Onderlinge regeling houdende een ambtsinstructie voor de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Nederland, de Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten;

Overwegende:

  • dat op grond van artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba de landen onderling een regeling treffen houdende een ambtsinstructie voor de politie, die regels bevat ter uitvoering van de artikelen 12 en 13;

  • dat op grond van artikel 14, tweede lid, van deze rijkswet elk van de landen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of bij algemene maatregel van bestuur regels vaststelt ter uitvoering van de artikelen 12 en 13, waarbij in ieder geval de regeling, bedoeld in artikel 14, eerste lid, wordt opgenomen;

Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden;

Komen het volgende overeen:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

    ambtenaar:

    • a. de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, onder a en c, van de rijkswet;

    • b. de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, onder b, van de rijkswet, voor zover het betreft de artikelen 1 tot en met 8 en hoofdstuk 7;

    • c. degene die is benoemd tot aspirant voor de duur dat hij de praktijkstage volgt;

    • d. de militair van de Koninklijke marechaussee in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de rijkswet;

    • e. de militair van de Koninklijke marechaussee en de krijgsmacht, bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de rijkswet;

    • f. de buitengewoon agent van politie, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de rijkswet.

    meerdere:

    • a. de ambtenaar die uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering;

    • b. indien op grond van het bepaalde onder a geen meerdere kan worden aangewezen de ambtenaar van politie die een hogere rang heeft of, bij gelijkheid in rang, degene met de meeste dienstjaren, dan wel bij optreden door militairen van de Koninklijke marechaussee of van enig ander krijgsmachtonderdeel degene die ingevolge bij of krachtens artikel 67 van het Wetboek van Militair Strafrecht met het bevel is belast.

    bevoegd gezag: het gezag, bedoeld in de artikelen 16 en 17 van de rijkswet.

    geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken;

    aanwenden van geweld: het gebruiken van geweld en het dreigen met geweld, waaronder wordt begrepen het ter hand nemen van een vuurwapen;

    geweldmiddel:

    • a. de krachtens artikel 42, eerste en tweede lid, van de rijkswet toegelaten uitrusting en bewapening waarmee geweld kan worden uitgeoefend;

    • b. de door Onze Minister van Defensie ter beschikking gestelde uitrusting en bewapening waarmee geweld kan worden uitgeoefend in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in artikel 11 van de rijkswet;

    vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven: vuurwapen waarmee met één druk op het afvuurmechanisme meer schoten kunnen worden gelost dan wel een vuurwapen waarmee naar keus hetzij één schot, hetzij meer schoten kunnen worden gelost;

    het gebruik van een vuurwapen: het richten, het gericht houden en het daadwerkelijk gebruik van een vuurwapen;

    niet-penetrerende munitie: munitie die is ontworpen om bij het treffen van een persoon niet het lichaam binnen te dringen;

    rijkswet: de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  • 2. In deze regeling wordt ten aanzien van buitengewone agenten van politie voor ‘korpschef’ gelezen: de door Onze Minister aangewezen ambtenaar die uit hoofd van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast.

HOOFDSTUK 2 AMBTSUITVOERING IN ELK VAN DE LANDEN

Artikel 2

Bij de uitoefening van zijn taken onthoudt de ambtenaar zich van gedragingen waardoor aan de goede naam van het politiekorps afbreuk gedaan kan worden.

Artikel 3

  • 1. Behoudens bij door elk van de landen vastgestelde bijzondere voorschriften, brengt de ambtenaar bij officiële aangelegenheden – in uniform gekleed – op militaire wijze de groet:

    • a. voor leden van het Koninklijk Huis, de Gouverneur van Curaçao en de Gouverneur van Sint Maarten;

    • b. tijdens het ten gehore brengen van volksliederen bij officiële gelegenheden, tenzij de dienstverrichting het brengen van de groet niet toelaat;

    • c. voor ontplooide, door of vanwege Hare Majesteit de Koningin uitgereikte of met Koninklijke toestemming gevoerde vaandels en standaarden, waarbij halt en front wordt gemaakt;

    • d. voor ministers, staatssecretarissen en gezaghebbers.

  • 2. De groet wordt niet gebracht door de ambtenaar die optreedt als bestuurder van een in beweging zijnd vervoermiddel, of die actief bezig is met de regeling van het verkeer.

  • 3. In burgerkleding groet de ambtenaar en brengt hij eerbewijzen met inachtneming van de gebruikelijke beleefdheidsvormen.

Artikel 4

  • 1. De ambtenaar zorgt voor een correct voorkomen.

  • 2. Hij verricht zijn taken in uniform, tenzij hij is aangewezen om in burgerkleding dienst te doen.

  • 3. In uniform of burgerkleding gekleed, draagt hij de wapens als voor de dienst voorgeschreven. Indien het dragen van wapens bij de uitoefening van de politietaak in burgerkleding is voorgeschreven, worden de wapens als regel niet zichtbaar gedragen.

  • 4. Hij draagt er zorg voor dat zijn uniformkleding en uitrustingsstukken en de hem verstrekte wapens steeds in goed onderhouden en zindelijke staat verkeren.

  • 5. Het is de ambtenaar verboden dienstkleding, -auto's en -gebouwen voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor zij zijn verstrekt respectievelijk beschikbaar gesteld.

Artikel 5

De ambtenaar legitimeert zich met het legitimatiebewijs dan aan hem is verstrekt:

  • a. bij optreden in burgerkleding ongevraagd, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken, en

  • b. bij optreden in uniform, op verzoek daartoe.

Artikel 6

  • 1. De ambtenaar bekwaamt zich voortdurend in de kennis van zijn plichten, bevoegdheden en alle andere zaken met betrekking tot zijn taken.

  • 2. De ambtenaar stelt zich voortdurend op de hoogte van de in het land geldende wettelijke regelingen, die voor de politie van belang zijn en van de voor hem geldende regelingen, dienstvoorschriften en ambtelijke instructies.

Artikel 7

Indien tegen een verdachte van een strafbaar feit proces-verbaal zal worden opgemaakt, wordt dit zo mogelijk aan hem medegedeeld, met inachtneming van de in het land geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 8

  • 1. De ambtenaar, die buiten dienst een ernstig voorval waarneemt dat binnen de bevoegdheidssfeer van de politie ligt, of die buiten dienst op andere wijze van een zodanig ernstig voorval mededeling ontvangt, is verplicht naar bevind van zaken hulp te bieden en voorlopige maatregelen te nemen ter voorkoming van verder onheil dan wel ter verzekering van de mogelijkheid tot opsporing van een strafbaar feit, een en ander in afwachting van het overnemen van de behandeling van de zaak door een dienstdoend functionaris die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast is met toezichthoudende of opsporingstaken.

  • 2. Bij dringende noodzaak verleent de ambtenaar die buiten dienst is, hulp bij de uitoefening van politietaken aan een dienstdoend functionaris die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast is met toezichthoudende of opsporingsbevoegdheden.

HOOFDSTUK 3 GEWELD

§ 1 Algemeen

Artikel 9

Het gebruik van een geweldmiddel is uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar:

  • a. aan wie dat geweldmiddel rechtens is toegekend, voor zover hij optreedt ter uitvoering van de taak met het oog waarop het geweldmiddel hem is toegekend, en

  • b. die in het gebruik van dat geweldmiddel is geoefend.

Artikel 10
  • 1. Indien de ambtenaar, al of niet in gesloten verband, onder leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere optreedt, zal hij geen geweld aanwenden dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. De meerdere geeft daarbij aan van welk geweldmiddel gebruik wordt gemaakt.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a. in het geval de meerdere, bedoeld in het eerste lid, vooraf anders heeft bepaald, of

    • b. in een geval als bedoeld in artikel 12, eerste lid, voor zover de last redelijkerwijs niet kan worden afgewacht.

§ 2 Vuurwapens

Artikel 11
  • 1. Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:

    • a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;

    • b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf

      • 1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en

      • 2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of

      • 3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.

    • c. tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden, indien er sprake is van een opdracht van het bevoegd gezag en een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;

    • d. tot het beteugelen van militaire oproerige bewegingen, andere ernstige militaire wanordelijkheden of muiterij indien de militair van de Koninklijke marechaussee in opdracht van Onze Minister van Defensie dan wel de officier van justitie belast met militaire zaken in gesloten verband onder leiding van een meerdere optreedt.

  • 2. Het gebruik van het vuurwapen in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is slechts geoorloofd tegen personen en vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden.

  • 3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt, dan wel indien een aanmerkelijke kans bestaat dat onschuldige derden kunnen worden getroffen.

  • 4. Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de poging daartoe en de deelnemingsvormen, bedoeld in het Wetboek van Strafrecht van het desbetreffende land.

Artikel 12
  • 1. De ambtenaar mag slechts uit voorzorg een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, ter hand nemen:

    • a. in gevallen waarin het gebruik van een vuurwapen is toegestaan, of

    • b. in verband met zijn veiligheid of die van anderen, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat, waarin hij bevoegd is dat vuurwapen te gebruiken.

  • 2. Indien een situatie als bedoeld in het eerste lid, zich niet of niet meer voordoet, bergt de ambtenaar terstond het vuurwapen op.

Artikel 13
  • 1. Het gebruik van een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd tegen personen en tegen vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden, in een situatie waarin sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf.

  • 2. Een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven mag slechts worden meegevoerd ten behoeve van de opleiding dan wel voor:

    • a. het verrichten van een aanhouding van een persoon van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken, of

    • b. de bewaking en beveiliging van personen en objecten.

  • 3. Het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven in het geval, bedoeld in het tweede lid, onder a, is slechts toegestaan na schriftelijke toestemming van de hoofdofficier van justitie. Indien wegens de vereiste spoed de toestemming niet schriftelijk kan worden gevraagd of verleend, kan deze ook mondeling worden gevraagd en verleend. De toestemming die mondeling is verleend, wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk bevestigd. De hoofdofficier van justitie doet van het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven zo mogelijk vooraf mededeling aan Onze Minister van Justitie van Curaçao, Onze Minister van Justitie van Sint Maarten respectievelijk de betrokken gezaghebber.

  • 4. Het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven in het geval, bedoeld in het tweede lid, onder b, is slechts mogelijk na schriftelijke toestemming van het bevoegd gezag. Indien wegens de vereiste spoed de toestemming niet schriftelijk kan worden gevraagd of verleend, kan deze ook mondeling worden gevraagd en verleend. De toestemming die mondeling is verleend, wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk bevestigd.

Artikel 14
  • 1. Het gebruik van een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd bij zeer ernstige misdrijven ter afwending van direct gevaar voor het leven van personen.

  • 2. Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats onder bevel van de commandant van een bijstandseenheid, belast met bijzondere onderdelen van de politietaak.

  • 3. Een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven mag slechts worden meegevoerd ten behoeve van de opleiding dan wel ten behoeve van de daadwerkelijke bestrijding van zeer ernstige misdrijven waarbij sprake is van direct levensbedreigende omstandigheden.

  • 4. Het meevoeren van een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven ten behoeve van de daadwerkelijke bestrijding van zeer ernstige misdrijven waarbij sprake is van direct levensbedreigende omstandigheden, is slechts toegestaan na schriftelijke toestemming van het bevoegd gezag. Aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. Indien wegens de vereiste spoed de toestemming niet schriftelijk kan worden gevraagd of verleend, kan deze ook mondeling worden gevraagd en verleend. De toestemming die mondeling is verleend, wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk bevestigd.

