Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2009, 117Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 juni 2009, nr. IVV/I/2009/13367, houdende regels omtrent tenuitvoerlegging van bestuurlijke boeten en terugvordering van onverschuldigde betalingen op grond van een aantal socialezekerheidswetten (Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Handelende in overeenstemming met de Minister voor Jeugd en Gezin en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de artikelen 17c en 24b van de Algemene Kinderbijslagwet, 41 en 55 van de Algemene nabestaandenwet,17e en 24b van de Algemene Ouderdomswet, 14c en 20b van de Toeslagenwet, 27c en 36b van de Werkloosheidswet, 42 en 57 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, 50 en 65 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 29c en 57b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 79 en 93 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 33b en 45c van de Ziektewet;

Besluit:

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. AKW:

Algemene Kinderbijslagwet;

b. Anw:

Algemene nabestaandenwet;

c. AOW:

Algemene Ouderdomswet;

d. TW:

Toeslagenwet;

e. WW:

Werkloosheidswet;

f. WAZO:

Wet arbeid en zorg;

g. Wajong:

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

h. WAZ:

Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

i. WAO:

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

j. Wet WIA:

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

k. ZW:

Ziektewet;

l. schuldenaar:

degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd of van wie een bedrag wordt teruggevorderd;

m. werkgever:

de schuldenaar die tevens werkgever of eigenrisicodrager is;

n. bestuurlijke boete:

een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid van de artikelen 17a van de AKW, 39 van de Anw, 17c van de AOW, 14a van de TW, 27a van de WW, 3:16 en 3:27 van de WAZO, 40 van de Wajong, 48 van de WAZ, 29a van de WAO, 91 van de Wet WIA, en in de artikelen 38, vierde lid, 38a, zevende lid, 45a, eerste lid, en 63c van de ZW;

o. vordering:
  • a. het bedrag dat wordt teruggevorderd op grond van de artikelen 24 van de AKW, 53 van de Anw, 24 van de AOW, 20 van de TW, 36 van de WW, 3:16 en 3:27 van de WAZO, 55 van de Wajong, 63 van de WAZ, 57 van de WAO, 77 van de Wet WIA, of 33 van de ZW; ;

  • b. het bedrag dat als bestuurlijke boete is opgelegd;

  • c. het bedrag dat het UWV op de werkgever verhaalt op grond van de artikelen 71, tweede lid, 75a, vierde lid, 75b, zevende lid, 75f, eerste lid, van de WAO, 72, tweede lid, 83, derde lid, 84, tweede of vierde lid, van de Wet WIA, 39a, eerste lid, of 63a, derde, vierde of vijfde lid, van de ZW of

  • d. het bedrag van een aan een werkgever verstrekt re-integratie-instrument dat wordt teruggevorderd op grond van artikel 77 van de Wet WIA;

p. aflossingscapaciteit:

het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering;

q. vermogen:

vermogensrechten, onroerende en roerende zaken, niet zijnde gebruikelijke huisraad, waarvan de dagwaarde per zaak € 1 134 of meer bedraagt;

r. inlichtingenverplichting:

de verplichting, bedoeld in de artikelen 15 van de AKW, 35 van de Anw, 49 van de AOW, 12 van de TW, 25 van de WW, 3:16 en 3:27 van de WAZO, 62 van de Wajong, 70 van de WAZ, 80 van de WAO, 27, eerste lid, van de Wet WIA en 31, eerste lid, en 49 van de ZW;

s. bijstandsnorm:

de voor de schuldenaar op grond van hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 en paragraaf 3.3, van de Wet werk en bijstand geldende bijstandsnorm;

t. UWV:

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

u. SVB:

de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 2. Bevoegdheid verrekening met werkgever

Het UWV is, naast de in artikel 1, onderdeel a tot en met k, genoemde wetten opgenomen bevoegdheden tot verrekening van vorderingen op werknemers, tevens bevoegd tot verrekening van een vordering op de werkgever met een aan de werkgever te betalen bedrag.

