Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 mei 2009, nr. BJZ2009037173, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol en de Regeling advisering Inspectoraat-Generaal VROM in verband met de integratie van verplichtingen op het terrein van milieuverslaglegging

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op artikel 8.7, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer en de artikelen 2, vierde lid, 2a, eerste en vijfde lid, 2b en 5 van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol;

Besluit:

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

  • 1. Voor inrichtingen waar activiteiten als bedoeld in bijlage I bij de EG-verordening PRTR worden verricht, met uitzondering van inrichtingen als bedoeld in het tweede lid, wordt als model voor het opstellen van het PRTR-verslag vastgesteld het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I.

  • 2. Voor inrichtingen waar activiteiten als bedoeld in bijlage I, nummer 7, bij de EG-verordening PRTR worden verricht, wordt als model voor het opstellen van het PRTR-verslag vastgesteld het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage II.

B

Na artikel 1 worden vier artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 1a

Als gegevens als bedoeld in artikel 12.20a, eerste lid, van de wet worden aangewezen de gegevens, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage III. De in artikel 12.20a, eerste lid, van de wet bedoelde rapportageplicht treedt in bij overschrijding van de in genoemde bijlage vastgestelde drempelwaarden.

Artikel 1b

Indien de drempelwaarde voor de overbrenging van ongevaarlijk afval of de drempelwaarde voor de overbrenging van gevaarlijk afval, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, van de EG-verordening PRTR wordt overschreden, geldt de in dat onderdeel opgenomen rapportageplicht zowel voor de overbrenging van ongevaarlijk afal als voor de overbrenging van gevaarlijk afval.

Artikel 1c

Voor het bepalen van de emissie van fijn stof wordt gebruikt gemaakt van de methodiek die is neergelegd in de Nederlandse Technische Afspraak ‘Bepaling en registratie van industriële fijnstofemissies’ (NTA 8029) of een methode die tot een vergelijkbare kwaliteit van emissiegegevens leidt.

Artikel 1d

De artikelen 1a tot en met 1c zijn niet van toepassing op inrichtingen waar activiteiten als bedoeld in bijlage I, nummer 7, bij de EG-verordening PRTR worden verricht.

C

In artikel 2 wordt ‘bijlage II’ vervangen door ‘bijlage IV’, onder vernummering van de bij de regeling behorende bijlage II tot bijlage IV.

D

Onder vernummering van bijlage I tot bijlage II wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

BIJLAGE I

Bijlage, behorende bij artikel 1, eerste lid

                                 Format
                    integraal PRTR-verslag

Format integraal PRTR-verslag


                                 Emissies naar
                    lucht

Emissies naar lucht


                                 Emissietabel
                    verbrandingsemissies

Emissietabel verbrandingsemissies


                                 Emissietabel
                    procesemissies

Emissietabel procesemissies


                                 Emissies naar
                    lucht: totalen op inrichtingniveau

Emissies naar lucht: totalen op inrichtingniveau


                                 Emissies,
                    warmteafvoer en debieten water

Emissies, warmteafvoer en debieten water


                                 Emissies naar
                    water: totalen op inrichtingniveau

Emissies naar water: totalen op inrichtingniveau


                                 Watergebruik

Watergebruik


                                 Emissies naar
                    de bodem: totalen op inrichtingniveau

Emissies naar de bodem: totalen op inrichtingniveau


                                 Energie
                    algemeen (energie- en brandstofverbruik)

Energie algemeen (energie- en brandstofverbruik)

stcrt-2009-8594-011.png
                                 Afvalbeheer

Afvalbeheer


                                 Afvalbeheer:
                    totalen op inrichtingniveau

Afvalbeheer: totalen op inrichtingniveau


                                 Geluid (indien
                    opgenomen in de vergunning)

Geluid (indien opgenomen in de vergunning)


                                 Geur (indien
                    opgenomen in de vergunning)

Geur (indien opgenomen in de vergunning)

E

Het opschrift van bijlage II (nieuw) komt te luiden:

Bijlage, behorende bij artikel 1, tweede lid

Format PRTR-verslag voor intensieve veeteelt en aquacultuur

F

Na bijlage II (nieuw) wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

BIJLAGE III

Bijlage, behorende bij artikel 1a
Aanduiding stoffen aanvullende rapportageplicht

Stofnummer vanaf verslagjaar 2009

CAS nummer

Stof

Drempelwaarde voor uitstoot in de lucht (kg/jaar)

2

630-08-0

Koolmonoxide (CO)

10.000

3

124-38-9

Kooldioxide (CO2)

100.000

4

 

Fluorkoolwaterstoffen (HFK’s)

1

4,01

 

HFK-23

*

4,02

 

HFK-32

*

4,03

430-57-9

HFK-41

*

4,04

 

HFK-43-10mee

*

4,05

 

HFK-125

*

4,06

 

HFK-134

*

4,07

 

HFK-134a

*

4,08

 

HFK-143

*

4,09

 

HFK-143a

*

4,1

 

HFK-152a

*

4,11

 

HFK-227ea

*

4,12

 

HFK-236fa

*

4,13

 

HFK-245ca

*

4,14

 

HFK-365mfc

*

7

 

Andere vluchtige organische stoffen dan methaan (NMVOS)

10.000

8

11104-93-1

Stikstofoxiden (NOx/NO2)

10.000

9

 

Perfluorkoolwaterstoffen (PFK’s)

1

9,1

 

CF4

*

9,2

 

C2F6

*

9,3

76-19-7

C3F8

*

9,4

 

C4F10

*

9,5

 

c-C4F8

*

9,6

678-26-2

C5F12

*

9,7

355-42-0

C6F14

*

10

2551-62-4

Zwavelhexafluoride (SF6)

10

11

7446-09-5

Zwaveloxiden (SOx/SO2)

20.000

18

7440-43-9

Cadmium en zijn verbindingen (als Cd)

1

21

7439-97-6

Kwik en zijn verbindingen (als Hg)

1

23

7439-92-1

Lood en zijn verbindingen (als Pb)

50

47

 

PCDD + PCDF (Dioxinen + Furanen) (als Teq)

0,00001

62

71-43-2

Benzeen

500

71

 

Fenolen (als totaal C)

100

72

 

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)**

1

73

108-88-3

Tolueen

10.000

86

 

Fijn stof (PM10)

5.000

86,1

 

Totaal stof***

 

92

107-02-8

Acroleïne (acrylaldehyd)

1

93

107-13-1

Acrylonitril (2-propeennitril)

100

94

74-85-1

Etheen

1.000

95

50-00-0

Formaldehyde (methanal)

100

96

100-42-5

Styreen

500

* Rapportage voor de afzonderlijke verontreinigende stoffen is vereist indien de drempelwaarde voor de stofgroep (HFK’s of PFK’s) wordt overschreden.

