke toelichting bij de regeling (Staatscourant 2007, 223).

Artikelen 3.56 tot en met 3.64

In de artikelen 3.56 tot en met 3.64 zijn regels opgenomen ten aanzien van de activiteit ‘het demonteren van autowrakken’. Een groot aantal van deze regels is gesteld om een doelmatig beheer van afvalstoffen te bereiken.

De regels zijn grotendeels gebaseerd op de regels zoals deze waren opgenomen in artikel 5 en de bijlage van het Besluit Beheer autowrakken (BBA).

In een aantal gevallen wijken ze af van datgene wat was opgenomen in de bijlage bij het Besluit beheer autowrakken (BBA).

Voor wat betreft de artikelen ten aanzien van de bescherming van de bodem is aansluiting gezocht bij de aanpak en de terminologie zoals die is gekozen bij het opzetten van het BBA.

In een aantal gevallen zijn er ook artikelen niet overgenomen. Dit betreft onder andere:

Het artikel in het BBA betreffende het aftappen van airconditioningvloeistof en de verwijzing naar de RLK (Regeling Lekdichtheidsvoorschriften Koelinstallaties) is niet overgenomen.

Het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen milieubeheer en het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer zijn gewijzigd. Die besluiten zijn de basis van de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties. Deze vervangt de STEK regeling en gaat over diplomering van personen en certificering van bedrijven. Alle personen die werken aan apparatuur (stationair of mobiel) met gereguleerde stoffen of broeikasgassen, waarbij die stoffen zouden kunnen vrijkomen, zoals ontmantelen, moeten nu gediplomeerd zijn. Bedrijven hebben verder een certificaat nodig. Zie ook http://www.senternovem.nl/f-gassenverordening/f-gassen/index.asp.

Het artikel in het BBA over de opslag van autobanden in verband met mogelijk brandgevaar is niet overgenomen. Dit is geregeld via artikel 2.19 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken.

Artikel 3.56

Het aftappen van vloeistoffen en het demonteren van vloeistof bevattende onderdelen bij een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd vindt plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding.

Vanwege de aard van de activiteit zijn andere voorzieningen niet toereikend. Op grond van artikel 2.1 dient deze vloer of verharding periodiek gekeurd te worden.

Artikel 3.57, eerste tot en met vierde lid

De in het tweede lid genoemde (vloei)stoffen, preparaten of andere producten zijn overgenomen uit bijlage I bij de autowrakkenrichtlijn. In het kader van het reeds bestaande inname- en verwerkingssysteem, zoals beheerd door Auto Recycling Nederland(ARN), worden al deze (vloei)stoffen, preparaten of andere producten (met uitzondering van batterijen en PCB/PCT- houdende condensatoren) reeds ingezameld, met dien verstande dat daarbij alle verschillende oliën gezamenlijk als ‘afgewerkte olie’ worden opgeslagen en afgevoerd. Vooralsnog is het vanuit het oogpunt van nuttige toepassing of materiaalhergebruik niet nodig de verschillende oliën gescheiden op te slaan en gescheiden af te voeren.

Artikel 3.57, vijfde lid

De in het vijfde lid opgenomen materialen of onderdelen zijn overgenomen uit bijlage I bij de autowrakkenrichtlijn. De bedoeling is dat alle materialen en onderdelen die als product of materiaal kunnen worden hergebruikt, selectief gedemonteerd, gescheiden opgeslagen en gescheiden afgevoerd worden. De meeste van de hier genoemde materialen en onderdelen worden in het kader van het bestaande inname- en verwerkingssysteem reeds selectief gedemonteerd en afgevoerd ten behoeve van materiaalhergebruik. Er mag van worden uitgegaan dat voor alle in het kader van het bestaande collectieve inname- en verwerkingssysteem voorgeschreven materialen en onderdelen reële hergebruiksmogelijkheden bestaan. Ook van niet bij het collectieve inname- en verwerkingssysteem aangesloten autodemontagebedrijven kan daarom verwacht worden dat zij deze materialen en onderdelen demonteren.

Het vijfde lid heeft tot doel om product- en materiaalhergebruik te bevorderen en verontreiniging van shredderafval te voorkomen.

De in het vijfde lid genoemde materialen die ná het shredderen in een shredderinstallatie, niet meer door ‘mechanische nascheiding ten behoeve van hergebruik’ in een scheidingsinstallatie, zoals bijvoorbeeld in de PST (Post Shredder Technologie )-fabriek, kunnen worden gescheiden, moeten uit de autowrakken worden gehaald bij een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd.

Artikel 3.57, zesde lid

In verband met de controle op de naleving van de regels zoals opgenomen in het eerste tot en met het vijfde lid door zowel het bevoegd gezag als door de shredderinstallatie die het bewerkte autowrak ontvangt, is het van belang dat autowrakken niet zodanig mechanisch verkleind worden dat de identiteit en de inhoud van het autowrak niet meer herkenbaar zijn. Het gestelde in het zesde lid voorziet daarin. Het knippen of snijbranden als demontagetechniek blijft toegestaan voor zover hierdoor de identiteit en de inhoud van het autowrak herkenbaar blijven. De identiteit van een autowrak blijft herkenbaar als het merk, het type, het chassisnummer, het voertuigidentificatienummer en eventuele in het kader van een verwerkingssysteem aangebrachte identificatieobjecten zichtbaar blijven. De inhoud van een autowrak blijft herkenbaar indien visueel kan worden gecontroleerd dat alle in de leden 2 en 5 genoemde stoffen, preparaten en andere producten gedemonteerd zijn of dat het autowrak niet aan het autowrak gerelateerd afval bevat.

