Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 oktober 2010, nr. 152587, houdende wijziging van de Regeling verhandeling teeltmateriaal en de Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen (instandhoudingsrassen en voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op richtlijn nr. 2009/145/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 november 2009 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen van groenten die van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door genetische erosie worden bedreigd, en van groenterassen die geen intrinsieke waarde hebben voor de commerciële productie van gewassen maar die ontwikkeld zijn voor teelt onder bijzondere omstandigheden, en voor het in de handel brengen van zaaizaad van die landrassen en rassen (PbEU L 312), richtlijn nr. 2010/46/EU van de Commissie van 2 juli 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 2003/90/EG en 2003/91/EG houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van respectievelijk Richtlijn 2002/53/EG en Richtlijn 2002/55/EG van de Raad, wat betreft de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek (PbEU L 169), de artikelen 3, 4 en 5 van het Besluit verhandeling teeltmateriaal en artikel 11 van het Besluit werkzaamheden Raad voor plantenrassen;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling verhandeling teeltmateriaal wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen bb tot en met ee worden geletterd cc tot en met ff.

2. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • bb. richtlijn (EG) 2009/145: richtlijn nr. 2009/145/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 november 2009 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen van groenten die van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door genetische erosie worden bedreigd, en van groenterassen die geen intrinsieke waarde hebben voor de commerciële productie van gewassen maar die ontwikkeld zijn voor teelt onder bijzondere omstandigheden, en voor het in de handel brengen van zaaizaad van die landrassen en rassen (PbEU L 312);.

3. Onderdeel ff (nieuw) komt te luiden:

  • ff. instandhoudingsras van een landbouwgewas:

    • 1°. landras van een landbouwgewas, of

    • 2°. ras van een landbouwgewas, dat zich op natuurlijke wijze heeft aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden, dat door genetische erosie wordt bedreigd;.

4. Er worden vier onderdelen toegevoegd, luidende:

  • gg. instandhoudingsras van een groentegewas:

    • landras van een groentegewas, of

    • ras van een groentegewas, dat van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden wordt gekweekt,

      dat door genetische erosie wordt bedreigd;

  • hh. landras: een stel populaties of klonen van een plantensoort die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de milieuomstandigheden van hun gebied;

  • ii. genetische erosie: verlies, in de loop van de tijd, van genetische diversiteit tussen en binnen populaties of rassen van dezelfde soort, of verkleining van de genetische basis van een soort door menselijk ingrijpen of milieuveranderingen;

  • jj. voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras: ras dat geen intrinsieke waarde heeft voor de commerciële productie van gewassen, maar dat ontwikkeld is voor teelt onder bijzondere omstandigheden.

B

Na artikel 24 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 24a

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen neemt Naktuinbouw de artikelen 19 en 20 van richtlijn (EG) 2009/145 in acht.

Artikel 24b

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van zaad van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen neemt Naktuinbouw de artikelen 31 en 32 van richtlijn (EG) 2009/145 in acht.

C

In de artikelen 69a, 69b, 69d, 69e en 69g wordt ‘instandhoudingsrassen’ telkens vervangen door: instandhoudingsrassen van landbouwgewassen.

D

In de artikelen 69c en 69f wordt ‘instandhoudingsras’ telkens vervangen door: instandhoudingsras van een landbouwgewas.

E

Aan hoofdstuk 5 worden twee paragrafen toegevoegd, luidende:

§ 6. Het in de handel brengen van zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen

Artikel 96a
  • 1. Zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen wordt slechts in de handel gebracht indien het voldoet aan de eisen van artikel 14 van richtlijn (EG) 2009/145, en:

    • a. door Naktuinbouw is goedgekeurd als gecertificeerd zaad van een instandhoudingsras overeenkomstig artikel 10 van richtlijn (EG) 2009/145, of

    • b. voldoet aan de vereisten van artikel 11 van richtlijn (EG) 2009/145 voor standaardzaad.

  • 2. De minister kan overeenkomstig artikel 14, tweede lid, van richtlijn (EG) 2009/145 gebieden buiten het gebied van oorsprong goedkeuren waarin zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen kan worden verhandeld.

Artikel 96b

Zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen wordt uitsluitend geproduceerd in het gebied van oorsprong, bedoeld in artikel 12a, vijfde lid, van de Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen.

Artikel 96c

De leverancier van zaad van een instandhoudingsras van een groentegewas gaat overeenkomstig artikel 12 van richtlijn (EG) 2009/145 na of het teeltmateriaal van instandhoudingsrassen voldoet aan de voorschriften van artikel 10, onderscheidenlijk 11, van richtlijn (EG) 2009/145.

Artikel 96d

Naktuinbouw kan jaarlijks de maximale hoeveelheid in de handel te brengen zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen vaststellen overeenkomstig artikel 15 van richtlijn (EG) 2009/145.

Artikel 96e
  • 1. Jaarlijks melden leveranciers die zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen produceren voorafgaand aan het teeltseizoen de grootte en ligging van het gebied waarin zaad van die instandhoudingsrassen wordt geteeld.

