Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 april 2009, nr. DL/B/118320, houdende regels voor verstrekking van subsidie ten behoeve van het bevorderen van excellentie bij leraren (Stimuleringsregeling Krachtig meesterschap)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 4 van de Wet overige OCW-subsidies en artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Paragraaf 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

b. samenwerkingsverband:

een samenwerkingsverband waarin een opleiding tot leraar primair of voortgezet onderwijs samenwerkt met in ieder geval één of meer scholen;

c. school:

een uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs of een instelling als bedoeld in artikelen 1.1.1, onder b, 12.3.8 of 12.3.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

d. lerarenopleiding:

een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2 onder a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs, waaraan een opleiding tot leraar primair of voortgezet onderwijs wordt verzorgd;

e. adviescommissie:

de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 10.

Artikel 2. Doelomschrijving

  • 1. De minister kan projectsubsidie verstrekken aan samenwerkingsverbanden voor projecten op het gebied van de bevordering van excellentie bij leraren.

  • 2. De subsidie wordt verleend aan projecten die:

    • a. excellentie bevorderen bij het opleiden van leraren en/of binnen het beroep van leraar:

    • b. praktijkkennis opleveren over de doelen zoals genoemd in onderdeel a en deze te verspreiden over meerdere lerarenopleidingen en scholen, ook die niet direct in het project participeren.

Artikel 3. Subsidieontvanger

Subsidie op grond van deze regeling wordt verleend aan het bevoegd gezag van de school of instelling die als penvoerder als bedoeld in artikel 8, lid 2 onder b, optreedt voor het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.

Artikel 4. Vaststelling subsidieplafond

Voor subsidieverlening op grond van deze regeling is in totaal een bedrag van € 18.000.000 beschikbaar, dat in twee gelijke tranches voor de twee indienmomenten zoals opgenomen in artikel 6, lid 4, beschikbaar komt.

Artikel 5. Subsidiebedrag per subsidieontvanger

  • 1. De hoogte van de subsidie wordt door de minister vastgesteld aan de hand van de projectbegroting.

  • 2. Voor de berekening van de hoogte van de subsidie worden uitsluitend ontwikkel- en implementatiekosten in aanmerking genomen.

Paragraaf 2. Subsidieaanvraag

Artikel 6. Subsidieaanvraag

  • 1. Subsidie wordt slechts op aanvraag verleend.

  • 2. Uitsluitend subsidieaanvragen die met gebruikmaking van het beschikbaar gestelde aanvraagformulier zijn ingediend worden in behandeling genomen. Dit aanvraagformulier kan worden gedownload van www.senternovem.nl/krachtigmeesterschap.

  • 3. Een aanvraag voor projectsubsidie op grond van deze regeling, ondertekend door de penvoerder van het samenwerkingsverband, wordt schriftelijk ingediend bij: SenterNovem, Postbus 93144, 2509 AC in DEN HAAG, o.v.v. Stimuleringsregeling Krachtig meesterschap.

  • 4. Een subsidieaanvrager kan voor het indienen van de subsidieaanvraag uit twee indienmomenten kiezen:

    • a. bij gebruikmaking van het eerste indienmoment dient een subsidieaanvraag uiterlijk op 8 juni 2009 te zijn ontvangen;

    • b. bij gebruikmaking van het tweede indienmoment dient een subsidieaanvraag uiterlijk op 15 maart 2010 te zijn ontvangen.

  • 5. Aanvragen die voldoen aan de vereisten als bedoeld in artikel 8 worden voorgelegd aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 10.

Artikel 7. Niet vervullen begrotingsvoorwaarde

In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van deze regeling verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de Rijksbegroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Artikel 8. Vereisten

  • 1. De subsidieaanvrager is een bevoegd gezag dat als penvoerder optreedt namens een samenwerkingsverband.

  • 2. De subsidieaanvrager voldoet aan de volgende vereisten:

    • a. Het samenwerkingsverband bestaat uit minimaal één lerarenopleiding en één school;

    • b. Het samenwerkingsverband wijst één penvoerder aan die functioneert als aanspreekpunt van het samenwerkingsverband, die gemachtigd is de partners van het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen en die zorgt voor het beheer van het te ontvangen subsidiebedrag.

  • 3. De subsidieaanvraag omvat (ten minste):

    • a. een projectplan dat voldoet aan de in lid 4 vermelde vereisten;

    • b. een projectbegroting die voldoet aan de in lid 5 vermelde vereisten;

    • c. een opgave van de lerarenopleidingen en scholen die bij het samenwerkingsverband zijn betrokken, inclusief een lijst met NAW-gegevens van alle deelnemende partners;

    • d. een toelichting op de samenwerkingsrelatie van de partners waarmee de doelen en werkwijze van het voor subsidie voorgestelde plan worden onderschreven.

