TOELICHTING
Algemeen
1. Achtergrond en aanleiding
De vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken, de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken hebben op 15 en 18 januari 2010 overleg gevoerd met de staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over diverse wetten met betrekking tot de opname van de eilanden Bonaire, Sint Eustatius
en Saba als openbare lichamen in de zin van artikel 134 Grondwet in het Nederlandse staatsbestel. Tijdens dit overleg heeft
de staatssecretaris aan de Kamer toegezegd een sollicitatieplicht voor gewezen politieke gezagdragers op de BES-eilanden te
zullen invoeren, naar het voorbeeld van Nederland.1 Als gevolg hiervan kent het Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES thans, net als de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
(Appa), voor gewezen politieke gezagdragers van de BES-eilanden een sollicitatieplicht. De uitkeringen en pensioenen van gezaghebbers,
eilandgedeputeerden en eilandsraadsleden zijn namelijk tot op heden geregeld in de Pensioenregeling politieke gezagdragers.
In de Invoeringswet Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt deze landsverordening omgezet tot het Pensioenbesluit politieke
gezagdragers BES.
Deze sollicitatieplicht houdt in dat gewezen politieke gezagdragers van de openbare lichamen die de AOV-gerechtigde leeftijd
nog niet hebben bereikt en die een uitkering op grond van het Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES ontvangen, verplicht
zijn gedurende de uitkeringsperiode passend werk te zoeken en te aanvaarden. Indien deze verplichting niet of niet behoorlijk
wordt nagekomen, wordt de uitkering geheel of gedeeltelijk ingehouden. Bovendien wordt de gewezen politieke gezagdrager begeleid
door een re-integratiebedrijf en wordt zo nodig voorzien in planmatige begeleiding en ondersteuning.
In de artikelen 3a, vierde lid, 3b, vierde lid, en 3c, tweede lid, van het Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES is bepaald
dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld omtrent:
de activiteiten die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de sollicitatieplicht (artikel 3a, vierde lid, onderdeel a);
– een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding (artikel 3a, vierde lid, onderdeel b);
– de eisen die worden gesteld aan de organisatie die het plan opstelt (artikel 3a, vierde lid, onderdeel c);
– de aanvraag voor en de wijze van vergoeding van de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning (artikel 3b, vierde
lid, onderdelen a en b);
– de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige begeleiding en ondersteuning uitvoert (artikel 3b, vierde
lid, onderdeel c);
– de uitvoering van het geheel of gedeeltelijk inhouden van de uitkering (artikel 3c, tweede lid).
Deze onderwerpen zijn in deze regeling geregeld. Achtereenvolgens zullen de sollicitatieplicht, de planmatige begeleiding
en ondersteuning en de te nemen maatregelen bij niet of ten dele nakomen van verplichtingen worden toegelicht. Voor deze regeling
heeft het Besluit sollicitatieplicht Appa voor gewezen politieke ambtsdragers als uitgangspunt gediend.
2. De sollicitatieplicht en re-integratie
2.1 De sollicitatieplicht
Politieke gezagdragers kunnen op elk moment worden ontslagen zonder dat een opzegtermijn van toepassing is. Bovendien hebben
ook zij enige tijd nodig om zich te oriënteren op de arbeidsmarkt, een baan te zoeken en een optimale keuze te maken. Om die
reden is voor een tussenfase van drie maanden gekozen. Indien een gewezen politieke gezagdrager binnen drie maanden na zijn
aftreden nog geen passende arbeid heeft gevonden, is deze verplicht zich door een re-integratiebedrijf te laten begeleiden.
Het bevoegde gezag dat verantwoordelijk is voor de uitkering op grond van hoofdstuk 2 van het Pensioenbesluit politieke gezagdragers
BES, is tevens verantwoordelijk voor de re-integratie. Dit betreft het aanwijzen van het re-integratiebedrijf, het vaststellen
van het plan, het besluit tot het opleggen van verplichte begeleiding en ondersteuning, het toekennen van een tegemoetkoming
in de kosten van vrijwillige planmatige begeleiding en ondersteuning, het inhuren van het bedrijf dat de planmatige begeleiding
en ondersteuning uitvoert (outplacementbureau) en het opleggen van inhoudingen op de uitkering. In artikel 2 is bepaald dat
het bevoegde gezag (het bestuurscollege) een re-integratiebedrijf inschakelt voor de begeleiding van de gewezen politieke
gezagdrager.