Artikel 15
  • 1. De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht met een vuurwapen zal schieten, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat geschoten zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing, die zo nodig vervangen kan worden door een waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.

  • 2. Een waarschuwingsschot moet op zodanige wijze worden gegeven, dat gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.

§ 3 Niet-penetrerende munitie

Artikel 16

De artikelen 11 tot en met 15 zijn niet van toepassing op het gebruik en het ter hand nemen van een vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende munitie.

Artikel 17

Het gebruik van een vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende munitie is slechts geoorloofd:

  • a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd wapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken, of

  • b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken.

Artikel 18

De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht met een vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende munitie zal schieten, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat geschoten zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.

Artikel 19

De artikelen 16 tot en met 18 zijn van overeenkomstige toepassing indien de niet-penetrerende munitie wordt afgegeven met een ander hulpmiddel dan een vuurwapen.

§ 4 Pepperspray

Artikel 20
  • 1. Het gebruik van pepperspray is slechts geoorloofd:

    • a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd wapen bij zich heeft en dit tegen een persoon zal gebruiken;

    • b. om een persoon aan te houden die zich aan aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken;

    • c. ter verdediging tegen of voor het onder controle brengen van agressieve dieren.

  • 2. Pepperspray wordt niet gebruikt tegen:

    • a. personen die zichtbaar jonger dan 12 of ouder dan 65 jaar zijn;

    • b. vrouwen die zichtbaar zwanger zijn;

    • c. personen voor wie dit gebruik als gevolg van een voor de ambtenaar zichtbare ademhalings- of andere ernstige gezondheidsstoornis onevenredig schadelijk kan zijn;

    • d. groepen personen.

  • 3. Bij gebruik van pepperspray wordt niet op de mond gericht.

Artikel 21

De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht pepperspray tegen een persoon zal gebruiken, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat pepperspray gebruikt zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.

Artikel 22

Pepperspray wordt tegen een persoon per geval ten hoogste twee maal voor de duur van niet langer dan ongeveer een seconde gebruikt en op een afstand van ten minste een meter.

§ 5 Traangas

Artikel 23

Het gebruik van een CS-traangas is slechts geoorloofd:

  • a. in met in artikel 11, eerste lid, genoemde situaties;

  • b. om agressief gedrag of verzet van een persoon te onderdrukken respectievelijk te breken;

  • c. om dreigende agressie of verzet van een persoon te voorkomen.

Artikel 24

De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij een CS-traangas tegen een persoon zal gebruiken, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat een traangas gebruikt zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.

§ 6 Overige geweldmiddelen

Artikel 25
  • 1. Het inzetten van een politie-surveillancehond is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider bij:

    • a. de surveillancedienst,

    • b. het optreden van de mobiele eenheid na toestemming van het bevoegd gezag.

  • 2. Het inzetten van een politiehond bij het optreden van een aanhoudings- en ondersteuningseenheid of een bijstandseenheid is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider bij het, na toestemming van het bevoegd gezag, optreden van een dergelijke eenheid.

  • 3. De geleider dient in het bezit te zijn van een krachtens artikel 42, eerste lid, van de rijkswet vastgesteld certificaat.

Artikel 26

In een situatie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b, waarschuwt de ambtenaar onmiddellijk voordat hij een politie-surveillancehond inzet tegen een persoon met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat de hond zal worden ingezet, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.

Artikel 27

De landen kunnen onderling bij nadere regeling regels stellen over het gebruik van een ander dan in deze regeling genoemd geweldmiddel voor zover dit noodzakelijk is voor de beproeving van dat geweldmiddel gedurende maximaal één jaar. De termijn van maximaal één jaar kan eenmaal worden verlengd.

§ 7 Melding geweld

Artikel 28
  • 1. De ambtenaar die geweld heeft aangewend meldt de feiten en omstandigheden dienaangaande, alsmede de gevolgen hiervan, onverwijld aan zijn meerdere of een door de korpschef aangewezen functionaris.

  • 2. De melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door de meerdere of de door de korpschef aangewezen functionaris terstond vastgelegd, waarbij gebruik wordt gemaakt van het model, zoals opgenomen in Bijlage bij het landbesluit, houdende algemene maatregelen, of de algemene maatregel van bestuur waarbij deze regeling wordt vastgesteld.

  • 3. De korpschef wijst in elk bureau een functionaris aan die het opmaken van de in het eerste en tweede lid bedoelde melding coördineert en begeleidt.

  • 4. De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt door de korpschef binnen vierentwintig uur na ontvangst ter kennis gebracht van de officier van justitie, dan wel door de commandant van de Koninklijke marechaussee van de officier van justitie ingeval het een militair als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder ambtenaar, onder d en e, betreft, indien:

    • a. de gevolgen van het aanwenden van geweld daartoe naar het oordeel van de korpschef of de commandant van de Koninklijke marechaussee aanleiding geven;

    • b. het aanwenden van geweld lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis dan wel de dood heeft veroorzaakt, of

    • c. gebruik is gemaakt van een vuurwapen en daarmee één of meer schoten zijn gelost.

  • 5. In geval van bijzondere bijstandseenheden die als collectief optreden, berust de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schriftelijke vastlegging en inlevering bij degene die belast is met de leiding van de betrokken eenheid.

  • 6. De betrokken ambtenaar of de leidinggevende, bedoeld in het vijfde lid, wordt door de meerdere regelmatig op de hoogte gehouden van de afhandeling van de melding en de schriftelijke vastlegging.

HOOFDSTUK 4 HANDBOEIEN

Artikel 29

  • 1. De ambtenaar kan een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen.

  • 2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:

    • a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of

    • b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, één en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt.

Artikel 30

De ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van handboeien als bedoeld in artikel 29 meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot het gebruik van handboeien hebben geleid.

HOOFDSTUK 5 VEILIGHEIDSFOUILLERING

Artikel 31

  • 1. Het onderzoek, bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de rijkswet, geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de kleding en wordt zoveel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.

  • 2. In het geval dat een persoon is of zal worden aangehouden, wordt van een onderzoek aan diens kleding door de ambtenaar die bevoegd is tot het onderzoek gemotiveerd melding gemaakt in het desbetreffende proces-verbaal.

Artikel 32

Het onderzoek, bedoeld in artikel 13, vijfde lid, van de rijkswet, wordt uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.

Artikel 33

De ambtenaar die een onderzoek als bedoeld in artikel 13, vierde of vijfde lid, van de rijkswet heeft uitgevoerd, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot dit onderzoek hebben geleid.

HOOFDSTUK 6 HULPMIDDELEN TEN BEHOEVE VAN DE FEITELIJKE VERWIJDERING VAN VREEMDELINGEN

Artikel 34

  • 1. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, kan een vreemdeling bij diens feitelijke verwijdering met hulpmiddelen ten behoeve van de verwijdering in zijn bewegingsvrijheid beperken, ten behoeve van een goed verloop van de verwijdering.

  • 2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen indien:

    • a. de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de vreemdeling, van de ambtenaar of van derden, dan wel met het oog op gevaar voor een ernstige verstoring van de openbare orde, en

    • b. de toepassing van het hulpmiddel redelijkerwijs geen gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de vreemdeling.

  • 3. Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, onder leiding van een ter plaatste aanwezige meerdere optreedt, zal hij geen gebruik maken van deze hulpmiddelen dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. De meerdere geeft daarbij aan van welk hulpmiddel gebruik wordt gemaakt.

  • 4. Het gebruik van deze hulpmiddel is uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar die in het gebruik van dat hulpmiddel is geoefend.

Artikel 35

  • 1. De ambtenaar die ten aanzien van een vreemdeling die wordt uitgezet gebruik heeft gemaakt van een hulpmiddel ten behoeve van de verwijdering dan wel uitzetting als bedoeld in artikel 34, eerste lid, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de aard van het hulpmiddel, de redenen die tot het gebruik hebben geleid en de daaruit voorvloeiende gevolgen.

  • 2. De meerdere draagt zorg voor registratie van de melding, bedoeld in het eerste lid.

HOOFDSTUK 7 HULPVERLENING

Artikel 36

  • 1. De ambtenaar draagt er zorg voor personen met lichte verwondingen, ziekteverschijnselen en personen ten aanzien van wie twijfel op dit punt bestaat, de weg te wijzen naar een huisarts of naar een E.H.B.O.-afdeling van een ziekenhuis. Indien dat noodzakelijk is, verleent de ambtenaar bemiddeling bij het verkrijgen van passend vervoer.

  • 2. De ambtenaar draagt er zorg voor dat personen met ernstige verwondingen en bewustelozen, waar onder mede worden verstaan personen die niet wekbaar of niet aanspreekbaar zijn, per ambulance naar het ziekenhuis worden vervoerd. De gegevens omtrent aard en omstandigheden van de gebeurtenis die tot de ziektetoestand heeft geleid, alsmede de op de persoon aangetroffen medische gegevens en geneesmiddelen, worden door hem ter beschikking van de medische hulpverleners gesteld.

Artikel 37

  • 1. De ambtenaar draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat personen die door drankgebruik, dan wel door andere oorzaken, onmiddellijk gevaarlijk zijn, hetzij voor de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, hetzij voor zichzelf, op de meest geschikte wijze van plaatsen die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek worden verwijderd. Onder plaatsen die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek worden mede verstaan vervoermiddelen die zich bevinden op deze plaatsen, een en ander voor zover niet gebezigd als woning.

  • 2. De ambtenaar draagt personen als bedoeld in het eerste lid over aan het eigen zorgkader, voor zover de omstandigheden zulks toelaten. Zij kunnen bij het ontbreken van opvangmogelijkheden elders, bij wijze van hulpverlening, op het politie- of brigadebureau worden ondergebracht, indien dit nodig is voor hun bescherming en dit niet tegen hun wil geschiedt.

  • 3. Voor personen als bedoeld in het eerste lid, van wie bekend is dat zij geestelijk gestoord zijn of die geestelijk gestoord lijken, waarschuwt de ambtenaar de dienstdoend adviserend arts, nadat zo mogelijk getracht is contact te zoeken met de eigen huisarts.

HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN

Artikel 38

Deze regeling wordt aangehaald als: Ambtsinstructie voor de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Willemstad, 11 februari 2010

De Minister van Justitie,

E.M.H. Hirsch Ballin.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A.Th.B. Bijleveld-Schouten.

De gedeputeerde van Constitutionele Zaken van Curaçao,

Z.A.M. Jesus-Leito.

De gedeputeerde van Constitutionele Zaken van Sint Maarten,

W. Marlin.

TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

De ambtsinstructie geeft uitvoering aan artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: rijkswet). Ingevolge dat artikellid treffen de landen onderling een regeling houdende een ambtsinstructie voor de politie, die regels bevat ter uitvoering van de artikelen 12 en 13 van de rijkswet. De ambtsinstructie wordt in elk van de landen vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of algemene maatregel van bestuur (artikel 14, tweede lid). Ingevolge artikel 53 van de rijkswet draagt elk van de landen ervoor zorg dat dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of deze algemene maatregel van bestuur in werking treedt op het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen I en II van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen.

In de ambtsinstructie worden verschillende onderwerpen geregeld die hun grondslag vinden in de artikelen 12 en 13 van de rijkswet: de ambtsuitvoering in elk van de landen (artikel 12, eerste lid), het gebruik van geweld en van handboeien (artikel 13, eerste lid), de veiligheidsfouillering (artikel 13, derde en vierde lid), de hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen (artikel 12) en de hulpverlening door de politie (artikel 13, tweede lid). Daarbij is in de regel de Ambts- en geweldinstructie KPNA als uitgangspunt genomen. In bepaalde gevallen is aangesloten bij de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren en het Uitvoeringsbesluit Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Dit uitvoeringsbesluit is gebaseerd op de Rijkswet Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba (na de transitie genaamd: Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba).

