De wijziging per 1 januari 2009 van artikel 36 van het Besluit
Voorkoming Dubbele Belasting 2001 treedt onder voorwaarden pas in werking per
1 januari 2012.
Aanleiding
Met ingang van 1 januari 2009 is het vierde lid van artikel 36
van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna: BVDB) aangepast (te
vinden in Staatsblad
574, 29 december 2008).
Deze aanpassing is gericht tegen situaties waarbij in
concernverband buitenlandse baten en de daaraan toe te rekenen kosten uit
elkaar worden getrokken met het oog op het vergroten van de mogelijkheid tot
verrekenen van buitenlandse bronbelasting. In mijn besluit van 18 juli 2008,
(CPP2007/664M, Stcrt. nr. 151) heb ik aangekondigd een dergelijke wijziging te
overwegen.
Achtergrond
Het gaat om situaties waarin een Nederlandse belastingplichtige
baten (rente, royalty of dividend) ontvangt, waarop in het buitenland (al dan
niet bij wijze van fictie) bronbelasting is ingehouden. Deze bronbelasting is
in Nederland verrekenbaar waarbij de verrekening is begrensd tot, kort gezegd,
de Nederlandse belasting die op de netto rentebaten ziet, de zogenoemde tweede
limiet. Door nu de kosten (bijvoorbeeld financieringslasten) die tegenover die
baten staan elders in het concern te alloceren, stijgt de tweede limiet bij de
belastingplichtige en kan hij meer bronbelasting verrekenen, terwijl de
Nederlandse belasting over de netto baten in het concern niet stijgen. Dat was
ongewenst. Het vierde lid van artikel 36 BVDB bepaalt nu dat voor de berekening
van de tweede limiet die elders in het concern gealloceerde kosten meegerekend
moeten worden.
Deze structuur is in de praktijk onder andere gebruikt door een
aantal fondsen dat belegt in vorderingen op debiteuren gevestigd in een land
waarmee Nederland in het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting een
zogenoemde tax sparing credit is overeengekomen. Door gebruik te maken van de
tax sparing credit en de vergrote verrekeningsruimte kan aan de deelnemers een
hoger rendement geboden worden.
Een aantal fondsen heeft van de competente inspecteur(s)
zekerheid vooraf gekregen dat deze opzet niet in strijd was met (de oude tekst
van) het BVDB.
Hoewel zekerheid vooraf altijd wordt gegeven onder het
voorbehoud van mogelijke latere wetswijziging, meen ik dat de wijziging van het
BVDB nu tot onevenredig belastende veranderingen kan leiden in de verhoudingen
tussen deze fondsen en hun deelnemers. Datzelfde kan onder omstandigheden
gelden voor dergelijke fondsen die zonder zekerheid vooraf zijn gestart.
Om dergelijke verstoringen in de markt te voorkomen keur ik het
volgende goed.
Goedkeuring
Bij de verrekening van buitenlandse bronbelasting op rente wordt
de nieuwe tekst van het vierde lid van artikel 36 BVDB pas toegepast met ingang
van 1 januari 2012 onder de volgende voorwaarde:
– belastingplichtige meldt zich met een verzoek tot toepassing
van deze goedkeuring binnen drie maanden na publicatie van dit besluit bij de
Belastingdienst Amsterdam, Unit 8, Financiële instellingen, ter attentie van
drs. D.J. Dragt;
– de aan de debiteur ter beschikking gestelde gelden worden
feitelijk aangewend in het land waaruit de rente wordt ontvangen;
– naar het oordeel van de competente inspecteur zijn er
overigens geen redenen om de verrekening van bronbelasting te weigeren of te
beperken ;
– de goedkeuring geldt slechts voor fondsen die zijn gestart op
of vóór 31 december 2008;
– de goedkeuring geldt slechts voor de verrekening van
bronbelasting op rente die ziet op vorderingen die het fonds op 31 december
2008 al had;
– de goedkeuring eindigt zodra het bedrag van de vorderingen
van het fonds toeneemt.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang de tweede dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot
en met 1 januari 2009.