Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 20 april 2009, nr. TRCJZ/2009/1142, houdende een vaccinatiecampagne ter bestrijding van Q-koorts

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op:

  • artikel 10 van verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 70/2001;

  • de artikelen 29, eerste lid, 30, vierde lid, en 45, eerste en derde lid, van de Diergeneesmiddelenwet,

  • artikel 17 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, en

  • artikel 3 van het Besluit gebruik sera en entstoffen;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten1 wordt gewijzigd als volgt:

A

Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 5.1.1, onderdeel e, door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. GD: Gezondheidsdienst voor Dieren.

B

De artikelen 5.2.1 tot en met 5.2.4 komen te luiden:

Artikel 5.2.1

  • 1. Van het verbod, gesteld in artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, wordt vrijstelling verleend voor het toepassen van het diergeneesmiddel ‘Coxevac’ van de firma CEVA SANTE ANIMALE B.V. te Naaldwijk voor het vaccineren van schapen en geiten tegen Q-koorts en met het oog daarop het voorhanden of in voorraad hebben en het afleveren van dit middel onder de voorwaarden, gesteld in artikel 5.2.4 tot en met 5.2.6.

  • 2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend tot 1 januari 2010.

Artikel 5.2.2

Het diergeneesmiddel, bedoeld in artikel 5.2.1, eerste lid, wordt voor de toepassing van deze regeling aangewezen als:

  • a. een middel als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet;

  • b. een middel als bedoeld in artikel 30, vierde lid, van de Diergeneesmiddelenwet.

Artikel 5.2.3

Van het verbod, in artikel 3 van het Besluit gebruik sera en entstoffen wordt vrijstelling verleend voor het overeenkomstig deze regeling vaccineren van schapen en geiten.

Artikel 5.2.4

  • 1. De dierenarts past het diergeneesmiddel, bedoeld in artikel 5.2.1, eerste lid, toe overeenkomstig de gebruiksvoorschriften en de instructies van de fabrikant van het middel.

  • 2. Het diergeneesmiddel, bedoeld in artikel 5.2.1, eerste lid, wordt niet toegepast bij drachtige schapen en geiten.

C

Na artikel 5.2.4 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 5.2.1 Verplichte vaccinatie Q-koorts

Artikel 5.2.5

Een houder van schapen en geiten is verplicht de op zijn bedrijf aanwezige schapen en geiten te laten vaccineren vóór 1 januari 2010 indien het gaat om schapen of geiten die:

  • a. binnen het in bijlage I bedoelde gebied, worden gehouden:

    • i. op een locatie ten behoeve van de bedrijfsmatige melkproductie waar meer dan 50 schapen en/of geiten aanwezig zijn;

    • ii. op een zorgboerderij;

    • iii. op een kinderboerderij, of

    • iv. in een dierentuin.

  • b. worden gehouden op een bedrijf waar een verdenking van besmetting met Q-koorts als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit verdachte dieren, is vastgesteld.

Artikel 5.2.6
  • 1. De houder, bedoeld in artikel 5.2.5, aanhef en onderdeel a, is verplicht om vóór 1 juni 2009 aan de GD de volgende gegevens te doen toekomen:

    • a. het aantal schapen en geiten aanwezig op een locatie, bedoeld in artikel 5.2.5, onderdeel a;

    • b. het aantal schapen en geiten dat in 2008 tweemaal is gevaccineerd in verband met Q-koorts;

    • c. het aantal schapen en geiten dat in 2009 voor het eerst gevaccineerd zal worden;

    • d. de maanden waarin de houder de schapen en geiten wenst te laten vaccineren.

  • 2. De houder, bedoeld in artikel 5.2.5, aanhef en onderdeel b, is verplicht om binnen twee weken na vaststelling van de verdenking van besmetting, de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, te doen.

  • 3. De kennisgeving, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, geschiedt met gebruikmaking van een daartoe door de GD ter beschikking gesteld formulier.

Artikel 5.2.7
  • 1. De dierenarts die de vaccinatie, bedoeld in artikel 5.2.4, heeft uitgevoerd, ontvangt hiervoor een vergoeding.

  • 2. Om in aanmerking te komen voor de vergoeding, stuurt de dierenarts, bedoeld in het eerste lid, vóór 1 februari 2010 aan de GD een overzicht per bedrijf van de uren die hij heeft besteed aan de vaccinatie en het aantal gevaccineerde schapen en geiten.

  • 3. Indien alle schapen en geiten, die onder de vaccinatieplicht, bedoeld in artikel 5.2.5 vallen, zijn gevaccineerd, meldt de houder van deze dieren dit aan de GD.

  • 4. De kennisgeving, bedoeld in het tweede en het derde lid, geschiedt op één formulier, dat door de GD ter beschikking is gesteld formulier.

  • 5. Het formulier, bedoeld in het vierde lid, wordt ondertekend door de dierenarts, bedoeld in het eerste lid, en door de houder van de desbetreffende gevaccineerde schapen en geiten, bedoeld in het derde lid.

D

De bijlage bij de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten wordt vervangen door bijlage I bij deze regeling.