** Op grond van bijlage II bij de EG-verordening PRTR wordt over 4 PAK’s gerapporteerd, namelijk benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en Indeno(1,2,3-cd)pyreen. Voor de stofgroep PAK’s geldt een drempelwaarde van 1. Indien daarnaast een van de vier componenten afzonderlijk de drempelwaarde van 1 overschrijdt, wordt ook over deze stof individueel gerapporteerd.

*** Rapportage van totaal stof is vereist indien de drempelwaarde voor fijn stof (PM10) wordt overschreden.

ARTIKEL II

De Regeling advisering Inspectoraat-Generaal VROM wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt de zinsnede beginnend met ‘de categorieën van inrichtingen:’ en eindigend met ‘het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer’ vervangen door: de categorieën van inrichtingen, bedoeld in de bijlage bij deze regeling.

B

Er wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

BIJLAGE

Bijlage, behorende bij artikel 1

In deze bijlage wordt verstaan onder:

a. productie-, verwerkings-, waterverdampings- of smeltcapaciteit:
  • 1°. in de vergunning voor de betrokken inrichting omschreven productie-, verwerkings-, waterverdampings- of smeltcapaciteit, onderscheidenlijk

  • 2°. indien een vergunning geen omschrijving als bedoeld onder 1° bevat: maximale productie-, verwerkings-, waterverdampings- of smeltcapaciteit van de in de betrokken inrichting opgestelde installaties en voorzieningen;

b. jaarproductie:

totaal gerealiseerde productie over het kalenderjaar, voorafgaand aan het verslagjaar.

  • 1. Inrichtingen die behoren tot de categorieën van inrichtingen als genoemd onder:

    2.6, onder b;

    5.3, onder b;

    6.2, onder a of b;

    7.4;

    8.2, onder a of b;

    9.3, onder g of h;

    11.3, onder c, onder 1°, 4° of 6°, of onder d;

    12.2, onder a;

    16.3, onder b;

    24.2;

    28.4, onder e of f,

    van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

  • 2. Pomp- en distributiestations ten behoeve van aardolie- of aardgaswinning die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 1.3, onder a, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

  • 3. Electriciteitscentrales voor zover het betreft inrichtingen waarin brandstoffen worden verstookt in één of meerdere installaties, met in totaal een thermisch vermogen van 300 Mw of meer, waarbij onder thermisch vermogen wordt verstaan: warmte-inhoud van de maximale hoeveelheid brandstoffen die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een stookinstallatie.

  • 4. Luchtvaartterreinen als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Luchtvaartwet, die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 1.3, onder c, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

  • 5. Inrichtingen voor het vervaardigen van:

    • a. organische chemicaliën,

    • b. anorganische chemicaliën, of

    • c. fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen

    met een verwerkings- of productiecapaciteit van 100.000 ton of meer.

  • 6. Inrichtingen voor het vervaardigen van:

    • a. producten voor gewasbescherming en biociden,

    • b. farmaceutische producten, die via een chemisch of biologisch procédé totstandkomen, of

    • c. explosieven,

    met een verwerkings- of productiecapaciteit van 20.000 ton per jaar of meer.

  • 7. Inrichtingen bestemd voor het bewerken of verwerken van chemische producten, met inbegrip van elastomeren, peroxiden, alkenen en stikstofverbindingen, met een productiecapaciteit van 50.000 ton per jaar of meer.

  • 8. Bierbrouwerijen die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 1.3, onder a of b, of onder 27.3, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

  • 9. Inrichtingen die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 9.3, onder a, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer met een waterverdampingscapaciteit van 250.000 ton per jaar of meer.

  • 10. Inrichtingen die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 9.3, onder i, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer met een productiecapaciteit van 25 ton per uur of meer.

  • 11. Inrichtingen die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 11.3, onder b, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer met een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

  • 12. Inrichtingen die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 11.3, onder e, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer met een smeltcapaciteit van 150.000 ton per jaar of meer.

  • 13. Inrichtingen voor de secundaire vervaardiging van non-ferrometalen of legeringen daarvan met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

  • 14. Inrichtingen die behoren tot de categorieën van inrichtingen, genoemd onder 12.2, onder b, c, e, f of g, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer met een productieoppervlak van 250.000 m2 of meer.

  • 15. Inrichtingen die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 12.2, onder d, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer met een productieoppervlak van 250.000 m2 of meer.

  • 16. Inrichtingen die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 12.2, onder h, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer:

    • voor het smelten van non-ferrometalen of legeringen daarvan met een productiecapaciteit van 15.000 ton per jaar of meer en een jaarproductie van 5.000 ton of meer,

    • voor het gieten van ijzer met een jaarproductie van 5.000 ton of meer, of

    • voor het gieten van non-ferrometalen met een jaarproductie van 4.000 ton of meer.

  • 17. Inrichtingen die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 12.2, onder i, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

  • 18. Inrichtingen die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 13.3, onder a, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer met een jaarproductie voor het vervaardigen of assembleren van 10.000 of meer automobielen of motoren voor automobielen.

  • 19. Inrichtingen die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 13.3, onder b, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer voor zover het betreft scheepswerven met een doklengte van 200 meter of meer, waar straal- of conserveringswerkzaamheden in de open lucht plaatsvinden.