  • 4. Het bij de subsidieaanvraag bij te voegen projectplan omvat (ten minste):

    • a. een beschrijving van de punten die het samenwerkingsverband wil aanpakken en hoe die bijdragen aan de doelen zoals gesteld in artikel 2, lid 2;

    • b. een voorstel van de te nemen maatregelen waarbij wordt aangegeven hoe deze bijdragen aan de aanpak van de punten als bedoeld in dit artikel, lid 4, onderdeel a, en welke doelen hiermee worden nagestreefd;

    • c. een activiteitenplan met een beschrijving van de in het kader van het project te ondernemen activiteiten, inclusief het tijdspad van de projectactiviteiten gedurende de gehele looptijd van het project;

    • d. een beschrijving van de beoogde resultaten, concreet en toetsbaar geformuleerd (kwantitatief en kwalitatief) en waar van toepassing voorzien van streefcijfers;

    • e. een beschrijving van de wijze waarop het samenwerkingsverband zorgt voor draagvlak bij de deelnemende scholen en lerarenopleidingen;

    • f. een beschrijving van de wijze waarop het samenwerkingsverband zorgt voor de borging en de overdraagbaarheid van het project en de projectresultaten;

    • g. een beschrijving van de wijze waarop het samenwerkingsverband zorgt voor de beschikbaarheid en de verspreiding van de projectresultaten.

  • 5. De projectbegroting voldoet aan de volgende vereisten:

    • a. de projectbegroting sluit één op één aan op het activiteitenplan uit het projectplan;

    • b. de projectbegroting geeft inzicht in de begrote kosten per kalenderjaar;

    • c. in de projectbegroting wordt onderscheid gemaakt naar de subsidiabele kostensoorten, zoals opgenomen in artikel 9.

Artikel 9. Subsidiabele projectkosten

  • 1. Uitsluitend de begrote kosten komen voor subsidie in aanmerking.

  • 2. De volgende kostensoorten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van activiteiten van de ontwikkeling en/of implementatie van het project en die door de penvoerder, dan wel door een van de deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn gemaakt, komen voor subsidiëring in aanmerking:

    • a. personele kosten van één of meer instellingen die deel uitmaken van het samenwerkingsverband, op basis van integrale uurtarieven;

    • b. kosten voor inhuur derden.

  • 3. Bij de personele kosten wordt aangesloten bij de handleiding Overheidstarieven.

  • 4. Geen subsidie wordt verleend voor kosten van activiteiten die voor de datum van toekenning van de aanvraag ten behoeve van het project zijn gemaakt.

  • 5. Geen subsidie wordt verleend voor kosten van activiteiten die na de looptijd van de subsidie ten behoeve van het project worden gemaakt.

  • 6. Onvoorziene kosten komen niet voor subsidie in aanmerking.

Paragraaf 3. Adviescommissie

Artikel 10. Samenstelling en benoeming adviescommissie

  • 1. Er is een onafhankelijke adviescommissie die tot taak heeft de minister te adviseren over de verlening van de subsidie aan de projectvoorstellen, op basis van door de minister vastgestelde beoordelingscriteria, zoals omschreven in artikel 18.

  • 2. Tot leden van de adviescommissie worden benoemd: dhr. J. van der Tak (voorzitter), dhr. B.J.F. Fransen, dhr. K. Veling, mw. M.F. van der Schaaf en mw. M. Stuut.

  • 3. De voorzitter en de leden worden benoemd voor de periode van 8 juni 2009 tot 31 december 2010.

  • 4. De periode, bedoeld in het derde lid, kan met ten hoogste een jaar worden verlengd.

  • 5. De benoeming van de voorzitter of een lid kan worden ingetrokken indien:

    • a. daarom door de desbetreffende persoon om verzocht is;

    • b. het functioneren van de voorzitter of het lid daartoe aanleiding geeft;

    • c. gebleken is dat de onafhankelijkheid van de voorzitter of het lid niet gewaarborgd is.

  • 6. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.

Artikel 11. Integriteit

Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies indien hij een onverenigbaar belang heeft bij de subsidieverlening.

Artikel 12. Informatieplicht

  • 1. De minister kan een deskundige aanwijzen die het recht heeft de vergaderingen van de adviescommissie bij te wonen.

  • 2. De adviescommissie verstrekt aan de minister desgevraagd de door hem gewenste inlichtingen.

Artikel 13. Werkwijze

  • 1. De adviescommissie stelt haar eigen werkwijze vast.

  • 2. In het secretariaat van de adviescommissie wordt door SenterNovem voorzien.

Artikel 14. Vergoeding

  • 1. De voorzitter en andere leden van de adviescommissie, voor zover niet vallend onder de uitzondering van artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies, ontvangen per vergadering een vergoeding.

  • 2. De vergoeding per vergadering van de leden van de adviescommissie bedraagt 3% van het maximum van salarisschaal 18 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

  • 3. De vergoeding per vergadering van de voorzitter van de adviescommissie bedraagt 130% van de hoogte van de vergoeding per vergadering die aan de andere leden van de adviescommissie is toegekend.

  • 4. De voorzitter en andere leden van de adviescommissie ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland. Deze vergoeding wordt door het secretariaat van de adviescommissie afgehandeld.

  • 5. Twee of meer vergaderingen op dezelfde dag worden als één vergadering aangemerkt.

Paragraaf 4. Subsidieverlening

Artikel 15. Tijdvak subsidieverlening

  • 1. Subsidie wordt wat betreft de eerste aanvraagronde verleend vanaf het moment van de datum van toekenning van de subsidieaanvraag tot maximaal 1 januari 2012.

  • 2. Subsidie wordt wat betreft de tweede aanvraagronde verleend vanaf het moment van de datum van toekenning van de subsidieaanvraag tot maximaal 1 januari 2013.

  • 3. De subsidieaanvrager geeft in het aanvraagformulier aan wat de startdatum van het project is; deze startdatum is niet vroeger dan de datum van indiening van de aanvraag.

Artikel 16. Criteria verdeling bij subsidieplafond

  • 1. De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen met betrekking tot soortgelijke projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie, zoals door de adviescommissie, bedoeld in artikel 10, voorgesteld in de vorm van een ranking.