  • 2. Op basis van de verkregen gegevens kan Naktuinbouw met toepassing van artikel 16, tweede lid, van richtlijn (EG) 2009/145 de hoeveelheid in het desbetreffende teeltseizoen in de handel te brengen zaad, per leverancier maximeren.

Artikel 96f

Leveranciers melden bij Naktuinbouw jaarlijks voor aanvang van het teeltseizoen de hoeveelheid in de handel gebracht zaad van elk instandhoudingsras van een groentegewas.

Artikel 96g

Verpakkingen van zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen voldoen aan de eisen genoemd in de artikelen 17 en 18 van richtlijn (EG) 2009/145.

§ 7 Het in de handel brengen van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen.

Artikel 96h
  • 1. Teeltmateriaal van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen wordt slechts in de handel gebracht indien het voldoet aan de eisen van artikel 26 van richtlijn (EG) 2009/145.

  • 2. De leverancier van teeltmateriaal van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen gaat overeenkomstig artikel 27 van richtlijn (EG) 2009/145 na of het teeltmateriaal van die rassen voldoet aan de voorschriften van artikel 26 van richtlijn (EG) 2009/145.

Artikel 96i

Teeltmateriaal van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen wordt slechts in de handel gebracht in verpakkingen die het in bijlage II bij richtlijn (EG) 2009/145 bepaalde maximale nettogewicht niet overschrijden.

Artikel 96j

Leveranciers melden bij Naktuinbouw jaarlijks voor aanvang van het teeltseizoen de hoeveelheid in de handel gebracht teeltmateriaal van elk voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras van een groentegewas.

Artikel 96k

Verpakkingen van teeltmateriaal van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen voldoen aan de eisen genoemd in de artikelen 29 en 30 van richtlijn (EG) 2009/145.

ARTIKEL II

De Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdeel o en p vervallen.

2. De onderdelen k tot en met n worden geletterd m tot en met p.

3. Er worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

  • k. richtlijn (EG) 2008/62: richtlijn nr. 2008/62/EG van de Commissie van 20 juni 2008 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen in de landbouw die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die door genetische erosie worden bedreigd, en voor het in de handel brengen van zaaizaad en pootaardappelen van die landrassen en rassen (PbEU L 162);

  • l. richtlijn (EG) 2009/145: richtlijn (EG) nr. 2009/145 van de Commissie van 26 november 2009 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen van groenten die van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door genetische erosie worden bedreigd, en van groenterassen die geen intrinsieke waarde hebben voor de commerciële productie van gewassen maar die ontwikkeld zijn voor de teelt onder bijzondere omstandigheden, en voor het in de handel brengen van zaaizaad van die landrassen en rassen (PbEU L 312);.

4. Onderdeel q komt te luiden:

  • q. instandhoudingsras:

    • 1°. landras van een landbouwgewas;

    • 2°. ras van een landbouwgewas, dat zich op natuurlijke wijze heeft aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden;

    • 3°. landras van een groentegewas, of

    • 4°. ras van een groentegewas, dat van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden wordt gekweekt,

    dat door genetische erosie wordt bedreigd;.

5. Er worden vier onderdelen toegevoegd, luidende:

  • r. landras: een stel populaties of klonen van een plantensoort die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de milieuomstandigheden van hun gebied;

  • s. genetische erosie: verlies, in de loop van de tijd, van genetische diversiteit tussen en binnen populaties of rassen van dezelfde soort, of verkleining van de genetische basis van een soort door menselijk ingrijpen of milieuveranderingen;

  • t. gebied van oorsprong: het gebied of de gebieden waarin het ras van oudsher geteeld is en waaraan het zich op natuurlijke wijze heeft aangepast;

  • u. voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras: ras dat geen intrinsieke waarde heeft voor de commerciële productie van gewassen, maar dat ontwikkeld is voor teelt onder bijzondere omstandigheden.

B

Artikel 12a wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt na ‘de Raad’ ingevoegd: , met inachtneming van de basiskenmerken voor landbouwgewassen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn (EG) 2008/62, onderscheidenlijk voor groentegewassen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn (EG) 2009/145, betreffende onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit,.

2. Het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, komt te luiden:

  • 1°. voldoende duidelijk te onderscheiden is van elk ander instandhoudingsras uit het gebied van oorsprong,.

3. In het eerste lid, onderdeel a, onder 3°, en in het derde lid, wordt ‘stabiel’ telkens vervangen door: bestendig.

4. Het eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. de beschrijving en benaming van het betrokken ras wat landbouwgewassen betreft voldoet aan de eisen van richtlijn (EG) 2008/62 en wat groentegewassen betreft aan de eisen van richtlijn (EG) 2009/145.

C

Artikel 12b wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt na ‘richtlijn (EG) 2002/53’ ingevoegd: of in de gemeenschappelijke rassenlijst, bedoeld in artikel 3, derde lid, van richtlijn (EG) 2002/55,.

2. In onderdeel b wordt ‘of binnen twee jaar na afloop van de bij artikel 15, tweede lid, van richtlijn (EG) 2002/53 toegestane termijn; of’ vervangen door een puntkomma.