  • 20. Inrichtingen die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 16.1, onder a, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, en die tevens behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 1.3, onder b, van dat besluit.

  • 21. Inrichtingen die behoren tot de categorie van inrichtingen, genoemd onder 27.3 van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer met een capaciteit van 250.000 inwonerequivalenten of meer.

  • 22. Inrichtingen waarin zich een verbrandingsinstallatie bevindt als bedoeld in artikel 12, tweede lid, eerste volzin, van richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332).

  • 23. Inrichtingen als bedoeld in artikel 4 of aangewezen krachtens artikel 7 van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit van 4 mei 2009 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol en enkele andere besluiten met het oog op integratie van verplichtingen op het terrein van milieuverslaglegging (Stb. 210) in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 28 mei 2009

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer.

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Deze regeling strekt om te beginnen tot wijziging van de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol. Aanleiding hiervoor vormt de wet van 14 februari 2009 tot wijziging van de Wet milieubeheer en enkele andere wetten met het oog op integratie van verplichtingen op het terrein van milieuverslaglegging (Stb. 2009, 109) (hierna: wijzigingswet). Het voornaamste doel van de wijzigingswet is om de wet-en regelgeving rond milieuverslaglegging te vereenvoudigen. Op grond hiervan zijn de milieuverslagleggingsverplichtingen uit titel 12.1 (Milieuverslaglegging) van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) komen te vervallen. Deze verplichtingen zijn – voorzover nog relevant – geïntegreerd in titel 12.3 (EG-verordening PRTR en PRTR-protocol) van de Wm. Concreet betekent dit dat voor inrichtingen die in het verleden zowel rapportageplichtig waren op grond van zowel titel 12.1 als titel 12.3 van de Wm voortaan één rapportageplicht gaat gelden in de vorm van een geïntegreerd PRTR-verslag (hierna: integraal PRTR-verslag). Dit integrale PRTR-verslag bestaat uit het huidige PRTR-verslag, aangevuld met bestanddelen van het oorspronkelijke milieujaarverslag (hierna: MJV). Met de wijzigingswet is ook de inhoud van het oorspronkelijke MJV geactualiseerd. Daarmee worden de administratieve lasten voor het bedrijfsleven verder verminderd.

De uitvoeringsregels op grond van de wijzigingswet zijn neergelegd in het besluit van 4 mei 2009 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol en enkele andere besluiten met het oog op integratie van verplichtingen op het terrein van milieuverslaglegging (Stb. 210) (hierna: wijzigingsbesluit) en de onderhavige regeling.

De artikelen 12.20a en 12.28a Wm zijn de belangrijkste, door de wijzigingswet ingevoegde nieuwe bepalingen van titel 12.3 van de Wm. Artikel 12.20a Wm biedt de grondslag om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur andere gegevens dan de in artikel 5, eerste lid, van verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (hierna: EG-verordening PRTR)1 bedoelde gegevens aan te wijzen waarover via het PRTR-verslag moet worden gerapporteerd. Voor het milieubeleid zijn namelijk meer gegevens nodig dan de gegevens waarover op grond van de EG-verordening PRTR moet worden gerapporteerd. Een deel van de huidige MJV-gegevens is momenteel noodzakelijk om te voldoen aan een groot aantal internationale rapportageverplichtingen. Het gaat onder meer om rapportageverplichtingen ingevolge:

  • het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van daaruit voortvloeiende verplichtingen;2

  • richtlijn nr. 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (NEC-richtlijn);3

  • het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand;4

  • richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor de communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (hierna: Kaderrichtlijn Water);5

  • het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan;6

  • het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken.7

Daarnaast biedt artikel 12.28a Wm het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 Wm (hierna: Wm-bevoegd gezag) of artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo-bevoegd gezag) te verlenen, de mogelijkheid om in de vergunning voor te schrijven dat een inrichting via het integrale PRTR-verslag ook moet rapporteren over andere onderwerpen dan die waarover reeds op grond van de EG-verordening PRTR of artikel 12.20a, eerste lid, Wm moet worden gerapporteerd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt limitatief opgesomd welke thema’s het betreft.

Ter uitvoering van de artikelen 12.20a, eerste lid, en 12.28a Wm zijn de artikelen 2a en 2b via het wijzigingsbesluit in het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol opgenomen. Ingevolge artikel 2a kan bij ministeriële regeling onder meer nader worden geconcretiseerd welke aanvullende gegevens in het integrale PRTR-verslag moeten worden opgenomen. Volgens artikel 2b kan degene die de inrichting drijft, via de vergunning krachtens artikel 8.1 Wm (hierna: milieuvergunning) worden verplicht om over de onderwerpen geur of geluid te rapporteren in het integrale PRTR-verslag. Bij ministeriële regeling kunnen ter zake nadere regels worden gesteld. De onderhavige regeling geeft uitvoering aan de artikelen 2a en 2b van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening en PRTR-protocol.

Daarnaast heeft het Wm-bevoegd gezag op grond van artikel 2a, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol de bevoegdheid om aan de milieuvergunning een voorschrift te verbinden, dat de verplichting inhoudt om met betrekking tot emissies in het PRTR-verslag gegevens van een lager aggregatieniveau te verstrekken dan ingevolge het model dat in de onderhavige regeling voor het integrale PRTR-verslag verplicht is gesteld. Het gaat hier om de rapportage op installatieniveau. Dergelijke informatie is vaak nodig om de kwaliteitsbeoordeling van het integrale PRTR-verslag goed te kunnen uitvoeren. Deze informatie wordt in tegenstelling tot de informatie op inrichtingenniveau niet actief openbaar gemaakt in het nationale register (het nationale PRTR) en (voorzover relevant) het Europese register (het E-PRTR). Bij regeling kunnen ter zake regels worden gesteld. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt.

Voorts bepaalt artikel 2, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol dat bij ministeriële regeling nadere eisen kunnen worden gesteld met betrekking tot de inrichting van het meet- en registratiesysteem. In de onderhavige regeling wordt ook nader invulling gegeven aan deze bepaling (artikel I, onder B (artikel 1c)).