  • 2. Indien er volgens de adviescommissie, bedoeld in artikel 10, sprake is van een gelijke kwalitatieve geschiktheid van projecten, zal de minister het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen verdelen.

  • 3. Met het oog op het bepaalde in het tweede lid, geldt als datum van ontvangst de dag waarop de aanvraag is aangevuld, wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen.

Artikel 17. Rol adviescommissie

  • 1. De adviescommissie adviseert de minister over de verlening van de subsidie.

  • 2. De adviescommissie rangschikt de aanvragen waarover zij adviseert op de mate waarin zij voldoen aan de criteria als bedoeld in artikel 18.

  • 3. De adviescommissie neemt zonodig contact op met de penvoerder.

  • 4. De adviescommissie geeft aan de minister in ieder geval een negatief oordeel op de aanvraag van subsidie indien:

    • a. de aanvraag niet voldoet aan de in deze regeling gestelde criteria als bedoeld in artikel 18;

    • b. de onderbouwing van de haalbaarheid respectievelijk de duurzaamheid van het project naar het oordeel van de adviescommissie geen vertrouwen geeft in het tot een goed einde brengen van het activiteitenplan, respectievelijk het in stand houden van het project.

Artikel 18. Criteria

  • 1. De adviescommissie baseert zich bij haar advisering op de volgende criteria:

    • a. de mate waarin de activiteiten bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van deze regeling zoals vastgesteld in artikel 2.2;

    • b. de leerfunctie van de gesubsidieerde projecten in onderlinge samenhang;

    • c. het draagvlak bij de betrokken lerarenopleidingen en scholen;

    • d. het vernieuwende karakter;

    • e. de overdraagbaarheid;

    • f. de haalbaarheid;

    • g. de efficiëntie;

    • h. de duurzaamheid.

  • 2. Voor de rangschikking door de adviescommissie weegt criterium a het zwaarst en wegen de criteria b tot en met h, bedoeld in het tweede lid, even zwaar.

  • 3. Voor de rangschikking door de commissie weegt mee of het project waar subsidie voor wordt aangevraagd tevens subsidie ontvangt uit andere regelingen van de minister die te maken hebben met de doelstelling van deze regeling.

Artikel 19. Voorschriften bij subsidieverlening

Aan de verlening van projectsubsidie kunnen aanvullende verplichtingen worden verbonden, voor zover deze noodzakelijk zijn ter waarborging van een juiste uitvoering van het project, dan wel voor het behoud van een goed inzicht in de voortgang van het project.

Artikel 20. Besluitvorming door de minister

  • 1. De minister neemt een beslissing over de subsidieverlening op basis van het advies van de adviescommissie.

  • 2. De minister beschikt uiterlijk op 14 september 2009 op de aanvragen van de eerste ronde.

  • 3. De minister beschikt uiterlijk op 21 juni 2010 op de aanvragen van de tweede ronde.

  • 4. Indien de minister niet tijdig een beslissing neemt, deelt hij de aanvrager mee binnen welke termijn de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.

Artikel 21. Mandaatverlening SenterNovem

Aan de algemeen directeur van SenterNovem te Den Haag wordt namens de minister mandaat verleend om, op grond van deze regeling, besluiten te nemen over het buiten behandeling laten van subsidieaanvragen.

Paragraaf 5. Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel 22. Tussentijdse audit

  • 1. De minister laat voor projecten met een looptijd van meer dan een jaar door SenterNovem een (of meerdere) audit(s) uitvoeren om vast te stellen of het project volgens planning loopt en de tot dan voorgenomen resultaten zijn bereikt.

  • 2. Op basis van de resultaten van deze audit kan de minister besluiten de middelen bestemd voor het vervolg van het traject niet of niet in zijn geheel te bevoorschotten.

  • 3. Voor projecten met een looptijd van een jaar of minder zal geen audit plaatsvinden.

Artikel 23. Administratievoorschriften

  • 1. Alle deelnemende partijen van het samenwerkingsverband voeren een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en ontvangsten kunnen worden nagegaan.

  • 2. De aanvrager bewaart de boeken en bescheiden en informatie of andere informatiedragers die verband houden met de toepassing van deze regeling gedurende ten minste zeven jaar na datum waarop de vaststelling van de subsidie heeft plaatsgevonden.

Artikel 24. Informatieplicht

  • 1. De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de evaluatie van de subsidieregeling en de ontwikkeling van het beleid.

  • 2. Indien er tussentijds bijzondere omstandigheden optreden, die de voortgang van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de subsidieontvanger hiervan onverwijld mededeling aan de minister.

  • 3. De subsidieontvanger is verplicht de minister en de door hem aangewezen ambtenaren desgevraagd alle inlichtingen te geven die deze in verband met deze subsidieregeling verlangen. De subsidieontvanger geeft desgewenst deze ambtenaren de boeken en bescheiden ter inzage.

  • 4. De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan communicatieactiviteiten gericht op het presenteren en verspreiden van de (tussentijdse) projectresultaten aan overige belanghebbenden.

Artikel 25. Besteding subsidie

De subsidie wordt uitsluitend aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt. Eventueel niet-bestede middelen na afloop van de looptijd van de subsidie zullen worden teruggevorderd. De subsidie dient uitgegeven te zijn aan het einde van het tijdsvak waarin de subsidie wordt verstrekt zoals vastgesteld in artikel 15.1 en 15.2.

