Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatscourant 2009, 111Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 15 mei 2009, nr. 5600380/09, houdende wijziging van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen

De Staatssecretaris van Justitie,

Gelet op artikel 12 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a van het eerste lid komt te luiden:

  • a. een slachtoffer van mensenhandel dat rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder f of h, van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het verlenen van medewerking aan opsporing en vervolging terzake van overtreding van artikel 273f van het Wetboek van strafrecht danwel op grond van artikel 8, onder k, van die wet en ten aanzien van wie door respectievelijk de Immigratie- en Naturalisatiedienst of de korpschef aan het orgaan een schriftelijke verklaring als bedoeld in het tweede lid is afgegeven, vanaf het tijdstip waarop de verklaring is afgegeven tot het moment waarop het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, h of k, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd;.

2. In onderdeel b, wordt ‘een hier te lande verblijvende vreemdeling’ vervangen door: een hier te lande verblijvende getuige van mensenhandel.

3. Onderdeel f, komt te luiden:

  • f. een hier te lande in een instelling voor vrouwenopvang verblijvende vreemdeling die in verband met de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van eergerelateerd geweld, huiselijk geweld of in verband met het zijn van slachtoffer van mensenhandel, niet zijnde de vreemdeling bedoeld in onderdeel a, rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g, of h, van de Vreemdelingenwet 2000 en ten aanzien van wie door de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het orgaan een schriftelijke verklaring als bedoeld in het tweede lid is afgegeven, vanaf het tijdstip waarop de schriftelijke verklaring is afgegeven tot het moment waarop het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd;.

4. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, wordt een onderdeel aan artikel 2 toegevoegd, luidende:

  • g. een in verband met mensenhandel, eergerelateerd geweld of huiselijk geweld in een instelling voor vrouwenopvang verblijvende vreemdeling die hier te lande verblijf houdt op grond van een bijzondere geprivilegieerde status danwel die als gemeenschapsonderdaan heeft gedurende de periode van drie maanden na inreis rechtmatig verblijf op grond van artikel 6, eerste lid, van de Richtlijn 2004/38/EG en artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000.

B

In artikel 3, eerste lid, wordt ‘vreemdelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid onderdelen a tot en met d en f’ vervangen door: vreemdelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f tot en met g.

C

Artikel 4, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. de vreemdeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, b, d, f of g;

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 15 mei 2009

De Staatssecretaris van Justitie,

N. Albayrak.

TOELICHTING

Algemeen

Het onderhavige wijzigingsbesluit betreft enerzijds een verduidelijking en anderzijds een uitbreiding van de in artikel 2 limitatief opgesomde categorieën vreemdelingen die voor verstrekkingen op basis van deze regeling in aanmerking kunnen komen. Tengevolge van de uitbreiding van de categorieën in artikel 2 worden ook artikel 3 en artikel 4 aangepast.

Artikelsgewijs

A

1.

Het betreft hier een verduidelijking van de bestaande categorie slachtoffers van mensenhandel. Beoogd is om te benadrukken dat zowel slachtoffers van mensenhandel die gebruik maken van de bedenktijd en op grond van artikel 8 onder k, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) rechtmatig verblijf hier te lande hebben, als slachtoffers van mensenhandel die geen gebruik maken van de bedenktijd maar direct overgaan tot het indienen van aangifte of tot het verlenen van medewerking aan strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar mensenhandel, rechthebbenden kunnen zijn in de zin van deze regeling. De aangifte dan wel het verlenen van medewerking aan het strafrechtelijk onderzoek wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, op grond waarvan rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder f, Vw 2000 ontstaat. De vreemdeling die in afwachting is van een beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift dat is ingediend tegen de beslissing op de aanvraag om een vergunning in verband met de aangifte of het verlenen van medewerking kan eveneens in aanmerking komen voor verstrekkingen ingevolge deze regeling.

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) beëindigt de verstrekkingen indien het slachtoffer dat bedenktijd heeft gekregen afziet van het doen van aangifte of op andere wijze afziet van het verlenen van medewerking aan het strafrechtelijk opsporing- of vervolgingsonderzoek. Het COA beëindigt de verstrekkingen eveneens indien het slachtoffer aangifte heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend en tengevolge hiervan een verblijfsvergunning is afgegeven. Het COA beëindigt de verstrekkingen ook indien de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning is afgewezen en er geen rechtmatig verblijf meer bestaat op grond van een tegen de afwijzing ingediend bezwaar- of beroepschrift.

2.

In artikel 2, eerste lid, onderdeel b, wordt thans de categorie van getuige-aangever expliciet benoemd. Beoogd wordt te verduidelijken dat niet alleen slachtoffers van mensenhandel aanspraak kunnen maken op verstrekkingen krachtens deze regeling maar dat ook getuigen van mensenhandel die aangifte hebben gedaan dat kunnen. Op grond van hoofdstuk B9 van de Vreemdelingencirculaire wordt evenals bij een slachtoffer van mensenhandel ingeval van aangifte door een getuige van mensenhandel de aangifte ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze is doorgestuurd naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Daarmee heeft deze getuige-aangever in de regel rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder f, van de Vw 2000.

Zolang er nog geen beslissing is op het verzoek om de verblijfsvergunning, of op het rechtsmiddel dat is ingediend tegen de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning, kan een getuige-aangever aanspraak maken op de hier bedoelde verstrekkingen. Een getuige-aangever die in verband met de aangifte gevaar loopt, kan daarbij in aanmerking komen voor opvang.

3.