Het re-integratiebedrijf stelt in overleg met de gewezen politieke gezagdrager een plan op. In dit plan wordt vastgelegd op
welke wijze de gewezen politieke gezagdrager bij het verkrijgen van passende arbeid zal worden begeleid, welke sollicitatieactiviteiten
dienen te worden verricht, de eventuele opleidingen en cursussen die de gewezen politieke gezagdrager dient te volgen en de
wijze waarop en de frequentie waarin de contacten tussen de gewezen politieke gezagdrager en het re-integratiebedrijf plaats
zullen vinden. Voorts dient het plan nadien elke drie maanden door de gewezen politieke gezagdrager en het re-integratiebedrijf
te worden geëvalueerd en zonodig in onderling overleg te worden bijgesteld.
Naast het opstellen van een plan en het begeleiden van de gewezen politieke gezagdrager bij het vinden van passend werk, heeft
het re-integratiebedrijf een belangrijke functie ten opzichte van het bevoegde gezag. In de eerste plaats is het re-integratiebedrijf
verplicht binnen drie weken nadat de periode van drie maanden is verstreken het plan en een advies omtrent het al dan niet
verplicht opleggen van planmatige begeleiding en ondersteuning aan het bevoegde gezag te zenden. Daarnaast dient het re-integratiebedrijf
het bevoegde gezag elke drie maanden op de hoogte te stellen van de evaluatie van het plan en van eventuele aanpassingen.
Tot slot is het re-integratiebedrijf verplicht het bevoegde gezag op de hoogte te stellen indien de gewezen politieke gezagdrager
de afspraken uit het plan niet nakomt.
2.2 Planmatige begeleiding en ondersteuning
Op grond van het Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES kan de gewezen politieke gezagdrager aanspraak maken op planmatige
begeleiding en ondersteuning (outplacement). Daarnaast kan de planmatige begeleiding en ondersteuning als verplichting worden
opgelegd als onderdeel van het plan. In het geval van vrijwillige planmatige begeleiding en ondersteuning is het de betrokkene
die het initiatief neemt. Bij de verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning ligt het initiatief bij het re-integratiebedrijf
en het bevoegde gezag.
2.2.1 Verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning
Het re-integratiebedrijf geeft in het plan aan of het meent dat planmatige begeleiding en ondersteuning in geval van de betrokkene
is aangewezen. Het bevoegde gezag besluit vervolgens binnen drie weken na ontvangst van het advies van het re-integratiebedrijf
of planmatige begeleiding en ondersteuning als verplichting wordt opgelegd. Het bevoegde gezag zal tot verplichte begeleiding
en ondersteuning overgaan als het bevoegde gezag van oordeel is dat er zich voor de gewezen politieke gezagdrager gerede kansen
op de arbeidsmarkt voordoen, maar dat een gerichte inspanning nodig is om die kansen te benutten. Het bevoegde gezag kan de
beslissing om geen planmatige begeleiding en ondersteuning op te leggen in een later stadium van de werkloosheid herzien,
indien het bevoegde gezag meent dat hiervoor aanleiding bestaat. In de situatie waarbij de planmatige begeleiding en ondersteuning
als verplichting wordt opgelegd, is het bevoegde gezag gehouden de kosten van de planmatige begeleiding en ondersteuning volledig
voor zijn rekening te nemen. De kosten worden in dat geval rechtstreeks door het bevoegde gezag aan de uitvoerder van de planmatige
begeleiding en ondersteuning betaald. Opgemerkt wordt dat de kosten wel in redelijkheid moeten staan tot de geleverde prestaties.
2.2.2 Vrijwillige planmatige begeleiding en ondersteuning
Indien de planmatige begeleiding en ondersteuning niet als verplichting wordt opgelegd, maar de gewezen politieke gezagdrager
wel prijs stelt op planmatige begeleiding en ondersteuning, worden de kosten van de planmatige begeleiding en ondersteuning
op aanvraag (declaratiebasis) aan de gewezen politieke gezagdrager door het bevoegde gezag vergoed. Deze vergoeding is in
de artikelen 3b, derde lid, van het Pensioenbesluit politieke gezagdrager begrensd tot 20% van het laatstelijk als politieke
gezagdrager genoten inkomen.