Artikel 3. Standaard regeling voor uitstel van betaling

  • 1. Het UWV en de SVB stellen de termijn waarvoor uitstel van betaling wordt verleend, alsmede de daaraan verbonden periodieke betalingen of verrekeningen, vast na overleg met de schuldenaar en met inachtneming van dit artikel, tenzij:

    • a. de vordering een bestuurlijke boete betreft;

    • b. de onverschuldigde betaling het gevolg is van een gedraging waarvoor aan de schuldenaar een bestuurlijke boete is opgelegd;

    • c. de onverschuldigde betaling het gevolg is van een gedraging waarvan het UWV of de SVB aangifte heeft gedaan of waarvan proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden; of

    • d. de vordering het gevolg is van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.

  • 2. Het UWV en de SVB verlenen uitstel van betaling voor ten hoogste 36 maanden. De geldschuld wordt gedurende die periode in termijnen ter hoogte van de volledige aflossingscapaciteit betaald of verrekend.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, tweede zin, wordt op verzoek van de schuldenaar ten minste de halve aflossingscapaciteit toegepast onder de voorwaarde dat de vordering geheel wordt voldaan binnen de in het tweede lid genoemde termijn van 36 maanden. De schuldenaar wordt erop gewezen dat kwijtschelding als bedoeld in de artikelen 24, derde lid, van de AKW, 53, derde lid, van de Anw, 24, derde lid, van de AOW, 20, derde lid, van de TW, 36, derde lid, van de WW, 3:16 en 3:27 van de WAZO, 55, derde lid, van de Wajong, 63, derde lid, van de WAZ, 57, derde lid, van de WAO, 77, derde lid, van de Wet WIA of 33, derde lid, van de ZW niet mogelijk is.

  • 4. Indien de schuldenaar hogere periodieke betalingen of verrekeningen voorstelt dan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, stelt het UWV of de SVB de termijnen conform dit voorstel vast.

  • 5. De periodieke betaling of verrekening wordt gesteld op de volledige aflossingscapaciteit verminderd met 5% van de bijstandsnorm indien:

    • a. de schuldenaar met aanwending van zijn volledige aflossingscapaciteit en vermogen niet in staat is de vordering binnen 36 maanden te voldoen; en

    • b. periodieke betaling of verrekening gedurende 60 maanden van het aldus verkregen bedrag leidt tot een grotere voldoening van de vordering dan betaling of verrekening gedurende 36 maanden van het op grond van het tweede en derde lid verkregen bedrag.

  • 6. Indien de schuldenaar, bij aanwending van zijn volledige aflossingscapaciteit, de vordering niet binnen 36 maanden of bij aanwending van de volledige aflossingscapaciteit verminderd met 5% van de bijstandsnorm, niet binnen 60 maanden volledig zal kunnen voldoen, wendt hij zijn vermogen aan zodat een zodanig gedeelte van de vordering binnen zes weken, nadat het UWV of de SVB aan de schuldenaar uitstel van betaling heeft verleend, wordt voldaan dat hij het resterende deel van de geldschuld binnen 36 maanden, dan wel 60 maanden, kan voldoen.

    Indien echter de schuldenaar ten genoegen van het UWV of de SVB zekerheid stelt voor voldoening van de gehele vordering binnen 36 maanden, dan wel 60 maanden, nadat uitstel van betaling is verleend, behoeft de schuldenaar zijn vermogen niet aan te wenden.

  • 7. Indien toepassing van dit artikel tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt kan het UWV of de SVB van het eerste tot en met zesde lid afwijken.

Artikel 4. Regeling voor uitstel van betaling bij schending inlichtingenplicht

  • 1. Het UWV en de SVB stellen in de uitzonderingsgevallen genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met d, de termijn waarvoor uitstel van betaling wordt verleend, alsmede de daaraan verbonden periodieke betalingen of verrekeningen, vast na overleg met de schuldenaar en met inachtneming van dit artikel.