Paragraaf 6. Subsidievaststelling

Artikel 26. Verantwoording en controle

  • 1. De financiële verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaglegging van de penvoerder, bedoeld in de Regeling jaarverslaglegging onderwijs. Voor de inrichting van uw jaarverslag verwijs ik u naar de Regeling jaarverslaglegging onderwijs. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidie.

  • 2. De jaarrekening wordt ten tijde van de looptijd van de subsidie ingediend bij CFI, Postbus 606, 2700 ML Zoetermeer.

  • 3. In aanvulling op de verantwoording van de subsidie in de jaarverslaglegging stelt de subsidieontvanger na afloop van de subsidieperiode een verslag van activiteiten op waaruit de besteding van de subsidie duidelijk blijkt.

  • 4. Het verslag van activiteiten wordt uiterlijk drie maanden na afloop van de subsidieperiode ingediend bij CFI, Postbus 606, 2700 ML Zoetermeer, o.v.v. het projectnummer.

  • 5. Het verslag bevat een overzicht van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee bereikte resultaten.

  • 6. De inrichting van het verslag komt overeen met de inrichting van het activiteitenplan, als bedoeld in artikel 8, lid 4 onder c, en bevat, voor zover van toepassing, een analyse van verschillen tussen de voorgenomen activiteiten en beoogde resultaten, vermeld in het activiteitenplan, en de feitelijke realisatie.

  • 7. Uiterlijk 1 jaar na ontvangst van de financiële verantwoording in de jaarrekening van het laatste jaar van besteding wordt de subsidie definitief vastgesteld.

Artikel 27. Lagere vaststelling subsidie

  • 1. Onverminderd artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie lager worden vastgesteld, indien:

    • a. de aanvrager onjuiste, niet tijdige of voor de beoordeling van de verantwoording onvolledige gegevens heeft verstrekt;

    • b. de activiteiten niet zijn gestart, aanzienlijk zijn vertraagd of voortijdig worden beëindigd;

    • c. de ontvanger van de subsidie heeft gehandeld in strijd met de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

    • d. de ontvanger van de subsidie kennelijk in strijd met het doel van de subsidie heeft gehandeld.

Paragraaf 7. Betaling

Artikel 28. Voorschotten

Het subsidiebedrag wordt, onverminderd artikel 22, tweede lid, per kalenderjaar bevoorschot, conform het in de goedgekeurde projectbegroting opgenomen bestedingspatroon.

Paragraaf 8. Slotbepalingen

Artikel 29. Inwerkingtreding

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt per 1 januari 2015.

Artikel 30. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Stimuleringsregeling Krachtig meesterschap.

Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart.

TOELICHTING

Algemeen

Waar gaat deze regeling over?

Deze regeling beoogt samenwerkingsverbanden van scholen en lerarenopleidingen te stimuleren, projecten te ontwikkelen op het gebied van excellentie bij het opleiden van leraren en/of het beroep van leraar. Dit moet uiteindelijk bijdragen aan meer en beter opgeleide leraren.

Achtergrond en context

Het tijdelijk subsidiëren van dergelijke initiatieven is een van de maatregelen uit 'Krachtig meesterschap: Kwaliteitsagenda voor het opleiden van leraren 2008–2011’. Deze agenda beoogt een stevige impuls te geven aan meer en beter opgeleide leraren om het kwantitatieve en kwalitatieve lerarentekort aan te pakken. In deze agenda worden drie speerpunten gepresenteerd: versterking van de kwaliteit van de lerarenopleidingen, meer academici voor de klas en meer variëteit in opleiding en beroep.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepalingen

Samenwerkingsverbanden kunnen allerlei vormen hebben, er mag ook gebruik gemaakt worden van reeds bestaande samenwerkingsverbanden, zolang er maar minimaal één lerarenopleiding en minimaal één school bij betrokken is.

De scholen en lerarenopleidingen die deelnemen aan het project mogen van elk type zijn, zolang het een door het Rijk bekostigde instelling is.

Artikel 2. Doelomschrijving

Met deze regeling wordt beoogd meer excellentie binnen het opleiden van leraren en het beroep van leraar te bevorderen. Hiermee neemt de kwaliteit van opleiding en beroep toe en worden lerarenopleiding en het beroep van leraar aantrekkelijker voor diverse (potentiële) doelgroepen.

Waar staat: ‘het bevorderen van excellentie bij het opleiden van leraren’, kunnen zowel aankomende als zittende leraren worden bedoeld.

Bij excellentie kan men bijvoorbeeld denken aan initiatieven die topkwaliteit en uitblinken bevorderen, of die boven het basisniveau en voortreffelijkheid stimuleren. Met excellentie wordt niet alleen bedoeld dat alleen de meest voortreffelijke studenten of leraren nog beter worden. Excellentie kan ook betrekking hebben op studenten of leraren die op een bepaald vlak wat minder presteren of minder tot hun recht komen, waarbij subsidieaanvragen dan bijvoorbeeld betrekking kunnen hebben op het ondersteunen van deze studenten om ergens juist in uit te gaan blinken of om hun prestatie te verhogen.

Daarnaast is het de bedoeling dat een project praktijkkennis oplevert en dat deze kennis verspreid wordt om zo excellentie te stimuleren bij zo veel mogelijk lerarenopleidingen en scholen, ook die niet direct in een project participeren.