3. Onderdeel c wordt geletterd onderdeel d.

4. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • c. de overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van richtlijn (EG) 2002/53, onderscheidenlijk artikel 15, tweede lid, van richtlijn (EG) 2002/55, geldende termijn minder dan twee jaar geleden is verstreken, of.

5. In onderdeel d wordt ‘verordening (EG) nr. 2100/94 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG L 227)’ vervangen door: verordening nr. 2100/94/EG van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG L 227).

D

Artikel 12c komt te luiden:

Artikel 12c

  • 1. Een voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras van een groentegewas wordt toegelaten indien de Raad met inachtneming van de basiskenmerken, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van richtlijn (EG) 2009/145 betreffende onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit, van oordeel is dat:

    • a. het betrokken ras, blijkens onderzoek of kennis, verkregen door praktische ervaring tijdens teelt, vermeerdering en gebruik:

      • 1°. voldoende duidelijk te onderscheiden is van elk ander voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras;

      • 2°. voldoende homogeen is, en

      • 3°. voldoende bestendig is;

    • b. het betrokken ras blijkens de aan de Raad ter beschikking staande informatie geen intrinsieke waarde heeft voor de commerciële productie van gewassen, maar ontwikkeld is voor teelt onder bijzondere landbouwtechnische, klimatologische of bodemkundige omstandigheden;

    • c. de beschrijving en benaming van het betrokken ras voldoet aan de eisen van richtlijn (EG) 2009/145.

  • 2. Indien de homogeniteit wordt vastgesteld op basis van afwijkende typen, wordt een populatienorm van 10% en een toelatingskans van ten minste 90% toegepast.

  • 3. Een ras is voldoende bestendig indien gebleken is dat de kenmerkende eigenschappen onveranderd blijven na achtereenvolgende vermeerdering.

  • 4. De Raad kan protocollen vaststellen met betrekking tot de eisen aan de documentatie behorende bij een aanvraag tot toelating als voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras, om de Raad in staat te stellen de aanvraag te toetsen aan de eisen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.

E

Na artikel 12c (nieuw) worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 12d

Een voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras wordt niet toegelaten indien:

  • a. het ras reeds in de gemeenschappelijke rassenlijst, bedoeld in artikel 3, derde lid, van richtlijn (EG) 2002/55 is opgenomen als ander ras dan voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras;

  • b. het ras van de gemeenschappelijke rassenlijst in afgevoerd binnen de laatste twee jaar;

  • c. de overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van richtlijn (EG) 2002/55, geldende termijn minder dan twee jaar geleden is verstreken, of

  • d. het ras wordt beschermd door communautair kwekersrecht als bedoeld in verordening nr. 2100/94/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG L 227) of door nationaal kwekersrecht of hiertoe een aanvraag aanhangig is.

Artikel 12e

  • 1. Bij de vaststelling van de benaming van instandhoudingsrassen en voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen die voor 25 mei 2000 bekend waren, kan worden afgeweken van verordening nr. 637/2009/EG van de Commissie van 22 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen betreffende de geschiktheid van rasbenamingen voor landbouw- en groentegewassen (PbEU L 191).

  • 2. De Raad kan meer dan één naam voor een instandhoudingsras toelaten indien de desbetreffende namen voor dat ras van oudsher bekend zijn.

F

In artikel 22a wordt na ‘artikel 12a, eerste lid,’ ingevoegd: of artikel 12c, eerste lid,.

G

Aan hoofdstuk 6 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 42a

In geval van wijziging van een bijlage, genoemd in artikel 10 of 11, wordt een technisch onderzoek dat is begonnen vóór de inwerkingtreding van die wijziging, uitgevoerd overeenkomstig het recht zoals dat gold vóór de desbetreffende wijziging.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 31 december 2010.

Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 8 oktober 2010

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg.

TOELICHTING

Algemeen

§ 1 Doel en inhoud van de regeling

Onderhavige regeling strekt tot implementatie van de richtlijnen nrs. 2009/145/EG en 2010/46/EU in de Regeling verhandeling teeltmateriaal en de Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen.

In het kader van biodiversiteit en instandhouding van plantaardige genetische hulpbronnen heeft de Europese Commissie richtlijn 2009/145/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 november 2009 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen van groenten die van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door genetische erosie worden bedreigd, en van groenterassen die geen intrinsieke waarde hebben voor de commerciële productie van gewassen maar die ontwikkeld zijn voor teelt onder bijzondere omstandigheden, en voor het in de handel brengen van zaaizaad van die landrassen en rassen (PbEU L 312)(hierna: richtlijn (EG) 2009/145) vastgesteld.

Richtlijn (EG) 2009/145 biedt aan lidstaten de mogelijkheid tot het hanteren van een aangepast toelatings- en verhandelingskader voor instandhoudingsrassen en voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen.