Tenslotte voorziet deze regeling in een wijziging van de Regeling advisering Inspectoraat-Generaal VROM.

De inhoud van de regeling en de toelichting is afgestemd met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.

2. Kern van de regeling

2.1 Inleiding

De onderhavige regeling strekt tot wijziging van de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol. De belangrijkste onderdelen van de onderhavige regeling zijn:

  • a. het vaststellen van een model voor het integrale PRTR-verslag (artikel I, onder A (artikel 1, eerste lid));

  • b. het vaststellen van een aanvullende lijst met gegevens waarover in het integrale PRTR-verslag moet worden gerapporteerd (artikel I, onder B (artikel 1a));

  • c. het vaststellen van de methodiek voor het bepalen van de emissie van fijn stof (artikel I, onder B (artikel 1c)).

2.2 Model integraal PRTR-verslag

Met de wijziging van de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol wordt het model voor het integrale PRTR-verslag vastgesteld. Het integrale PRTR-verslag bestaat uit het huidige PRTR-verslag (hierna: basis-PRTR-verslag) aangevuld met bestanddelen van het oorspronkelijke MJV. In de onderhavige regeling is voor het integrale PRTR-verslag een nieuw model vastgesteld (bijlage I bij de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol). Degene die een inrichting drijft en rapportageplichtig is, dient het integrale PRTR-verslag op te stellen op basis van dit nieuwe model. Het verslag moet vervolgens langs elektronische weg worden ingediend. Hiertoe dient gebruik te worden gemaakt van de elektronische applicatie die hiervoor is ontwikkeld en die jaarlijks aan de relevante inrichtingen beschikbaar wordt gesteld, het e-MJV.

Het model voor het integrale PRTR-verslag is gebaseerd op afspraken die de rijksoverheid, het bedrijfsleven, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen hebben gemaakt.

Uitsluitend industriële inrichtingen waren in het verleden MJV-plichtig. Voor inrichtingen voor de intensieve veeteelt en aquacultuur gold de MJV-plicht niet. Om die reden geldt de plicht gebruik te maken van het model voor het integrale PRTR-verslag niet voor laatstgenoemde categorie inrichtingen. Deze inrichtingen blijven gebruik maken van het oorspronkelijke (basis-)PRTR-verslag dat voortvloeit uit de EG-verordening PRTR. Indien deze differentiatie niet zou worden gehanteerd, zouden inrichtingen voor de intensieve veeteelt en aquacultuur via het integrale PRTR-verslag geconfronteerd worden met extra rapportageverplichtingen voor bijvoorbeeld energieverbruik en zouden meer intensieve veehouderijen over fijn stof en methaan moeten rapporteren (vanwege lagere drempelwaarden in het integrale PRTR-verslag). Volgens artikel 12.20a Wm kunnen alleen aanvullende gegevens (via het integrale PRTR-verslag) worden gevraagd indien deze redelijkerwijs nodig zijn:

  • a. voor het vervullen van de bestuursrechtelijke handhavingstaken op grond van artikel 18.2 Wm of artikel 29 Wvo van het Wm- respectievelijk het Wvo-bevoegd gezag;

  • b. in verband met de vaststelling van het milieubeleid en de controle op de voortgang van de uitvoering van dat beleid;

  • c. voor de uitvoering van Europese of internationale verplichtingen.

Geen van deze gronden is voor inrichtingen voor de intensieve veeteelt en aquacultuur aan de orde. Voorkomen moet worden dat inrichtingen moeten rapporteren over onderwerpen waarover de overheid langs andere weg reeds over de vereiste informatie beschikt.

2.3 Lijst met aanvullende gegevens en bijbehorende drempelwaarden

Bij het model voor het integrale PRTR-verslag hoort een lijst met aanvullende stoffen met daarbij behorende drempelwaarden voor de emissies (zie artikel I, onder B (artikel 1a), en bijlage III bij de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol). Deze drempelwaarden bepalen of een inrichting een rapportageplicht heeft voor de desbetreffende stoffen. Deze lijst is een aanvulling op de Europese stoffenlijst van bijlage II bij de EG-verordening PRTR. Naast nieuwe stoffen ten opzichte van die genoemd in de Europese stoffenlijst bevat de lijst een aantal PRTR-stoffen waarvan de drempelwaarden vergeleken met de verordening zijn verlaagd. Dit is een voortzetting van de oorspronkelijke MJV-praktijk.

Bij de totstandkoming van deze lijst is per stof nagegaan in hoeverre het noodzakelijk is om bovenop de Europese stoffenlijst van bijlage II bij de EG-verordening PRTR additionele stoffen uit het Besluit milieuverslaglegging te handhaven. Daarbij is bekeken of voor de stof verplichtingen gelden vanuit internationale kaders, wat de beleidsmatige status is in het beleid ten aanzien van prioritaire stoffen, of de Emissieregistratie een landelijke totaalemissie rapporteert, en of het vaststellen van de emissies praktisch uitvoerbaar is voor de inrichtingen.

Voor wat betreft emissies naar lucht heeft dit geleid tot de toevoeging van acht stoffen bovenop de stoffenlijst van bijlage II bij de EG-verordening PRTR: totaal stof, tolueen, styreen, fenolen en fenolaten, acroleïne, acrylonitril, etheen en formaldehyde.8 Deze stoffen hebben een hoge status in het landelijke beleid ten aanzien van prioritaire stoffen en het vaststellen van de emissies van deze stoffen is met voldoende betrouwbaarheid praktisch mogelijk voor de inrichtingen. Het betreft stoffen die zijn opgenomen in het huidige Besluit milieuverslaglegging en waarvan de Emissieregistratie een jaarlijkse totaalemissie rapporteert. Stoffen die niet op de stoffenlijst van bijlage II bij de EG-verordening PRTR staan en waarvan de Emissieregistratie geen jaarlijkse totaalemissie rapporteert, zijn niet in de stoffenlijst opgenomen. Verder is geconstateerd dat voor een aantal prioritaire stoffen een jaarlijkse rapportage niet (langer) noodzakelijk is, maar dat met een periodiek onderzoek kan worden volstaan. Met VNO-NCW is afgesproken dat het bedrijfsleven in 2010 een inventarisatie uitvoert van een aantal Nederlandse prioritaire stoffen die niet (meer) op de nationale stoffenlijst voorkomen, om op basis hiervan de Tweede Kamer in 2011 te kunnen informeren over de voortgang van het milieubeleid voor Nederlandse prioritaire stoffen. Ook op deze manier kan de monitoring slimmer en met minder lasten voor het bedrijfsleven worden vormgegeven.