Artikel 3. Subsidieontvanger

Alleen rechtspersonen kunnen als subsidieaanvrager optreden, daarom wordt de subsidie verleend aan het bevoegd gezag van een school of instelling. Dit bevoegd gezag treedt voor het project op als penvoerder en zorgt voor het beheer van het te ontvangen subsidiebedrag. De penvoerder functioneert, zoals in artikel 8, eerste lid, sub b omschreven staat, als aanspreekpunt van het samenwerkingsverband en is gemachtigd door de partners in het betreffende samenwerkingsverband om het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

Het bevoegd gezag dient een aanvraag in, maar niet alle scholen die vallen onder het bevoegd gezag hoeven te participeren, dat is aan het bevoegd gezag om te bepalen.

Artikel 4. Vaststelling subsidieplafond

Het bedrag in dit artikel is exclusief de uitvoeringskosten die door SenterNovem en CFI worden gemaakt en die ten laste komen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Onder deze uitvoeringskosten worden in ieder geval verstaan de kosten voor de adviescommissie, voor de uitvoerder SenterNovem en voor het (doen) uitvoeren van de audits door de uitvoerder.

Artikel 5. Subsidiebedrag per subsidieontvanger

De regeling voorziet in een subsidie van de daarvoor in aanmerking komende kosten van de activiteiten van het samenwerkingsverband, zoals opgenomen in de projectbegroting die bij de subsidieaanvraag wordt geleverd. Aangezien de verwachting is dat er een breed scala aan projectaanvragen wordt ingediend, is niet gekozen voor een vast subsidieplafond per project. In plaats daarvan zal de hoogte van de subsidie per project aan de hand van de ingediende projectbegroting door de minister worden vastgesteld. Per project zal worden bekeken of de verhouding tussen de projectbegroting en het project reëel is. Daarnaast wordt het totaal aantal subsidieaanvragen meegewogen.

Artikel 6. Subsidieaanvraag

De subsidieaanvraag dient te worden ingediend bij SenterNovem, de uitvoerder van de subsidieregeling. De subsidieaanvrager dient gebruik te maken van het aanvraagformulier dat SenterNovem beschikbaar heeft gesteld. Het formulier kan op de website van SenterNovem worden gedownload: www.senternovem.nl/krachtigmeesterschap.

Aanvragen kunnen op twee momenten worden ingediend: het eerste moment loopt vanaf twee dagen na dagtekening van de Staatscourant waarin deze regeling wordt gepubliceerd tot en met 8 juni 2009. De volledige subsidieaanvraag voor het eerste indienmoment dient uiterlijk op 8 juni 2009 ontvangen te zijn. Het tweede moment van indienen loopt van 1 januari 2010 tot en met 15 maart 2010. De volledige subsidieaanvraag voor het tweede indienmoment dient uiterlijk op 15 maart 2010 ontvangen te zijn.

Wanneer blijkt dat een aanvraag onvolledig is, zal dit de aanvrager door SenterNovem, kenbaar worden gemaakt. De aanvrager heeft vervolgens twee weken om de aanvraag volledig te maken.

Artikel 8. Vereisten

Alleen samenwerkingsverbanden die ten minste uit één lerarenopleiding en één school bestaan kunnen voor subsidie in aanmerking komen.

Het samenwerkingsverband moet een bevoegd gezag van een van de participerende instellingen als penvoerder aanwijzen, die vervolgens het gehele samenwerkingsverband zal vertegenwoordigen. De penvoerder functioneert als aanspreekpunt van het samenwerkingsverband en is gemachtigd door de partners in het desbetreffende samenwerkingsverband om het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

Bij de aanvraag moet worden aangetoond welke partijen samenwerken in het samenwerkingsverband. Alle partijen dienen daartoe op het aanvraagformulier aan te geven dat zij de penvoerder machtigen hen te vertegenwoordigen. Daarnaast dient in de aanvraag duidelijk te worden waarom het voor het behalen van de doelstellingen van het project van belang is dat het samenwerkingsverband bestaat uit de opgevoerde partners.

Zoals weergegeven in het tweede lid van dit artikel bestaat een subsidieaanvraag naast een aanvraagformulier uit een aantal bijlagen. Kern van de subsidieaanvraag is het projectplan met bijbehorende projectbegroting.

Het projectplan bevat ten minste de volgende onderdelen:

  • een beschrijving van de punten die het samenwerkingsverband wil aanpakken en hoe die bijdragen aan de doelen van de stimuleringsregeling zoals gesteld in artikel 2, lid 2;

  • een beschrijving op hoofdlijnen van de maatregelen die worden genomen ter oplossing van de geconstateerde punten; hierbij dient ook te worden beschreven op welke wijze de maatregelen bijdragen aan het oplossen van deze punten en welke doelen hiermee worden nagestreefd;

  • een gedetailleerde beschrijving van de in het project te ontplooien activiteiten, voorzien van een planning. Hoofdnorm voor het bepalen van de te ontplooien activiteiten is dat deze dienstig moeten zijn aan de doelomschrijving van deze regeling, als omschreven in artikel 2;

  • een beschrijving van de met de projectactiviteiten beoogde resultaten; deze resultaten dienen concreet te zijn en toetsbaar geformuleerd, zowel kwantitatief als kwalitatief en waar dat mogelijk is voorzien van streefcijfers;

  • een beschrijving van de wijze waarop het samenwerkingsverband zorg draagt voor draagvlak voor het project bij de deelnemende lerarenopleidingen en scholen;

  • een beschrijving van de wijze waarop het samenwerkingsverband zorgt voor de borging van de projectresultaten. Dit betekent dat het samenwerkingsverband moet beschrijven op welke wijze de in het project ondernomen maatregelen en de hiermee behaalde resultaten na afloop van het project kunnen worden voortgezet. Uitgangspunt is dat de samenwerkingsverbanden na de subsidieperiode hun activiteiten kunnen ontplooien zonder additionele subsidie, vandaar dat hier gevraagd wordt informatie te geven over de wijze waarop participanten zorg dragen voor de borging van de resultaten van het project na afloop van de subsidieperiode;

  • een beschrijving van de wijze waarop het samenwerkingsverband zorgt voor de beschikbaarheid en de verspreiding van de projectresultaten, ook aan scholen en lerarenopleidingen die niet deel nemen aan het project.