Het deel van richtlijn (EG) 2009/145 dat gaat over de toelating van rassen wordt geïmplementeerd in de Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen. Hierin wordt bepaald wanneer een ras wel en niet kan worden toegelaten als instandhoudingsras of voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras. Om groenterassen te kunnen verhandelen moeten deze normaliter zijn toegelaten overeenkomstig richtlijn nr. 2002/55/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (hierna: richtlijn (EG) 2002/55). De rassen waarop richtlijn (EG) 2009/145 ziet, voldoen vaak niet aan deze eisen en kunnen daarom niet worden toegelaten op grond van richtlijn (EG) 2002/55. Om die rassen toch te kunnen behouden, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die richtlijn (EG) 2009/145 biedt om een aangepast toelatingskader te hanteren. Dit houdt onder meer in dat de Raad voor plantenrassen de onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van een ras kan beoordelen op basis van beschikbare informatie, zonder dat een technisch onderzoek is vereist.

Het deel van Richtlijn (EG) 2009/145 dat gaat over de productie en verhandeling van zaad van rassen die zijn toegelaten als instandhoudingsras of voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras, wordt geïmplementeerd in de Regeling verhandeling teeltmateriaal. Het aangepaste verhandelingskader voor zaad op grond van richtlijn (EG) 2009/145 stelt niet alleen eisen aan de kwaliteit van het zaad, maar stelt ook kwantitatieve beperkingen.

Naast de voorschriften ter implementatie van richtlijn (EG) 2009/145 wordt een artikel opgenomen dat strekt ter implementatie van richtlijn 2010/46/EU van de Commissie van 2 juli 2010 tot wijziging van de richtlijnen 2003/90/EG en 2003/91/EG houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van respectievelijk richtlijn 2002/53/EG en richtlijn 2002/55/EG van de Raad, wat betreft de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek (PbEU L 169) (hierna: richtlijn (EU) 2010/46). De richtlijn wijzigt een aantal bijlagen bij richtlijn (EG) 2003/90 en richtlijn (EG) 2003/91. In de artikelen 10 en 11 van de Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen zijn dynamische verwijzingen opgenomen naar die bijlagen. Hierdoor werkt een wijziging van de bijlagen vanzelf door in de nationale regeling. In de onderhavige regeling wordt het overgangsrecht geregeld. Dit houdt in dat onderzoeken die reeds zijn begonnen voordat de bijlage werd gewijzigd, worden uitgevoerd overeenkomstig de oude bijlage.

§ 2 Administratieve lasten

Richtlijn (EG) 2009/145 biedt een aangepast toelatings- en verhandelingskader voor de toelating van instandhoudingsrassen en voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen. Daardoor kunnen deze rassen worden toegelaten, terwijl zij onder het reguliere regime niet voor toelating in aanmerking zouden komen. Het betreft naar verwachting gemiddeld 10 rassen per jaar. De toelatingsaanvraag bij de Raad voor plantenrassen voor een instandhoudingsras of een voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras zal een aanvrager naar verwachting gemiddeld ongeveer 3 uur kosten. Daarnaast brengt richtlijn (EG) 2009/145 een aantal meldingsplichten met zich. Voor instandhoudingsrassen geldt ten gevolge van artikel 16 van de richtlijn een meldingsplicht betreffende het teeltgebied en ten gevolge van artikel 33 van de richtlijn een meldingsplicht betreffende de hoeveelheid in de handel gebracht zaad. Ten aanzien van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen geldt alleen de meldingsplicht van artikel 33 van de richtlijn betreffende de hoeveelheid in de handel gebracht zaad. De administratieve lasten die gemoeid zijn met deze meldingsplichten zullen zeer beperkt zijn omdat deze gegevens kunnen worden meegenomen bij de reguliere jaarlijkse gegevensverstrekking en omdat bedrijven deze informatie in de praktijk al bijhouden in hun administratie. Uitgaande van een administratieve lastendruk van 3 uur per aanvraag zullen de totale administratieve lasten die deze regeling met zich brengt bij 10 aanvragers per jaar neerkomen op een bedrag van € 1097,10 per jaar. Daartegenover staat het voordeel dat nu rassen kunnen worden toegelaten die daarvoor anders niet in aanmerking zouden komen. Bovendien geldt een aanzienlijke kostenbesparing voor aanvragers ten opzichte van de reguliere aanvraag. Voor de toelating van instandhoudingsrassen en voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen is een technisch onderzoek namelijk niet vereist. Daardoor zijn de kosten die gepaard gaan met de beoordeling van een aanvraag tot toelating van deze rassen lager dan de kosten voor een reguliere toelating.

§ 3 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 31 december 2010. Daarmee wordt afgeweken van de LNV-uitgangspunten van vaste verandermomenten voor regelgeving, die inhouden dat nieuwe regels slechts op 1 januari of 1 juli ingaan. Het kabinetsstandpunt inzake vaste verandermomenten (kamerstukken II 2009/10, 29 515, nr. 309) noemt een viertal uitzonderingen op grond waarvan kan worden afgeweken van de vaste verandermomenten. Eén van deze uitzonderingen betreft implementatietermijnen voor Europese regelgeving. In verband met de implementatietermijn van richtlijn (EG) 2009/145 wijkt de datum van inwerkingtreding van de onderhavige regeling af van de vaste verandermomenten. Aan het uitgangspunt dat een regeling twee maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding wordt gepubliceerd, wordt wel voldaan.

