De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) bevat regels voor de
omgang met persoonsgegevens en hanteert als uitgangspunt dat persoonsgegevens
door een verantwoordelijke, zoals een basisschool, in overeenstemming met de
wet, behoorlijk en zorgvuldig worden verwerkt. Met ‘wet’ wordt hier niet alleen
de Wbp bedoeld maar ook andere wettelijke regelingen die betrekking hebben op
de verwerking van persoonsgegevens waaronder leerlinggegevens.
Een belangrijke eis die gesteld wordt aan een rechtmatige
verwerking van leerlinggegevens is het naleven van de informatieplicht. Voor
basisscholen betekent dit onder meer dat zij verplicht zijn om bepaalde
informatie op eigen initiatief te verstrekken aan de ouders of verzorgers
(hierna: de ouders) van de basisschoolleerling (de betrokkene). De
informatieplicht is geregeld in de artikelen 33 en 34 Wbp. De juiste naleving
van de informatieplicht stelt de ouders van een leerling in staat om te volgen
welke gegevens van de leerling worden verwerkt en op welke wijze. Op basis
hiervan kan vervolgens gebruik worden gemaakt van de rechten die de betrokkene
op grond van de Wbp toekomen, bijvoorbeeld het recht op inzage (artikel 35
Wbp).
Doel van dit richtsnoer
Het College bescherming persoonsgegevens heeft dit richtsnoer
opgesteld ter verduidelijking en concretisering voor basisscholen van de
wettelijke norm met betrekking tot de informatieplicht in de Wbp.
Informatieplicht met betrekking tot het onderwijskundig
rapport
De basisschool is volgens artikel 42 Wet op het primair onderwijs
verplicht een onderwijskundig rapport op te stellen over iedere leerling die de
school verlaat, onder wie leerlingen die naar een school voor voortgezet
onderwijs gaan, en een afschrift daarvan aan zijn/haar ouders te verstrekken.
In het onderwijskundig rapport worden persoonsgegevens vastgelegd en ook zaken
die van invloed kunnen zijn op de prestaties in het voortgezet onderwijs
(bijvoorbeeld concentratie- en gezondheidsproblemen).
Op grond van de artikelen 33 en 34 Wbp is de basisschool
verplicht ouders van een leerling te informeren over welke gegevens van de
leerling worden gebruikt en aan wie deze gegevens worden verstrekt op welk
moment en met welk doel. Twee punten zijn essentieel voor de nadere invulling
van de informatieplicht door basisscholen:
Ad a) Actieve invulling van de informatieplicht
De informatieplicht (artikel 33 en 34 Wbp) vormt een uitwerking
van het transparantiebeginsel en van het in artikel 6 Wbp neergelegde beginsel
van rechtmatige verwerking. ‘De verplichting van de verantwoordelijke op eigen
initiatief de betrokkene op de hoogte te stellen van het bestaan van de
gegevensverwerking is een belangrijk instrument om de gegevensverwerking
transparant te maken. De ratio van de informatieverplichting is dat de
verwerkingen van de verantwoordelijke voor de betrokkene aanspreekbaar zijn in
rechte. De betrokkene is in staat te volgen hoe gegevens over hem worden
verwerkt en bepaalde vormen van verwerking of onrechtmatig gedrag van de
verantwoordelijke in rechte aan te vechten.’ (Kamerstukken II, 1997–1998,
25 892, nr. 3,
p. 149). Conform de Wbp moet de informatie zodanig worden verstrekt dat de
betrokkene daarover daadwerkelijk beschikt.
Voor de naleving van de wet is het noodzakelijk dat de
basisschool de ouders op individueel niveau informeert over het onderwijskundig
rapport dat betrekking heeft op hun kind. De invulling van de informatieplicht
door de basisschool op individueel niveau kan geschieden door middel van een
gesprek tussen de leerkracht en de ouders van een leerling, waarin de ouders
worden geïnformeerd over de gegevensverwerkingen in het kader van het
onderwijskundig rapport, of door middel van aan de ouders gerichte
correspondentie hierover. De basisschool dient de ouders te informeren
uiterlijk op het moment dat het onderwijskundig rapport aan de ontvangende
school voor voortgezet onderwijs wordt verstrekt (artikel 34, eerste lid onder
b Wbp).
Ad b) Naleving van de informatieplicht vastgelegd in het
leerlingdossier
Uit het leerlingdossier moet duidelijk blijken dat de
betrokkene daadwerkelijk is geïnformeerd. Dit kan geschieden door een kopie van
een brief aan de ouders van de leerling, een verslag van het gesprek tussen de
leerkracht en de ouders van de leerling of andere relevante stukken toe te
voegen aan het dossier van de leerling waarmee de verantwoordelijke vastlegt
dat de informatie over het individuele onderwijskundig rapport aan de
betrokkene is verstrekt.
Door het schriftelijk vastleggen van de naleving van de
informatieplicht in het leerlingdossier maakt de verantwoordelijke zowel voor
zichzelf als voor anderen, onder wie de betrokkene, controleerbaar dat de
informatieplicht is nageleefd.
Toezicht
Het CBP zal dit richtsnoer hanteren bij zijn toezicht op de
naleving van de informatieplicht door basisscholen.