De fijnstofdifferentiatie BPM is volgens de uitspraak van
14 oktober jl. van het Gerechtshof Den Haag onverbindend. Bij brieven van
30 oktober en van 6 november aan de Tweede Kamer heb ik uiteengezet op welke
wijze ik met deze uitspraak wil omgaan. De fijnstofdifferentiatie is per
1 januari 2009 vervangen door een stimuleringsregeling roetfilters.
Dit besluit bevat een goedkeuring voor de dieselpersonenauto’s
die in de periode vanaf 1 april 2008 tot 1 januari 2009 voor het eerst zijn
geregistreerd.
1. Inleiding
Per 1 april 2008 is in artikel 9b van de Wet op de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen1992 (hierna Wet BPM) een
fijnstofdifferentiatie voor dieselpersonenauto’s opgenomen. Als gevolg van deze
maatregel werd een startkorting op het bruto BPM-bedrag verleend van € 900 bij
een fijnstofuitstoot van nihil en een toeslag geheven van € 200 voor iedere mg
per km fijnstofuitstoot.
Op 14 oktober 2008, onder nummer 200.005.444/01, heeft het
Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in het hoger beroep inzake het (civiele)
kort geding van de RAI en de BOVAG tegen de Staat over deze
fijnstofdifferentiatie. Het Hof concludeert dat de fijnstofdifferentiatie in
strijd is met het Europees recht (Verordening 715/2007 inzake de Euro 5 norm
voor personenauto’s). Het Hof verbiedt de Staat met ingang van vier weken na
betekening van dit arrest uitvoering te geven aan art. XVIII onderdeel C van
het Belastingplan 2008.
In mijn brief van 30 oktober aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer,
vergaderjaar 2008–2009, 31 704, nr.
15) heb ik aangegeven dat de juridische gevolgen van de uitspraak van
het Gerechtshof strikt genomen enkel betrekking hebben op de relatie tussen de
Staat en de RAI en de BOVAG. Door deze uitspraak hoeft de
fijnstofdifferentiatie nog niet te worden beëindigd. Ook de gevolgen van de
fijnstofdifferentiatie voor de periode vanaf 1 april 2008 hoeven niet te worden
teruggedraaid, nu immers aan de ordemaatregel geen terugwerkende kracht is
toegekend en overigens is gebaseerd op een voorlopig oordeel in een
kortgedingprocedure. Eerst wanneer dit oordeel in een bodemprocedure is
bevestigd, kunnen er juridische consequenties voor het verleden zijn. Ik vind
het evenwel niet wenselijk om het oordeel in een bodemprocedure af te wachten,
omdat dit betekent dat vanaf 1 april 2008 mogelijk nog een lange tijd
onzekerheid voor alle betrokkenen zal bestaan.
Daarom heb ik bij de Tweede nota van wijziging op het
Belastingplan 2009 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009,
31 704, nr. 34) voorgesteld
dat de fijnstofdifferentiatie per 1 januari 2009 vervalt en dat daarvoor in de
plaats een nieuwe stimuleringsregeling roetfilters in de Wet BPM wordt
opgenomen. Deze maatregel is inmiddels in werking getreden.
Daarnaast heb ik in mijn brief aan de Tweede Kamer van 6 november
2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009,
31 704, nr. 26) aangekondigd
op korte termijn een beleidsbesluit bekend te maken over de gevolgen die ik aan
deze uitspraak verbind. Dit besluit strekt daartoe.
2. Goedkeuring
Het Gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat met ingang van vier
weken na betekening van de uitspraak de fijnstofdifferentiatie niet mag worden
toegepast. Ik keur evenwel goed dat reeds met ingang van 1 april 2008 aan
artikel 9b Wet BPM als volgt uitvoering wordt gegeven.
Als de toepassing van de fijnstofdifferentiatie leidt tot een
verlaging van de verschuldigde BPM, blijft de per saldo toegepaste vermindering
in stand. Er hoeft geen bedrag aan de Belastingdienst terugbetaald te
worden.
Als de toepassing van de fijnstofdifferentiatie daarentegen leidt
tot een verhoging van de verschuldigde BPM, zal de per saldo betaalde verhoging
worden terugbetaald aan de kentekenhouder van de dieselpersonenauto. Als er
sprake is van opvolgende kentekenhouders wordt de verhoging aan hen
terugbetaald naar gelang de periode dat zij kentekenhouder zijn of zijn
geweest. Als verdeelsleutel daarbij geldt de afschrijvingstabel van artikel 8,
onderdeel 5, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en
motorrijwielen 1992. Dit zal op initiatief van de Belastingdienst plaatsvinden
zonder dat daarvoor een actie van de kentekenhouder noodzakelijk is.
Deze goedkeuring heeft betrekking op dieselpersonenauto’s die
tussen 1 april 2008 en de datum van wetswijziging, te weten 1 januari 2009,
voor het eerst zijn geregistreerd. Deze goedkeuring geldt ook in die gevallen
waarin de overgangsregeling van artikel 16a van de Wet BPM is toegepast.
3. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.