Uit de aard van de onderwerpen ‘het gebruik van geweld’ en ‘het aanleggen van handboeien’ volgt dat het wenselijk is dat deze ambtsinstructie over deze onderwerpen zo volledig mogelijke regeling bevat. Daarmee is niet alleen de onderlinge samenwerking tussen de landen op het terrein van de politie en de onderlinge uitwisseling tussen de politiekorpsen gediend, zoals dit is neergelegd in de Slotverklaring van het bestuurlijk overleg over de toekomstige staatkundige positie van Curaçao en Sint Maarten van 2 november 2006. Ook de rechtszekerheid voor de betrokken ambtenaar op wie deze ambtsinstructie van toepassing is alsmede voor de burgers is hiermee gewaarborgd.

Ambtenaren

De ambtsinstructie is van toepassing op de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3 van de rijkswet, en op de buitengewoon agent van politie (artikel 10, tweede lid, van de rijkswet).

Voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt daarnaast dat de ambtsinstructie van toepassing is op de militair van de Koninklijke marechaussee die optreedt in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en de militair van enig onderdeel van de krijgsmacht die op grond van de rijkswet bijstand verleent aan de politie, voor zover zij beschikken over de bevoegdheden van ambtenaren van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Dit is geregeld in artikel 11, vierde lid, van de rijkswet.

Grondrechten

De artikelen in de hoofdstukken 3, 4 en 6 in de ambtsinstructie raken diverse grondrechten. Het betreft met name de grondrechten:

  • het recht van ieder op eerbiediging van zijn persoonlijke levensfeer;

  • het recht op onaantastbaarheid van het lichaam;

  • buiten de gevallen bij of krachtens landsverordening of de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.

Deze grondrechten zijn onder meer neergelegd in de artikelen 3, 5 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voorts zijn voornoemde grondrechten ook neergelegd in de artikelen 10, 11 en 15 van de Staatsregeling van Curaçao, de artikelen 13, 14 en 19 van de Staatsregeling van Sint Maarten en de artikelen 10, 11 en 15 van de Grondwet. Op grond van voornoemde artikelen is een beperking van deze grondrechten toegestaan. Gelet op de gehanteerde formulering in deze artikelen in de Staatsregelingen en de Grondwet ‘bij of krachtens landsverordening’ of ‘bij of krachtens de wet’ is daarbij delegatie mogelijk, mits daarvoor een formeel-wettelijke grondslag aanwezig is. Artikel 13 van de rijkswet biedt voor het beperken van deze grondrechten in de ambtsinstructie de formeel-wettelijke grondslag.

Bij de beoordeling of een beperking van een grondrecht toelaatbaar is, is de afweging gemaakt of de aard van het geweldmiddel voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het geweldmiddel dient in verhouding te staan tot de situatie waarin of de omstandigheden waaronder het gebruik ervan geoorloofd wordt geacht. Zo is het gebruik van een vuurwapen waarmee geen automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven slechts geoorloofd indien sprake is van een vuurwapengevaarlijke verdachte, de aan te houden verdachte verdacht wordt van een ernstig strafbaar feit of sprake is van oproerige bewegingen (artikel 11).

Ook bij de voorschriften voor het aanleggen van handboeien en het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de feitelijke verwijdering van vreemdelingen is de afweging gemaakt of de aard van het middel in verhouding staat tot de situatie waarin of de omstandigheden waaronder het gebruik geoorloofd wordt geacht.

De voorschriften in de ambtsinstructie ontslaan de individuele ambtenaar er niet van om in een concreet geval de proportionaliteit en subsidiariteit van zijn optreden af te wegen.

Geweld

Hoofdstuk 3 van de ambtsinstructie bevat nadere voorschriften omtrent de uitoefening van de bevoegdheid tot geweldgebruik. De bevoegdheid tot geweldgebruik is neergelegd in artikel 13, eerste lid, van de rijkswet.

In artikel 13 van de rijkswet zijn naast de bevoegdheid tot geweldgebruik de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit opgenomen. Verder is in dat artikel bepaald dat aan het gebruik van geweld zo mogelijk een waarschuwing voorafgaat. In de ambtsinstructie is nader geregeld in welke situaties en op welke wijze geweld mag worden gebruikt.

In navolging van de in Nederland geldende ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar1 zijn geen regels opgenomen met verwijzing naar noodweer. Deze verwijzing was wel opgenomen in de Ambts- en geweldinstructie KPNA. De ambtenaar, bedoeld in deze ambtsinstructie, kan zich, evenals iedere andere burger, bij het begaan van een feit, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding beroepen op de strafuitsluitingsgrond noodweer. De artikelen in de ambtsinstructie laten de werking van noodweer, zoals dat is neergelegd in het Wetboek van Strafrecht van elk van de landen, onverlet, zodat de verwijzing daarnaar niet nodig is en zelfs beter achterwege kan blijven om te voorkomen dat de jurisprudentie in strijd kan komen met een regeling van geweldgebruik op grond van de rijkswet. Het vermijdt ook de noodzaak artikelen in deze ambtsinstructie te interpreteren in het licht van de jurisprudentie over noodweer.

Uitdrukkelijk wordt benadrukt dat het weglaten van de verwijzing naar noodweer niet inhoudt dat een ambtenaar in een situatie van noodweer zijn vuurwapen niet zou mogen gebruiken. Artikel 13, eerste lid, van de rijkswet geeft de ambtenaar de bevoegdheid geweld te gebruiken bij de uitvoering van zijn taak, terwijl dit geweldgebruik in de ambtsinstructie nader wordt uitgewerkt en met waarborgen omkleed. Hieruit volgt dat de ambtenaar die – met inachtneming van de in de rijkswet gestelde eisen van proportionaliteit en subsidiariteit – geweld gebruikt, rechtmatig handelt in het kader van zijn taakuitoefening en zonodig in een strafrechtelijke context naast een beroep op noodweer een beroep kan doen op een (buitenwettelijke ) strafuitsluitingsgrond.

Maritieme rechtshandhaving

De Rijkswet Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba, na de staatkundige transitie van toepassing op Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en alsdan genaamd de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is een samenwerkingsverband tussen Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba voor de maritieme rechtshandhaving. De rijkswet stelt de Kustwacht in en geeft de grondslag voor de taken, bevoegdheden en verantwoordelijken van deze dienst. De Kustwacht is op grond van de rijkswet belast met opsporings- en toezichthoudende taken alsmede met dienstverlenende taken, welke in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag worden uitgevoerd. De toezichthoudende en opsporingstaken omvatten onder meer de algemene politietaken en de maritieme grensbewaking. Deze taken worden uitgevoerd in de binnenwateren en territoriale zee van de Nederlandse Antillen en Aruba (na de staatkundige transitie de wateren van Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede de openbare lichamen Bonaire Sint Eustatius en Saba) en de aansluitende zonde en het overige zeegebied in de Caribische zee alsmede het luchtruim daarboven. Aan de Kustwacht komt het primaat toe voor de uitvoering van de algemene politietaken in het maritieme domein. Voor zover daarbij raakvlakken zijn met de politietaken van de ambtenaren van politie op het land, vindt tussen de Kustwacht enerzijds en het politiekorps of de politiekorpsen nauw overleg en samenwerking plaats.

Op grond van voornoemde rijkswet is de commandant van een kustwachtschip en de door hem aangewezen opvarenden bevoegd om in de rechtmatige uitoefening van bevoegdheden ter uitvoering van de taken van de Kustwacht, geweld te gebruiken (artikel 10). Bij algemene maatregel van rijksbestuur, het Uitvoeringsbesluit Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zijn regels gesteld over het gebruik van geweld. Indien de ambtenaar van politie aan boord is van een kustwachtschip, is hij aan te merken als een opvarende in de zin van die rijkswet en zijn de in voornoemd Uitvoeringsbesluit opgenomen regels over het gebruik van geweld van toepassing.

In de daarbuiten vallende situatie dat de ambtenaar van politie in de rechtmatige uitoefening van zijn taak geweld zou willen gebruiken tegen een vaartuig, geeft de voorliggende ambtsinstructie regels over het gebruik van geweld. Te denken is aan de situatie dat een op het land bevindende politieambtenaar een persoon wil aanhouden die zich aan boord van een vaartuig bevindt en ten aanzien van die persoon redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken. Benadrukt wordt dat, net als bij het schieten op rijdende auto’s, in beginsel het schieten op vaartuigen en luchtvaartuigen wordt ontraden. De reden hiervoor is de geringe kans op succes om het vervoermiddel tot stilstand te brengen, naast een relatief hoog risico voor het raken van inzittenden, dan wel andere aanwezige personen door projectielen die via het vervoermiddel afdwalen. Voor een expliciet verbod is evenwel niet gekozen. Er kunnen zich immers situaties voordoen waarbij het gebruik van een vuurwapen tegen een dergelijk vervoersmiddel niet geheel moet worden uitgesloten. De voorliggende ambtsinstructie, in samenhang met de aan de ambtenaar ter beschikking gestelde wapens, geeft een kader voor het gebruik van geweld in deze situaties. Afzonderlijke artikelen over maritieme rechtshandhaving, zoals opgenomen in hoofdstuk III van de Ambts- en Geweldinstructie KPNA, zijn dan ook niet noodzakelijk.

Voorbereiding van de ambtsinstructie

De ambtsinstructie is grotendeels voorbereid in de Projectgroep rechtspleging, rechtshandhaving en constitutionele zaken (PRRC). Deze ambtelijke projectgroep bestaat uit afgevaardigden van de Nederlandse Antillen, Curaçao, Sint Maarten en Nederland. De ambtsinstructie is door de PRRC voorgelegd aan de korpsen die met ondersteuning van de Nederlandse politie bouwtekeningen ontwikkelen voor de nieuwe korpsen.

Afstemming op politiek niveau vond plaats in de politieke stuurgroep staatkundige hervorming.

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1 Algemene bepaling

Artikel 1

Voor zover niet reeds in de rijkswet voorzien is in begripsbepalingen zijn deze in dit artikel opgenomen.

Ambtenaar

Onder 1 wordt tot uitdrukking gebracht wie als ambtenaar als bedoeld in deze ambtsinstructie wordt bedoeld. Niet voor alle ambtenaren is gehele ambtsinstructie van toepassing. Zo strekt de ambtsinstructie zich voor de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, onder b, van de rijkswet, niet uit tot hoofdstuk 3. Deze ambtenaar is immers niet aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en derhalve ingevolge artikel 13, eerste lid, van de rijkswet niet bevoegd tot het gebruik van geweld.

Voorts is voor degene die is benoemd tot aspirant de ambtsinstructie alleen van toepassing voor de duur dat hij de praktijkstage volgt.

Geweld

Onder geweld wordt in de ambtsinstructie verstaan elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken. Onder het aanwenden van geweld wordt mede begrepen: het dreigen met geweld.

Onder geweld wordt niet alleen verstaan het gebruik van fysiek geweld. Ook psychologisch en verbaal geweld kan onder omstandigheden worden aangemerkt als geweld in de zin van de ambtsinstructie.