Voor wat betreft emissies naar water heeft de herbezinning geleid tot de conclusie dat aangesloten dient te worden op de Europese stoffenlijst in bijlage II bij de EG-verordening PRTR. Met het wegvallen van de overige stoffen gaat geen significante informatie verloren voor het landelijke waterbeheer.

Onderstaande tabel bevat een totaaloverzicht van de stoffen en drempelwaarden die vanaf 2010 (dat wil zeggen vanaf verslagjaar 2009) zullen gaan gelden.9 Deze tabel is een samenvoeging van de Europese stoffenlijst van bijlage II bij de EG-verordening PRTR en de nationale stoffenlijst van bijlage III bij de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol. In de tabel is weergegeven welke stoffen en drempelwaarden uit het oorspronkelijke MJV gehandhaafd zijn bovenop de stoffen en drempelwaarden uit bijlage II bij de EG-verordening PRTR. Voor zestien stoffen geldt dat ze wel voorkomen op de Europese stoffenlijst, maar dat een lagere drempelwaarde (in bijna alle gevallen de oorspronkelijke MJV-drempelwaarde) zal gelden. Voor veertien andere stoffen wordt voortaan de drempelwaarde zoals neergelegd in bijlage II bij de EG-verordening PRTR aangehouden. Niet in de tabel opgenomen zijn de drempelwaarden voor de emissies naar de bodem als genoemd in bijlage II bij de EG-verordening PRTR. Deze drempelwaarden gelden ingevolge de (rechtstreeks werkende) EG-verordening PRTR wel, maar zijn niet in de tabel vermeld omdat in de praktijk geen sprake zal zijn van rapportage van emissies naar de bodem.

Voor fijn stof (PM10) is de drempelwaarde ten opzichte van het MJV verlaagd naar 5.000 kg/jaar, zodat meer inrichtingen hierover moeten rapporteren. De reden hiervan is dat de onzekerheden in de emissiegegevens van fijn stof zeer groot zijn en er een dringende behoefte bestaat aan betere gegevens vanwege de problematiek rond luchtkwaliteit. De mogelijkheid wordt geïntroduceerd om op vrijwillige basis over PM2,5 te rapporteren.

Tabel 1: integrale lijst met
                stoffen

Tabel 1: integrale lijst met stoffen

stcrt-2009-8594-017.pngstcrt-2009-8594-018.png

De meeste van de voormalige MJV-inrichtingen hoeven voortaan beduidend minder informatie aan te leveren op grond van de nieuwe nationale stoffenlijst. PRTR-inrichtingen die eerder niet MJV-plichtig waren, zullen – in beperkte mate – over meer onderwerpen moeten rapporteren.

De Europese en nationale stoffenlijst en de daarbij te hanteren drempelwaarden moeten gezamenlijk worden gezien als de landelijke standaardlijst die geldt voor alle inrichtingen die een activiteit verrichten als bedoeld in bijlage I bij de EG-verordening PRTR. Het Wm-bevoegd gezag of het Wvo-bevoegd gezag kan via rapportageverplichtingen in de vergunning informatie blijven opvragen over emissies beneden de drempelwaarden die in de landelijke standaardlijst worden gehanteerd, en kan de inrichting ook een rapportageplicht opleggen voor emissies van stoffen die niet in de Europese of nationale stoffenlijst zijn opgenomen. Als deze rapportageverplichtingen worden opgelegd, liggen daaraan lokale omstandigheden ten grondslag. Zo kan het betreffende bevoegd gezag bijvoorbeeld aanwijzingen hebben dat er bij een bepaalde stof sprake is van risico’s voor het milieu en/of de gezondheid van omwonenden. Immers, ook stoffen die niet op de landelijke standaardlijst voorkomen, kunnen schadelijk zijn. Het bevoegd gezag dient een dergelijke informatiebehoefte te kunnen motiveren. Op deze manier is maatwerk mogelijk en wordt voorkomen dat inrichtingen moeten rapporteren over stoffen waarvoor geen informatiebehoefte bestaat.

2.4 Vaststellen van de methodiek voor het bepalen van de emissie van fijn stof

In het kader van het actieplan fijn stof en industrie, dat onderdeel uitmaakt van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), is geconstateerd dat de kwaliteit van de emissiegegevens over fijn stof verbetering behoeft. Door de betrouwbaarheid van deze gegevens te verbeteren kan het beleid voor emissiereductie in de industrie gerichter worden ingezet. Om te komen tot betrouwbaarder gegevens over fijn stof hebben de overheid en het bedrijfsleven een Nederlandse Technische Afspraak ‘Bepaling en registratie van industriële fijnstofemissies’ (NTA 8029) opgesteld, die richtlijnen geeft voor het bepalen van de fijnstofemissies. De NTA biedt ruimte om een vergelijkbare alternatieve methode te gebruiken. Toepassing van deze NTA of een kwalitatief vergelijkbare methode wordt met deze regeling verplicht gesteld vanaf de rapportage in 2010 (dat wil zeggen vanaf het verslagjaar 2009). Naast de NTA is ook een elektronische database met emissiefactoren voor fijn stof ontwikkeld, die inrichtingen kunnen gebruiken voor hun rapportage. Het gebruik van deze database is overigens niet verplicht.