Tot slot wordt opgemerkt dat met de planmatige begeleiding en ondersteuning op vrijwillige basis reeds voorafgaand aan de
inschakeling van het re-integratiebedrijf kan worden begonnen. De gewezen politieke gezagdrager dient in dat geval voor de
tegemoetkoming zelf contact op te nemen met het bevoegde gezag. Het bevoegde gezag betaalt de vergoeding aan de betrokkene.
De tegemoetkoming wordt alleen uitbetaald na overleggen van facturen en betalingsbewijzen. Opgemerkt wordt dat ook bij vrijwillige
begeleiding en ondersteuning de kosten wel in redelijkheid moeten staan tot de geleverde prestaties.
3. Inhoudingen
Binnen de regeling staat de invoering van een adequaat re-integratiebeleid en beperking van de duur van de uitkering centraal.
Voor een succesvolle re-integratie is een actieve bijdrage van betrokkene vereist. Om die reden is in artikel 3c van het Pensioenbesluit
bepaald dat indien betrokkene ten onrechte geen gebruik maakt van de aangeboden voorzieningen of de in het kader van de re-integratie
gemaakte afspraken niet nakomt, maatregelen zullen volgen. Hierbij is gekozen voor een systeem van inhoudingen, dat wil zeggen
dat het bevoegde gezag kan besluiten een bepaald percentage van de uitkering niet uit te keren aan de betrokkene. Bij de inhoudingen
in deze regeling is gekeken naar het type verplichting en het gewicht dat wordt gehecht aan het naleven van het type verplichting.
Naarmate aan een verplichting in een groter gewicht wordt gehecht, wordt een zwaardere maatregel opgelegd. Bij het vaststellen
van de hoogte van de maatregel wordt uitgegaan van een per categorie genoemd percentage (standaardmaatregel) van de uitkering.
Afwijking is mogelijk naar boven of naar beneden, binnen de in de regeling vastgestelde boven- en ondergrenzen. Voor de duur
van de maatregel worden alleen ondergrenzen gesteld.
Binnen de bandbreedte is beleidsvrijheid gecreëerd bij het afstemmen van de hoogte en de duur van de maatregel. Zo kan een
overtreding van de per categorie ingedeelde plichten binnen de gestelde kaders nader worden afgestemd op de ernst van de gedraging
en de mate van verwijtbaarheid. Door die nadere regels in een beleidsregel vast te leggen kan het bevoegde gezag een inzichtelijk,
kenbaar en gemotiveerd uitvoeringsbeleid voeren.
4. Financiële gevolgen
De kosten voor uitvoering van de uitkeringsregeling voor politieke gezagdragers worden door het bevoegde gezag gedragen. Daarbij
is de verwachting dat de invoering van de sollicitatieplicht en de hulp bij re-integratie zal leiden tot een besparing op
de uitkeringslasten.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Onder betrokkene (onderdeel a) wordt in deze regeling verstaan degene op wie de sollicitatieplicht rust, planmatige begeleiding
en ondersteuning opgelegd kan krijgen dan wel verzoekt om planmatige begeleiding en ondersteuning bij het zoeken of verwerven
van passende arbeid.
Inhouding is de inhouding die opgelegd wordt bij het niet nakomen van een verplichting die betrokkene heeft in verband met
de sollicitatieplicht dan wel de planmatige begeleiding en ondersteuning.
Voor de begrippen passende arbeid, plan, planmatige begeleiding en ondersteuning, en uitkering wordt verwezen naar het begrip
zoals dat in het Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES is gedefinieerd.
Re-integratiebedrijf is de organisatie die de afgetreden politieke gezagdrager ondersteunt bij het vinden van werk.
Sollicitatieactiviteit is het begrip waarmee de activiteiten gericht op het zoeken dan wel verwerven van passende arbeid worden
aangeduid. Bij de toelichting op artikel 6 wordt nader op het begrip sollicitatieactiviteiten ingegaan.
Het bevoegde gezag is in geval betrokkene gezaghebber was, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (artikel
1, onderdeel g, onder 1°, van het Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES). In geval dat betrokkene eilandgedeputeerde
of eilandsraadlid van een openbaar lichaam was, is het bevoegde gezag het bestuurscollege van het betrokken openbaar lichaam
(artikel 1, onderdeel g, onder 2°, van het Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES.