Bij het opstellen van de projectbegroting kan gebruik gemaakt worden van het begrotingsformat dat door SenterNovem beschikbaar wordt gesteld via de website www.senternovem.nl/krachtigmeesterschap. De projectbegroting moet in ieder geval één op één aansluiten op het activiteitenplan uit het projectplan (als in lid 3, sub c) en inzicht geven in de begrote kosten per kalenderjaar.

Het is mogelijk dat een project op grond van meer dan een regeling voor subsidie in aanmerking kan komen. Omdat het ongewenst is dat ten behoeve van één en dezelfde activiteiten van een project een beroep wordt gedaan op meerdere subsidie-instrumenten van de rijksoverheid, is het samenwerkingsverband verplicht om informatie te verstrekken over subsidieaanvragen die hij heeft ingediend bij andere (bestuurs)organen voor dezelfde begrote uitgaven. Dit op grond van artikel 16, tweede lid van de Wet Overige OCW-subsidies.

Artikel 9. Subsidiabele projectkosten

In dit artikel is een omschrijving opgenomen van de subsidiabele kosten die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de hoogte van de subsidie in verband met artikel 5. Hoofdnorm hierbij is dat uitsluitend in de goedgekeurde begroting opgenomen kosten ten behoeve van activiteiten die voor de ontwikkeling of implementatie van het project noodzakelijk zijn voor subsidie in aanmerking komen. Dit betekent dat deze kosten direct aan de projectactiviteiten kunnen worden toegerekend. De kosten moeten ten laste van de subsidieontvanger, dan wel een van de samenwerkingspartners uit het samenwerkingsverband, zijn gemaakt.

Onderdeel a. betreft de loonkosten voor het bij het project betrokken personeel van de deelnemende instellingen van het samenwerkingsverband, voor zover deze rechtstreeks voor de uitvoering van het project noodzakelijk zijn. Bij de bepaling van de loonkosten wordt uitgegaan van integrale uurtarieven, op basis van de uurtarieven zoals vastgesteld in de handleiding Overheidstarieven1. Het integrale uurtarief is samengesteld uit directe personeelskosten en indirecte kosten (dat wil zeggen kosten voor materiaal zoals scholingskosten, lesmateriaal, apparatuur of software die nodig is, kosten voor overhead zoals administratieve of managementondersteuning, kopieerkosten, vergaderkosten, gebruik van kantoorruimte, etc.). Omdat materiaalkosten en kosten voor overhead verwerkt zijn in dit integrale uurtarief, kunnen afzonderlijke kosten voor materiaal of overhead niet voor subsidie in aanmerking komen.

Per functiegroep is een maximumtarief vastgesteld. Per functiegroep kunnen ten hoogste de volgende integrale uurtarieven worden gehanteerd:

  • Lerarenopleider: € 102

  • Docent bve/vo: € 80

  • Leraar po: € 74

  • Ondersteunend personeel: € 59

Onderdeel b bepaalt dat, indien een deel van de activiteiten van het project wordt uitbesteed, de aan derden verschuldigde kosten aan het project kunnen worden toegerekend. Onder deze kosten vallen kosten van door derden verrichte werkzaamheden en geleverde diensten die noodzakelijk zijn voor het project. De subsidieaanvrager dient de meerwaarde van en de noodzaak tot de inhuur van derden in de subsidieaanvraag te onderbouwen. Het is wenselijk de kosten die gepaard gaan met de inhuur van derden zo laag mogelijk te houden. Met het beperken van de inhuur van derden wordt bovendien de aanwezige expertise bij de deelnemende partijen zoveel mogelijk benut en wordt de ontwikkelde expertise zoveel mogelijk gewaarborgd en behouden voor de deelnemende partijen.

Verder geldt dat;

  • uitsluitend die kosten voor subsidie in aanmerking komen die na toekenning van de aanvraag rechtstreeks aan het project zijn toe te rekenen;

  • uitsluitend die kosten voor subsidie in aanmerking komen die gedurende de formele projectperiode zijn gemaakt en betaald, niet later zijnde dan 1 januari 2012 wat betreft projectaanvragen uit de eerste aanvraagronde en niet later zijnde dan 1 januari 2013 wat betreft projectaanvragen uit de tweede aanvraagronde;

  • onvoorziene kosten niet voor subsidie in aanmerking komen.

Artikel 10–14. Adviescommissie

Een onafhankelijke adviescommissie zal de aanvragen om subsidie beoordelen en rangschikken op basis van de criteria zoals genoemd in artikel 18. De commissie wordt benoemd voor de periode van 8 juni 2009 tot 31 december 2010. In deze periode wordt van de commissie verwacht dat zij zo vaak bijeenkomt als noodzakelijk voor de uitvoering van haar taken. Van de commissieleden wordt gedurende de looptijd van de regeling verwacht dat zij, indien daar aanleiding toe is, op verzoek van het ministerie van OCW bijeenkomen.

