Besluit van de Minister van Justitie van 13 september 2010, nummer WBV 2010/14, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Minister van Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf B4/2.2.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.2.3 Oud-Nederlanders (artikel 15, eerste lid, aanhef onder d en f, Rwn)

Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren omdat hij na verlening of verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend (zie artikel 14 Vw).

B

Paragraaf B4/2.2.3.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.2.3.1 Verblijfsvoorwaarden

De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling:

  • a. die het Nederlanderschap op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, Rwn heeft verloren;

  • b. die op het moment waarop het Nederlanderschap werd verleend of verkregen ten minste drie aaneengesloten jaren op grond van artikel 8, onder a, b, e, of l, Vw rechtmatig in Nederland verbleef;

  • c. die het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst;

  • d. die geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid; en

  • e. wiens aanvraag is ontvangen binnen twee jaar na bekendmaking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is ingetrokken.

De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen op de enkele grond dat:

  • de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv (zie B1/5.1);

  • de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Ad d.

Het gevaar voor de openbare orde wordt beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn aangelegd voor verblijfsbeëindiging (de glijdende schaal; zie B1/5.3.6). Bij de vaststelling van de verblijfsduur wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling als Nederlander in Nederland heeft verbleven. Onder strafmaat wordt verstaan de totale duur van de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen, met inbegrip van die welke bij al dan niet onherroepelijk geworden uitspraak zijn opgelegd in de periode waarin de vreemdeling het Nederlanderschap bezat en in de periode na het verlies van het Nederlanderschap.

C

Paragraaf B4/2.2.3.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.2.3.2 Bij de aanvraag over te leggen bescheiden

Bij de aanvraag overlegt de vreemdeling, naast een geldig document voor grensoverschrijding, in ieder geval:

  • a. gegevens en bescheiden met betrekking tot de duur en de aard van het eerdere verblijf in Nederland;

  • b. een afschrift van de kennisgeving tot naturalisatie dan wel het besluit van bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap;

  • c. brieven waarin hij door de Minister wordt gewezen op de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit(en); en

  • d. een afschrift van het besluit waarbij het Nederlanderschap is ingetrokken.

D

Paragraaf B4/2.2.4.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.2.4.1 Verblijfsvoorwaarden

Verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling:

  • a. die het Nederlanderschap heeft verloren door het afleggen van een verklaring van afstand, nadat het Nederlanderschap is verleend of verkregen en voordat het Nederlanderschap met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, Rwn zou worden ingetrokken; en

  • b. wiens aanvraag is ontvangen binnen twee jaar na het verlies van het Nederlanderschap.

Wat betreft de voorwaarden is het bepaalde in B4/2.2.3.1 en B4/2.3.1 van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) of voor onbepaalde tijd (zie artikel 20 Vw).

Ad b.

Indien de betrokkene na verlening of verkrijging van het Nederlanderschap – doch voordat het Nederlanderschap werd ingetrokken – zelf afstand doet van de Nederlandse nationaliteit wordt de termijn van twee jaar berekend vanaf de dag na die waarop de verklaring is afgelegd.

E

Paragraaf B4/2.3.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.3.1 Oud-Nederlanders (artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, d of f, Rwn)

Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren omdat hij na verlening of verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie artikel 20 Vw) worden verleend, indien:

  • a. hij op het moment waarop het Nederlanderschap werd verleend of verkregen ten minste vijf aaneengesloten jaren op grond van artikel 8, onder a, b, e, of l, Vw rechtmatig in Nederland verbleef; en

  • b. wordt voldaan aan de overige in B4/2.2.3.1 genoemde verblijfsvoorwaarden.

De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien:

  • de vreemdeling op het moment waarop de aanvraag is ontvangen niet gedurende een tijdvak van vijf jaren aaneengesloten rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 8, onder a, c, e dan wel l, Vw;

  • de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Voor wat betreft de bij de aanvraag over te leggen bescheiden wordt verwezen naar B4/2.2.3. Het gestelde in deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing.

F

Paragraaf C14/7 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

7 Vertrek van de vreemdeling voordat op de aanvraag is beslist

Als de asielzoeker tijdens de asielprocedure met onbekende bestemming vertrekt, geeft hij daarmee te kennen geen belang meer te hebben bij een beslissing op zijn aanvraag. Indien in het dossier geen verklaring van de Korpschef omtrent het vertrek (zie model M100) aanwezig is, dient de ambtenaar van de IND deze alsnog aan te vragen.

Als eerst na het uitbrengen van het voornemen blijkt dat de vreemdeling vertrokken is en de vreemdeling niet reageert op het voornemen, wordt conform het voornemen beslist. Hierbij kan tevens worden overwogen dat de betrokkene met zijn vertrek te kennen heeft gegeven geen belang meer te hebben bij verblijf in Nederland.

Het vertrek met onbekende bestemming zal veelal een vertrek uit Nederland zijn, maar ook een vertrek uit de woonplaats zonder afmelding of achterlating van een adres waar de asielzoeker bereikbaar is, valt hieronder.

Indien de asielzoeker Nederland heeft verlaten nadat hij een vervolgprocedure heeft ingesteld waarvan hij de uitkomst niet in Nederland mag afwachten, wordt de aanvraag niet buiten behandeling gesteld. De asielzoeker heeft immers gehoor gegeven aan de aanzegging het land te verlaten. In deze gevallen wordt inhoudelijk beslist. Als overweging ten overvloede wordt opgemerkt dat de asielzoeker inmiddels Nederland verlaten heeft.

Mocht de asielzoeker de beslissing wel afwachten en is hij desondanks met onbekende bestemming vertrokken, dan geldt evenzeer dat de grondslag aan de aanvraag zal zijn ontvallen.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2010.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 13 september 2010

De Minister van Justitie,

namens deze:

de directeur-generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken,

R.K. Visser.

TOELICHTING

ARTIKELSGEWIJS

A tot en met E

Op 1 oktober 2010 is de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) aangepast (Staatsblad 2010, 242). Zo is onder meer aan artikel 15 van de RWN een f-grond toegevoegd. Ingevolge dit artikellid kan de Minister van Justitie het Nederlanderschap intrekken indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, RWN na verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen. In artikel 6, eerste lid, onder e, RWN staan de zogenaamde optanten genoemd. Dit zijn personen die middels het afleggen van een optieverklaring het Nederlanderschap hebben verkregen. Omdat deze groep, anders dan de manier van verkrijging van het Nederlanderschap, niet verschilt van personen aan wie het Nederlanderschap middels naturalisatie is verleend, is het niet meer dan redelijk dat ook zij onder soepele voorwaarden weer in het bezit kunnen komen van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd. In de Vc is immers al sinds jaar en dag beleid opgenomen voor de categorie naturalisandi, die op grond van artikel 15, eerste lid, onder d, RWN het Nederlanderschap hebben verloren.

Voorts is verduidelijkt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet slechts is voorbehouden aan de oud-Nederlanders die door intrekking het Nederlanderschap hebben verloren, maar ook diegenen die de intrekking niet hebben afgewacht, maar zelf afstand hebben gedaan van het Nederlanderschap omdat dit anders zou worden ingetrokken.

F

De Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State heeft in een uitspraak van juni 2010 bepaald dat het wettelijk stelsel zich verzet tegen het niet behandelen van een aanvraag in andere dan in artikel 4:5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht, genoemde gevallen. Vertrek met onbekende bestemming wordt in dit artikel niet genoemd, waardoor de aanvraag om deze reden niet buiten behandeling kan worden gesteld.

De Minister van Justitie,

namens deze:

de directeur-generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken,

R.K. Visser.

Naar boven