§ 4 Transponeringstabel

Richtlijn

Regeling verhandeling teeltmateriaal (Rvt) of Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen (RwRvp)

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op keuze(n) bij de invulling van beleidsruimte

2009/145/EG

   

Artikel 1, eerste lid

Artikel 1 Rvt

Artikel 1 RwRvp

Geen

 

Artikel 1, tweede lid

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

Geen

 

Artikel 2, onderdelen a en b

Behoeft geen implementatie, term wordt niet overgenomen in nationale regelgeving

Geen

 

Artikel 2, onderdeel c

Artikel 1 Rvt

Artikel 1 RwRvp

Geen

 

Artikel 3

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

Lidstaten hebben de keuze om een instandhoudingsrassen toe te laten op grond van de richtlijn

Zie toelichting op §1

Artikel 4

Artikel 12a RwRvp

Lidstaten kunnen hun eigen bepalingen vaststellen m.b.t. onderscheidbaarheid, en homogeniteit

Zie toelichting op artikel II, onderdeel B

Artikel 5

Artikel 12a, eerste lid, RwRvp

Geen

 

Artikel 6

Artikel 12b RwRvp

Geen

 

Atrikel 7

Artikel 12e RwRvp

Lidstaten kunnen afwijkingen van verordening (EG) 637/2009 toestaan

Zie toelichting op artikel II, onderdeel E

Artikel 8

Artikel 12a, vijfde lid, RwRvp

Lidstaten bepalen het gebied van oorsprong

Zie toelichting op artikel II, onderdeel B

Artikel 9

Artikel 12a, eerste lid, onderdeel c RwRvp

Geen

 

Artikel 10

Artikel 96a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Rvt

Lidstaten kunnen de mogelijkheid bieden om zaad goed te keuren als gecertificeerd zaad van een instandhoudingsras op grond van de richtlijn

Zie toelichting op §1

Artikel 11

Artikel 96a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, Rvt

Lidstaten kunnen de mogelijkheid bieden om zaad te controleren als standaardzaad van een instandhoudingsras

Zie toelichting op §1

Artikel 12

Artikel 96c Rvt

Geen

 

Artikel 13

Artikel 96b Rvt

Geen

 

Artikel 14

Artikel 96a Rvt

Geen

 

Artikel 15

Artikel 96d Rvt

Geen

 

Artikel 16

Artikel 96e Rvt

Geen

 

Artikel 17

Artikel 96g Rvt

Geen

 

Artikel 18

Artikel 96g Rvt

Geen

 

Artikel 19

Artikel 24a Rvt

Geen

 

Artikel 20

Artikel 24a Rvt

Geen

 

Artikel 21

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

Lidstaten hebben de keuze om een voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras toe te laten op grond van de richtlijn

Zie toelichting op §1

Artikel 22

Artikel 12c RwRvp

 

Zie toelichting op artikel II, onderdeel D

Artikel 23

Artikel 12c, eerste lid, RwRvp

Geen

 

Artikel 24

Artikel 12d RwRvp

Geen

 

Artikel 25

Artikel 12e RwRvp

Geen

 

Artikel 26

Artikel 96h Rvt

Lidstaten kunnen afwijkingen van verordening (EG) 637/2009 toestaan

Zie toelichting op artikel II, onderdeel E

Artikel 27

Artikel 96h Rvt

Geen

 

Artikel 28

Artikel 96i Rvt

Geen

 

Artikel 29

Artikel 96k Rvt

Geen

 

Artikel 30

Artikel 96k Rvt

Geen

 

Artikel 31

Artikel 24b Rvt

Geen

 

Artikel 32

Artikel 24b Rvt

Geen

 

Artikel 33

Artikel 96f en 96j Rvt

Geen

 

Artikel 34

Behoeft naar zijn aard geen inplementatie

Geen

 

Artikel 35

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

Geen

 

Artikel 36

Inwerkingtredingsbepaling

Geen

 

Artikel 37

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

Geen

 

Artikel 38

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

Geen

 

2010/46/EU

   

Artikel 1

Reeds geïmplementeerd door dynamische verwijzing in artikel 11, eerste lid, RwRvp

Geen

 

Artikel 2

Reeds geïmplementeerd door dynamische verwijzing in artikel 10, eerste lid, RwRvp

Geen

 

Artikel 3

Artikel 42a RwRvp

Lidstaten kunnen oude versie blijven toepassen op reeds begonnen onderzoeken

Zie toelichting op artikel II, onderdeel G

Artikel 4

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

  