In deze artikelen zijn een aantal algemene zaken geregeld. Daarnaast zijn voor de werkzaamheden van een adviescommissie de voorschriften van afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 15. Tijdvak subsidieverlening

De subsidieontvanger bepaalt zelf de start- en einddatum van het project. De startdatum van een project kan niet vroeger zijn dan de datum van indiening van de aanvraag.

Een project kan voor maximaal 2,5 jaar subsidie aanvragen waarbij geldt dat subsidiegelden uit de eerste aanvraagronde uiterlijk 1 januari 2012 moeten zijn uitgegeven en subsidiegelden uit de tweede aanvraagronde uiterlijk 1 januari 2013 moeten zijn uitgegeven.

De beslissing op een aanvraag wordt uiterlijk binnen 14 weken na sluiting van de inschrijftermijn genomen.

De startdatum van de subsidie is niet vroeger dan de toekenning van de subsidieaanvraag. Dit betekent dat als een subsidieaanvrager vanaf het moment van indiening van de aanvraag en dus voor het ontvangen van de subsidiebeschikking wil starten met de uitvoering van het project, dit op eigen risico en op eigen kosten geschiedt.

Artikel 16. Criteria verdeling bij subsidieplafond

De minister zal besluiten welke subsidieaanvragen gehonoreerd worden en zal dit doen op basis van de door de commissie vastgestelde ranking. De commissie neemt bij het vaststellen van deze ranking in ieder geval de criteria uit artikel 18 in ogenschouw. Wanneer meerdere projecten geacht worden een gelijke bijdrage te leveren aan de doelstellingen van de regeling, dan zal de subsidie op volgorde van binnenkomst van de aanvragen worden toegekend. De datum die gebruikt wordt voor de vaststelling van de volgorde van binnenkomst, is bij volledige aanvragen gelijk aan de datum van binnenkomst bij SenterNovem. Voor aanvragen die bij indiening niet compleet waren en derhalve aangevuld moesten worden, geldt de datum waarop de aanvraag is aangevuld.

Artikel 17. Rol adviescommissie

De adviescommissie heeft een belangrijke rol bij het beoordelen en selecteren van de ingediende projectvoorstellen aan de hand van de regeling en aan de hand van het preadvies dat SenterNovem opstelt. Besluitvorming over te subsidiëren projecten zal plaatsvinden op basis van het advies van de adviescommissie.

Artikel 18. Criteria

De adviescommissie heeft een adviserende taak en maakt bij de opstelling van haar advies gebruik van de criteria die in dit artikel genoemd staan. Deze criteria behelzen aspecten waaraan een projectplan ten minste moet voldoen en waarop projectvoorstellen punten kunnen scoren (t.b.v. de rangschikking ten opzichte van elkaar). Criterium a weegt hierbij het zwaarst. De criteria b tot en met h zijn in willekeurige volgorde opgesteld en wegen bij de beoordeling even zwaar.

De criteria genoemd in het tweede lid van dit artikel hebben betrekking op:

  • a. de mate waarin de activiteiten bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van deze regeling;

  • b. de leerfunctie van de gesubsidieerde projecten in onderlinge samenhang; dit betreft het totale vermogen van alle gesubsidieerde projecten samen om zoveel mogelijk nieuwe praktijkkennis te vergaren. Dit sluit aan bij de tweede doelstelling van deze regeling (artikel 2.2.b). Zoveel mogelijk projecten met een vernieuwend karakter zullen worden gesubsidieerd en de totale variëteit aan projecten dat subsidie ontvangt moet groot genoeg zijn om het totale leereffect van de regeling optimaal te maken. Dit kan een reden zijn voor de adviescommissie om inhoudelijk gezien vergelijkbare projectvoorstellen af te wijzen, bijvoorbeeld omdat er met een positieve toekenning geen extra leereffect meer zou ontstaan;

  • c. het draagvlak bij de lerarenopleidingen en scholen; het project moet worden gedragen door verschillende betrokken partijen. De diverse partijen moeten nut en noodzaak van het project inzien en het project moet voor alle betrokken partijen (praktijk)kennis opleveren;

  • d. innovatie; hierbij gaat het om het vernieuwende karakter van het project;

  • e. overdraagbaarheid: hierbij gaat het om de manier waarop na afloop of tijdens het project wordt gewerkt aan het verspreiden van nieuwe ideeën en best practices over andere scholen en lerarenopleidingen (die niet deelnemen aan het project);

  • f. haalbaarheid; de waarschijnlijkheid dat de doelstelling van het project zal worden behaald;

  • g. efficiëntie; in termen van geld, personeel en tijd;

  • h. duurzaamheid; hierbij gaat het om de waarschijnlijkheid dat het project na stopzetting van de opstartsubsidie wordt gecontinueerd.

Met het meewegen van het feit of een aanvraag al subsidie ontvangt uit een andere regeling die te maken heeft met de doelstelling van deze regeling, wordt bijvoorbeeld bedoeld dat bij gelijke kwalitatieve geschiktheid van twee projecten, het project zonder overige toegekende subsidies één plaats hoger in de ranking komt te staan dan het project dat al wel subsidie ontvangt.