Artikel 3.58

De in dit artikel opgenomen regels hebben tot doel producthergebruik en nuttige toepassing en in het bijzonder materiaalhergebruik te bevorderen. Het gestelde onder het derde lid van dit artikel is bedoeld om producthergebruik te bevorderen en de handhaving te vergemakkelijken. Indien autowrakken die nog herbruikbare onderdelen bevatten hoger dan twee hoog worden gestapeld, is de kans dat daar nog onderdelen van worden afgehaald, klein. Het voorkomen van een dergelijke situatie is onder meer het oogmerk van het derde lid.

Artikel 3.59

Vanuit beheersmatig oogpunt is het wenselijk dat gedemonteerde autowrakken rechtstreeks door het autodemontagebedrijf worden afgegeven aan een inrichting met een shredderinstallatie die een scheiding aanbrengt tussen direct herbruikbaar metaalschroot en shredderafvalstoffen en die kan zorgdragen voor de nuttige toepassing van die shredderafvalstoffen. Het is echter denkbaar dat een autodemontagebedrijf het gedemonteerde autowrak afgeeft aan een tussenpersoon, zoals een schroothandelaar. In dat geval moet het autodemontagebedrijf zich ervan vergewissen dat die schroothandelaar het gedemonteerde autowrak niet zodanig knipt, perst of anderszins mechanisch verkleint dat de identiteit en de inhoud van dat autowrak niet meer herkenbaar zijn en die schroothandelaar het wrak afvoert naar een inrichting met een shredderinstallatie die een scheiding aanbrengt tussen direct herbruikbaar metaalschroot en shredderafvalstoffen en die zorg draagt voor de nuttige toepassing van die shredderafvalstoffen.

Voor oefen- en opleidingsdoeleinden mogen autowrakken door een autodemontagebedrijf tijdelijk aan een andere inrichting dan een shredderinstallatie ter beschikking worden gesteld. Dit is alleen toegestaan indien de autowrakken zijn ontdaan van de stoffen, preparaten of andere producten zoals opgenomen in artikel 3.57, tweede lid. Daarmee wordt voorkomen dat deze stoffen, preparaten of andere producten, die als gevaarlijke afvalstoffen worden aangemerkt, in het milieu kunnen geraken.

Wat het transport en de afgifte van autowrakken als afvalstof betreft, is het algemene regime van de wet van toepassing. In dit geval gaat het om de regels over het vervoer van afvalstoffen op grond van artikel 10.44 van de wet en de regels over de melding van de afgifte als bepaald in het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.

Overigens moeten autowrakken die ter beschikking zijn gesteld aan instellingen voor oefen- en opleidingsdoeleinden, zoals de brandweer, na gebruik bij een dergelijke instelling door een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd worden ontdaan van alle in artikel 3.57, vijfde lid, genoemde stoffen, preparaten en andere producten en daarna conform het vierde lid van dit artikel worden afgevoerd.

Artikel 3.60

Artikel 5, derde lid, van de autowrakkenrichtlijn verplicht de lidstaten een systeem op te zetten waarbij erkende verwerkers van autowrakken aan de ontdoener van een autowrak een certificaat van vernietiging verstrekken en waarbij het overleggen van een certificaat van vernietiging een voorwaarde is voor de uitschrijving van een autowrak uit het nationale kentekenregister.

Artikel 5, vijfde lid, van de autowrakkenrichtlijn bepaalt vervolgens dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat de bevoegde instanties de in andere landen overeenkomstig het derde lid van dat artikel afgegeven certificaten van vernietiging erkennen en aanvaarden en dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen daartoe minimumeisen voor het certificaat van vernietiging opstelt.

De omzetting van artikel 5, derde lid, van de autowrakkenrichtlijn geschiedt mede door een wijziging van het Kentekenreglement. Daarbij wordt tevens geregeld dat de Dienst Wegverkeer een in een andere lidstaat aan een erkende verwerker afgegeven voertuig met een Nederlands kenteken op basis van een in die andere lidstaat afgegeven certificaat van vernietiging uit het nationale kentekenregister zal uitschrijven. Het Kentekenreglement biedt echter geen basis om te regelen dat een Nederlandse verwerker bij de ontvangst van een autowrak met een buitenlands kenteken aan de ontdoener van dat voertuig een certificaat van vernietiging overhandigt overeenkomstig de minimumeisen zoals vastgesteld door de Commissie (Beschikking nr. 2002/151/EG van de Commissie van 19 februari 2002 inzake minimumeisen voor het certificaat van vernietiging overeenkomstig artikel 5, derde lid, van richtlijn nr. 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende autowrakken (PbEG L 50)). De Wegenverkeerswet 1994, het Kentekenreglement en de daarop gebaseerde Regeling erkenning bedrijfsvoorraad zien immers alleen op (de registratie van) Nederlandse kentekens.