  • 2. De periodieke betalingen of verrekeningen worden door het UWV en de SVB zodanig vastgesteld dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.

  • 3. Indien de schuldenaar hogere periodieke betalingen of verrekeningen voorstelt dan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, dan stelt het UWV of de SVB het bedrag conform dit voorstel vast.

  • 4. Indien de schuldenaar de vordering niet binnen 12 maanden volledig zal kunnen voldoen, wendt hij zijn vermogen aan zodat een zodanig gedeelte van de vordering binnen zes weken, nadat het UWV of de SVB aan de schuldenaar uitstel van betaling heeft verleend, wordt voldaan dat hij de resterende vordering binnen 12 maanden kan voldoen. Indien echter de schuldenaar ten genoegen van het UWV of de SVB zekerheid stelt voor voldoening van de gehele vordering binnen 12 maanden, nadat uitstel van betaling is verleend, behoeft de schuldenaar zijn vermogen niet aan te wenden.

  • 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 8 stelt het UWV of de SVB de termijnen waarbinnen wordt verrekend of moet worden betaald vast over een periode van meer dan 12 maanden indien de schuldenaar, ook na aanwending van zijn vermogen, niet in staat is de vordering binnen 12 maanden te voldoen.

  • 6. Artikel 3, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op dit artikel.

Artikel 5. Voldoening vordering tot en met € 300,–

Indien de vordering op de schuldenaar niet meer bedraagt dan € 300,– stelt het UWV of de SVB, in afwijking van de artikelen 3 en 4, de wijze waarop deze vordering moet worden voldaan vast zonder de schuldenaar in de gelegenheid te stellen een voorstel te doen met betrekking tot de wijze van voldoening van de vordering, met dien verstande dat per periode van een maand de aflossing op niet meer dan € 52,– kan worden vastgesteld.

Artikel 6. Uitstel van betaling op voorstel schuldenaar

Het UWV en de SVB kunnen, in afwijking van de artikelen 3 en 4, uitstel van betaling verlenen conform een voorstel van de schuldenaar indien:

  • a. de schuldenaar hierom gemotiveerd verzoekt tot uiterlijk zes weken na bekendmaking van een beschikking tot betaling van een geldschuld; en

  • b. het voorstel inhoudt dat de gehele vordering binnen 12 maanden, eventueel door middel van periodieke betalingen of verrekeningen, wordt voldaan.

Artikel 7. Voorschriften uitstel van betaling

  • 1. Het UWV en de SVB verbinden aan een beschikking tot uitstel van betaling in ieder geval de voorschriften dat:

    • a. de vordering gedurende de periode waarover uitstel van betaling is verleend door middel van betalingen of verrekeningen, in periodieken of ineens, wordt voldaan; en

    • b. de beschikking tot uitstel van betaling kan worden ingetrokken of gewijzigd indien wijziging plaatsvindt in de hoogte van de inkomsten van de schuldenaar.

  • 2. Het UWV en de SVB bepalen in de beschikking tot uitstel van betaling dat slechts wettelijke rente als bedoeld in artikel 4:98 van de Algemene wet bestuursrecht is verschuldigd vanaf het tijdstip dat de termijn is verstreken waarbinnen volgens die beschikking de betaling had moeten plaatsvinden of had moeten worden verrekend en dat deze rente slechts verschuldigd is over de resterende vordering.

Artikel 8. Versoepeling betalingsregeling na vijf jaar

Indien de schuldenaar de vordering na vijf jaren, waarin hij zich heeft gehouden aan de vastgestelde periodieke betalingen of verrekeningen, nog niet volledig heeft voldaan wordt de periodieke betaling of verrekening gesteld op de volledige aflossingscapaciteit verminderd met 5% van de bijstandsnorm.

Artikel 9. Toerekening van betalingen

Tenzij de schuldenaar een andere vordering aanwijst wordt een betaling, die zou kunnen worden toegerekend aan meerdere vorderingen, eerst toegerekend aan een verschuldigde bestuurlijke boete.