Wat betreft fysiek geweld kan het gaan om een fysieke kracht die moet worden uitgeoefend om een persoon een bepaalde handeling te doen verrichten die hij niet wil verrichten of om een persoon een bepaalde handeling juist niet te laten verrichten. Meer dan geringe betekenis impliceert dat bijvoorbeeld het aanleggen van handboeien zonder dat betrokkene daartegen uitdrukkelijk fysieke weerstand biedt, geen geweld is in de zin van de ambtsinstructie. Gebruik van handboeien bij weerspannigheid van de arrestant, waardoor de boeien met dwang moeten worden omgelegd, valt echter wel onder geweld. Verbaal en psychologisch geweld vallen evenmin onder geweld in de zin van de ambtsinstructie.

Overigens zij opgemerkt dat het gebruik van fysiek geweld wel onder het begrip geweld valt, maar niet onder het begrip geweldmiddel.

Aanwenden van geweld

Onder het aanwenden van geweld wordt verstaan het gebruik van alsmede het dreigen met geweld. In de ambtsinstructie bestaat de mogelijkheid voor de ambtenaar om het vuurwapen ten behoeve van zijn eigen veiligheid ter hand te nemen. Door onder het aanwenden van geweld ook het ter hand nemen van een vuurwapen te verstaan, geldt ook hiervoor dat de in de ambtsinstructie opgenomen meldingsplicht van toepassing is. Hierdoor bestaat de mogelijkheid om gegevens volledig beschikbaar te krijgen voor de toetsing van dit geweldgebruik. Deze informatie kan wordt gebruikt voor de opleiding en training van de desbetreffende ambtenaren.

Geweldmiddel

In de rijkswet wordt in artikel 42 voorgeschreven dat de landen een onderlinge regeling treffen houdende regels voor de uitrusting van ambtenaren van politie. Deze regels worden in elk van de landen vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of algemene maatregel van bestuur. Onder de uitrusting wordt in artikel 42 verstaan de zaken waarover de politieagent beschikt in verband met de uitoefening van zijn taak, zoals handboeien, koppel, bewapening en uitmonstering. Met geweldmiddel wordt in de ambtsinstructie bedoeld de bij laatst genoemde onderlinge regeling toegelaten uitrusting en bewapening waarmee geweld kan worden uitgeoefend.

Artikel 42 van de rijkswet ziet niet op de militairen van de krijgsmacht die op Bonaire, Sint Eustatius en Saba politietaken kunnen uitvoeren. Hiervoor geldt dat door de Minister van Defensie de uitrusting waarmee geweld kan worden uitgeoefend in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in artikel 11 van de rijkswet, ter beschikking wordt gesteld.

Hoofdstuk 2 Ambtsuitvoering in elk van de landen

Bij alle artikelen in dit hoofdstuk is grotendeels aangesloten bij de Ambts- en Geweldinstructie KPNA.

Artikel 2

Het artikel geeft in algemene bewoordingen aan dat de ambtenaar zich dient te onthouden van gedragingen, waardoor aan de goede naam van het politiekorps afbreuk wordt gedaan. Hiermee wordt de integriteit van de ambtenaar mede tot uitdrukking gebracht. Het sluit aan bij artikel 45, tweede lid, van de rijkswet. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van laatst genoemd artikel is het aan het (op grond van het eerste lid bij landsverordening of wet aangewezen) gezag om een integriteitsbeleid te voeren dat gericht is op het bevorderen van goed ambtelijk handelen en dat in ieder geval aandacht besteedt aan het bevorderen van integriteitsbewustzijn en aan het voorkomen van misbruik van bevoegdheden, belangenverstrengeling en discriminatie.

Artikel 3

In dit artikel is aangegeven in welke gevallen de ambtenaar in uniform gekleed op militaire wijze de groet geeft. Het wordt aan elk van de landen overgelaten om eventueel bijzondere voorschriften hieromtrent te stellen.

Artikel 4

Net als bij artikel 3 wordt met dit artikel de integriteit van de ambtenaar tot uitdrukking gebracht.

De wapens die door de ambtenaar worden gedragen, zijn voorgeschreven in de onderlinge regeling op grond van artikel 42, eerste lid, van de rijkswet dan wel in de aanvullende regels op grond van het tweede lid van dat artikel.

Artikel 5

De ambtenaar is verplicht zich te legitimeren tijdens de uitoefening van de dienst. Daarbij maakt hij gebruik van een door de afzonderlijke landen zelf voorgeschreven politielegitimatiebewijs. De ambtenaar wordt in de regel geacht bij de uitvoering van zijn werkzaamheden herkenbaar te zijn. Voor ambtenaren in uniform volgt de herkenbaarheid reeds uit het politie-uniform. Door op te nemen dat een ambtenaar in uniform op verzoek een politielegitimatiebewijs toont, wordt de mogelijkheid van misbruik van het politie-uniform beperkt.

Met het oog op een goede relatie tussen de politie en publiek is het gewenst dat een ambtenaar die in burgerkleding optreedt als herkenbare individu optreedt en dat hij zich daarom ongevraagd aan het publiek legitimeert. Dit geldt niet indien bijzondere omstandigheden legitimatie onmogelijk maken. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als heimelijk opsporingsbevoegdheden worden toegepast of als bij het optreden van een arrestatieteam snelheid is geboden.

Dit artikel laat onverlet dat in andere wettelijke regelingen van elk van de landen een ander voorschrift omtrent legitimatie worden gegeven.

Artikel 6

Voor het goed kunnen functioneren als ambtenaar is het noodzakelijk dat hij zich voortdurend bekwaamt in kennis met betrekking tot zijn taken. Het is aan de korpsbeheerder van de afzonderlijke landen dan wel de directeur van de gemeenschappelijke voorziening, voor zover het betreft een ambtenaar van politie van de gemeenschappelijke voorziening, om hierop toe te zien en dit te bevorderen. Dit artikel houdt verband met de onderlinge regeling op grond van artikel 41, eerste lid, van de rijkswet. Bedoelde onderlinge regeling bevat kwaliteitscriteria en opleidings- en trainingsvereisten voor ambtenaren van politie. Die onderlinge regeling dient overigens ook in acht te worden genomen bij de door de afzonderlijke landen te stellen eisen van bekwaamheid, geschiktheid en betrouwbaarheid van de buitengewoon agenten van politie (artikel 10, vierde lid, van de rijkswet).

Naast het bekwamen in de kennis met betrekking tot zijn taken dient de ambtenaar zich ook voortdurend op de hoogte te stellen van de geldende regelingen.

De eis van bekwaamheid in het gebruik van een geweldmiddel is afzonderlijk in artikel 9 neergelegd.

Artikel 7

In elk van de landen is in het Wetboek van Strafvordering opgenomen aan welke eisen het opstellen van een proces-verbaal dient te voldoen.

Dit artikel voorziet erin dat de ambtenaar tegen een verdachte zo mogelijk mededeling doet van het feit tegen hem een proces-verbaal wordt opgemaakt. Het spreekt voor zich dat als de verdachte niet feitelijk aanwezig is, een dergelijke mededeling niet nodig is.

Artikel 8

In het eerste en tweede lid wordt tot uitdrukking gebracht dat de ambtenaar ook buiten dienst bepaalde verplichtingen draagt. Het sluit aan bij de in artikel 76, derde lid, van het Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen (en artikel 59 van het Besluit algemene rechtspositie regionale politie) opgenomen voorschrift dat de ambtenaar zich niet kunnen beroepen op de omstandigheid dat zij niet in dienst zijn in die gevallen waarin hun optreden redelijkerwijze is vereist.

Deze artikelleden strekken niet zover dat de ambtenaar altijd in functie dient te zijn.

Hoofdstuk 3 Geweld

§ 1 Algemeen

In deze ambtsinstructie is er uitdrukkelijk voor gekozen een verwijzing naar de strafuitsluitingsgrond noodweer niet op te nemen. Voor een toelichting hierop zij verwezen naar het algemeen deel van de toelichting, onder het kopje ‘Geweld’.

Artikel 9

Algemeen uitgangspunt voor het gebruik van geweld is dat er op een verantwoorde wijze met geweldmiddelen wordt omgegaan. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de rijkswet treffen de landen een onderlinge regeling over de uitrusting van de ambtenaren van politie. Artikel 42, tweede lid, biedt de mogelijkheid voor elk van de landen om over de uitrusting van de ambtenaren van politie aanvullende regels te stellen.

Uitdrukkelijk zij erop gewezen dat artikel 9 van de ambtsinstructie niet het gebruik dekt van een geweldmiddel voor een ander doel dan waarvoor het geweldmiddel is toegekend.

In onderdeel b wordt tot uitdrukking gebracht dat de ambtenaar in het gebruik van het geweldmiddel geoefend moet te zijn. Regels omtrent het oefenen en de toetsing van de geweldbeheersing zijn voor wat betreft de politieambtenaren neergelegd in de onderlinge regeling op grond van het eerste lid van artikel 41 van de rijkswet, dan wel in regelgeving van de afzonderlijke landen op basis van het tweede lid van dat artikel.

Artikel 10

Indien een ambtenaar, zowel in gesloten verband als niet in gesloten verband, onder leiding van een ter plaatse meerdere optreedt, bepaalt de meerdere het geweldmiddel en het tijdstip waarop dit wordt aangewend. Uit het gebruik van het begrip ‘aanwenden van geweld’ volgt dat in beginsel ook een last van de meerdere vereist is bij het dreigen met geweld en het ter hand nemen van een vuurwapen. Voor de ambtenaar zelf blijft gelden dat de mate waarin het middel wordt aangewend de grenzen van redelijkheid en gematigdheid niet mag overschrijden (artikel 13, vijfde lid, van de rijkswet).

De meerdere bepaalt in het algemeen wanneer de aanwending van het geweld moet worden beëindigd. Dit ontslaat de ambtenaar niet van de plicht om, ook zonder bevel, de aanwending van het geweld te stoppen zodat het daarmee beoogde doel is bereikt.

De meerdere kan vooraf instructies geven en tolerantiegrenzen aangeven om de ambtenaar de nodige armslag te geven naar eigen inzicht te handelen. In dat geval is op grond van het tweede lid, onder a, geen uitdrukkelijke last vereist.

In het tweede lid, onder b, is een verwijzing naar artikel 12, eerste lid, opgenomen. Zoals is aangegeven in het algemeen deel van de toelichting, zal de ambtenaar ook zonder uitdrukkelijke last van de meerdere geweld kunnen aanwenden indien sprake is van een noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (noodweer). Indien de ambtenaar zijn vuurwapen ter hand neemt, omdat hij redelijkerwijs mag aannemen dat een situatie ontstaat waarin hij bevoegd is een vuurwapen te gebruiken, zal dit geweldgebruik echter niet altijd met een beroep op noodweer gerechtvaardigd kunnen worden. Gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is sprake in geval van een vuurwapengevaarlijke verdachte (artikel 11, eerste lid, onder a) of een vluchtgevaarlijke verdachte van of veroordeelde voor een ernstig misdrijf (artikel 11, eerste lid, onder b). Op dat moment is veelal nog geen sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding in de zin van noodweer. Omdat een uitdrukkelijke last van een meerdere in verband met de veiligheid van de ambtenaar of een derde in die gevallen ook buiten noodweer niet altijd afgewacht zal kunnen worden, is het tweede lid, onder b, opgenomen.