3. Administratieve lasten

Voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven wordt verwezen naar paragraaf 7 van de memorie van toelichting bij de wijzigingswet.10

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Dit onderdeel A strekt tot wijziging van artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol. Ingevolge deze wijziging bestaan er voortaan twee modellen voor het PRTR-verslag:

  • a. het model voor het nieuwe integrale PRTR-verslag (bijlage I bij de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol);

  • b. het model voor het basis-PRTR-verslag (bijlage II bij de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol.

Het model voor het nieuwe integrale PRTR-verslag (bijlage I) heeft betrekking op zowel de informatie die op grond van de EG-verordening PRTR moet worden gerapporteerd als de aanvullende gegevens waarover op grond van de wijzigingswet, het wijzigingsbesluit en de onderhavige regeling moet worden gerapporteerd. Dit model vormt de integratie van het basis-PRTR-verslag met bestanddelen van het oorspronkelijke MJV.

Een uitzondering op het bovenstaande vormen de inrichtingen voor de intensieve veeteelt en aquacultuur, bedoeld in bijlage I, nummer 7, bij de EG-verordening PRTR. Deze inrichtingen blijven het – oorspronkelijke – basis-PRTR-verslag gebruiken, dat rechtstreeks voortvloeit uit bijlage III bij de EG-verordening PRTR. Voor deze inrichtingen verandert er dus niets ten opzichte van de huidige situatie. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 2.2.

Hieronder worden de onderdelen van het model voor het integrale PRTR-verslag op hoofdlijnen toegelicht. Voor de wijze waarop het integrale PRTR-verslag moet worden opgesteld en beoordeeld is een uitgebreide toelichting in de Leidraad milieujaarrapportages beschikbaar.11

a. Emissies naar lucht

Voor de rapportage van de emissies naar lucht is het onderscheid in verbrandingsprocessen en productieprocessen cruciaal. Verbrandingsprocessen vinden plaats in stookinstallaties. Dit is een technische eenheid, met inbegrip van de bij de eenheid behorende voorzieningen voor de reiniging van het rookgas, waarin brandstof wordt verstookt met als doel de warmte-inhoud ervan te benutten. Er worden zes categorieën stookinstallaties onderscheiden:

  • a. stookinstallaties (niet zijnde zuigermotoren en gasturbines12) > 300 MWth;

  • b. stookinstallaties (niet zijnde zuigermotoren en gasturbines) > 50 en < 300 MWth;

  • c. stookinstallaties (niet zijnde zuigermotoren en gasturbines) > 20 en < 50 MWth;

  • d. stookinstallaties (niet zijnde zuigermotoren en gasturbines) < 20 MWth;

  • e. gasturbines;

  • f. zuigermotoren.

Productieprocessen zijn de processen die plaatsvinden in alle andere installaties dan stookinstallaties. Bij verbrandingsprocessen dient over de verbrandingsemissies te worden gerapporteerd, bij productieprocessen over de procesemissies.

Voor verbrandingsprocessen geldt het volgende.

  • 1) Per stookinstallatie dient te worden nagegaan of een of meer van de drempelwaarden van de in bijlage II bij de EG-verordening PRTR of bijlage III bij de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR genoemde stoffen op installatieniveau worden overschreden. Zo ja, dan wordt voor de betreffende stookinstallatie een afzonderlijke ‘Emissietabel verbrandingsemissies’ ingevuld.

  • 2) Per stookinstallatie dient te worden nagegaan of in de milieuvergunning is voorgeschreven dat voor deze stookinstallaties op installatieniveau moet worden gerapporteerd. Zo ja, dan wordt voor de betreffende stookinstallatie een afzonderlijke ‘Emissietabel verbrandingsemissies’ ingevuld.

  • 3) Per stookinstallatie dient te worden nagegaan of deze onder de reikwijdte van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A valt. Zo ja, dan wordt:

    • a. een ‘Emissietabel verbrandingsemissies’ ingevuld voor de emissies van NOx, SO2 en totaal stof bij stookinstallaties > 50 MWth;

    • b. een ‘Emissietabel verbrandingsemissies’ ingevuld voor de emissies van NOx, SO2 en totaal stof voor de installatiegroep13 bij stookinstallaties < 50 MWth;

    • c. een ‘Emissietabel verbrandingsemissies’ ingevuld voor de emissies van de overige stoffen waarvoor de drempelwaarden op inrichtingniveau zijn overschreden.

  • 4) Voor zover over de betreffende emissies nog niet op grond van het bepaalde onder 1) tot en met 3) is gerapporteerd, wordt voor de overige emissies waarvoor de drempelwaarden op inrichtingniveau zijn overschreden, een ‘Emissietabel verbrandingsemissies’ per installatiegroep ingevuld.

Voor procesemissies geldt het volgende.

  • 1) Per procesinstallatie dient te worden nagegaan of een of meer van de drempelwaarden van de in bijlage II bij de EG-verordening PRTR of bijlage III bij het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR genoemde stoffen op installatieniveau worden overschreden. Zo ja, dan wordt voor de betreffende procesinstallatie een afzonderlijke ‘Emissietabel procesemissies’ ingevuld.

  • 2) Per procesinstallatie dient te worden nagegaan of in de milieuvergunning is voorgeschreven dat voor deze procesinstallaties op installatieniveau moet worden gerapporteerd. Zo ja, dan wordt voor de betreffende procesinstallatie een afzonderlijke ‘Emissietabel procesemissies’ ingevuld.

  • 3) Voor zover over de betreffende emissies nog niet op grond van het bepaalde onder 1) en 2) is gerapporteerd, wordt voor de overige emissies waarvoor de drempelwaarden op inrichtingenniveau zijn overschreden een ‘Emissietabel procesemissies’ ingevuld.

Onder emissies naar lucht worden ook diffuse emissies verstaan.