Om die reden is er voor gekozen om de verplichting tot het afgeven van een certificaat van vernietiging door een Nederlandse verwerker van autowrakken voor een autowrak met een geldig kenteken dat is afgegeven door een bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie te regelen via voorheen de milieuvergunning en met de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit via het Activiteitenbesluit.

Waar gesproken wordt van de categorie van voertuigen, gaat het om de opsomming zoals opgenomen in artikel 1.1 van het besluit (de bedrijfsauto, de personenauto en de bromfiets als daar omschreven).

Artikel 3.61

Met LPG-tank zoals vermeld in het eerste lid van dit artikel, wordt bedoeld het LPG-reservoir in een voertuig waarin de LPG wordt opgeslagen waarop dat voertuig rijdt.

Gedemonteerde LPG-tanks worden in het kader van deze regelinggezien als gasflessen.

De eisen ten aanzien van de opslag van gedemonteerde opslagtanks zijn geregeld in paragraaf 4.1 van het Activiteitenbesluit waar eisen worden gesteld aan de opslag van gasflessen. In artikel 4.1 van dit besluit worden eisen gesteld aan de aan te houden afstanden tot woningen van derden. De opslag van gedemonteerde LPG-tanks vindt plaats conform artikel 4.4, eerste lid aanhef en onder c, en artikel 4.5 van de Activiteitenregeling.

Een inrichting waar LPG wordt afgetapt uit gedemonteerde LPG-tanks blijft vergunningplichtig (zie categorie 5.4 onder f van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit omgevingsrecht. In de vergunning van een inrichting waarin een dergelijke activiteit wordt uitgevoerd, worden hiervoor specifieke voorschriften met betrekking tot externe veiligheid opgenomen.

Bij alle inrichtingen waarvoor de vergunningplicht is opgeheven (de inrichtingen type A en type B) is het verboden om LPG uit een LPG-tank af te tappen.

Voor werkzaamheden met brandbare stoffen gelden er ook regels vanuit de Arbeidsomstandighedenregelgeving. De ATEX 137-richtlijn is een (Europese richtlijn die eisen stelt op het gebied van explosieveiligheid. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd via de Arbeidsomstandighedenregelgeving. Vanuit die regelgeving worden er dan ook eisen gesteld aan onder andere de wijze van ventilatie bij het demonteren van LPG-tanks.

Het vierde lid is niet van toepassing op inrichtingen type C omdat bij inrichtingen waar LPG wordt afgetapt de vergunningplichtig in stand blijft en in het kader van die vergunning aanvullende voorwaarden gesteld kunnen worden ten aanzien van de opslag van gedemonteerde LPG-tanks.

Artikel 3.62

De regels opgenomen in dit artikel zijn van toepassing op het neutraliseren van airbags en gordelspanners uit autowrakken en op de opslag van gedemonteerde airbags en gordelspanners tot een hoeveelheid die overeenkomt met maximaal 100 kg netto explosieve stof,

Autodemontagebedrijven die grotere hoeveelheden gedemonteerde airbags en gordelspanners opslaan dan 1000 stuks blijven vergunningplichtig (zie onderdeel 28.10 8° van de bijlage bij het Besluit omgevingsrecht). Naar aanleiding van onderzoek door DHV (Analyse van de externe veiligheidsrisico’s van een aantal activiteiten, november 2009) is besloten om uit oogpunt van brandveiligheid bedrijven waar meer dan 1000 stuks gedemonteerde airbags en gordelspanners worden opgeslagen, vergunningplichtig te laten

Bij het vaststellen van het aantal van 1000 stuks gedemonteerde airbags en gordelspanners is uitgegaan van een gemiddelde aangetroffen verhouding tussen de verschillende gedemonteerde airbags en gordelspanners.

Om een indicatieve inschatting te maken van de aanwezige hoeveelheid netto explosieve stof in de airbags en gordelspanners kunnen de volgende (gemiddelde) richtwaarden gehanteerd worden: bestuurderairbag 150 g, passagierairbag 350 g, zij-airbag 20 g en een gordelspanner 1 g.

De voorwaarden voor de opslag van maximaal 1000 stuks gedemonteerde airbags en gordelspanners zoals gesteld in dit artikel, zijn mede gebaseerd op het eerder genoemde DHV-rapport.

Met ‘neutraliseren’ van airbags en gordelspanners wordt bedoeld het onschadelijk maken van airbags en gordelspanners. Dat kan gebeuren door het demonteren van de airbags en gordelspanners uit het autowrak of door neutralisatietechnieken waarbij het er op neer komt dat airbags en gordelspanners gecontroleerd in het autowrak worden ontstoken, waarbij men de pyrotechnische lading in werking laat treden met als doel de airbags en gordelspanners te laten afgaan.

Er zijn verschillende neutalisatietechnieken, die zijn beschreven in de NEN-norm 7557. In de NEN-norm 7557 worden in paragraaf 6 eisen gesteld aan de aanwezige faciliteiten in het bedrijf (afhankelijk van de manier waarop geneutraliseerd wordt), de vereiste kennis van de medewerkers en de werkwijze die gevolgd moet worden bij de verschillende neutralisatietechnieken.