Ter verduidelijking de volgende casus. Een ambtenaar, optredend onder leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere, ontvangt informatie op grond waarvan hij redelijkerwijs mag aannemen dat hij in een situatie terecht zal komen waarin het geoorloofd is zijn vuurwapen te gebruiken, bijvoorbeeld om een vuurwapengevaarlijke persoon aan te houden. Omwille van zijn eigen veiligheid wil hij zijn vuurwapen alvast ter hand nemen. Indien de situatie ter plaatste dusdanig is dat de ambtenaar een last van zijn meerdere in redelijkheid niet kan afwachten alvorens hij het wapen ter hand neemt, kan de ambtenaar zijn vuurwapen direct en dus zonder last ter hand nemen. De ambtenaar hoeft in een dergelijk geval niet eerst de afweging te maken of hij een last nodig heeft of niet. Het tweede lid, onder b, laat onverlet dat de ambtenaar, buiten noodweer, alleen van zijn vuurwapen ook daadwerkelijk gebruik mag maken in opdracht van zijn meerdere.

§ 2 Vuurwapens
Artikel 11

Het gaat hier om het handvuurwapen en niet een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven. Voor het gebruik van laatst genoemde vuurwapens gelden afzonderlijke gebruiksregels.

Eerste lid, onder a

Ongeacht de ernst van het strafbare feit dat is gepleegd, mag met gebruikmaking van het vuurwapen iemand worden aangehouden van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijn vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken. De potentiële dreiging wordt in dat geval zo groot geacht dat deze het gebruik van een vuurwapen rechtvaardigt.

Wat betreft de confrontatie met andere levensbedreigende situaties dan die waarin de dreiging gevormd wordt door een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen, behoeft de ambtsinstructie geen aparte bevoegdheid voor het gebruik van het vuurwapen. In het geval van een noodweersituatie bij bijvoorbeeld dreiging met een mes, een bijl, een injectiespuit of andere gevaarlijke voorwerpen is na afweging van de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit vuurwapengebruik mogelijk en kan een beroep worden gedaan op de strafuitsluitingsgrond noodweer.

Indien geen sprake is van noodweer wordt ervan uitgegaan dat de ambtenaar andere middelen dan het gebruik van het ingrijpende middel van een vuurwapen hanteert. Andere gevaarlijke voorwerpen zijn niet gelijk te stellen met het vuurwapen. Indien buiten de omstandigheden van dit onderdeel vuurwapengebruik ook bij andere gevaarlijke voorwerpen zonder meer zou zijn toegestaan, dan wordt de mogelijkheid van dat gebruik opgerekt zonder dat dit om redenen van veiligheid van de ambtenaar direct noodzakelijk is.

Het gebruik van de pepperspray kan, mits voldaan aan de algemene eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en de in deze ambtsinstructie gestelde voorschriften, bij gevaarlijke voorwerpen ander dan een vuurwapen geoorloofd zijn.

Van belang is dat de landen bevorderen dat bij de opleiding en de instructie ter zake het accent wordt gelegd op technieken van aanhouding en benadering alsmede op het tactisch optreden.

Eerste lid, onder b

Het gebruik van een vuurwapen is toegestaan om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een zogenoemd ernstig misdrijf. Op grond van het vierde lid wordt onder het plegen van dit misdrijf mede begrepen de poging daartoe en de deelnemingsvormen.

Dit zogenoemd ‘ernstig misdrijf’ is in dit onderdeel nader geobjectiveerd. Aangesloten is bij de voorwaarde ten aanzien van het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis dat sprake is van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Niet bij alle delicten met een strafbedreiging van vier jaren of meer is vuurwapengebruik evenwel toegestaan. Er moet sprake zijn van misdrijven waarbij sprake is van een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit (bijvoorbeeld een gewapende roofoverval een zwaar zedendelict of gijzeling) of tegen de persoonlijke levenssfeer (bijvoorbeeld diefstal met geweld).

Voorts kunnen ook delicten die worden bedreigd met een gevangenisstraf van vier jaren of meer en waarbij het niet gaat om een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, onder de delicten vallen waarbij het gebruik van het vuurwapen gerechtvaardigd kan zijn. Het gaat dan om een delict dat door zijn (mogelijke) gevolg bedreigend is voor de samenleving. Hierbij wordt gedacht aan explosieven- of drugstransport.

Door de landen wordt bij de opleiding en training van de betrokken ambtenaar aan de omstandigheden waaronder het gebruik van het vuurwapen, bedoeld in dit onderdeel, is toegestaan vanzelfsprekend uitvoerig aandacht besteed.

Eerste lid, onder c en d

Deze onderdelen zijn opgenomen om het vuurwapengebruik bij optreden in gesloten verband aan een apart regime te onderwerpen. Als voorwaarden zijn gesteld dat er een uitdrukkelijke opdracht is van het bevoegd gezag en dat in gesloten verband wordt opgetreden onder leiding van een meerdere. Dit brengt mee dat artikel 10 van de ambtsinstructie mede van toepassing is.

Het bevoegd gezag is in dit verband de Minister van Justitie van Curaçao, de Minister van Justitie van Sint Maarten en op Bonaire, Sint Eustatius respectievelijk Saba de gezaghebber. Mede gelet op de met de verstoring van de openbare orde gepaard gaande strafbare feiten, zal de beslissing tot gebruik van het vuurwapen als bedoeld in deze onderdelen door voornoemd bevoegd gezag in overleg met procureur-generaal worden genomen (artikel 16, eerste lid, van de rijkswet). Voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba is voor de militair van de Koninklijke marechaussee het bevoegd gezag bij het beteugelen van militaire woelingen, muiterij of militaire oproer de Minister van Defensie dan wel de officier van justitie belast met militaire zaken.

Tweede lid

Het gebruikt van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd tegen personen en vervoermiddelen. Onder vervoermiddelen vallen ook vaartuigen en luchtvaartuigen, waarin of waarop zich personen bevinden. Wat betreft het gebruikt tegen rijdende auto’s, vaartuigen en luchtvaartuigen wordt benadrukt dat het schieten daarop in beginsel wordt ontraden. Verwezen zij naar de uiteenzetting in het algemeen deel van deze toelichting onder ‘maritieme rechtshandhaving’.

Derde lid

Het gebruik van een vuurwapen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, blijft achterwege als de identiteit van de aan te houden persoon aan de ambtenaar bekend is en indien de aanhouding zonder bezwaar tot een later tijdstip kan worden uitgesteld. Deze beperking betekent in de praktijk dat slechts in situaties waarin de aan te houden persoon op heterdaad wordt betrapt en in geval de aanhouding geen uitstel gedoogt, terwijl toch de identiteit bekend is, bij de aanhouding gebruik mag worden gemaakt van het vuurwapen.

Bij de beoordeling van de vraag of in een bepaalde situatie bij de aanhouding van een verdachte gebruik kan worden gemaakt van het vuurwapen, dient de ambtenaar rekening te houden met een complex van factoren. Van de ambtenaar wordt dan ook een zeer zorgvuldige afweging vereist. In feite brengen de beperkingen die in dit artikel zijn aangebracht met zich mee dat slechts in uitzonderingssituaties gebruik mag worden gemaakt van het vuurwapen.

Artikel 12

De bevoegdheid om een vuurwapen, niet zijnd een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, uit voorzorg ter hand te nemen, heeft als doel de veiligheid van de ambtenaar te waarborgen. Als zodanig dient het te worden onderscheiden van het daadwerkelijk gebruik van het vuurwapen. Het vuurwapen mag uit de holster worden gehaald. Indien de situatie vervolgens niet of niet meer schietwaardig blijkt te zijn, dient het vuurwapen zo spoedig mogelijk in de holster te worden opgeborgen.

Uit artikel 28, gelezen in samenhang met de definitie van het begrip ‘aanwenden van geweld’, volgt dat ook voor het uit voorzorg ter hand nemen van een vuurwapen de meldingsprocedure geldt.

Artikel 13
Eerste lid

In de ambtsinstructie is, anders dan in de Ambts- en Geweldinstructie KPNA, een onderscheid gemaakt tussen het gebruik van enerzijds een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven en anderzijds een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven. De reden daarvoor is gelegen in de verschillende voorwaarden waaronder het gebruik van dat vuurwapen geoorloofd is.

Het gebruik van een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven is slechts geoorloofd tegen personen en tegen vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden, in een situatie waarin sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf. Aldus wordt het gebruik van dit vuurwapen beperkt tot zelfverdediging in levensbedreigende situaties. Dit laat onverlet dat een ambtenaar in de andere terzake van noodweer genoemde situaties (noodzakelijke verdediging van eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding) in het kader van een eventueel terzake daarvan tegen hem aangespannen strafrechtelijke procedure een beroep kan doen op de volle omvang van de in het Wetboek van Strafrecht van elk van de landen neergelegde strafuitsluitingsgrond ‘noodweer’.

Tweede tot en met vierde lid

Het meevoeren van een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven vergt een afzonderlijke beslissing die losstaat van het feitelijk gebruik ervan. De kracht van het automatisch vuur brengt mee dat een ambtenaar dit vuurwapen, behoudens ten behoeve van de opleiding, slechts mag meevoeren voor het verrichten van een aanhouding van een persoon van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken. Voor het meevoeren van het vuurwapen voor het verrichten van een aanhouding van een zogenoemde vuurgevaarlijke verdachte geldt op grond van het derde lid een toestemmingsprocedure.

Daarnaast is het meevoeren toegestaan voor de bewaking en beveiliging van personen en objecten. Ook hiervoor geldt een toestemmingsprocedure (vierde lid).

Artikel 14
Eerste lid

Het gebruik van een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is uitsluitend geoorloofd indien aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Er moet sprake zijn van een zeer ernstig misdrijf. Hierbij is te denken aan levensbedreigende omstandigheden, zoals gijzelingen en misdrijven van terroristische aard. Daarnaast moet het gebruik dienen ter afwending van direct gevaar voor het leven van personen.

Gelet op artikel 13, eerste lid, van de rijkswet is het gebruik van dit vuurwapen pas toegestaan, indien aan het misdrijf geen einde kan worden gemaakt op andere, minder ingrijpende wijze, of deze andere wijze niet kan worden afgewacht, gelet op de mate van de dreiging.

Gelet op deze twee cumulatieve voorwaarden voor het gebruik van dit vuurwapen, is afgezien van het opnemen van het stellen van concrete eisen aan de aard van het gevaar en het doel van het optreden. Dit betekent dat, anders dan bij het gebruik van een vuurwapen, waarmee geen automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, het gebruik niet beperkt is tot het aanhouden van een persoon of het beteugelen van ernstige (militaire) wanordelijkheden.

Tweede lid

Gelet op de aard van het vuurwapen is voorgeschreven dat het gebruik plaatsvindt onder bevel van een commandant van een bijstandseenheid belast met aangewezen bijzondere onderdelen van de politietaak. Het betreft hier de bijzondere bijstandseenheid.

Voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba kunnen militairen van de bijzondere bijstandseenheid van de Koninklijke marechaussee of de krijgsmacht die als bijstand kunnen worden ingezet eveneens worden uitgerust met dit vuurwapen.

Derde en vierde lid

Het meevoeren van een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is, behoudens ten behoeve van de opleiding, toegestaan bij de daadwerkelijke bestrijding van zeer ernstige misdrijven waarbij sprake is van direct levensbedreigende omstandigheden. Voor het meevoeren geldt in dat geval een toestemmingsprocedure, beschreven in het vierde lid.