Artikel 19. Voorschriften bij subsidieverlening

De adviescommissie adviseert de minister over de te nemen besluiten ten aanzien van de verlening of afwijzing van de projectsubsidie. In de beschikking tot verlening van de projectsubsidie kunnen onder meer nadere voorwaarden worden opgenomen, die noodzakelijk zijn ter waarborging van een juiste uitvoering dan wel het behoud van een goed inzicht in de vooruitgang van het project.

Artikel 23. Administratievoorschriften

Bij de start van het project spreken de deelnemende partijen van het samenwerkingsverband af met hun accountant hoe zij hun administratieve organisatie zo moeten inrichten, dat de financiële verantwoording die daar uit vloeit achteraf voor de accountant controleerbaar is.

Artikel 24. Informatieplicht

De subsidieontvanger heeft een informatieplicht. Dit betekent dat de subsidieontvanger op verzoek van de minister (of door de minister aangewezen ambtenaren) alle benodigde inlichtingen met betrekking tot het gesubsidieerde project verstrekt.

De subsidieontvanger heeft ook een meldplicht. Dit houdt in dat als er tussentijds bijzondere omstandigheden plaatsvinden of zich substantiële wijzigingen voordoen in het gesubsidieerde project dat deze direct aan de door de minister aangewezen uitvoeringsorganisatie, te weten SenterNovem, worden gemeld.

Voorgenomen wijzigingen dienen vooraf te worden gecommuniceerd aan SenterNovem in de vorm van een wijzigingsverzoek. De uitvoeringsorganisatie kan als daar aanleiding toe is verzoeken een gewijzigd of bijgesteld projectplan (met een gewijzigde projectbegroting) na te sturen.

Artikel 25. Besteding subsidie

Bij deze subsidie gaat het om een geoormerkte subsidie. Dat betekent dat de subsidie moet worden besteed aan de in deze regeling omschreven doelen, als bedoeld in artikel 2. De in het samenwerkingsverband deelnemende instellingen zijn gehouden om de subsidie daarvoor daadwerkelijk te gebruiken. Niet-bestede middelen worden daarom teruggevorderd, al dan niet door verrekening.

Artikel 26. Verantwoording en controle

Overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs wordt de aan het verslagjaar toe te rekenen subsidie in de jaarrekening herkenbaar als bate verantwoord, en worden de lasten verwerkt binnen de daartoe bestemde posten. Omdat sprake is van een geoormerkte subsidie moet deze worden gespecificeerd overeenkomstig model G, behorend bij Richtlijn RJ 660, alinea 212, zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving.

De verwerking van niet-bestede middelen geschiedt in de jaarrekening van het laatste jaar van de besteding. Bij meerjarige subsidies wordt de subsidie op de balans geboekt onder de post "overlopende passiva". Tegenover de lasten in de jaren erna valt eenzelfde deel van de overlopende passiva als bate vrij ten gunste van de exploitatierekening. In het laatste jaar van besteding valt het restant vrij. Mogelijk niet-bestede gelden met een terugbetalingsverplichting worden dan als schuld aan OCW opgenomen.

Bij de financiële verantwoording van de besteding van deze geoormerkte subsidie kan niet worden volstaan met de reguliere verantwoording in de jaarrekening. Daarnaast is nadere bestedingsinformatie nodig. Daarom is hiervoor een afzonderlijk voorschrift in de regeling opgenomen.

Wat betreft de accountantscontrole op de verantwoorde bedragen in de jaarrekeningen van de deelnemende instellingen in het samenwerkingsverband en de eventuele terugbetalingsverplichting bij afrekening het volgende:

De accountants van de deelnemende organisaties voeren jaarlijks de controles op de rechtmatige besteding van de in de betreffende jaarrekening verantwoorde bedragen uit. Zoals ook staat aangegeven bij artikel 23 maken de deelnemende instellingen van het samenwerkingsverband afspraken met hun accountant over hoe zij hun administratieve organisatie zo moeten inrichten, dat de financiële verantwoording die daar uit vloeit achteraf voor de accountant controleerbaar is.

De accountant van de penvoerder ontvangt van de overige accountants een mededeling omtrent de uitkomsten van de controle van door de deelnemende instelling verantwoorde kosten en verwerkt deze in zijn accountantsverklaring. Indien deze dat nodig acht, voert de accountant van de penvoerder collegiaal overleg met de accountant van een deelnemende instelling (bijvoorbeeld in geval van een geconstateerde onzekerheid bij die deelnemende instelling).

De penvoerder is verantwoordelijk voor de eindafrekening met het ministerie. De penvoerder krijgt na afloop van het laatste projectjaar van de overige deelnemers in het samenwerkingsverband door welke bedragen eventueel aan het ministerie moet worden terugbetaald, neemt deze als vordering op de deelnemer op en neemt de totaalverplichting jegens het ministerie op in de balans als schuld. De accountant van de penvoerder doet in zijn verklaring een mededeling over de getrouwe weergave en rechtmatige besteding van de hele subsidietoekenning.

Artikel 29. Inwerkingtreding

Voor de datum van inwerkingtreding en de implementatietermijn wordt afgeweken van de richtlijnen met betrekking tot de vaste verandermomenten. Met het oog op het lerarentekort en de noodzakelijke versterking van de kwaliteit, is het van belang zo snel mogelijk uitvoering te geven aan deze maatregel en niet te wachten op het eerstvolgende vaste verandermoment.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart.


XNoot
1

Zie: www.minfin.nl

Naar boven