ARTIKEL II

Deze regeling wordt bekendgemaakt aan de media en treedt op 20 april 2009 om 16.00 uur in werking.

Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

Den Haag, 20 april 2009

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg.

BIJLAGE I ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5.2.5, ONDERDEEL A

VACCINATIEGEBIED NOORB-BRABANT

Het vaccinatiegebied Noord-Brabant bestaat uit gebieden, waarvan de eerste drie cijfers van de postcodes luiden:

390–392

394–396

400–406

410–411

414–415

417–419

421

425–429

460(0)–467(1)

468(0)–468(1)

470(0)–576(5)

580–587

592

594

596–600

602–604

608–609

650–672

674

680–682

684–687

691–693

TOELICHTING

§ 1. Inleiding

Bijna alle boerderijdieren kunnen de ziekte Q-koorts oplopen. Maar ook huisdieren, knaagdieren en vogels kunnen besmet raken. De ziekte verloopt bij dieren meestal symptoomloos. Bij schapen en geiten kan Q-koorts abortussen veroorzaken. Q-koorts is een zoönose. Dit betekent dat besmetting van dier naar mens kan plaatsvinden. Tot 2007 werden er jaarlijks ongeveer vijftien besmettingen bij mensen gemeld. In 2007 zijn ongeveer 170 mensen en in 2008 zijn ongeveer duizend mensen ziek geworden. Een besmetting met Coxiella burnetii, de verwekker van Q-koorts, veroorzaakt ook bij mensen in veel gevallen geen verschijnselen. Als een besmetting wel problemen veroorzaakt gaat het in de meeste gevallen om milde, griepachtige verschijnselen. Bij een ernstiger verloop begint de ziekte meestal acuut met hoofdpijn en hoge koorts. Bij 20% van de mensen bij wie een infectie is vastgesteld, ontstaat een ernstige infectie meestal met longontsteking, soms met leverontsteking.

Over de precieze manier waarop de Q-koorts bacterie vanuit besmette bedrijven wordt verspreid en vervolgens voor besmettingen bij andere bedrijven en mensen zou kunnen zorgen, bestaan nog onduidelijkheden. Wel bestaat er in de wetenschappelijke literatuur overeenstemming dat de bacterie vooral via stof wordt verspreid. Stof, dat afkomstig is uit de melkgeiten en -schapenhouderij en dat door de wind wordt verspreid, wordt als de drager van besmetting gezien. Er zijn diverse onderzoeken in gang gezet die in de loop van de komende jaren waarschijnlijk meer duidelijkheid zullen geven over de manier van verspreiding.

Gelet op de bovenbeschreven effecten van Q-koorts, is met de onderhavige regeling de vaccinatie van schapen en geiten voor een deel van Nederland verplicht gesteld. Ook voorziet de regeling in de mogelijkheid voor veehouders die niet onder de vaccinatieverplichting vallen om hun dieren vrijwillig te laten vaccineren.

§ 2. Vaccinatie

De vaccinatie moet plaatsvinden met het middel ‘Coxevac’ van de firma CEVA SANTE ANIMALE B.V. te Naaldwijk. Omdat het gaat om een vaccin dat niet is geregistreerd door het Bureau Diergeneesmiddelen (BD), is er in de regeling voorzien in een ministeriële vrijstelling van het verbod van de Diergeneesmiddelenwet. De vrijstelling is verbonden aan de voorwaarden die in de regeling zijn opgenomen. Zo dient het vaccin in overeenstemming met de instructies van de fabrikant toegepast te worden en mogen drachtige schapen en geiten niet gevaccineerd worden. De vrijstelling wordt verleend tot 1 januari 2010. De coördinatie van zowel de verplichte als de vrijwillige vaccinatie wordt uitgevoerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). De distributie van het vaccin zal geschieden via AUV Groothandel BV, welke gelieerd is aan de AUV dierenartsencoöperatie.

§ 2.1 Verplichte vaccinatie

Vooral in de provincie Noord-Brabant en een deel van Gelderland zijn de afgelopen twee jaar veel mensen ziek geworden van Q-koorts. Om de besmetting van mensen in de toekomst zoveel mogelijk tegen te gaan wordt er een vaccinatiegebied ingesteld waarin verplichte vaccinatie van schapen en geiten verplicht moet plaatsvinden. In bijlage I van de regeling zijn de eerste drie cijfers van de postcodes van de gebieden, waarbinnen het verplicht is om schapen en geiten te vaccineren, opgenomen. In dit gebied wordt vaccinatie tegen Q-koorts verplicht voor schapen en geiten op melkgeiten- en melkschapenbedrijven met meer dan 50 volwassen schapen en geiten, op kinderboerderijen, op zorgboerderijen en in dierentuinen (artikel 5.2.5, aanhef en onderdeel a). Buiten het vaccinatiegebied wordt vaccinatie verplicht voor houders van schapen en geiten op bedrijven die door de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) in de zin van het Besluit verdachte dieren met Q-koorts besmet zijn verklaard (artikel 5.2.5, aanhef en onderdeel b)..