Artikel 15

De verplichting tot het geven van een waarschuwing vormt een specifieke invulling van de algemene waarschuwingsplicht opgenomen in artikel 13, eerste lid, van de rijkswet. De ratio achter de waarschuwing is om het vuurwapengebruik door de waarschuwing zoveel mogelijk te voorkomen. Daarmee wordt invulling gegeven aan de eis van subsidiariteit. De verplichting strekt zich uit tot alle in de ambtsinstructie genoemde vuurwapens.

Een mondelinge waarschuwing verdient de voorkeur. Gezien de risico’s van een waarschuwingsschot zal dit slechts mogen worden gegeven, indien te verwachten is dat een mondelinge waarschuwing, gelet op de omstandigheden, ontoereikend is.

Voor het gebruik van andere geweldmiddelen dan het vuurwapen zijn in de ambtsinstructie afzonderlijke waarschuwingsverplichtingen opgenomen.

De waarschuwing vormt geen ambtelijk bevel terzake waarvan opzettelijk niet voldoen strafbaar is gesteld in het Wetboek van Strafrecht van de afzonderlijke landen. De waarschuwing vormt dan ook geen dwingende verplichting voor degene tegen wie het is gericht. Het negeren ervan komt voor risico van de betrokkene. De waarschuwingplicht is een instructienorm die is gericht tot de ambtenaar. Het niet naleven van deze norm kan voor die ambtenaar eventueel leiden tot disciplinaire bestraffing.

§ 3 Niet-penetrerende munitie

De niet-penetrerende munitie is ontworpen om bij het treffen van een persoon niet het lichaam binnen te dringen en om bij het treffen zoveel mogelijk energie aan die persoon af te geven. Op het moment van treffen vervormt het projectiel zich naar de vorm van het doel. Het fysieke letsel wordt beperkt doordat de trefenergie hierdoor over een relatief groot oppervlak wordt verdeeld. De munitie heeft dus de potentie om letsel te veroorzaken, maar de kans op blijvend letsel is uitermate gering.

Het gebruik van niet-penetrerende munitie wordt qua geweldniveau geplaatst tussen de pepperspray en het (reguliere) vuurwapen. Om die reden is paragraaf 3 geplaatst na de paragraaf over vuurwapens en voor de paragraaf over de pepperspray.

Artikel 16

Voor het gebruik van niet-penetrerende munitie gelden andere bepalingen dan voor het gebruik en het ter hand nemen van een vuurwapen dat is geladen met standaard munitie. Het gebruik heeft immers een ander effect dan het gebruik van de standaard munitie en het standaard dienstpistool. Voorts wordt de niet-penetrerende munitie afgeschoten in een sterk van het standaard dienstpistool afwijkend vuurwapen.

Artikel 17

In dit artikel wordt opgesomd in welke gevallen het gebruik van een vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende munitie is toegestaan. Vanwege de specialistische inzet en de mate van geoefendheid zal het vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende munitie slechts worden gebruikt door leden van een aanhoudings- en ondersteuningseenheid.

Bij de aanhouding van of verdediging tegen personen in het bezit van een wapen kan een tijdig en weloverwogen gebruik van een vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende munitie de voorkeur verdienen boven het gebruik van een vuurwapen dat is geladen met de standaard munitie, welk gebruik potentieel levensbedreigend is.

Onderdeel a van het eerste lid dient niet dermate ruim te worden geïnterpreteerd dat ieder vorm van passief en actief niet meewerken aanleiding kan zijn voor het gebruik van een vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende munitie. Dit hangt samen met de eis van proportionaliteit. Uit die eis volgt verder dat het gebruik van deze munitie zich niet leent voor het ‘ad random’ schieten op een groep personen. Dit laat onverlet dat als zich binnen een groep een persoon bevindt die zonder gevaar voor derden getroffen kan worden, het gebruik van niet-penetrerende munitie geoorloofd kan zijn. Voorwaarde daarbij is dat dit gericht tegen een bepaald individu in de groep gebeurt en dit op gecontroleerde wijze kan plaatsvinden. Een vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende munitie is niet bestemd voor het uiteendrijven van grote menigten. Hiervoor is bijvoorbeeld traangas beschikbaar. Uit de aard van de niet-penetrerende munitie (het projectiel vervormt wanneer het het doel treft) volgt dat het gebruik niet geschikt is tegen vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden.

Artikel 18

Dit artikel schrijft voor dat, net als bij het gebruik van een vuurwapen met standaard munitie, zo mogelijk steeds een waarschuwing vooraf wordt gegeven alvorens een vuurwapen geladen met niet-penetrerende munitie wordt aangewend.

Artikel 19

In de toekomst is het wellicht mogelijk dat niet-penetrerende munitie met een ander hulpmiddel dan een vuurwapen kan worden afgegeven. Gedacht kan worden aan schietwapens die werken door middel van luchtdruk. Dit artikel strekt ertoe om het afgeven van niet-penetrerende munitie met een dergelijk hulpmiddel mogelijk te maken.

§ 4 Pepperspray

De artikelen over het gebruik van pepperspray zijn ontleend aan de artikelen 12a, 12b en 12c van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren alsmede het Uitvoeringsbesluit Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba.

Pepperspray wordt qua geweldsniveau gepositioneerd in de omgeving van de wapenstok. Daarmee wordt bedoeld dat de pepperspray wat betreft de mate van het aanwenden van geweld dichter bij de wapenstok dan bij het vuurwapen dient te worden geplaatst. Dit zal veelal betekenen dat in vuurwapenwaardige situaties het gebruik van dit geweldmiddel niet het meest geëigende geweldmiddel zal zijn. In situaties waarbij het geweldsniveau blijft binnen de bandbreedte van de wapenstok tot het vuurwapen, terwijl daarnaast tevens wordt voldaan aan de algemene eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, is het gebruik van de pepperspray geoorloofd. Voornoemde eisen brengen met zich dat slechts een geweldmiddel mag worden ingezet indien de ernst van de situatie daarom vraagt en er geen ander, minder ingrijpend middel is om de persoon onder controle te krijgen. Pepperspray veroorzaakt in het algemeen te veel leed door pijn om als alternatief voor aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden aangewend te mogen worden.

Na het gebruik van de pepperspray is de ambtenaar verantwoordelijk voor het verlenen van adequate nazorg. In de onderlinge regeling op grond van artikel 42, eerste lid, van de rijkswet wordt voorgeschreven dat de met pepperspray bewapende ambtenaren dienen te beschikken over voorgeschreven middelen voor het kunnen verlenen van een adequate nazorg. Vanwege de gedetailleerdheid van deze voorschriften zijn deze in een bijlage opgenomen.

Artikel 20
Eerste lid, onder a

Bij de aanhouding van of verdediging tegen gevaarlijke verdachten in het bezit van een wapen, anders dan een vuurwapen (bijvoorbeeld een slag- of steekwapen of traan- en andere gassen) verdient waarschijnlijk een tijdig en weloverwogen gebruik van de pepperspray de voorkeur boven het gebruik van andere geweldmiddelen. Onverminderd artikel 10 van de ambtsinstructie zal de uiteindelijke afweging welk geweldmiddel aangewend dient te worden, in beginsel worden bepaald door de ambtenaar in kwestie.

Eerste lid, onder b

Dit onderdeel dient niet dermate ruim te worden geïnterpreteerd dat iedere vorm van passief of actief niet-meewerken aanleiding kan zijn voor het aanwenden van pepperspray. De algemene eisen van proportionaliteit en subsidiariteit verlangen in de eerste plaats dat aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden worden aangewend, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat de situatie escaleert. Immers, de gevolgen van het gebruik van pepperspray zijn te ingrijpend om op voorhand het middel in plaats van aanhoudings- en zelfverdedidingsvaardigheden in te zetten.

Tweede lid

Om het risico dat een persoon tengevolge van het gebruik van pepperspray met gezondheidsproblemen krijgt te kampen zo beperkt mogelijk te houden, dient het gebruik van pepperspray tegen personen behorende tot risicogroepen te worden vermeden. In het tweede lid is bepaald wanneer pepperspray in elk geval niet gebruikt mag worden. Onderdeel c van het tweede lid is met name ingegeven door het feit dat bij personen met bijvoorbeeld een ernstige long- of hartaandoening de toepassing van pepperspray mogelijk fatale gevolgen zou kunnen hebben. De kwalificatie ‘ernstig’ in het begrip ‘ernstige gezondheidsstoornissen’ dient steeds begrepen te worden in relatie tot het gebruik van pepperspray. Er zijn immers gezondheidsstoornissen denkbaar die zonder meer als ernstig gekwalificeerd kunnen worden, maar die niet aan het gebruik van pepperspray in de weg hoeven te staan omdat het gebruik daarvan, ondanks het bestaan van de gezondheidsstoornis, geen verhoogd risico met zich brengt. Voor een juiste inschatting van een risico is het noodzakelijk dat aan uiterlijke kenmerken van de desbetreffende persoon een mogelijk gezondheidsrisico is af te lezen. Mogelijke fysieke kenmerken, zoals een matige tot slechts conditionele toestand van een persoon, zouden een indicatie kunnen zijn voor de aanwezigheid van niet of minder goed zichtbare gezondheidsstoornissen.

Het vorenstaande laat onverlet dat pepperspray ook niet mag worden gebruikt tegen personen die weliswaar niet zichtbaar lijden aan bijvoorbeeld een ernstige gezondheidsstoornis, maar waarvan uit andere hoofde reeds bekend is dat zij daaraan lijden. Hierbij kan gedacht worden aan een verdachte die de ambtenaar die tot het gebruik van pepperspray wil overgaan nog kent uit eerdere contacten met deze persoon.

Pepperspray mag alleen tegen individuen en niet tegen groepen worden ingezet. Dit omdat het middel in de veelal chaotische situaties waarbij meer personen zijn betrokken niet goed doseerbaar is en gecontroleerd gebruik wordt bemoeilijkt. Daarnaast kan bij gebruik tegen groepen onvoldoende aandacht aan de vereiste nazorg worden besteed. Met nadruk zij opgemerkt dat pepperspray niet mag worden ingezet ter handhaving of herstel van de openbare orde. Voor dit doel is, onder de voorwaarden gesteld in deze ambtsinstructie, het gebruik van traangas geoorloofd. Wel is het mogelijk om pepperspray in de onder het eerste lid genoemde gevallen te gebruiken tegen personen in groepen, mits dit gericht tegen een bepaald individu gebeurt en het vereiste niveau van nazorg van de besporten persoon of personen is gewaarborgd.

Artikel 21

Net als bij het gebruik van andere geweldmiddelen is voorgeschreven dat aan het gebruik van pepperspray zo mogelijk steeds een waarschuwing vooraf gaat.

Artikel 22

Met dit artikel wordt tot uitdrukking gebracht dat de intensiteit van het gebruik te allen tijde beperkt dient te blijven.

§ 5 Traangas
Artikel 23

Dit artikel geeft aan in welke situaties het gebruik van gas of andere vloeistofverspreidende middelen is geoorloofd. Het artikel sluit grotendeels aan bij artikel 34 van de Ambts- en geweldinstructie KNPA. Voor zover het in laatst genoemd artikel opgenomen beroep op noodweer niet in deze ambtsinstructie is overgenomen, wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting onder het kopje ‘Geweld’.

Bij het gebruik van gas en andere vloeistofverspreidende middelen in een gesloten ruimte zal rekening dienen te worden gehouden met de afmetingen van de betreffende ruimte. Bij het gebruik van deze middelen in gebouwen mag niet zonder meer worden afgegaan op het totale – geschatte – volume van het gebouw. Het is beter uit te gaan van de afmetingen van de afzonderlijke ruimten in het gebouw. De verspreiding van deze middelen zal voorts in semi-gesloten ruimten niet veel afwijken van de verspreiding in gesloten ruimten.