Artikelsgewijs

Artikel I

A

In verband met de implementatie van richtlijn (EG) 2009/145 worden de definities aangepast. Omdat deze richtlijn voor instandhoudingsrassen van groenten een andere definitie hanteert dan de definitie van instandhoudingsrassen die reeds in de regeling was opgenomen ter implementatie van richtlijn 2008/62/EG van de Commissie van 20 juni 2008 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen in de landbouw die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die door genetische erosie worden bedreigd, en voor het in de handel brengen van zaaizaad en pootaardappelen van die landrassen en rassen (PbEU L 162) (hierna: richtlijn (EG) 2008/62), worden aparte definities opgenomen voor instandhoudingsrassen van landbouwgewassen en instandhoudingsrassen van groentegewassen. Daarnaast wordt een definitie conform de eisen van richtlijn (EG) 2009/145 opgenomen van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen, in Nederland ook wel bekend als amateurrassen. In de definities van instandhoudingsrassen van landbouwgewassen en instandhoudingsrassen van groentegewassen worden de termen landras en genetische erosie gebruikt. Deze termen worden gedefinieerd in de desbetreffende richtlijnen en die definities worden overgenomen in artikel 1.

B

Richtlijn (EG) 2009/145 stelt regels over nacontrole en toezicht op zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen. Naktuinbouw is aangewezen als keuringsinstantie voor tuinbouwgewassen. De regels over nacontrole en toezicht worden derhalve geïmplementeerd door in de artikelen 24a en 24b te bepalen dat Naktuinbouw die regels bij het onderzoek, de keuring en controle van zaad van instandhoudingsrassen en voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen, in acht neemt.

C en D

Vanwege het met deze regeling gemaakte onderscheid tussen instandhoudingsrassen van landbouwgewassen en instandhoudingsrassen van groentegewassen wordt de term instandhoudingsras in deze artikelen gespecificeerd om aan te geven dat het hier instandhoudingsrassen van landbouwgewassen betreft.

E
Artikel 96a

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 10, 11 en 14 van richtlijn (EG) 2009/145. Artikel 14 van richtlijn (EG) 2009/145 bepaalt de voorwaarden waaronder zaad van een instandhoudingsras van een groentegewas in de handel mag worden gebracht. Deze voorwaarden zien op het gebied van productie en het gebied waarin het zaad in de handel wordt gebracht. Ingevolge richtlijn (EG) 2009/145 kan zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen in de handel worden gebracht als het is gecertificeerd als gecertificeerd zaad van een instandhoudingsras overeenkomstig artikel 10 van de richtlijn of als het voldoet aan de eisen voor standaardzaad van een instandhoudingsras overeenkomstig artikel 10 van de richtlijn.

Artikel 96b

Overeenkomstig artikel 13 van richtlijn (EG) 2009/145 bepaalt artikel 96b dat zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen uitsluitend wordt geproduceerd in het gebied van oorsprong. De lidstaat bepaalt bij de toelating van een instandhoudingsras het gebied van oorsprong. Ingevolge artikel 12a, vijfde lid, van de regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen is dit gebied Nederland.

Artikel 96c

Artikel 96c verplicht de leverancier van zaad van een instandhoudingsras van een groentegewas na te gaan of het ras voldoet aan de eisen om te kunnen worden gecertificeerd als gecertificeerd zaad van een instandhoudingsras of om te worden gecontroleerd als standaardzaad van een instandhoudingsras. Hiermee wordt artikel 12 van richtlijn (EG) 2009/145 geïmplementeerd.

Artikel 96d

Bijlage I bij richtlijn (EG) 2009/145 bepaalt een maximumaantal hectare per instandhoudingsras per lidstaat. De hoeveelheid zaad van een instandhoudingsras die jaarlijks in de handel wordt gebracht, mag niet meer bedragen dan de hoeveelheid die nodig is om groenten van de desbetreffende soort te telen op het daarvoor in bijlage I bepaalde aantal hectare. Om overschrijding van deze kwantitatieve beperking te voorkomen kan Naktuinbouw de maximale hoeveelheid in de handel te brengen zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen vaststellen. Deze hoeveelheid kan zowel per soort, als per instandhoudingsras worden vastgesteld.

Artikel 96e

Leveranciers die zaad van instandhoudingsrassen produceren moeten jaarlijks, voorafgaand aan het teeltseizoen, de grootte en ligging melden van het gebied waarin zaad van een instandhoudingsras wordt geteeld. Op grond van die gegevens kan Naktuinbouw de hoeveelheid in de handel te brengen zaad, indien noodzakelijk, maximeren per leverancier.

Artikel 96f

Dit artikel strekt ter implementatie van artikel 33 van richtlijn (EG) 2009/145. Dat artikel schrijft voor dat leveranciers voor elk seizoen verslag uitbrengen over de in de handel gebrachte hoeveelheid zaad van elk instandhoudingsras van een groentegewas. De lidstaten brengen desgevraagd aan de Europese Commissie en de andere lidstaten verslag uit over de hoeveelheid op hun grondgebied in de handel gebracht zaad van elk instandhoudingsras van een groentegewas.

Artikel 96g

Artikel 96g voorziet in voorschriften omtrent de verpakking van teeltmateriaal van instandhoudingsrassen van groentegewassen.