Artikel 10. Toepasselijkheid op de werkgever

De artikelen 3, 4 en 8 zijn niet van toepassing op de werkgever.

Artikel 11. Intrekken andere regelingen en overgangsrecht

  • 1. De Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen, het Besluit incasso boeten en onverschuldigde betalingen werkgevers en het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW worden ingetrokken.

  • 2. Een regeling als bedoeld in het eerste lid blijft van toepassing ten aanzien van een verplichting tot betaling van een geldsom die is vastgesteld voor het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt.

Artikel 12. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht in werking treedt.

Artikel 13. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 23 juni 2009

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J.P.H. Donner.

TOELICHTING

Algemeen

De Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (hierna te noemen: de Regeling) regelt de wijze waarop het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en de Sociale verzekeringsbank (SVB) omgaan met terug- en invordering van bedragen. Met de komst van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht zal de terug- en invorderingspraktijk van het UWV en de SVB moeten worden aangepast.

De Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Vierde tranche) bevat onder andere regels over bestuursrechtelijke geldschulden (in titel 4.4). Hierin zijn bepalingen opgenomen over het ontstaan en de afwikkeling van verplichtingen tot het betalen van een geldsom en de bepalingen over de invordering.

De Regeling zal voor de uitvoeringspraktijk van het UWV en de SVB geen grote inhoudelijke wijzigingen met zich mee brengen. De belangrijkste wijziging is dat de Regeling rekening houdt met de terminologie van het wetsvoorstel.

Daarnaast wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om drie bestaande regelingen op het gebied van geldschulden terug te brengen tot één regeling.

Voor het UWV geldt thans de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering en het Besluit incasso boeten en onverschuldigde betalingen werkgevers. Voor de SVB geldt thans het Besluit invordering en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW. Genoemde regelingen worden hierbij ingetrokken en vervangen door de Regeling die van toepassing wordt op het UWV en de SVB.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Definities

Dit artikel geeft enige definities.

Artikel 2. Bevoegdheid verrekening met werkgever

Op grond van artikel 4:93 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verrekening van een geldschuld slechts mogelijk voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. In de verschillende materiewetten is de mogelijkheid tot verrekening met uitkeringen aan de verzekerde reeds opgenomen. Voor verrekening met betalingen aan de werkgever is dat niet het geval. Om die reden is de verrekeningsbevoegdheid met betalingen aan de werkgever in het onderhavige artikel opgenomen. In dit kader kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de subsidie die op grond van artikel 36 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aan de werkgever wordt betaald.

Artikel 3. Standaard regeling voor uitstel van betaling

In de Regeling wordt de constructie van uitstel van betaling, zoals neergelegd in de artikelen 4:94 tot en met 4:96 van de Awb als uitgangspunt genomen voor het treffen van een betalingsregeling.

Op grond van artikel 4:94 van de Awb kan een bestuursorgaan de wederpartij uitstel van betaling verlenen. Gedurende dit uitstel van betaling kan niet worden aangemaand of ingevorderd. De beschikking tot uitstel van betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt en in die beschikking kan het bestuursorgaan voorschriften verbinden aan het uitstel van betaling.

Artikel 3 bevat de standaardregels over uitstel van betaling. Het feit dat dit artikel de standaardregels bevat houdt overigens niet in dat dit artikel in praktijk ook primair toepassing vindt. Indien artikel 5 of 6 kan worden toegepast, hetgeen veelvuldig het geval zal zijn, is de toepassing van artikel 3 (en ook 4) niet meer aan de orde.

Eerste lid

Aan de hand van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar wordt bepaald voor welke termijn uitstel van betaling wordt verleend, waarbij als voorwaarde geldt dat maximaal voor 36 maanden uitstel van betaling wordt verleend. Er zijn echter situaties waarin daarvan afgeweken wordt. Belangrijkste afwijking is de situatie dat de inlichtingenplicht is overtreden. Indien dat het geval is, geldt het zwaardere regime dat in artikel 4 beschreven staat. Voordat het uitstel van betaling wordt verleend wordt overleg met de schuldenaar gevoerd onder meer met het oog op het vaststellen van de aflossingscapaciteit.