Het neutraliseren van dit in het derde lid van dit artikel genoemde specifieke type airbags vereist een dusdanige specifieke deskundigheid dat dit moet gebeuren door een specialistisch bedrijf.

De opslag van gedemonteerde airbags en gordelspanners zoals opgenomen in het vierde lid vindt plaats in een daarvoor bestemde, voor transport geschikte container, of in een opslagruimte. Die opslagruimte is zodanig is uitgevoerd dat bij een eventuele calamiteit waarbij de airbags kunnen ontbranden, een tijdelijke drukverhoging vanwege het hierbij vrijkomende gas kan worden opgevangen (drukontlasting). Daarnaast dient er een afscheiding van gaas te zijn aangebracht die voorkomt dat bij ontbranding de (restanten van de) airbags kunnen rondvliegen. Dat kan bijvoorbeeld harmonicagaas zijn met een dikte van 2,9 mm.

Onder werkvoorraad wordt verstaan het aantal gedemonteerde airbags en gordelspanners welke ten behoeve van een normale bedrijfsvoering in een werkruimte aanwezig zijn. De werkvoorraad moet strikt noodzakelijk zijn.

Elektrische airbags en gordelspanners waarvan bijvoorbeeld de bekabeling beschadigd is, of in andere gevallen dat neutralisatie van airbags of gordelspanners anders dan door demontage niet op een veilige wijze kan plaatsvinden, mogen ingevolge het elfde lid niet in het autowrak bij een autodemontagebedrijf worden geneutraliseerd, anders dan door demontage.

In die gevallen is er een grote kans op ontsteking vanwege blootstelling aan statische lading aanwezig. Deze airbags en gordelspanners moeten worden gedemonteerd, waarbij maatregelen moeten worden getroffen dat blootstelling aan statische lading wordt voorkomen. De betreffende airbags en gordelspanners worden daarna zo spoedig mogelijk afgevoerd naar een bedrijf dat daartoe gespecialiseerd is en in het bezit is van een vergunning om de betreffende afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen.

Artikelen 3.63 en 3.64

Uit onderzoek naar emissies naar de lucht vanwege het ontsteken van airbags en gordelspanners door Tebodin (Emissies bij het ‘ontsteken van airbags en gordelspanners’ -uitgave 2007) is afgeleid dat significante emissies van stof (S) naar verwachting niet zullen optreden als er minder dan 5000 autowrakken per jaar worden gedemonteerd, waarvan de airbags allemaal worden ontstoken in het autowrak.

Artikel 3.63, eerste lid

In artikel 3.63, eerste lid wordt doelmatige afzuiging van stof en gassen verlangd bij het ontsteken van airbags en gordelspanners. Onder doelmatige bronafzuiging wordt hier mede verstaan lokale of ruimte afzuiging bij activiteiten die in een speciaal daarvoor bestemde, afgesloten ruimte plaatsvinden.

Doelmatige bronafzuiging is niet redelijk als er minder dan 5000 autowrakken per jaar worden gedemonteerd, omdat de emissies in dat geval naar verwachting niet relevant zijn en er dan ook geen maatregelen getroffen hoeven te worden.

Artikel 3.63, tweede lid

Om te voorkomen dat de afgezogen dampen en gassen onvoldoende worden verspreid en leiden tot (stof)overlast bij nabij gelegen gevoelige gebouwen is de maatregel in het tweede lid opgenomen. Deze maatregel is niet van toepassing indien een gevoelig gebouw is gelegen op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein waar minder dan 1 gevoelig gebouw per hectare is gelegen. Door de uitvoering van deze maatregel zullen de afgezogen stoffen in een groot aantal gevallen voldoende verspreid worden.

Nieuwe inrichtingen, inrichtingen die zijn opgericht na het van toepassing van worden van artikel 3.63, moeten voldoen aan het gestelde in artikel 3.63, tweede lid. Alleen als de inrichting kan aantonen dat met de alternatieve maatregel een gelijkwaardig beschermingsniveau kan worden bereikt, kan het bevoegd gezag, op basis van artikel 1.8 van het besluit, besluiten de afwijkende maatregel toe te staan. Voor bestaande inrichtingen geldt een overgangsbepaling.

Artikel 3.63, derde lid

Omdat het besluit ook van toepassing is op inrichtingen met een relatief grote milieurelevantie en het mogelijk is dat het gestelde onder het tweede lid tot (stof)overlast leidt nabij gevoelige gebouwen, is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft om in die situaties via een maatwerkvoorschrift zorg te dragen voor een betere verspreiding en de (stof)overlast nabij gevoelige gebouwen te verlagen, bijvoorbeeld door middel van het verhogen van de afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen. Bij de besluitvorming moet de NeR in acht worden genomen.

Onderdelen I, J en O

Bij autodemontagebedrijven wordt de overgebleven brandstof uit het autowrak afgetapt. Benzine (lichte olie) en diesel die geschikt zijn voor hergebruik worden in een aparte opslagvoorziening opgeslagen. Als de benzine en diesel niet geschikt zijn om te worden hergebruikt, wordt deze opgeslagen in een aparte opslagvoorziening voor vuile brandstoffen.

De opslag van benzine en vuile brandstoffen vindt vanuit veiligheidsoverwegingen vrijwel altijd plaats in ondergrondse opslagreservoirs of een enkele keer in ingeterpte opslagtanks.