Bij het gebruik in de open lucht moet rekening worden gehouden met de mate van openheid van het gebied, de weersomstandigheden en de omvang van de te verspreiden menigte of samenscholing. Vooral in een open veld verspreidt het middel zich beter dan indien er sprake is van dichte begroeiing of van nauwe straten met hogere bebouwing. In het laatste geval zal er minder gas of ander vloeistofverspreidende middelen gebruikt moeten worden. Voorts zorgt een hoge luchtvochtigheid in de vorm van mist of regen voor een slechts verspreiding. Het gas blijft hangen en de werking wordt bovendien versterkt doordat het vermengd met water ook de huid kan irriteren.

Artikel 24

Net als bij het gebruik van een vuurwapen geldt dat de ambtenaar onmiddellijk voordat hij een gas of andere vloeistofverspreidend middel tegen een persoon zal gebruiken een waarschuwing geeft, tenzij de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.

§ 6 Overige geweldmiddelen
Artikel 25

In bepaalde situaties kan de inzet van een surveillancepolitiehond wenselijk zijn. Gelet op het specifieke karakter van de situatie bij het optreden van de mobiele eenheid is voorgeschreven dat toestemming van het bevoegd gezag noodzakelijk is. In de op basis van artikel 41 van de rijkswet tussen de landen getroffen onderlinge regeling over kwaliteitscriteria en opleidings- en trainingsvereisten voor ambtenaren van politie worden regels gesteld over de opleiding en training van de geleider en de hond. De onderlinge regeling over de uitrusting op grond van artikel 42, eerste lid, van de rijkswet biedt de grondslag om regels te stellen over de keuring en certificering.

Artikel 26

Net als bij het aanwenden van een vuurwapen en andere geweldmiddelen, dient, voor zover de omstandigheden dat toestaan, eerst een waarschuwing te worden gegeven alvorens tot de daadwerkelijke inzet van de politiehond wordt overgegaan.

Artikel 27

Dit artikel brengt tot uitdrukking dat, indien een land besluit tot het beproeven van een nieuw geweldmiddel en voor het gebruik van dat geweldmiddel regels voor het gebruik ervan worden gesteld, deze gebruiksregels bij nadere onderlinge regeling worden vastgesteld. Aan het beproeven van een nieuw geweldmiddel wordt een termijn van maximaal één jaar verbonden. Indien dit noodzakelijk is, kan de termijn eenmaal worden verlengd.

§ 7 Melding geweld
Artikel 28

De ambtenaar die geweld heeft aangewend, meldt de feiten en omstandigheden dienaangaande, alsmede de gevolgen hiervan, onverwijld aan zijn meerdere of een door de korpschef aangewezen functionaris. Uit het begrip ‘aanwenden van geweld’ volgt dat de meldingsplicht niet alleen geldt bij het feitelijk gebruik van geweld, maar ook bij de dreiging met geweld, waaronder wordt begrepen het ter hand nemen van een vuurwapen, alsmede het geven van een waarschuwingsschot.

De melding wordt vastgelegd op een wijze die door de landen zelf wordt bepaald (tweede lid). Hierbij kan gedacht worden aan een modelformulier, maar gelet op de ontwikkelingen in de informatie- en communicatietechnologie ook aan een melding via een model in een geautoriseerd systeem. Door de wijze waarop de melding wordt vastgelegd als bijlage bij het landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of algemene maatregelen van bestuur op te nemen, wordt dit inzichtelijk gemaakt.

De meerdere of de door de korpschef aangewezen functionaris is verantwoordelijk voor het terstond vastleggen van de melding. Daarmee wordt deze het aanspreekpunt voor de inhoud van de melding. De betrokken ambtenaar voldoet door het melden van het aanwenden van het geweld aan zijn ambtelijke informatieplicht, maar wordt aldus tevens op enige afstand geplaatst van de schriftelijke bescheiden of geautoriseerde gegevens die van zijn handelen worden opgemaakt. Door de melding plaatst de ambtenaar zichzelf immers meestal ook in een potentieel strafrechtelijk kader. De meldingsplicht en het zwijgrecht van een verdachte botsen hier met elkaar. De betrokken ambtenaar dient enerzijds voldoende informatie te verstrekken om te voldoen aan de meldingsplicht zonder dat anderzijds de informatie bij voorbaat incriminerend is. Een evenwicht daartussen wordt bereikt doordat de ambtenaar alleen maar feiten en omstandigheden met betrekking tot het aanwenden van geweld aan de meerdere of aangewezen functionaris dient te melden. Na de melding kan in eventuele opvolgende fasen van een strafrechtelijk onderzoek betrokken ambtenaar niet worden verplicht tot medewerking. Dit ligt overigens anders bij een eventueel disciplinair onderzoek.

In het vierde lid is opgenomen in welke gevallen de melding ter kennis wordt gebracht van de officier van justitie.

Hoofdstuk 4 Handboeien

In artikel 1, eerste lid, wordt onder geweld in de ambtsinstructie verstaan ‘elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken’. Hierbij moet het gaan om een fysieke kracht die moet worden uitgeoefend om een persoon een bepaalde handeling te doen verrichten die hij niet wil verrichten of om een persoon een bepaalde handeling juist niet te laten verrichten. Meer dan geringe betekenis impliceert dat het aanleggen van handboeien zonder dat betrokkene daartegen uitdrukkelijk fysieke weerstand biedt, geen geweld is in de zin van de ambtsinstructie. Omdat het gebruik van handboeien niet in alle gevallen onder de definitie van geweld valt, zijn de voorschriften voor het gebruik ervan niet ondergebracht in hoofdstuk 3 (geweld), maar in een afzonderlijk hoofdstuk. Vanwege de nauwe samenhang met de bevoegdheid geweld te gebruiken, is het hoofdstuk over handboeien opgenomen na het hoofdstuk over geweld.

Dat het aanleggen van handboeien niet in alle gevallen valt onder het begrip geweld in de zin van de ambtsinstructie, betekent evenwel niet dat bij het gebruik van handboeien bij weerspannigheid van de arrestant, waardoor de boeien met dwang moeten worden omgelegd, de geweldsbepalingen in hoofdstuk 3 niet van toepassing zijn. In die situatie gelden de voorschriften voor het geweldgebruik - de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit - naast de voorwaarden voor het omleggen van de handboeien.

Het aanleggen van handboeien vormt een inbreuk op de lichamelijke integriteit van de betreffende persoon. Het aanleggen van handboeien is bij personen die rechtmatig van hun vrijheid zijn beroofd toegestaan op grond van artikel 15, vierde lid, van de Staatsregeling van Curaçao, artikel 19, vijfde lid, van de Staatsregeling van Sint Maarten en artikel 15, vierde lid, van de Grondwet. Genoemde artikelen maken mogelijk om personen, die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd, te beperken in hun grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsbeneming verdraagt.

Het gebruik van handboeien zal in ieder geval getoetst moeten worden aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Indien het aanleggen van handboeien niet in verhouding staat tot de omstandigheden of het doel ervan, zal men daarvan geen gebruik mogen maken.

Artikel 29

Handboeien mogen slechts worden aangelegd bij het vervoer van arrestanten. Het spreekt voor zich dat de handboeien daarbij vergrendeld moeten zijn teneinde het risico op letsel zoveel mogelijk uit te sluiten. De omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot het omleggen van handboeien kunnen gelegen zijn in de persoon van de arrestant, de inrichting van de (dienst) auto, de situatie waarin vervoerd wordt en het ontbreken van de mogelijkheden om op andere wijze met minder ingrijpende maatregelen (bijvoorbeeld door plaatsneming van een politieambtenaar naast de arrestant) een veilig transport te waarborgen. Bij omstandigheden die samenhangen met de persoon kan worden gedacht aan zijn gedrag, mogelijk eerdere ervaringen van de politie met deze persoon op grond waarvan voor moeilijkheden moet worden gevreesd, dan wel de aard of de ernst van het feit waarvoor deze is aangehouden.

Artikel 30

Zoals hiervoor is aangegeven, valt het aanleggen van handboeien niet in alle gevallen onder het begrip geweld, zoals dit is gedefinieerd in de ambtsinstructie. De meldingsprocedure, neergelegd in artikel 37 van de ambtsinstructie, is dan ook niet zonder meer van toepassing. Registratie van het aanleggen van handboeien stelt de korpschef en de korpsbeheerder in staat – al dan niet naar aanleiding van klachten van burgers – te bezien of terecht gebruik is gemaakt van deze bevoegdheid. Tevens is hij hierdoor beter in staat eventueel corrigerend op te treden bij onterecht gebruik van deze bevoegdheid. Het is aan elk van de landen om de wijze waarop deze registratie plaatsvindt te regelen. Gedacht kan worden aan te sluiten bij de meldingsprocedure, bedoeld in artikel 28 van de ambtsinstructie.

Hoofdstuk 5 Veiligheidsfouillering

Artikelen 31, 32 en 33

De veiligheidsfouillering is gericht op het ontdekken van voorwerpen waarmee de verdachte of veroordeelde aan zichzelf, aan de politieambtenaar of aan derden schade kan toebrengen. De in artikel 31 bedoelde fouillering zal in de meeste gevallen op straat geschieden. Gelet op de situatie waarin deze fouillering plaatsvindt (bij onmiddellijk dreigend gevaar) zal de komst van een ambtenaar van gelijk geslacht niet altijd kunnen worden afgewacht. Dit geldt evenwel niet bij de in artikel 32 bedoelde fouillering.

De onmiddellijke acute dreiging in de zin van artikel 13, derde lid, van de rijkswet kan voldoende worden afgewend door een onderzoek aan kleding. Indien gelet op de persoon van de betrokkene een onderzoek aan het lichaam noodzakelijk wordt geacht zal dit in verband met de aard daarvan door een ambtenaar van hetzelfde geslacht dienen te gebeuren.

De veiligheidsfouillering vormt een beperking op de grondrechten inzake de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de onaantastbaarheid van het lichaam. Deze grondrechten zijn neergelegd in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van de Grondwet, de artikelen 10, eerste lid, en 11 van de Staatsregeling van Curaçao en de artikelen 13, eerste lid en 14 van de Staatsregeling van Sint Maarten. Ter voorkoming dat deze grondrechten onnodig worden beperkt, is voorgeschreven dat elke veiligheidsfouillering binnen de hiërarchie dient te worden gemeld. Het wordt aan elk van de landen overgelaten op welke wijze dit dient te geschieden. Te denken is aan dezelfde wijze als waarop de melding van het aanwenden van geweld geschied (artikel 28, tweede lid).

Hoofdstuk 6 Hulpmiddelen ten behoeve van de feitelijke verwijdering van vreemdelingen

In dit hoofdstuk worden voorschriften gegeven omtrent de toepassing van vrijheidsbeperkende middelen ten behoeve van een goed verloop van de verwijdering dan wel uitzetting van vreemdelingen. In de landen worden in dit verband verschillende begrippen (verwijdering of uitzetting) gehanteerd. In dit hoofdstuk wordt onder verwijdering, dan wel uitzetting hetzelfde bedoeld, te weten het feitelijk verwijderen van de vreemdeling van het grondgebied van het land. Gelet op het eilandelijke karakter van de landen, zal dit geschieden middels een luchtvaartuig of vaartuig.