Aan artikel 2, eerste lid, onder f, wordt toegevoegd de categorie vreemdelingen die, verblijvend in een instelling voor vrouwenopvang, een aanvraag doet voor het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van huiselijk geweld en in verband met die aanvraag rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, van de Vw 2000. Met deze wijziging wordt het mogelijk gemaakt om slachtoffers van huiselijk geweld die niet in het bezit zijn van een zelfstandige verblijfstitel, te voorzien van minimale bestaansvoorwaarden en een bijdrage te leveren aan de financiering van hun opvang en hulpverlening. Van onderhavige regeling kan alleen gebruik worden gemaakt als geen andere voorziening voor betrokkene openstaat.

Slachtoffers die in het bezit zijn van een afhankelijke verblijfsvergunning kunnen deze ingevolge artikel 3.90 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) gedurende maximaal een jaar na verbreking van de relatie wegens gewelddaden, behouden en houden daarmee ook aanspraak op een uitkering ingevolgde de Wet werk en bijstand (WWB). Slachtoffers die niet meer in het bezit zijn van een afhankelijke verblijfsvergunning, maar wel (tijdig) voortgezet verblijf hebben aangevraagd, behouden tevens aanspraak op een uitkering ingevolge de WWB. Voor deze categorieën geldt derhalve niet dat zij voor verstrekkingen krachtens deze regeling in aanmerking komen.

Met onderhavige wijziging is beoogd het onderscheid tussen slachtoffers van eergerelateerd geweld zonder verblijfsvergunning en slachtoffers van huiselijk geweld zonder verblijfsvergunning, dat door de meest recente wijziging is ontstaan, op te heffen. Het onderscheid tussen beide categorieën voor wat de opvang betreft is immers in veel gevallen niet eenduidig en minimaal.

Onder huiselijk geweld wordt in deze regeling aangesloten bij de daartoe gangbare definitie en wordt derhalve verstaan: geweld (lichamelijk of psychisch) gepleegd door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer.

Met onderhavig wijzigingsbesluit kunnen slachtoffers van mensenhandel die niet onder de categorie vreemdelingen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen en die worden opgevangen in een instelling voor vrouwenopvang in aanmerking komen voor verstrekkingen krachtens deze regeling. Het gaat hier om slachtoffers die geen beroep doen op het beleid als beschreven in hoofdstuk B9 van de Vreemdelingencirculaire. De aanspraak op verstrekkingen ontstaat slechts indien het een vreemdeling betreft die in een instelling voor vrouwenopvang verblijft en die naar het oordeel van de korpschef op grond van gegronde redenen afziet van het doen van aangifte van of van het verlenen van medewerking aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek naar mensenhandel. De aanspraak bestaat bovendien slechts gedurende de periode dat een aanvraag tot een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb 2000 is ingediend danwel een bezwaarschrift of een beroepschrift is ingediend tegen een beslissing op die aanvraag.

4.

Met deze wijziging wordt het mogelijk gemaakt om gemeenschapsonderdanen en geprivilegieerden die het slachtoffer worden van mensenhandel, eergerelateerd geweld of huiselijk geweld zijn geworden en om die reden worden opgevangen in een instelling voor vrouwenopvang – voor zover zij hiertoe zelf niet in staat zijn – te voorzien van een minimale bestaansvoorwaarden en een bijdrage te leveren aan de financiering van hun opvang en hulpverlening.

Ten aanzien van de defintie van gemeenschapsonderdanen wordt verwezen naar artikel 1, onderdeel e Vw 2000. Deze gemeenschapsonderdanen hebben in de eerste drie maanden na hun inreis verblijfsrecht hier te lande op grond van artikel 6 van de Richtlijn 2004/38/EG, welk artikel is geïmplementeerd met artikel 8.11 Vb 2000. Het rechtmatig verblijf dat ten gevolge hiervan hier te lande hebben is gebaseerd op artikel 8, onder e, Vw 2000.

In de periode van de eerste drie maanden na inreis maken gemeenschapsonderdanen (nog) geen aanspraak op een uitkering krachtens de WWB. Immers, ingevolge artikel 11, lid 2, WWB zijn gemeenschapsonderdanen die vallen onder 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG geen rechthebbenden als bedoeld in de WWB. Na de periode van de eerste drie maanden na inreis kunnen gemeenschapsonderdanen in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering ingevolge de WWB. Indien de gemeenschapsonderdaan aantoonbaar langer dan drie maanden in Nederland verblijft komt hij niet in aanmerking voor verstrekkingen krachtens onderhavige regeling.

Vreemdelingen die verblijf hier te lande houden op grond van een geprivilegieerde status zijn weliswaar rechtmatig in Nederland maar ontlenen hun verblijfsrecht niet aan de Vreemdelingenwet 2000. Het betreft hier diplomaten en personeel van diplomatieke zending of consulaire posten en personeel van internationale organisaties en gezinsleden. Vreemdelingen met een geprivilegieerde status kunnen voor zolang zij op grond van die status rechtmatig in Nederland verblijven, gedurende hun verblijf in de instelling voor vrouwenopvang in aanmerking komen voor verstrekkingen. Het gaat overigens om een groep van zeer geringe omvang.

B

In het eerste lid van artikel 3 is de verwijzing naar de onder artikel 2, onderdeel g, toegevoegde categorie vreemdelingen opgenomen. Hieruit blijkt dat vreemdelingen die behoren tot de categorie als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, voor zowel een financiële toelage als dekking in de kosten van een ziektenkostenverzekering kunnen worden voorzien.

C

Aan artikel 4, onderdeel a, is een verwijzing naar de bij onderhavig besluit onder artikel 2, onderdeel g, toegevoegde categorie. Gelet op artikel 6, lid 2, onder a, komt hiermee tot uitdrukking dat de hier bedoelde categorie vreemdelingen aanspraak kan maken op maximaal 70 procent van het in artikel 21, onder c, van de WWB neergelegde normbedrag.

De Staatssecretaris van Justitie,

N. Albayrak.