Bovenstaande systematiek is gelijk aan de systematiek van het MJV. Aan de systematiek liggen diverse internationale rapportageverplichtingen ten grondslag, in het bijzonder die op grond van richtlijn nr. 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (LCP-Richtlijn).14

Ook de eigenschappen van emissiepunten, zoals hoogte en doorsnede van schoorstenen en uittreedsnelheid en temperatuur van de afgassen, moeten worden gerapporteerd. Deze gegevens zijn nodig voor het in beeld brengen en modelleren van de luchtkwaliteit. Dit is onder meer van belang in verband met richtlijn nr. 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa15 en de rapportageverplichtingen van Nederland op grond van het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand.

b. Emissies naar water

In aanvulling op de in de EG-verordening PRTR gevraagde emissiegegevens wordt in het model ook gevraagd naar de locatie van emissiepunten, de debieten en een nadere uitsplitsing naar het type water waar de emissies plaatsvinden (Rijkswateren, binnenwateren). Deze gegevens zijn onder meer nodig om aan de verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen 5 (economische analyse) en 9 (kostenterugwinning voor waterdiensten) van de Kaderrichtlijn Water te voldoen.

Warmte kan met name in warme zomers bij lage afvoeren een probleem vormen in verband met de beschikbare koelcapaciteit bij elektriciteitscentrales en andere inrichtingen. In het integrale PRTR-verslag wordt om die reden gevraagd naar de warmteafvoer. Deze informatie dient ertoe een beeld te vormen van mogelijke te treffen maatregelen bij de genoemde problemen.

c. Watergebruik

In het MJV werden gegevens omtrent watergebruik gevraagd. Deze blijven gehandhaafd in het integrale PRTR-verslag, omdat deze gegevens nodig zijn voor de berekening van het totale watergebruik (grond-, oppervlakte- en leidingwater) door de industrie, onder meer ten behoeve van de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water. Het betreft hier verplichtingen op grond van de artikelen 5 en 9 (kostenterugwinning voor waterdiensten) uit deze richtlijn. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) rapporteert gegevens omtrent het waterverbruik aan Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Unie, en aan het Europees Milieuagentschap (EEA).

d. Emissies naar bodem

Voor de emissies naar de bodem wordt volstaan met de informatie die op grond van de EG-verordening PRTR moet worden gerapporteerd.

e. Energie

De emissietabel ‘Energie algemeen (energie- en brandstofverbruik) betreft informatie over het energiegebruik en over warmtekrachtkoppeling. Deze gegevens worden door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gebruikt om in de NIR (National Inventory Report)16 te rapporteren over de uitvoering in Nederland van het Kyoto-Protocol.

De emissietabellen voor ‘Energie algemeen (energie- en brandstofverbruik)’ behoeven uitsluitend te worden ingevuld indien degene die de inrichting drijft verplicht is een of meer van de emissietabellen ‘Emissies naar lucht’ in te vullen. Laatstgenoemde emissietabellen dienen te worden ingevuld indien een of meer drempelwaarden voor emissies naar lucht worden overschreden.

f. Afvalbeheer

De gegevens uit de eerste tabel voor ‘Afvalbeheer’ zijn nodig in verband met meerdere internationale rapportageverplichtingen. Daarbij gaat het onder meer om de verplichtingen voortvloeiend uit verordening nr. 2150/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2002 betreffende afvalstoffenstatistieken.17 Op grond van deze verordening dient gerapporteerd te worden over de productie van afvalstoffen in Nederland per groep van EURAL-codes per bedrijfsklasse en de verwerking van afvalstoffen in Nederland per groep van EURAL-codes. Dit betekent dat in het integrale PRTR-verslag op het niveau van EURAL-codes de hoeveelheid afvalstoffen gerapporteerd moet worden, waarbij de verwerkingsmethode moet worden vermeld.

De EG-verordening PRTR hanteert een drempelwaarde voor niet-gevaarlijke afvalstoffen van 2.000 ton per jaar en voor gevaarlijke afvalstoffen van 2 ton per jaar. Indien één van deze twee drempelwaarden wordt overschreden, dient degene die de inrichting drijft over beide soorten afvalstoffen te rapporteren (artikel 1, onder B (artikel 1b)). In de praktijk betekent dit dat vrijwel alle rapporterende inrichtingen die het integrale PRTR-verslag dienen in te vullen ook de beide tabellen voor ‘Afvalbeheer’ zullen moeten invullen. Zie ook de toelichting bij artikel 1b.

In de eerste emissietabel voor ‘Afvalbeheer’ wordt een onderscheid gemaakt in interne en externe afvalstoffen. Onder externe afvalstoffen worden die afvalstoffen verstaan die de inrichting verlaten. Interne afvalstoffen zijn die afvalstoffen die binnen de inrichting blijven. In het kader van de afvalproductiestatistieken dient Nederland ook over deze afvalstoffen aan Eurostat te rapporteren.

g. Geluid en geur

Indien in de milieuvergunning de plicht is opgenomen over de thema’s geur of geluid te rapporteren via het integrale PRTR-verslag, zal de betreffende tabel voor geur respectievelijk geluid uit het model, bedoeld in bijlage I bij de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol, moeten worden ingevuld. In dat geval zal degene die de inrichting drijft, moeten rapporteren hoe vaak gedurende het verslagjaar sprake is geweest van incidenten die aanleiding gaven tot klachten over geluid- respectievelijk geurhinder. Bovendien is hij verplicht bij meer dan vijf gelijktijdige klachten (binnen vier uur) in de toelichting bij het integrale PRTR-verslag aan te geven wat de oorzaak was. Met de eisen wordt uitvoering gegeven aan artikel 2a van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol.

Onderdeel B
Artikel 1a

Ingevolge dit onderdeel wordt een nieuw artikel 1a aan de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol toegevoegd. Artikel 1a strekt ertoe de lijst met aanvullende stoffen vast te stellen waarover dient te worden gerapporteerd in het integrale PRTR-verslag. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.3.

