Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Someren | Staatscourant 2010, 13240 | Overig |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Someren | Staatscourant 2010, 13240 | Overig |
Besluit inzake beoordeling milieu-effectrapportage-plicht met betrekking tot oprichting varkenshouderij en jongveehouderij
van Gebr. Van de Kerkhof aan Kuilerstraat 3 te Someren-Heide
Op 14 mei 2010, nadien aangevuld op 15 oktober 2009 en 29 maart 2010, hebben de Gebr. Van de Kerkhof, Kuilerstraat 3 te Someren-Heide, een aanmeldingsnotitie ingediend voorafgaand aan een aanvraag om milieuvergunning voor het veranderen en in werking hebben van hen agrarisch bedrijf met fokzeugen, gespeende biggen, opfokzeugen, vleesvarkens en vrouwelijk jongvee aan de Kuilerstraat 3 te Someren-Heide. Het betreft het oprichten van 3 nieuwe emissiearme vleesvarkensstallen (stal 4, 5 en 6) voor het houden van 2.656 vleesvarkens en 336 opfokzeugen (uitsluitend voor de locatie aan de Brandvenstraat 4), 1.008 vleesvarkens in stal 8, 2.304 vleesvarkens in stal 12, 1.728 vleesvarkens in stal 13a en 13b en 64 stuks vrouwelijk jongvee in stal 2.
Ingevolge artikel 7.2, eerste lid onder sub b van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, is het oprichten en uitbreidenvan een installatie met minimaal 2.200 en maximaal 3.000 plaatsen voor vleesvarkens, onderworpen aan de milieu-effectrapportage-beoordelingsplicht.
Bij de beoordeling of het noodzakelijk is een milieu-effectrapportage (MER) op te stellen gaat het bevoegd gezag na of de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben (artikel 7.8b eerste lid, van de Wet milieubeheer). Het bevoegd gezag houdt bij zijn beslissing rekening met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven omstandigheden (artikel 7.8b vierde lid, van de Wet milieubeheer). Deze omstandigheden kunnen betrekking hebben op:
1. de kenmerken van de activiteit én de samenhang met de andere activiteiten ter plaatse;
2. de plaats waar de activiteit plaatsvindt;
3. de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben.
De beoordeling heeft uitsluitend betrekking op het oprichten van de activiteit voor 2.980 vleesvarkens en 336 opfokzeugen (uitsluitend voor de locatie aan de Brandvenstraat 3). Echter in de aanmeldingsnotitie is het gehele bedrijf meegenomen om een juiste indruk te krijgen van de gehele bedrijfssituatie.
Toetsing van het voorgestelde plan van de Gebr. Van de Kerkhof aan de drie criteria voor de m.e.r.-beoordelingsprocedure heeft ons tot de conclusie gebracht dat het opstellen van een m.e.r. niet noodzakelijk is. De volgende factoren hebben bij dit oordeel een rol gespeeld:
− de aantallen dieren ten opzichte van de vigerende vergunningsituatie neemt toe echter neemt de ammoniakemissie, geuremissie en fijnstofemissie af. De inrichting bevindt zich in een verwevingsgebied van het Reconstructieplan de Peel. De inrichting ligt buiten de 250 meterzone van een zeer kwestbare gebied in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij. Daarnaast bevindt de inrichting zich op een afstand van ca. 6.200 meter ligt het Natura2000 gebied ‘De Groote Peel’. De nieuw te bouwen stallen 4, 5 en 6 zullen worden uitgevoerd veel stenger dan het BBT-niveau. Berekening van de ammoniakemmissie van de inrichting naar de omgeving toont aan dat de normstelling voor ammoniakemmissie wordt voldaan;
− de geuremmisie van de inrichting neemt af. In de notitie is beschreven dat aan de normen voor geurbelasting uit de gemeentelijke geurverordening wordt voldaan. Bij de aanvraag voor de milieuvergunning dient met berekening worden aangetoond dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Wanneer uit deze toetsing van de aanvraag volgt dat niet wordt voldaan aan het gestelde in de Wgv moet de gevraagde vergunning voor de voorgenomen activiteit worden geweigerd;
− de fijn stofemmissie vanuit de dierenverblijven binnen de inrichting neemt af. Niet is aangetoond door middel van een nader fijnstof onderzoek dat de immissie toelaatbaar is ondanks dat het emissieverschil tussen de huidige en aangevraagde situatie. Voor de beoordeling van de definitieve fijn stofemmissie zal bij de aanvraag voor de milieuvergunning uit een aanvullende rapportage en/of berekening aangetoond dienen te worden dat aan de normstelling van de luchtkwaliteit wordt voldaan. Wanneer uit deze beoordeling van de rapportage/berekening volgt dat niet wordt voldaan aan de normstelling moet de gevraagde vergunning voor de voorgenomen activiteit worden geweigerd;
− de inrichting veroorzaakt naast fijnstof, geur- en ammoniakbelasting geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (energie, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen);
− er zijn in de invloedssfeer van de inrichting ten opzichte van de andere gebiedstyperingen geen verdere bijzondere omstandigheden, die nadelige gevolgen hebben in het kader van milieu of ruimtelijke ordening.
Deze omstandigheden hebben ons, in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie gebracht dat de voorgenomen activiteit niet onder bijzondere omstandigheden wordt verricht waardoor geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu of aanzienlijke milieu-effecten ontstaan.
Geconcludeerd moet worden dat de geplande ontwikkelingen dan ook niet leiden tot een verdere beïnvloeding van de natuurwaarden of het abiotisch milieu ter plaatse dan al vergund. Het plan leidt dan ook niet tot een bijzondere omstandigheid die bepalend is voor het besluiten tot een m.e.r.-procedure.
Voor nadere toelichting verwijzen wij u naar de aanmeldingsnotitie van d.d. 14 mei 2009, nadien aangevuld op 15 oktober 2009 en de aanvulling per brief van 29 maart 2010.
Op grond van het bovenstaande zijn wij van mening dat de omstandigheden waaronder de voorgenomen activiteiten worden ondernomen, niet tot zodanige nadelige milieugevolgen leiden dat het opstellen van een m.e.r. noodzakelijk is.
Tegen een besluit om af te zien van een m.e.r. staat in dit geval geen bezwaar en beroep open. De Raad van State heeft eerder uitgemaakt dat sprake is van een zogenaamde beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit. Volgens artikel 6.3. van de Algemene wet bestuursrecht is een dergelijke beslissing niet vatbaar voor bezwaar en beroep, tenzij ze de belanghebbende – los van het voor te bereiden besluit tot vergunning-verlening – rechtstreeks in zijn belang treft. In eerdere uitspraken heeft de Raad van State uitgemaakt dat omwonenden en bijvoorbeeld milieu-verenigingen niet als direct belang-hebbenden worden gezien.
Indien zij van mening zijn dat de omstandigheden waaronder de activiteit wordt verricht wel leiden tot aanzienlijke milieu-effecten, dan dienen zij dit aan de orde te stellen in de vergunningprocedure.
Gelet op artikel 7.2.eerste lid sub b van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, en artikel 7.8b, eerste en vierde lid, van de Wet milieubeheer.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2010-13240.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.