Artikel 96h

Zaad van een voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras kan overeenkomstig de eisen van artikel 26 van richtlijn (EG) 2009/145 worden gecontroleerd als standaardzaad van een voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras. Die eisen wijken met betrekking tot de raszuiverheid van het zaad af van de voorschriften voor het in de handel brengen van standaardzaad die richtlijn (EG) 2002/55 stelt.

De leverancier van zaad van een instandhoudingsras van een groentegewas moet zorgen dat tests worden uitgevoerd om na te gaan of het ras voldoet aan de eisen om te kunnen worden gecontroleerd als standaardzaad van een instandhoudingsras.

Artikel 96i

Zaad mag slechts in de handel worden gebracht in kleine verpakkingen. Daartoe bepaalt bijlage II van richtlijn (EG) 2009/145 het maximale nettogewicht per verpakking.

Artikel 96j

Dit artikel strekt ter implementatie van artikel 33 van richtlijn (EG) 2009/145. Dat artikel schrijft voor dat leveranciers voor elk seizoen verslag uitbrengen over de in de handel gebrachte hoeveelheid zaad van elk voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras van een groentegewas. De lidstaten brengen desgevraagd aan de commissie en de andere lidstaten verslag uit over de hoeveelheid op hun grondgebied in de handel gebracht zaad van elk voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras van een groentegewas.

Artikel 96k

Artikel 96k voorziet in voorschriften omtrent de verpakking van teeltmateriaal van voor teelt onder bijzonder omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen.

Artikel II

A

De definities worden aangepast aan de implementatie van richtlijn (EG) 2009/145. Er wordt een onderdeel in de definitiebepaling opgenomen voor richtlijn (EG) 2009/145, dat samen met het onderdeel betreffende richtlijn (EG) 2008/62 direct na de overige onderdelen betreffende richtlijnen wordt geplaatst. Het begrip instandhoudingsras in de Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen wordt uitgebreid van instandhoudingsrassen van landbouwgewassen naar zowel instandhoudingsrassen van landbouwgewassen als instandhoudingsrassen van groentegewassen. Algemeen criterium voor een ras om te worden gekwalificeerd als instandhoudingsras is dat het ras door genetische erosie wordt bedreigd.

Vervolgens worden de termen landras en genetische erosie gedefinieerd, welke worden gebruikt in de definitie van instandhoudingsras. Deze termen worden gedefinieerd in de desbetreffende richtlijnen en die definities worden overgenomen in artikel 1. Tot slot wordt een definitie conform de eisen van richtlijn (EG) 2009/145 opgenomen van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen, in Nederland ook wel bekend als amateurrassen.

B

Ter implementatie van richtlijn (EG) 2009/145 wordt de reikwijdte van artikel 12a aangepast. De voorschriften voor de toelating zijn vergelijkbaar voor instandhoudingsrassen van landbouwgewassen en instandhoudingsrassen van groentegewassen. Daarom wordt dit artikel zodanig aangepast dat het de voorschriften voor de toelating van instandhoudingsrassen van zowel landbouw- als groentegewassen bevat. Deze voorschriften houden een toelatingskader in dat is versoepeld ten opzichte van het kader voor een reguliere toelating.

Richtlijn (EG) 2008/62 en richtlijn (EG) 2009/145 bepalen de kenmerken die ten minste in acht worden genomen bij de beoordeling van de onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit van instandhoudingsrassen. Een verwijzing hiernaar wordt opgenomen in de aanhef van artikel 12a. Voor de beoordeling van de homogeniteit bepalen de richtlijnen dat deze voor zelfbestuivende rassen bepaald kan worden op basis van afwijkende typen, waarbij een populatienorm geldt van 10% en een toelatingskans van ten minste 90%.

De uitvoering van een technisch onderzoek is niet vereist om vast te stellen of aan het beoordelingskader is voldaan. De Raad kan een toelatingsaanvraag beoordelen aan de hand van beschikbare informatie.

De desbetreffende richtlijnen bepalen ook dat bij de toelating van een instandhoudingsras het gebied van oorsprong wordt bepaald. Vanwege de uniformiteit van het Nederlandse landschap en de beperkte omvang van Nederland, bepaalt het vijfde lid van artikel 12a dat heel Nederland bij de toelating van instandhoudingsrassen wordt beschouwd als gebied van oorsprong.

In het eerste en derde lid van artikel 12a wordt verder de term ‘stabiel’ vervangen door ‘bestendig’. Beide begrippen hebben dezelfde betekenis, maar omdat in de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 de term ‘bestendig’ wordt gebruikt, wordt daarbij aangesloten.

C

Artikel 12b bepaalt de gevallen waarin een ras niet wordt toegelaten als instandhoudingsras. Omdat die gevallen voor instandhoudingsrassen van groentegewassen hetzelfde zijn als voor instandhoudingsrassen van landbouwgewassen, wordt de werking van artikel 12b uitgebreid naar instandhoudingsrassen van groentegewassen. In de gevallen, genoemd in artikel 12b, is het minder waarschijnlijk dat een ras verloren zal gaan en is een toelating als instandhoudingsras dus niet nodig. Daarom bepaalt artikel 12b dat rassen in de daar genoemde gevallen niet worden toegelaten als instandhoudingsras.