Tweede en vierde lid

De geldschuld kan in termijnen worden voldaan door betaling of door verrekening met bijvoorbeeld een uitkering. Als de schuldenaar voorstelt om periodiek een hoger bedrag af te lossen dan op grond van het tweede lid is vastgesteld, dan nemen het UWV en de SVB dat voorstel over.

Derde lid

In afwijking van het tweede lid kan bepaald worden dat de schuldenaar niet zijn volledige aflossingscapaciteit gebruikt om zijn geldschuld te voldoen, maar zijn halve aflossingscapaciteit. Voorwaarde hierbij is wel dat de vordering binnen 36 maanden geheel wordt voldaan. Daarnaast kan de schuldenaar in dat geval geen gebruik maken van de kwijtscheldingsregeling zoals die in genoemde artikelen van de werknemers- en volksverzekeringswetten is vastgelegd. Dit is logisch, omdat het hier gaat om een mogelijkheid die ook uitgaat van het feit, dat de vordering binnen 3 jaar is voldaan.

Vijfde lid

Als de schuldenaar ook na aanwending van eventueel vermogen en de volledige aflossingscapaciteit niet in staat is om de vordering binnen 36 maanden te voldoen (onderdeel a) wordt zijn periodieke betaling gesteld op de aflossingscapaciteit verminderd met 5% van de bijstandsnorm. Dit betekent dat het vrijgelaten inkomen van de schuldenaar 95% in plaats van 90% van de bijstandnorm bedraagt. Echter, bijkomende voorwaarde voor deze regeling is dat aflossing binnen 60 maanden meer oplevert dan aflossing binnen 36 maanden bij toepassing van het tweede en derde lid (onderdeel b).

Zesde lid

Indien de schuldenaar de vordering niet binnen 36 maanden (60 maanden indien de volledige aflossingscapaciteit wordt verminderd met 5% van de bijstandsnorm) kan voldoen, dient hij zijn vermogen aan te wenden voor een zodanige betaling binnen zes weken, dat het restant in 36 (of 60 maanden) kan worden afgelost.

Indien het vermogen van de schuldenaar zodanig is dat de schuldenaar door aanwending van een gedeelte ervan binnen zes weken, de nog resterende geldsom kan voldoen binnen zowel 36 maanden (op basis van 90% van de bijstandnorm) als binnen 60 maanden (op basis van 95% van de bijstandnorm), hanteren het UWV en de SVB het uitgangspunt dat de schuldenaar de resterende geldsom voldoet binnen 36 maanden. Als de schuldenaar echter voldoende zekerheid stelt voor dit bedrag kan hij de betaling uitstellen. Op deze wijze wordt aan de schuldenaar tijd gegund om het benodigde bedrag vrij te maken op een manier die zo min mogelijk bezwarend is, terwijl het UWV en de SVB voldoende waarborgen hebben dat de schuldenaar de vordering daadwerkelijk zal voldoen.

Zevende lid

Indien er een of meerdere betalingregelingen zijn getroffen met derden (andere schuldeisers dan het UWV of de SVB), kan er in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken van hetgeen is bepaald in artikel 3. Hierbij kan gedacht worden aan het tijdelijk prioriteit geven aan deze betalingregelingen met derden om een dreigende afsluiting van energielevering of ontruiming van de woning te voorkomen.

Artikel 4. Regeling voor uitstel van betaling bij schending inlichtingenplicht

Dit artikel bevat een zwaarder regime voor de situaties waarin een van de uitzonderingen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van toepassing is.

Eerste, tweede en derde lid

De termijnen waarvoor uitstel van betaling wordt verleend worden vastgesteld na overleg met de schuldenaar, welk overleg onder meer dient om de aflossingscapaciteit vast te stellen, en met toepassing van de overige leden van dit artikel. Verder dient bij deze vaststelling gebruik te worden gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.