De feitelijke verwijdering van vreemdelingen betekent vaak het met de sterke arm verwijderen van een vreemdeling. De bevoegdheid tot feitelijke verwijdering met de sterke arm impliceert een bevoegdheid tot het toepassen van dwang en dwangmiddelen; tot het in zekere mate aantasten van de persoonlijke vrijheid in de vorm van een beperking van de bewegingsvrijheid.

Tijdens de feitelijke verwijdering kunnen ambtenaren worden geconfronteerd met vreemdelingen die zich door middel van hevig verbaal of fysiek geweld tegen uitzetting verzetten. Er doen zich situaties voor waarbij de vreemdeling zijn verwijdering probeert te frustreren. Te denken is aan schreeuwen, bedreiging, spuwen, vernieling, bijten, zichzelf bevuilen, schoppen, slaan of zelfverwonding. De feitelijke verwijdering is veelal een grote desillusie alsmede een bron van spanningen voor de vreemdeling en kan leiden tot agressie en weerspannigheid. Met name bij verwijdering per luchtvaartuig is op enig moment sprake van vermenging met het publiek. Aan boord van een luchtvaartuig gelden voorts strenge eisen in verband met de veiligheid van het vliegtuig. In de hoop dat hevig verzet tegen de verwijdering per luchtvaartuig ertoe zal leiden dat de poging tot verwijdering wordt gestaakt, kan de vreemdeling trachten de gedwongen verwijdering uit het land te voorkomen door zich te verzetten. Dit kan ertoe leiden dat de gezagvoerder weigert de vreemdeling aan boord te nemen in verband met de overlast die hij veroorzaakt voor andere passagiers of bijvoorbeeld omdat hij de veiligheid van de passagiers, zichzelf of het toestel in gevaar kan brengen. Immers, uiteindelijk is het steeds de gezagvoerder die beoordeelt of iemand aan bord wordt genomen.

Verzet tegen verwijdering frustreert niet alleen de beslissing om de vreemdeling daadwerkelijk te verwijderen, maar kan ook gevaar opleveren voor de gezondheid en veiligheid van de vreemdeling, van de begeleidende ambtenaren belast met de verwijdering van de vreemdeling en derden. Met het gebruik van hulpmiddelen wordt beoogd te voorkomen dat verzet tegen de feitelijke verwijdering loont en tot uitstel of, na herhaalde mislukte pogingen, zelfs tot afstel van de feitelijke verwijdering leidt. Met de toepassing van de hulpmiddelen wordt daarnaast beoogd de veiligheid van de vreemdeling, zijn begeleiders en derden te waarborgen.

De toepassing van hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting van vreemdeling vormt een beperking van de lichamelijke integriteit van de betreffende persoon en daarmee een beperking van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam, als neergelegd in artikel 11 van de Grondwet, artikel 11 van de Staatsregeling van Curaçao en artikel 14 van de Staatsregeling van Sint Maarten.

Voorts zal toepassing van een hulpmiddel ten behoeve van de uitzetting steeds getoetst moeten worden aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Artikel 34

Wie de ambtenaren belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zijn, wordt door elke van de landen bepaald. Het betreft (aangewezen) ambtenaren van politie en, voor zover het betreft Bonaire, Sint Eustatius en Saba tevens aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee. Op deze ambtenaren is de ambtsinstructie op grond van de rijkswet van toepassing.

Het gebruik van hulpmiddelen is slechts geoorloofd indien het noodzakelijk is ten behoeve van een goed verloop van de feitelijke verwijdering van de vreemdeling en alleen indien hetzelfde resultaat niet met minder ingrijpende middelen bereikt kan worden. Het beperken van de bewegingsvrijheid van de te verwijderen vreemdeling wordt ingevolge het tweede lid slechts dan noodzakelijk geacht indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de vreemdeling, van de ambtenaar of van derden, dan wel met het oog op gevaar voor een ernstige verstoring van de openbare orde, waarbij met name gedacht wordt aan de openbare orde aan boord van het luchtvaartuig. Het is derhalve niet gerechtvaardigd om standaardmatig, ten behoeve van iedere uitzetting, hulpmiddelen toe te passen. De ambtenaar zal van geval tot geval de afweging moeten maken of het toepassen van hulpmiddelen ter afwending van de gevaren genoemd in het tweede lid is aangewezen. Bovendien mag de toepassing van het hulpmiddel redelijkerwijs geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de vreemdeling.

De feiten of omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot het aanwenden van hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting kunnen zijn gelegen in de persoon van de vreemdeling, of in de situatie waarin ofwel de specifieke omstandigheden waaronder de uitzetting plaatsvindt en in het ontbreken van de mogelijkheid om op andere wijze met minder ingrijpende maatregelen een veilige uitzetting te waarborgen. Bij omstandigheden die samenhangen met de persoon van de uit te verwijder vreemdeling kan worden gedacht aan zijn gedrag, mogelijk eerdere ervaringen van betrokken ambtenaren of informatie van andere ambtenaren op grond waarvan voor moeilijkheden wordt gevreesd. Bij specifieke omstandigheden kan gedacht worden aan de feitelijke verwijdering van een grote groep vreemdelingen ineens, waarbij de veiligheidsrisico’s dermate hoog worden ingeschat dat, om escalatie te voorkomen, wordt overgegaan tot het gebruiken van hulpmiddelen.

De eisen van subsidiariteit en proportionaliteit dienen te allen tijde in acht genomen dienen te worden. Indien het toepassen van hulpmiddelen niet in verhouding staat tot de omstandigheden of het doel ervan, zal men daarvan geen gebruik mogen maken. Steeds zal beoordeeld dienen te worden of een goed en veilig verloop van de feitelijke verwijdering niet met minder ingrijpende maatregelen (bijvoorbeeld door een begeleider naast de vreemdeling plaats te laten nemen) kan worden gewaarborgd. Voorts mag de vreemdeling bij de toepassing van de hulpmiddelen niet verder in zijn bewegingsvrijheid worden beperkt dan voor de afwending van de gevaren bedoeld in het tweede lid noodzakelijk is. Dit betekent dat gekozen dient te worden voor het minst ingrijpende hulpmiddel waarmee het doel bereikt kan worden, terwijl daarvan op de minst ingrijpende wijze gebruik moet worden gemaakt. Zo zal de toepassing van de middelen zo snel als redelijkerwijs mogelijk is beëindigd moeten worden.

In het vierde lid is voorgeschreven dat het gebruik van een hulpmiddel uitsluitend is toegestaan aan de ambtenaar die in het gebruik van dat hulpmiddel is geoefend. Deze oefening dient er mede toe om de potentiële gevolgen van het gebruik van het hulpmiddel goed te kunnen beoordelen, hetgeen nodig is voor een juiste toepassing van artikel 34, tweede lid, onderdeel b. Aldus kan op een verantwoorde wijze met hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting worden omgegaan.

Artikel 35

In het eerste lid is bepaald dat de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting dan wel verwijdering dit onverwijld schriftelijk aan zijn meerdere moet melden, onder vermelding van de aard van het gebruikte hulpmiddel en de redenen voor het gebruik daarvan, alsmede de daaruit voor de vreemdeling voortvloeiende gevolgen. De systematische melding van het gebruik van hulpmiddelen stelt de landen in staat te beoordelen of op juiste wijze daarvan gebruik wordt gemaakt en zonodig corrigerend op te treden. Eveneens met het oog op de toetsing en evaluatie van het gebruik van hulpmiddelen dient de meerdere, ingevolge het tweede lid, zorg te dragen voor registratie van een melding. De melding van het gebruik van een hulpmiddel alsmede de registratie daarvan, maken het voorts mogelijk ook de bevoegde minister in elk van de landen inzicht te verschaffen in de wijze waarop ambtenaren gebruik maken van hun bevoegdheid ten behoeve van die feitelijke uitzetting, dan wel verwijdering de hulpmiddelen te gebruiken. De opdracht het gebruik van hulpmiddelen te registreren is voorts in overeenstemming met een daartoe strekkend advies van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) en de reactie van de Nederlandse regering daarop (Interim report of the Dutch Government in response to the report of the CPT on its visit to the Netherlands from 17 to 27 November 1997, CPT/Inf (99) 5).

Artikel 30 kent reeds een meldingsplicht voor het gebruik van handboeien.

De meldingsplicht van artikel 35 laat de meldingsplicht van artikel 28 van de Ambtsinstructie, die uitsluitend ziet op het aanwenden van geweld, onverlet.

Hoofdstuk 7 Hulpverlening

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de taak van de politie om de openbare orde te handhaven en hulp te verlenen aan hen die dit behoeven. De zorgplicht van de ambtenaar om zieke en gewonde personen te verwijzen of te doen vervoeren naar een ziekenhuis vloeit voort uit artikel 12 van de rijkswet. Uit artikel 5 van de rijkswet volgt dat het politiekorps in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels mede tot taak heeft zorgen te dragen voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

Overigens wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat de rijkswet geen bepaling bevat over het vaststellen van regels waaraan personen die ten behoeve van de hulpverlening aan hen zijn ondergebracht bij de politie. Elke van de landen kunnen daaromtrent zelf regels vaststellen binnen de door de Staatsregeling van Curaçao, de Staatsregeling van Sint Maarten respectievelijk de Grondwet gestelde voorschriften.

Artikel 36

In het artikel is een zorgverplichting neergelegd voor de ambtenaar om hulp te verlenen aan personen met lichte verwondingen of geestelijke of lichamelijke ziekteverschijnselen. De ambtenaar is verantwoordelijk voor een correcte handelswijze jegens de in dit artikel genoemde personen. Dit houdt tevens in dat de door de ambtenaar in dit kader verzamelde gegevens over de aard en omstandigheden van de gebeurtenis die tot de ziektetoestand hebben geleid, zo spoedig mogelijk ter beschikking stelt aan de medische hulpverleners.

Artikel 37

Het eerste lid dient alleen ter beëindiging van gevaar voor de openbare orde, veiligheid of gezondheid hetzij voor de desbetreffende persoon zelf. De zorgverplichting in dit artikel strekt ertoe dat de in het eerste lid bedoelde persoon zoveel mogelijk aan zijn eigen zorgkader wordt overgedragen. Bij eigen zorgkader dient gedacht te worden aan huisgenoten, familie, kennissen of zo nodig een medische of sociale instelling. Het tweede lid biedt de mogelijkheid om bij het ontbreken van een opvangmogelijkheid de persoon onder te brengen op het politiebureau. Het Wetboek van Strafvordering in elk van de landen is in deze gevallen niet van toepassing, zodat de ambtenaar geen dwangmiddelen mag toepassen. Artikel 15 van de Staatsregeling van Curaçao, artikel 19 van de Staatsregeling van Sint Maarten en artikel 15 van de Grondwet bieden geen grondslag de betrokken persoon tegen zijn wil op te sluiten. Indien de betrokken persoon niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan onder omstandigheden evenwel sprake zijn van een overmachtsituatie.

De Minister van Justitie,

E.M.H. Hirsch Ballin.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A.Th.B. Bijleveld-Schouten.

De gedeputeerde van Constitutionele Zaken van Curaçao,

Z.A.M. Jesus-Leito.

De gedeputeerde van Constitutionele Zaken van Sint Maarten,

W. Marlin.


XNoot
1

Zie het kabinetsstandpunt op het rapport van de commissie bezinning op het geweldgebruik door de politie (Kamerstukken II, 1992/93, 22 801, nr. 9, blz. 3–4) en de nota van toelichting bij de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 1994, 275, blz. 12–13).

Naar boven