De houder van de dieren op de hierboven beschreven bedrijven heeft de verantwoordelijkheid om de schapen en geiten op zijn bedrijf te laten vaccineren. Om ervoor te zorgen dat de GD een goede planning kan maken, heeft iedere veehouder wiens bedrijf onder de vaccinatieplicht valt, een formulier ontvangen van de GD. Op dit formulier moet worden aangegeven hoeveel dieren op het bedrijf aanwezig zijn en of deze reeds in 2008 tegen Q-koorts zijn gevaccineerd. Tevens kan de veehouder aangeven welke maanden de voorkeur verdienen om de dieren te laten vaccineren (artikel 5.2.6). Aangezien drachtige dieren niet gevaccineerd mogen worden dient er bij de planning rekening gehouden te worden met het moment waarop de dieren op het bedrijf normaliter worden gedekt. Naar aanleiding van deze gegevens zal de GD een planning maken aan de hand waarvan afspraken worden gemaakt met de bedrijven en dierenartsen. Het is immers de dierenarts die bevoegd is om het vaccin aan de dieren toe te dienen.

Van elk afgelegd bezoek in het kader van de verplichte vaccinatie dient de dierenarts bij de GD opgave te doen van het aantal gemaakte uren en het aantal dieren dat hij op dat bedrijf heeft gevaccineerd. De veehouder dient aan te geven of alle dieren op zijn bedrijf, die onder de vaccinatieplicht vallen, zijn gevaccineerd. Beide opgaven geschieden met gebruikmaking van één formulier, dat door de GD ter beschikking is gesteld (artikel 5.2.7, tweede tot en met vijfde lid).

De vergoeding van de dierenarts voor het vaccineren van schapen en geiten wordt berekend op basis van een uurtarief van € 98.07 en voorrijkosten van € 19,67. Deze berekening is in overleg met de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde tot stand gekomen. Na ontvangst van de bovenbedoelde gegevens zal de GD overgaan tot uitbetaling van de gemaakte kosten. Dienst Regelingen van mijn ministerie is belast met het toezicht op deze geldstromen. Deze manier van werken komt overeen met de wijze waarop de monitoring in het kader van brucellose plaatsvindt.

§ 2.2 Vrijwillige vaccinatie

Naast de verplichte vaccinatie is er voor alle overige bedrijven, die niet onder de verplichting vallen, vrijwillige vaccinatie tegen Q-koorts mogelijk gemaakt. Dit vloeit voort uit de artikelen 5.2.1 tot en met 5.2.4. Indien een veehouder zijn dieren wil laten vaccineren tegen Q-koorts kan hij zich melden bij de GD. In overleg zal er een datum worden gekozen waarop de vrijwillige vaccinatie kan plaatsvinden. Het vaccin zal door de overheid worden bekostigd, maar de kosten voor de vaccintoediening door de dierenarts dient de veehouder zelf te dragen. De vrijstelling van artikel 5.2.1 is van toepassing op zowel de verplichte als de vrijwillige vaccinatie

§ 3. Staatssteun

Het vaccin dat moet worden gebruikt voor zowel de verplichte als de vrijwillige vaccinatie tegen Q-koorts wordt gratis beschikbaar gesteld en geleverd aan de dierenartsen die de vaccinatie uitvoeren. De toedieningskosten die worden gemaakt in het kader van de verplichte vaccinatie worden eveneens van overheidswege vergoed. Beide vormen van steun voldoen aan de voorwaarden van artikel 10 van verordening (EG) nr. 1857/2006. De steun wordt verstrekt aan kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van deze verordening. Het gaat hierbij om steun die op basis van het eerste lid, onderdeel b, van artikel 10 in natura wordt verstrekt. Aan het vierde lid van artikel 10 wordt voldaan via de overige bepalingen die op basis van de regeling al gelden ter voorkoming van de insleep van Q-koorts. De vaccinatiestrategie maakt onderdeel uit van een nationaal programma ter preventie en bestrijding Q-koorts. Voorts is Q-koorts een dierziekte die voorkomt op de OIE lijst waarmee ook wordt voldaan aan het zevende lid. Het derde, vijfde, zesde en achtste lid van artikel 10 zijn eveneens in acht genomen.

§ 4. Administratieve lasten

Uit deze wijzigingsregeling vloeien administratieve lasten voort. Veehouders dienen gegevens aan de GD op te sturen in verband met de planning van de vaccinatiecampagne. Dit brengt een administratieve last van € 2.226,30 met zich mee. De administratieve lasten die voor rekening van de dierenarts komen betreffen de declaraties die zij moeten indienen bij de GD om de toedieningskosten vergoed te krijgen. Het gaat om een administratieve last van € 9.000,–. Deze wijzigingsregeling brengt een totale eenmalige administratieve lastenverzwaring van € 11.226,30 met zich mee.

Het karakter van de regeling brengt met zich mee dat afgeweken wordt van de uitgangspunten van de vaste verandermomenten voor regelgeving.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg.


XNoot
1

Stcrt. 2007, 237; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 6 maart 2009, TRCJZ/2009/612.

Naar boven