Als de schuldenaar voorstelt om een hoger bedrag af te lossen dan op grond van het tweede lid is vastgesteld, dan nemen het UWV en de SVB dat voorstel over.

Vierde lid

Indien de schuldenaar de vordering niet binnen 12 maanden kan voldoen, dient hij zijn vermogen aan te wenden voor een zodanige betaling binnen zes weken, dat het restant in 12 maanden kan worden afgelost. Indien hij echter ten genoegen van het UWV of de SVB zekerheid stelt voor voldoening van de gehele vordering binnen 12 maanden, nadat uitstel van betaling is verleend, behoeft hij zijn vermogen niet aan te wenden.

Vijfde lid

Als de schuldenaar ook na aanwending van eventueel vermogen en de volledige aflossingscapaciteit niet in staat is om de vordering binnen 12 maanden te voldoen, wordt door het UWV en de SVB uitstel van betaling verleend over een periode van meer dan 12 maanden.

Zesde lid

De mogelijkheid tot afwijking, beschreven in artikel 3, zevende lid, bestaat ook voor artikel 4.

Artikel 5. Voldoening vordering tot en met € 300,–

Indien de vordering tot en met € 300,– bedraagt is het niet noodzakelijk het bepaalde in de artikelen 3 en 4 toe te passen. Voorwaarde daarbij is wel dat het UWV of de SVB per periode van een maand niet meer dan € 52,– verrekent of dat de schuldenaar niet verplicht wordt tot betaling van meer dan € 52,–. Overigens vloeit hier automatisch uit voort dat bij verrekening met de kinderbijslag op basis van de Algemene Kinderbijslagwet, die per drie maanden wordt uitbetaald, ten hoogste € 156,– euro (driemaal € 52,–) per drie maanden kan worden verrekend. Het bedrag van € 300,– betreft, voor zover mogelijk, een bruto bedrag. De Algemene Kinderbijslagwet kent alleen een netto uitkering. Om die reden is het genoemde bedrag van € 300,– bij de toepassing van die wet een netto bedrag. Nu de Algemene Kinderbijslagwet, anders dan de overige uitkeringen waarop deze regeling ziet, geen loondervingsuitkering is vormt dit geen bezwaar. De beslagvrije voet zal door de enigszins hogere grens in de Algemene Kinderbijslagwet niet in het geding komen.

Het UWV en de SVB zijn op grond van de materiewetten verplicht bij het innen van schulden de schuldenaren een inkomen te garanderen ter hoogte van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475 c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hiertoe nodigen het UWV en de SVB de schuldenaar uit een voorstel te doen om de schuld af te lossen. Als de schuldenaar hier geen gebruik van maakt wordt een inkomensonderzoek ingesteld en de beslagvrije voet berekend. Vervolgens wordt een termijnregeling vastgesteld.

Vanuit kosten/baten oogpunt is een inkomensonderzoek en het in overleg treden over een betalingsregeling met de schuldenaar niet lonend bij vorderingen die gering zijn. Daarom is voor het treffen van een betalingsregeling ten aanzien van geringe bedragen in dit artikel een uitzondering gemaakt op de verplichting om voorafgaand aan het vaststellen van de betalingsregeling een inkomensonderzoek te doen en overleg met de schuldenaar te voeren. Gezien het relatief geringe bedrag van € 52,– (komt overeen met de hoogte van de minimum boete) dat maandelijks mag worden verrekend of moet worden betaald is de kans klein dat hierbij de beslagvrije voet wordt overschreden.