Artikel 2
Dit artikel schrijft voor dat het bevoegde gezag een re-integratiebedrijf inschakelt voor het opstellen van een re-integratieplan.
Artikel 3
Het plan bevat de in dit artikel genoemde elementen. Naast persoonsgegevens (onderdeel a) wordt in het plan vastgelegd op
welke wijze de gewezen politieke gezagdrager bij het verkrijgen van passende arbeid zal worden begeleid (onderdeel b), welke
sollicitatieactiviteiten dienen te worden verricht (onderdeel c), de eventuele opleidingen en cursussen die de gewezen politieke
gezagdrager dient te volgen (onderdeel d), eventuele overige activiteiten (onderdeel e) en het tijdpad, de wijze waarop en
de frequentie waarin de contacten tussen de gewezen politieke gezagdrager en het re-integratiebedrijf plaats zullen vinden
(onderdelen f en h). Ook of al dan niet verplichte begeleiding en ondersteuning wordt opgelegd, maakt onderdeel van het plan
uit (onderdeel g).
Artikel 4
In deze bepaling wordt uitwerking gegeven aan de rol die het re-integratiebedrijf speelt richting het bevoegde gezag. Dit
behelst in het bijzonder de informatieplicht aan het bevoegde gezag als de betrokkene niet op een juiste wijze gevolg geeft
aan de in het plan gemaakte afspraken.
Het bevoegde gezag is de instantie die het re-integratieplan vaststelt. Deze vaststelling is een beschikking in de zin van
de Wet administratieve rechtspraak BES. Het plan schept immers verplichtingen jegens de betrokkene en bij niet nakomen van
verplichtingen opgenomen in het plan door betrokkene heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid op de uitkering aan de betrokkene
te korten.
Artikel 5
Om het plan zo optimaal mogelijk te laten functioneren, wordt het plan elke drie maanden door de betrokkene en het re-integratiebedrijf
geëvalueerd en zonodig bijgesteld. Het bevoegde gezag wordt hiervan op de hoogte gesteld en stelt de eventuele bijstellingen
vast.
Artikel 6
In dit artikel zijn regels opgenomen met betrekking tot sollicitatieactiviteiten. Enerzijds bevat het artikel een vangnet
voor het geval geen afspraken zijn gemaakt, namelijk dat gemiddeld eens per twee weken een sollicitatieactiviteit moet worden
ondernomen (eerste lid). Anderzijds wordt in het tweede lid de nodige ruimte gegeven om tot zogezegd maatwerkafspraken te
komen.
Sollicitaties zijn vormvrij: het versturen van een open of gerichte sollicitatiebrief, de inschrijving bij een uitzendbureau,
een (spontaan) sollicitatiebezoek aan een werkgever, het voeren van een sollicitatiegesprek en dergelijke zijn allemaal op
te vatten als sollicitatieactiviteiten. Wel dient een sollicitatieactiviteit te allen tijde concreet en verifieerbaar te zijn.
Ook het solliciteren naar een functie bij een – op dat moment voor de betrokkene nog anonieme – werkgever (bijvoorbeeld in
de situatie dat wordt gesolliciteerd via een uitzendbureau) kan als sollicitatieactiviteit beschouwd worden, mits het gaat
om een concreet arbeidsaanbod waarop wordt gereageerd en deze sollicitatie verifieerbaar is. Van de betrokkene wordt verwacht
dat hij ingaat op een verwijzing van het re-integratiebedrijf naar een werkgever als daar passend werk aanwezig is of naar
een banenmarkt. Als de belanghebbende zonder gegronde reden niet ingaat op een verwijzing dan voldoet hij daardoor niet aan
zijn sollicitatieplicht.
Solliciteren moet in voldoende mate gebeuren. Wat voldoende is hangt af van de individuele omstandigheden. Hierbij wordt rekening
gehouden met de plaatselijke arbeidsmarktsituatie en het aantal beschikbare vacatures, de mogelijkheden van de belanghebbende
en eventueel aanwezige medische beperkingen en het begrip passende arbeid. Het re-integratiebedrijf bepaalt in samenspraak
met de betrokkene het aantal activiteiten dat van hem kan worden verlangd. Ook kunnen andere inspanningen worden verlangd,
naast of in plaats van sollicitaties, zoals het volgen van een opleiding, van workshops of door het verrichten van vrijwilligerswerk.