Bij een aantal demontagebedrijven is er voor gekozen om vanwege de aanwezigheid van een bodemverontreiniging de afgetapte vloeibare brandstoffen in een bovengrondse stationaire verpakking van maximaal 270 liter op te slaan.

Hoewel het hier om stationaire opslag gaat met aangesloten leidingen en appendages, maar de inhoud per verpakking niet groter is dan 270 liter, is hier, conform de definitie van een opslagtank, geen sprake van opslag in een stationaire opslagtank maar van opslag in verpakking. OM die reden wordt deze opslag geregeld in paragraaf 4.1.1 in plaats van 4.1.3.

Een aantal van de voorschriften dat geldt voor de opslag van bovengrondse opslagtanks zijn in dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard voor de opslag van afgetapte vloeibare brandstoffen in aangesloten verpakkingen bij autodemontagebedrijven.

Onder vloeibare brandstoffen wordt verstaan de afgetapte brandstoffen uit autowrakken die door autodemontagebedrijven opnieuw worden ingezet als brandstof voor motorvoertuigen, voor eigen gebruik (zowel dieselolie als lichte olie ofwelbenzine) én de afgetapte brandstoffen die niet voor hergebruik geschikt zijn (de zogenaamde ‘vuile’ brandstoffen).

Artikel 4.9b, eerste lid

De eisen die zijn gesteld aan de ruimte waarin de in het eerste lid van artikel 4.9a genoemde verpakkingen zijn opgesteld, zijn afgeleid van het rapport ‘RIE-beoordeling ontwerp kleine tankinstallatie op specifieke ADB (autodemontagebedrijf)-locaties, Risico inventarisatie en evaluatie’ (paragraaf 1.4 onder het kopje ‘de brandwerende dichte ruimte’) door KIWA N.V. en een aantal relevante artikelen uit PGS15. De eisen uit dit rapport betreffende voldoende ventilatie van de ruimte zijn niet opgenomen omdat dit over arbo-aspecten gaat.

Artikel 4.9b, tweede lid

Dit artikellid is afgeleid van artikel 3.2.1 van PGS15.

Onderdeel K

Dit wijzigingsartikel betreft een reparatie.

Onderdeel L

Dit betreft een tekstuele verbetering. Er werd ten onrechte naar paragrafen in plaats van voorschriften verwezen.

Onderdeel M

Met dit voorschrift wordt onder voorwaarden ruimte geboden om maatwerk toe te passen. De verwachting is dat dit bij een beperkt aantal bedrijven van toepassing zal zijn. Bij dergelijke bedrijven gaat het dan met name om grote en complexe bedrijven waar men gewend is om te werken met interne werkprocedures voor arbeids- en milieuveiligheid. Bij de beoordeling van de maatwerkvoorschriften spelen ook de staat van onderhoud van het gebouw, de brandcompartimenten de losse brandveiligheidskasten, maar ook de installaties en organisatie van het bedrijf een rol. Voor de toetsing en borging van de maatwerkvoorschriften kan bijvoorbeeld worden aangesloten bij de ontwikkelingen van de Integrale Borging Brandveiligheid (IBB).

Onderdeel N

Dit betreft een reparatie van een tikfout.

Onderdeel P

Opslag boven oppervlaktewater in een bunkerstation is zo uitgevoerd dat het schip als lekbak dienst doet. Het was niet mogelijk om artikel 4.10 hierop van toepassing te verklaren, omdat hieraan de eisen voor bodembeschermende voorzieningen (zoals bijvoorbeeld bodemonderzoek) verbonden zijn. Daarom is in de leden 1 tot en met 4 een doorvertaling gemaakt van de relevante eisen die gelden voor een lekbak, toegepast als bodembeschermende voorziening, naar opslag boven oppervlaktewater.

Het achtste lid van artikel 4.1 van het besluit geeft aan dat boven oppervlaktewater in principe geen gevaarlijke of bodembedreigende stoffen worden opgeslagen. Een uitzondering is de opslag in een binnenschip dat voldoet aan de eisen van de binnenvaartregelgeving. Het Binnenvaartbesluit geeft aan wanneer een binnenschip een certificaat van onderzoek moet hebben. Op de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking in een dergelijk binnenschip zijn daarnaast ook de normale PGS15-eisen van toepassing (via artikel 4.3).

Afgezien van de benedendekse opslag op een binnenschip met certificaat mag boven oppervlaktewater geen opslag van gevaarlijke of bodembedreigende stoffen plaats vinden. Dit geldt dus ook voor de opslagen die volgens artikel 4.6 niet aan artikel 4.3 of 4.4 hoeven te voldoen. Reden hiervoor is het grotere milieurisico van opslag boven oppervlaktewater. In een opslagvoorziening voor gasflessen (meestal een kooiconstructie) die voldoet aan artikel 4.4 is dit risico minimaal. Vandaar dat deze opslag wel is toegestaan. Gevaarlijke of bodembedreigende stoffen mogen bovendeks alleen aanwezig zijn in het kader van overslag of laden en lossen of het aan dek klaarzetten van verpakkingen voor klanten, zolang die verpakkingen dermate kort aan dek aanwezig zijn dat er geen sprake is van opslag. Dergelijke bestellingen worden in de praktijk vaak enkele uren van te voren klaargezet. In die gevallen moet ervoor gezorgd worden dat bij een incident geen stoffen in het oppervlaktewater kunnen raken, zodat de stoffen tijdig kunnen worden opgeruimd. Dit komt neer op dezelfde eisen die op het land zouden gelden op grond van de NRB.