Artikel 1b

Volgens artikel 1b dient degene die de inrichting drijft, te rapporteren over de overbrenging van zowel gevaarlijke afvalstoffen als niet-gevaarlijke afvalstoffen, als de drempelwaarde voor gevaarlijke afvalstoffen of de drempelwaarde voor niet-gevaarlijke afvalstoffen wordt overschreden. Deze bepaling is opgenomen in verband met de internationale rapportageverplichtingen18 van Nederland die door het CBS worden uitgevoerd. Eens in de twee jaar houdt het CBS een (papieren) bedrijfsafvalstoffenenquête binnen de industrie, de delfstoffenwinning en de nutsbedrijven. De basis voor de betreffende statistiek van het CBS werd gevormd door gegevens uit het MJV, aangevuld met een steekproef van ongeveer 2.200 bedrijven. Voor de industrie werd ongeveer 70% van de totale productie achterhaald via de MJV’s en de rest via de aanvullende enquête. Door opname van de verplichting in artikel 1b in combinatie met de tabellen voor ‘Afvalbeheer’ kan het aantal bedrijven dat aanvullend nog onderzocht wordt via de CBS-enquête relatief beperkt blijven en wordt voorkomen dat PRTR-bedrijven meerdere keren om vergelijkbare informatie wordt gevraagd. Zie ook de toelichting bij artikel I, onder A, inzake ‘Afvalbeheer’.

Artikel 1c

Voor een toelichting op artikel 1c wordt verwezen naar paragraaf 2.4.

Artikel 1d

Ingevolge artikel 1d zijn de artikelen 1a tot en met 1c niet van toepassing op inrichtingen voor de intensieve veeteelt en aquacultuur. Voor deze inrichtingen gelden uitsluitend de verplichtingen die voortvloeien uit de EG-verordening PRTR. Zie de toelichting in paragraaf 2.2 en bij artikel I, onder A.

Artikel II

In de Regeling advisering Inspectoraat-Generaal VROM zijn de categorieën van inrichtingen aangewezen waarbij het bevoegd gezag het Inspectoraat-Generaal VROM in de gelegenheid moet stellen advies uit te brengen over de ontwerpbeschikking op grond van artikel 8.7 Wm (de zogenaamde wettelijke adviestaak van het Inspectoraat-Generaal VROM). Hierin werd onder meer verwezen naar inrichtingen aangewezen krachtens artikel 12.1 Wm in de bij het Besluit milieuverslaglegging aangegeven gevallen, dat wil zeggen inrichtingen die verplicht waren een MJV op te stellen. Bij de wijzigingswet is artikel 12.1 Wm ingetrokken. Ook het Besluit milieuverslaglegging is van rechtswege komen te vervallen nu de rechtsgrondslag voor dat besluit (titel 12.1 Wm) met de wijzigingswet is komen te vervallen. Door het vervallen van artikel 12.1 Wm en het Besluit milieuverslaglegging is het noodzakelijk de categorieaanduiding in artikel 1 van de Regeling advisering Inspectoraat-Generaal VROM aan te passen. Uitgangspunt hierbij is dat de bevoegde bestuursorganen het Inspectoraat-Generaal VROM in de gelegenheid stellen advies uit te brengen bij de ontwerpbeschikking voor grote industriële inrichtingen met diverse installaties en hoge emissies, die een aanzienlijk milieurisico kunnen opleveren. Een verwijzing naar artikel 12.19 Wm, dat in de plaats is gekomen van artikel 12.1 Wm, is niet wenselijk, omdat hiermee een grote uitbreiding wordt gerealiseerd van het aantal inrichtingen ten opzichte van de huidige situatie. De wettelijke adviestaak van het Inspectoraat-Generaal VROM zou hiermee aanmerkelijk worden uitgebreid tot middelgrote industriële inrichtingen en inrichtingen voor de intensieve veeteelt. Dit zou niet in lijn zijn met het uitgangspunt dat het Inspectoraat-Generaal VROM alleen advies geeft bij grote industriële inrichtingen met behoorlijke milieurisico’s. Bovendien zou dit tot een aanzienlijke verzwaring van de administratieve lasten voor de bevoegde bestuursorganen leiden.

Daarom is een bijlage aan de regeling toegevoegd waarin de categorieën van inrichtingen zijn opgenomen die voor de inwerkingtreding van de wijzigingswet verplicht waren een MJV op te stellen. De inhoud van deze bijlage is gelijk aan die van bijlage I bij het oorspronkelijke Besluit milieuverslaglegging. Ten behoeve van een eenduidige structuur zijn aan de bijlage ook het tweede en derde gedachtestreepje van artikel 1 van de Regeling advisering Inspectoraat-Generaal VROM toegevoegd. De wijzigingen hebben geen inhoudelijke consequenties voor de wettelijke adviestaak van het Inspectoraat-Generaal VROM.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer.


XNoot
1

PbEU L 33.

XNoot
3

PbEG L 309.

XNoot
4

Het op 13 november 1979 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (Trb. 1980, 21 en 159).

XNoot
5

PbEG L 327.

XNoot
6

Op 22 september 1992 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, met Bijlagen en Aanhangsels (Trb. 1993, 141).

XNoot
7

Op 16 september 1987 te Montreal tot stand gekomen Protocol betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, met bijlagen (Trb. 1988, 11).

XNoot
8

Voor fenolen en tolueen moeten in het integrale PRTR-verslag de emissies naar lucht worden gerapporteerd, terwijl de EG-verordening PRTR alleen rapportage naar water voorschrijft.

XNoot
9

Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31 592, nr. 6.

XNoot
10

Kamerstukken II 2007/08, 31 592, nr. 3, blz. 10–13.

XNoot
11

Zie www.fo-industrie.nl en www.infomil.nl.

XNoot
12

Onder een gasturbine wordt een gasturbine-installatie verstaan in de zin van artikel 1, onder n, van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A.

XNoot
13

Een installatiegroep is de verzameling stookinstallaties van één categorie (van de eerdergenoemde zes categorieën).

XNoot
14

PbEG L 309.

XNoot
15

PbEU L 152.

XNoot
16

Dit is vastgelegd in Beschikking nr. 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto (PbEU L 86).

XNoot
17

PbEU L 332.

XNoot
18

Daarbij gaat het onder meer over verplichtingen voortvloeiend uit verordening nr. 2150/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2002 betreffende afvalstoffenstatistieken (PbEG L 332).

Naar boven