Ook deze afspraken worden vastgelegd in het plan.
Wanneer tijdens de werkloosheid geen afspraken zijn gemaakt over de invulling van de sollicitatieplicht dient de betrokkene
gemiddeld één keer per week te solliciteren.
Artikel 7
Op grond van artikel 7 hoeft de betrokkene in verband met vakantie tijdelijk niet te solliciteren. Op jaarbasis heeft de betrokkene
recht op twintig dagen ontheffing van de sollicitatieplicht. Het tweede en derde lid bepalen dat voor betrokkenen die in de
loop van een kalenderjaar sollicitatieplichtig worden, de ontheffing van de sollicitatieplicht tijdsevenredig wordt toegepast.
Zo heeft een betrokkene die met ingang van 1 juli sollicitatieplichtig is, recht op tien dagen ontheffing van de sollicitatieplicht.
Artikel 8
Artikel 3a, vierde lid, onderdeel b, van het Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES stelt dat bij ministeriele regeling
regels dienen te worden gesteld ten aanzien van een tegemoetkoming voor activiteiten anders dan begeleiding. Het gaat daarbij
om de kosten die de betrokkene maakt bij scholing of andere in het plan opgenomen activiteiten (de activiteiten, bedoeld in
artikel 3, onderdelen d en e, van deze regeling). Uitgangspunt is dat de in het plan opgenomen activiteiten ten laste komen
van de begroting van het bevoegde gezag. De vaststelling van het plan door het bevoegde gezag impliceert derhalve een aanspraak
op een vergoeding voor de activiteiten. Voor zover de kosten van de activiteiten in het plan zijn begroot, geeft het bevoegde
gezag een oordeel over deze kosten bij het vaststellen van het plan. Als in het plan geen kosten zijn begroot, dient de betrokkene
voor een vergoeding een aanvraag in bij het bevoegde gezag. De aanvraag wordt ingediend, voordat met de activiteiten een aanvang
wordt gemaakt, zodat het bevoegde gezag nog een oordeel over de kosten kan geven.
Het bevoegde gezag kan een lagere vergoeding verlenen of de begroting in het plan lager vast stellen, indien kosten worden
opgevoerd die niet noodzakelijk zijn of die hoger zijn dan noodzakelijk. Een voorbeeld van te hoog begrote kosten is het geval
waarin een vergelijkbare cursus elders goedkoper wordt aangeboden.
Artikel 9
In dit artikel is de aanspraak op de vergoeding van planmatige begeleiding en ondersteuning op verzoek en de vergoeding van
kosten aan de organisatie die planmatige begeleiding en ondersteuning uitvoert in geval de planmatige begeleiding en ondersteuning
verplicht is opgelegd, geregeld. Met betrekking tot vrijwillige planmatige begeleiding en ondersteuning wordt opgemerkt dat
alleen bedragen aan betrokkene worden uitgekeerd op basis van overlegde facturen en betalingsbewijzen. Betrokkene dient voorts
een aanvraag in te dienen bij het bevoegde gezag om voor vergoeding van de kosten in aanmerking te komen. De vergoeding bedraagt
ten hoogste 20% van het laatstverdiende inkomen van betrokkene als politieke gezagdrager.
In het vierde lid is geregeld dat ten behoeve van een goede uitvoering van de planmatige begeleiding en ondersteuning het
bevoegde gezag de organisatie die de planmatige begeleiding en ondersteuning uitvoert, de noodzakelijke gegevens verstrekt.
In het vijfde lid is geregeld dat betrokkene verplicht is om mee te werken aan de planmatige begeleiding en ondersteuning.
Artikel 10
Aan een organisatie die wordt ingeschakeld voor planmatige begeleiding en ondersteuning, worden bepaalde eisen gesteld. Ervaring
binnen de organisatie wordt van groot belang geacht, om zo te bewerkstelligen dat gelden die aan planmatige begeleiding en
ondersteuning worden besteed, doelgericht worden ingezet. De onder a opgenomen eis geeft een waarborg voor deze kwaliteit.