Artikel 6. Uitstel van betaling op voorstel schuldenaar

Uitstel van betaling kan door het UWV en de SVB worden verleend conform een voorstel van de schuldenaar indien de schuldenaar voldoet aan de voorwaarden gesteld in dit artikel. Toepassing van deze bepaling zal in de praktijk het uitgangspunt vormen bij het voldoen van vorderingen. Een aannemelijk voorstel waarbij de gehele vordering binnen 12 maanden wordt voldaan wordt in beginsel geaccepteerd. In dat geval zijn de artikelen 3 en 4 van deze regeling niet van toepassing. Dit berust voornamelijk op een kosten/baten analyse; een inkomensonderzoek en nader overleg met de schuldenaar zijn in dergelijke gevallen niet lonend. Onder deze regeling vallen zowel betalingsregelingen met een looptijd van maximaal 12 maanden als een betaling ineens op een later tijdstip, maar binnen 12 maanden. Bij betaling ineens kan bijvoorbeeld gedacht worden aan betaling in de maand dat de schuldenaar vakantietoeslag of een dertiende maand ontvangt.

Het voorstel dient gemotiveerd te zijn om het UWV of de SVB de mogelijkheid te bieden te beoordelen of aannemelijk is dat de schuldenaar de regeling na zal komen. Zo zal bijvoorbeeld een voorstel om in een willekeurige maand het gehele bedrag te betalen kunnen worden afgewezen, als de debiteur niet kan aangeven waarom hij nu niet, maar in de desbetreffende maand wel de middelen heeft om in een keer te betalen. Ook kan een voorstel worden afgewezen omdat het, gelet op de belangen van het UWV of de SVB enerzijds en de schuldenaar anderzijds, onvoldoende recht doet aan de belangen van het UWV of de SVB.

De zinsnede in artikel 6, onderdeel a, ‘tot uiterlijk zes weken na bekendmaking van een beschikking tot betaling van een geldschuld’ geeft aan dat zowel vóór als na de bekendmaking van die beschikking de schuldenaar kan verzoeken om uitstel van betaling. In de praktijk komt het vaak voor dat voorafgaande aan het versturen van die beschikking met de schuldenaar wordt overlegd over eventueel uitstel van betaling. Bijkomend voordeel is dat dan een gecombineerde beschikking kan worden verstuurd waarin zowel de verplichting tot het betalen van de geldschuld, als het uitstel van betaling is geregeld.

Artikel 7. Voorschriften uitstel van betaling

Eerste lid

Indien het UWV of de SVB een betalings- of verrekeningsregeling willen treffen ter aflossing van een vordering kunnen zij op grond van artikel 4:94 van de Awb uitstel van betaling, bijvoorbeeld voor 36 maanden, verlenen aan de schuldenaar. Omdat het gewenst is dat gedurende de periode van 36 maanden wordt afgelost op de vordering kan aan het uitstel van betaling het voorschrift worden verbonden dat periodiek wordt verrekend of betaald. Nu het hier een zodanig essentieel voorschrift betreft dat aan ieder uitstel van betaling dit voorschrift zal worden verbonden is in het onderhavige artikellid vastgelegd dat deze voorwaarde steeds wordt opgenomen.

De beschikking tot uitstel van betaling kan op grond van artikel 4:96 van de Awb onder meer worden ingetrokken voor zover veranderde omstandigheden zich verzetten tegen verder uitstel van betaling. Omdat er discussie kan rijzen of aan deze voorwaarde wordt voldaan indien sprake is van wijziging in de hoogte van de inkomsten van de schuldenaar wordt in het onderhavige artikellid tevens voorgeschreven dat aan iedere uitstel van betaling het voorschrift wordt verbonden dat de beschikking kan worden ingetrokken of gewijzigd indien wijziging plaatsvindt in de hoogte van de inkomsten van de schuldenaar. Dit maakt het voor het UWV en de SVB mogelijk de gemaakte afspraken eenvoudig te herzien als een gewijzigd inkomen daartoe aanleiding geeft.

Tweede lid

Op grond van artikel 4:101 van de Awb is de schuldenaar over de termijn waarvoor uitstel van betaling is verleend wettelijke rente verschuldigd. Dit geldt tenzij bij het uitstel anders is bepaald.

Nu deze hoofdregel niet in overeenstemming is met de uitvoeringspraktijk van het UWV en de SVB tot op heden, is in het onderhavige artikellid bepaald dat in iedere beschikking tot uitstel van betaling tevens wordt opgenomen dat geen wettelijke rente is verschuldigd over de periode van uitstel van betaling, behoudens in gevallen waarin de vastgestelde aflossingsregeling niet wordt nagekomen. In dat geval is wettelijke rente verschuldigd over het resterende deel van de hoofdsom vanaf het tijdstip dat de termijn is verstreken waarbinnen volgens de beschikking de periodieke betaling had moeten plaatsvinden of had moeten worden verrekend, tot het tijdstip waarop de volledige hoofdsom is voldaan.

Artikel 8. Versoepeling betalingsregeling na vijf jaar

Als na verloop van vijf jaren de vordering nog niet is voldaan kan niet van de schuldenaar worden gevergd dat hij nog langer zijn volledige aflossingscapaciteit aanwendt. Na vijf jaren worden de termijnen daarom enigszins soepeler vastgesteld. Overigens kan op grond van de materiewetten, bijvoorbeeld artikel 36, tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet, van verdere terugvordering worden afgezien als de schuldenaar zich gedurende ten minste vijf jaar, en in sommige gevallen drie jaar, stipt aan de vastgestelde betalingsregeling heeft gehouden.

Artikel 9. Toerekening van betalingen

In dit artikel is bepaald dat een betaling, die aan meerdere vorderingen zou kunnen worden toegewezen, in de eerste plaats wordt toegerekend aan een verschuldigde bestuurlijke boete. Dit geldt niet als de schuldenaar zelf een andere vordering aanwijst waaraan zijn betaling dient te worden toegerekend.

Deze bepaling is enerzijds opgenomen in verband met het lik-op-stukbeleid van het UWV en de SVB, hetgeen inhoudt dat bestuurlijke boeten direct moeten worden voldaan. Anderzijds hangt de bepaling samen met het feit dat voor bestuurlijke boeten op grond van artikel 4 van de Regeling een strenger regime geldt dan voor vorderingen waarop artikel 3 van toepassing is. Dit brengt met zich mee dat de bestuurlijke boete binnen een kortere periode moet zijn afbetaald waardoor het ook om die reden in de rede ligt de betaling eerst aan de bestuurlijke boete toe te rekenen.

Artikel 10. Toepasselijkheid op de werkgever

De Regeling geldt zowel ten aanzien van uitkeringsgerechtigden als ten aanzien van werkgevers aan wie een boete is opgelegd of aan wie onverschuldigd is betaald. De artikelen 3, 4 en 8 kunnen naar hun aard echter niet van toepassing zijn op werkgevers. Om die reden is in artikel 10 bepaald dat zij niet gelden voor de werkgever.

Artikel 11. Intrekken andere regelingen en overgangsrecht

De Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen, het Besluit incasso boeten en onverschuldigde betalingen werkgevers en het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW worden in het eerste lid van dit artikel ingetrokken. In deze regelingen waren de tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen tot op heden opgenomen. De drie regelingen, die golden voor respectievelijk door het UWV uitgevoerde wetten, geldschulden van werkgevers en door de SVB uitgevoerde wetten, worden opgevolgd door de Regeling. Een deel van de in de ingetrokken regelingen opgenomen bepalingen keert niet terug in de Regeling omdat in de daarin geregelde onderwerpen thans wordt voorzien door de Awb. Enkele bepalingen keren in het kader van vereenvoudiging niet terug. Tenslotte zijn de resterende bepalingen samengevoegd en geharmoniseerd in de Regeling.

In het tweede lid is het overgangsrecht opgenomen. De Regeling heeft onmiddellijke werking. Op dit uitgangspunt is een uitzondering gemaakt voor verplichtingen tot betaling van een geldsom die reeds zijn vastgesteld op het moment van inwerkingtreding van de Regeling.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J.P.H. Donner.