Onderdelen Q, R en S

Aan het hoofdstuk over opslagtanks zijn eisen toegevoegd voor opslagtanks boven oppervlaktewater. Deze kunnen voorkomen bij een bunkerstation. Er zijn twee varianten mogelijk. Of het gaat om de ladingtanks, dat zijn opslagtanks die constructie onderdeel zijn van het station zelf, of het gaat om opslagtanks die aan boord van het station geïnstalleerd zijn. De geïnstalleerde tanks zijn in het algemeen tanks die ook op de wal voorkomen.

Een bunkerstation is een binnenschip in de zin van de Binnenvaartwet. Het Binnenvaartbesluit bepaalt in welke gevallen een binnenschip moet beschikken over een certificaat van eisen. Die eisen zien op de constructieve veiligheid van het werktuig, inclusief de ladingtanks. De binnenvaartwet voorziet daarmee in een uitputtende regeling van de ladingtanks, zodat daaraan in deze regeling geen eisen gesteld hoeven te worden.

Aan boord geïnstalleerde opslagtanks vallen niet onder de eisen van de Binnenvaartwet. Om die reden worden in dit onderdeel voor de geïnstalleerde tanks boven water dezelfde eisen van toepassing verklaard als voor bovengrondse opslagtanks op de wal. Het enige verschil is dat er bij opslag boven oppervlaktewater geen sprake is van een bodembedreigende activiteit, waardoor de algemene bodemvoorschriften van besluit en regeling niet van toepassing zijn.

Onderdeel T

Paragraaf 4.1.5 verhuist van hoofdstuk 4 naar hoofdstuk 3 zodat de voorschriften in dit hoofdstuk komen te vervallen.

Onderdeel V

Shredders hebben een hydraulisch systeem, waarin olie (deels) onder druk gebracht wordt. Bij beschadiging kan de olie eruit lekken. Een vloeistofkerende vloer met incidentenmanagement is voldoende om een verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken.

Onderdeel W, X en Z

Bij extrusie en spuitgieten komen kleine hoeveelheden emissies vrij, waarvoor de verplichting geldt om deze gericht af te zuigen en bovendaks af te voeren. Over het algemeen zijn deze emissies zo gering dat er geen emissie-eisen aan gesteld hoeven te worden. Gerichte afzuiging is in deze gevallen voldoende. Als in een specifiek geval aannemelijk is dat de emissies wel de grensmassatstromen zouden overschrijden, kunnen emissie-eisen gesteld worden bij maatwerk op grond van artikel 2.1.

De in artikel 4.45a genoemde bodembeschermende voorziening is voorgeschreven met het oog op het voorkomen van bodemverontreiniging.

Shredders, hydraulische scharen, extruders en spuitgietmachines hebben een hydraulisch systeem, waarin olie (deels) onder druk gebracht wordt. Bij beschadiging kan de olie eruit lekken. Een vloeistofkerende vloer met incidentenmanagement is voldoende om een verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken.

Onderdeel Y

Het betreft hier een aanpassing aan het woordgebruik in artikel 4.32, tweede lid, van het besluit.

Onderdeel AA

Uitgangspunt bij het afleveren van brandstof aan vaartuigen is dat dit altijd onder toezicht plaats vindt. Dit is vastgelegd in het tweede lid van artikel 4.86. Onbemand afleveren zoals dat bij tankstations voor het wegverkeer voorkomt is bij vaartuigen niet toegestaan.

Afleveren van brandstof aan schepen vindt meestal plaats vanaf een bunkerstation, waarvoor op grond van de binnenvaartregelgeving een certificaat verplicht is, dat alleen wordt afgegeven als de installatie aan de eisen van de Binnenvaartregeling voldoet. De Binnenvaartregeling stelt eisen aan de constructie en het gebruik van de installatie om de veiligheid van de vaarwegen te verzekeren.

In de in dit onderdeel opgenomen regels zijn alleen enkele aanvullende eisen gesteld. Als er een afleverinstallatie voor vaartuigen op de kant wordt geplaatst, is de binnenvaartregelgeving namelijk niet van toepassing. In het derde tot en met het zesde lid worden voor deze installatie vergelijkbare eisen gesteld als die gelden op grond van de binnenvaartregelgeving voor een drijvend werktuig.

Het zevende lid geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om afhankelijk van de ligging en de omvang van de installatie te vragen om een noodplan. Bijzonder aandachtspunt in het noodplan kan het weer zijn. Bij een aantal bunkerstations kan bij lekkage met name de windkracht en windrichting bepalend zijn voor de risico’s voor in de omgeving gelegen kwetsbare objecten.

In de laatste drie leden zijn regels opgenpmen voor het afleveren van brandstof aan schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren, de zogenaamde ‘kegelschepen’, genoemd naar de blauwe kegels die de schepen als veiligheidsteken moeten voeren. Op grond van het ADNR en het Rijnvaartpolitiereglement 1995 mogen deze kegelschepen niet in de buurt van andere schepen afmeren. Twee- en driekegelschepen mogen niet afmeren bij een bunkerstation. Bij een bunkerstation dat benzine opslaat en aflevert is het ook niet toegestaan een kegelschip te bunkeren. Bunkeren met leurboten buiten de inrichting is wel toegestaan.

In artikel 4.87a worden enkele eisen gesteld aan het afleveren vanaf een bunkerstation met als doel dat het morsen van brandstof wordt voorkomen.

Met betrekking tot artikel 4.87b kan het volgende worden opgemerkt:

Bij het afleveren van brandstoffen aan schepen kan geurhinder optreden. Weliswaar is diesel niet bijzonder vluchtig, maar gezien de grote volumes die afgeleverd worden kan hierbij toch geurhinder ontstaan. Dampretoursystemen zoals die voor benzine worden toegepast zijn niet verplicht voor diesel. Als geurhinder optreedt door het verladen van diesel, kan in sommige gevallen het emissiepunt (meestal de veiligheidsinrichting die overdruk in de ladingstanks moet voorkomen) verplaatst worden. In ernstige gevallen van geurhinder zou ook gekeken kunnen worden of de vrijkomende damp kan worden afgezogen en afgevoerd op grotere hoogte of een grotere afstand van de gevoelige objecten.

Onderdeel BB

Dit artikel is gebaseerd op het rapport RIE-beoordeling ontwerp kleine tankinstallatie op specifieke ADB (autodemontagebedrijf)-locaties, Risico inventarisatie en evaluatie’ door KIWA N.V.’en stelt aanvullende voorwaarden voor het inpandig afleveren vanuit de kleinschalige benzine-opslagen in stationaire verpakkingen bij autodemontagebedrijven. Het genoemde veiligheidssignaal wordt in een pictogram weergegeven.

Voldoende ventilatie bij het inpandig afleveren van benzine bij autodemontagebedrijven is noodzakelijk om brand- en explosiegevaar zoveel mogelijk te beperken.

Dit wordt echter geregeld in het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Aan de hand van de ATEX 137 richtlijn en de Nederlandse praktijkrichtlijn 7910-1, is een gevarenzone-indeling te maken met betrekking tot explosiegevaar. Vervolgens dient te worden bepaald welke technische en organisatorische maatregelen moeten worden getroffen.

Onderdeel DD

Bij het shredderen van papier en karton komt stof vrij. Om aan de stofeisen te voldoen is gerichte afzuiging nodig, en een filtrerende afscheider.

Onderdeel FF

Emissies die vrijkomen bij het shredderen van textiel en textielhoudende producten moeten worden afgezogen.

Onderdeel GG

Shredders hebben een hydraulisch systeem, waarin olie (deels) onder druk gebracht wordt. Bij beschadiging kan de olie eruit lekken. Een vloeistofkerende vloer met incidentenmanagement is voldoende om een verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken.

Onderdeel HH

Artikel 4.105 gaf specifieke eisen voor afvalscheiding bij een jachthaven. Met inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit worden in hoofdstuk 2 van besluit en regeling algemene voorschriften voor afvalscheiding gesteld, waardoor dit specifieke voorschrift kan vervallen.

Onderdeel II

Het tweede lid van dit artikel is nieuw. Het blijkt regelmatig voor te komen dat bij eenvoudige inrichtingen de enige bodembedreigende activiteit een acculader is. Gezien het geringe bodemrisico hiervan kan voor deze inrichtingen een bodemonderzoek achterwege blijven.

Onderdeel JJ

Met het eerste wijzigingsartikel van dit onderdeel is overgangsrecht tot stand gebracht voor bedrijven met een installatie van voor 1 februari 2003. Dit brengt met zich dat aan de certificatie-eis voor de overvulbeveiliging dient te worden voldaan bij de eerstvolgende 15-jaarlijkse keuring van de installatie. Op dat moment wordt voor de gehele installatie (inclusief de overvulbeveiliging) een nieuw certificaat afgegeven.

Het tweede wijzigingsartikel van dit onderdeel heeft de volgende reden:

Baggerspecie wordt voor een termijn van maximaal drie jaar opgeslagen. Aanbrengen van folie in een bestaande opslag is niet mogelijk; dit moet gebeuren voordat de baggerspecie wordt neergelegd. Hiervoor wordt een overgangstermijn gegeven van drie jaar. Uiteraard zal als voor het verstrijken van de overgangstermijn het bassin wordt leeggehaald, de folie moeten worden aangebracht voor een nieuwe partij baggerspecie wordt opgeslagen.

Onderdeel KK

Met deze wijziging wordt een omissie hersteld.

Onderdeel LL

Dit overgangsrecht is opgenomen omdat gebleken is dat de eis voor het aanleggen met een certificaat in de periode tussen 1 januari 2008 en 1 januari 2010 in de praktijk moeilijk uitvoerbaar was.

Onderdeel MM

In de lijst stonden een aantal waterlichamen niet correct vermeld. Dit onderdeel betreft dus een reparatie.

Onderdeel NN

Dit zijn de emissiefactoren bij de geurvoorschriften voor de rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Artikel II

Onderdeel A

In het Besluit omgevingsrecht is in artikel 2.2a een aantal categorieën van activiteiten aangewezen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, waarvoor een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, die wordt voorbereid volgens de reguliere procedure.

In dit artikel is een aantal categorieën van activiteiten aangewezen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, waarvoor een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, die wordt voorbereid volgens de reguliere procedure. In artikel 5.13 a is bepaald dat aan de omgevingsvergunning voor activiteiten die zijn aangewezen in artikel 2.2a geen voorschriften kunnen worden verbonden. De reden hiervoor is dat deze vergunning voor de meeste activiteiten de functie heeft van een toets vooraf. Nadat een dergelijke vergunning is verleend, zijn de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing. Om ervoor te zorgen dat bij de aanvraag om deze vergunning in één keer de relevante gegevens worden overgelegd, wordt in deze regeling geregeld dat de melding tegelijk met de aanvraag om vergunning wordt ingediend. Het gaat hier dus om een indieningsvereiste. De aanvrager om vergunning hoeft dan na vergunningverlening geen melding als bedoeld in artikel 1.10 het besluit meer in te dienen.

Onderdeel B

De tweede wijziging van de Regeling omgevingsrecht betreft de actualisatie van tabel 2 van bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht.

Tabel 1 en 2 van bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht bevatten een overzicht van documenten waarmee het bevoegd gezag rekening dient te houden bij de vergunningverlening. Tabel 2 van die bijlage bevat een lijst van thans algemeen in Nederland toegepaste richtlijnen die kunnen worden aangemerkt als een adequate en actuele invulling van beste beschikbare technieken (BBT), zoals de NeR en de PGS-richtlijnen. Voor inrichtingen die onder de IPPC-richtlijn1 vallen, zullen deze documenten moeten worden toegepast in aanvulling op of als nadere uitwerking van de voor die inrichtingen van toepassing zijnde Europese referentiedocumenten voor beste beschikbare technieken (ofwel BREF’s). Tabel 1 en 2 worden geactualiseerd naar aanleiding van het verschijnen, vervallen of herzien van BBT documenten. Bijlage 1 is op 30 maart 2010 voor het laatst gewijzigd (Stcrt. 2010 nr. 5162).

Deze wijziging behelst de actualisatie van tabel 2 op de volgende onderdelen:

  • De nieuwe Oplegnotitie BREF’s Chemie wordt aangewezen. Deze oplegnotitie is van toepassing op installaties die vallen onder categorie 4 van bijlage I van de IPPC-richtlijn (4.1 t/m 4.6): de chemische industrie. De Oplegnotitie BREF’s Chemie heeft betrekking op de volgende BREF’s: BREF anorganische fijnchemie, BREF organische fijnchemie, BREF Anorganische bulkchemie: vast en overig, BREF anorganische bulkchemie; ammoniak, zuren en kunstmest, BREF organische bulkchemie, BREF polymeren, BREF Chlooralkali en BREF afgas- en afvalwaterbehandeling.

  • De Oplegnotitie BREF chlooralkaliproducerende industrie is verwijderd uit tabel. De meeste conclusies van deze oplegnotitie zijn inmiddels verouderd en zijn niet meer van toepassing op de situatie in Nederland (Nederland heeft geen kwikcelinstallaties meer). De conclusies die nog wel relevant zijn, zijn opgenomen in de algemene conclusies van de Oplegnotitie BREF’s Chemie.

  • De Oplegnotitie BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling is verwijderd uit de tabel. De informatie is opgenomen in de Oplegnotitie BREF’s Chemie.

  • Op 18 mei 2010 heeft de Europese Commissie het referentiedocument over de beste beschikbare technieken voor de cement, kalk en magnesiumoxide producerende industrie goedgekeurd (PbEU 2010 C166). Het betreft de herziening van het BREF Cement en kalk. Door deze herziening is de Oplegnotitie BREF Cement en kalk achterhaald. Deze wordt niet langer aangewezen.

  • Juni 2010 is de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) geactualiseerd. Het jaar van uitgifte is in tabel 2 aangepast.

  • De Handreiking en het Werkboek Wegen naar preventie bij bedrijven worden niet langer als BBT document aangewezen. Beide zijn verouderd, zowel door technische ontwikkelingen als door de veranderde juridische omgeving. Sinds het van kracht worden van het Activiteitenbesluit is de populatie vergunningplichtige bedrijven sterk afgenomen. De overgebleven bedrijven zijn complexer en unieker en sluiten minder goed aan bij de handreiking en het werkboek. Actuele informatie over energiebesparing, waterbesparing, afvalbeheer en mobiliteit blijft beschikbaar via www.infomil.nl.

  • De Handreiking (co-)vergisting van mest is herzien; informatie over regelgeving is geactualiseerd en op basis van recent onderzoek door de VROM-Inspectie zijn nieuwe aanbevelingen opgesteld.

  • Ten slotte worden nog twee oplegnotities toegevoegd: Oplegnotitie BREF Textielindustrie en Oplegnotitie BREF Industriële koelsystemen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

J.J. Atsma.


XNoot
1

EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging: richtlijn nr. 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEU L 24)