Ook worden eisen gesteld aan het contact met de betrokkene. Zo dient de planmatige begeleiding en ondersteuning in ieder geval
te bestaan uit gemiddeld twee uur per maand persoonlijke en individuele begeleiding (onderdeel b).
Verder is gelet op het waarborgen van integriteit een belangrijke eis dat de organisatie noch rechtstreeks, noch indirect,
op enigerlei wijze financiële verbindingen heeft of financiële bijdragen geeft aan personen, organisaties, bedrijven of daarmee
gelieerde natuurlijke of rechtspersonen die direct of indirect invloed hebben op het gunnen van de opdracht tot planmatige
begeleiding en ondersteuning (onderdeel c).
Artikel 11
Indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag niet op een juiste wijze invulling geeft aan het zo spoedig mogelijk
weer aan de slag komen na het aftreden, kan het bevoegde gezag een sanctie opleggen.
Onderdeel a betreft een samenstel van verplichtingen die er op zien dat binnen een bepaalde termijn inlichtingen worden verstrekt
alsmede verplichtingen in het kader van controle. Het woord ‘namens’ betekent dat de in dit onderdeel bedoelde verplichtingen
tevens betrekking hebben op het door het bestuursorgaan ingeschakelde re-integratiebedrijf, dat immers in opdracht en onder
verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag werkzaam is.
De verplichtingen in de onderdelen b en c zien op re-integratie en tewerkstelling. De betrokkene is verplicht in voldoende
mate te trachten passende arbeid te vinden, aangeboden passende arbeid te aanvaarden en mee te werken aan activiteiten die
bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid, zoals het volgen van opleidingen en cursussen. Ook kan een inhouding
worden opgelegd indien de betrokkene niet voorkomt dat hij door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt, door eigen toedoen
passende arbeid opgeeft en eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
De onderdelen d en e zien op de betrokkene in relatie tot het plan, opgesteld door een re-integratiebedrijf. Onderdeel d biedt
de mogelijkheid door het bevoegd gezag een inhouding toe te passen in het geval betrokkene weigert mee te werken aan het opstellen
van het plan. Onderdeel e biedt de mogelijkheid een inhouding op te leggen als de betrokkene weigert de in het plan opgenomen
verplichtingen na te komen, zoals bijvoorbeeld de plicht sollicitatieactiviteiten te ondernemen en eventuele scholing niet
consequent volgt.
De grond voor inhouding in onderdeel f vloeit voort uit de verplichting neergelegd in artikel 3b, eerste lid, van het Pensioenbesluit
politieke gezagdragers BES dat betrokkene verplichte begeleiding en ondersteuning opgelegd kan krijgen.
Artikel 12
In artikel 12, eerste lid, is de hoogte van de inhouding opgenomen. Beboet met een inhouding van 5% wordt het niet nakomen
van inlichtingen- en informatieverstrekking. De overige sancties leiden tot een inhouding van 25%. Deze zien, zoals hiervoor
al is aangegeven, vooral op activiteiten die samenhangen met het bespoedigen van re-integratie van de gewezen politieke ambtsdrager.
Er is bovendien ruimte gecreëerd dat in individuele gevallen van het standaardpercentage kan worden afgeweken, zowel in positieve
als in negatieve zin (tweede lid). De duur van de inhouding betreft een ondergrens.
Het derde lid bevat een samenloopbepaling. Hierin is bepaald dat bij inhouding op grond van meer dan één grond het totaal
aan inhoudingen nooit meer dan 100% kan bedragen.
Artikel 13
Artikel 13 bepaalt vanaf welk moment de inhouding wordt toegepast, namelijk de eerste dag waarop het niet nakomen van een
verplichting of het nalaten van een gedraging aan de orde is.
Artikel 14
In geval van recidive wordt opnieuw een maatregel opgelegd. Bij het bepalen van de hoogte van de maatregel wordt rekening
gehouden met het feit dat eenzelfde verplichting reeds eerder niet is nageleefd. Dit is een verzwarende omstandigheid die
een zwaardere maatregel rechtvaardigt. De zwaardere maatregel houdt in dat de op te leggen maatregel met 50% wordt verhoogd
ten opzichte van een maatregel die bij een eerste overtreding zou zijn opgelegd. Ook het minimumbedrag van USD 25, genoemd
in het tweede lid, wordt met 50% verhoogd.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten.