Bekendmaking verlenen vergunning werkzaamheden Gekanaliseerde Hollandse IJssel in de gemeente Montfoort

De Minister van Verkeer en Waterstaat maakt, ter voldoening aan de Algemene wet bestuursrecht, het volgende bekend.

Bij besluit van 6 augustus 2010, nr. RWS/DUT-2010/2710, is aan de heer H.B.J. Bonenkamp te Montfoort een vergunning verleend op grond van de Waterwet en het Waterbesluit. Het betreft een vergunning voor het maken, behouden en onderhouden van een insteekhaven en beschoeiing, gelegen aan de linkeroever van de Gekanaliseerde Hollandse IJssel, tussen kilometerring 15.160 en 15.190, nabij De Cope 3 in de gemeente Montfoort. De aanvraag heeft betrekking op een handeling waarvoor meer dan één bestuursorgaan bevoegd is. Voor het werken in de keurzones van een waterkering is het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden bevoegd gezag. Conform het bepaalde in artikel 6.17 van de Waterwet is de aanvraag in behandeling genomen door de Minister van Verkeer en Waterstaat, die in dit geval het hoogste bevoegd gezag is.

Het besluit is niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerp.

Het definitieve besluit en de stukken liggen gedurende zes weken na de dag waarop deze bekendmaking is gepubliceerd, ter inzage op de navolgende adressen:

  • het kantoor van het Waterdistrict van Rijkswaterstaat Utrecht, telefoon 030-600 82 60;

  • het kantoor van Hoogheemheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, telefoon 030-634 5700 en

  • de gemeente Montfoort (tussen 9.00 uur en 12.00 uur uur), telefoon 0348-47 64 00.

Bij Rijkswaterstaat en HDSR kan tijdens genoemde uren telefonisch inlichtingen omtrent de beschikking worden verkregen.

Voor nadere inlichtingen kunt u zich telefonisch wenden tot de genoemde instanties.

Beroep en voorlopige voorziening

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kunnen belanghebbenden tegen dit besluit, binnen de inzagetermijn van zes weken, beroep instellen bij de rechtbank in het rechtsgebied waar zij wonen of gevestigd zijn.

Geen beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

Het beroepschrift dient te zijn ondertekend en dient ten minste te bevatten:

  • de naam en het adres van de indiener;

  • de dagtekening;

  • een vermelding van het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en zo mogelijk de datum en het kenmerk van het besluit;

  • een opgave van de redenen waarom u zich met het besluit niet kunt verenigen.

Gelijktijdig met of na indiening van het beroepschrift kan, bij een spoedeisend belang, een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden ingediend bij de voorzieningenrechter.

Zowel in verband met de behandeling van het beroep als in verband met het verzoek om voorlopige voorziening wordt griffierecht geheven.

Utrecht, 6 augustus 2010

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

namens deze:

de hoofdingenieur-directeur,

K. Visser.

Naar boven