D

Dit onderdeel vervangt de inhoud van artikel 12c door de voorwaarden voor de toelating van een voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras. De voormalige inhoud van artikel 12c betreft de benaming van instandhoudingsrassen. Dit onderwerp wordt nu geregeld in artikel 12e, dat geldt voor zowel instandhoudingsrassen als voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen.

De voorwaarden die artikel 12c stelt voor de toelating van een voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras, houden een toelatingskader in dat is versoepeld ten opzichte van het kader voor een reguliere toelating. Een ras wordt beschouwd als zijnde ontwikkeld voor teelt onder bijzondere omstandigheden als het is ontwikkeld voor teelt onder bijzondere landbouwtechnische, klimatologische of bodemkundige omstandigheden.

Richtlijn (EG) 2009/145 bepaalt de kenmerken die ten minste in acht worden genomen bij de beoordeling van de onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen. Voor de beoordeling van de homogeniteit bepaalt de richtlijn dat deze voor zelfbestuivende rassen bepaald kan worden op basis van afwijkende typen, waarbij een populatienorm geldt van 10% en een toelatingskans van ten minste 90%. De uitvoering van een technisch onderzoek is niet vereist om vast te stellen of aan het beoordelingskader is voldaan. De Raad kan een toelatingsaanvraag beoordelen aan de hand van beschikbare informatie.

E

Dit onderdeel voegt twee artikelen toe die specifiek betrekking hebben op voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen.

In artikel 12d zijn de gevallen opgenomen waarin een voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras in ieder geval niet als zodanig kan worden toegelaten. Doel van de versoepelde toelating van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen is het garanderen van het duurzame gebruik van plantaardige genetische hulpbronnen. Verhandeling kan bijdragen aan het behoud van deze rassen, waar zij anders zouden kunnen verdwijnen. Van de rassen die vermeld staan, of tot voor kort hebben gestaan, op de gemeenschappelijke rassenlijst is het minder waarschijnlijk dat deze verloren zullen gaan. Daarom bepaalt artikel 12b dat rassen in de daar genoemde gevallen niet worden toegelaten als voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras.

De voorschriften die voorheen waren opgenomen in artikel 12c worden opgenomen in artikel 12e en de werking ervan wordt uitgebreid. De voorschriften gelden daarmee voor zowel instandhoudingsrassen van landbouwgewassen als voor instandhoudingsrassen van groentegewassen en voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen. Dit houdt in dat afwijkingen kunnen worden toegestaan van de reguliere voorschriften over de benaming van toe te laten rassen, omdat het kan voorkomen dat de van oudsher gebruikte naam van een ras niet in overeenstemming is met die voorschriften.

F

Voor de toelating van instandhoudingsrassen en voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen is een technisch onderzoek niet vereist. Daardoor zijn de kosten voor de beoordeling van een aanvraag tot toelating van deze rassen aanzienlijk lager dan de kosten voor een reguliere toelating. Artikel 22a voorziet in een specifiek tarief voor de beoordeling van de aanvraag voor instandhoudingsrassen. Daar wordt nu de beoordeling van een aanvraag voor rassen die zijn ontwikkeld voor teelt onder bijzondere omstandigheden, op grond van artikel 12c, aan toegevoegd. Het is wel mogelijk om een technisch onderzoek te laten uitvoeren voor de toelating van instandhoudingsrassen en voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen. Bovendien kan de Raad besluiten dat de overgelegde informatie onvoldoende is om de aanvraag te beoordelen en dat een technisch onderzoek toch nodig is om het ras te beoordelen. In beide gevallen is het reguliere tarief voor het desbetreffende onderzoek van toepassing.

G

Dit artikel strekt ter implementatie van richtlijn (EU) 2010/46. De richtlijn wijzigt een aantal bijlagen bij richtlijn (EG) 2003/90 en richtlijn (EG) 2003/91. In de artikelen 10 en 11 van de Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen zijn dynamische verwijzingen opgenomen naar die bijlagen. Hierdoor werkt een wijziging van de bijlagen vanzelf door in de nationale regeling. Richtlijn (EU) 2010/46 biedt lidstaten de mogelijkheid om te bepalen dat voor onderzoeken die vóór wijziging van de bijlagen zijn begonnen, de bijlagen mogen worden toegepast in de versie die vóór de wijziging gold. Om te voorkomen dat voor onderzoeken die reeds zijn gestart, het onderzoek na een wijziging van de bijlagen moet worden voortgezet overeenkomstig de nieuwe bijlagen, wordt in artikel 42a van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Omdat de verwachting is dat bij toekomstige wijzigingsrichtlijnen dezelfde bepaling ten aanzien van het overgangsrecht zal worden opgenomen, is artikel 42a breed geformuleerd. Het artikel is van toepassing op alle toekomstige wijzigingen van de bijlagen waarnaar in de artikelen 10 en 11 van de Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen wordt verwezen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg.

Naar boven