Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2009, 45Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 maart 2009, nr. AV/PB/2009/5005, tot wijziging van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met verlenging van de termijn voor het kortetermijnherstelplan

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 142 van de Pensioenwet en artikel 137 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

Besluit:

ARTIKEL I

Na artikel 6 van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 2a. Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan

Artikel 6a. Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan
  • 1. Een fonds wordt vrijgesteld van de termijn van drie jaar, bedoeld in artikel 140, tweede lid, van de Pensioenwet of artikel 135, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien het, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel, een kortetermijnherstelplan indient met een looptijd van maximaal vijf jaar.

  • 2. In het kortetermijnherstelplan wordt opgenomen:

    • a. hoe het fonds, zonder vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, in uiterlijk vijf jaar zal voldoen aan artikel 131 van de Pensioenwet of artikel 126 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna te noemen: het minimaal vereist eigen vermogen); en

    • b. welke aanvullende maatregelen, waaronder zonodig vermindering van pensioenaanspraken en/of pensioenrechten, genomen zullen worden om opnieuw op een haalbaar herstelpad te komen indien gedurende de looptijd van het kortetermijnherstelplan alsnog blijkt dat naar verwachting niet zal kunnen worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen.

  • 3. Indien De Nederlandsche Bank gedurende de looptijd van het kortetermijnherstelplan vaststelt dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad afwijkt van de daarin veronderstelde ontwikkeling, zodanig dat naar verwachting niet aan het einde van de looptijd zal kunnen worden voldaan aan, het minimaal vereist eigen vermogen, worden uiterlijk een jaar nadien de aanvullende maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onder b, uitgevoerd, tenzij het fonds ten genoegen van De Nederlandsche Bank aantoont dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad zodanig is dat naar verwachting opnieuw zal worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen.

  • 4. Voor de toepassing van het derde lid wordt de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad vastgesteld op 31 december van enig jaar.

  • 5. Indien een fonds geen kortetermijnherstelplan als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan indienen omdat vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten nodig is om aan het einde van de looptijd van het plan te voldoen aan het minimaal vereist eigen vermogen, wordt deze vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten uiterlijk 1 augustus 2010 uitgevoerd, tenzij het fonds tot genoegen van De Nederlandsche Bank aantoont dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad zodanig is dat naar verwachting zonder die vermindering aan het eind van de looptijd zal worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen.

  • 6. Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de beslissing met betrekking tot de instemming met het kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 140 van de Pensioenwet of artikel 135 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt genomen na inwerkingtreding van dit artikel.

  • 7. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2011, met dien verstande dat het bepaalde in het artikel van toepassing blijft op de kortetermijnherstelplannen die met toepassing daarvan zijn vastgesteld.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 4 maart 2009

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J.P.H. Donner.

TOELICHTING

Op grond van artikel 142 van de Pensioenwet en artikel 137 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (WVB) kan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met De Nederlandsche Bank (DNB), vrijstelling verlenen van onder andere de termijn van drie jaar, genoemd in de bepaling over het kortetermijnherstelplan (artikel 140 van de Pensioenwet en artikel 135 van de WVB), indien er sprake is van een uitzonderlijke economische situatie waardoor een groot aantal fondsen niet kan voldoen aan de bij of krachtens de Pensioenwet en de WVB gestelde eisen inzake het vereiste eigen vermogen en het minimaal vereiste eigen vermogen. Van een dergelijk uitzonderlijke economische situatie is nu sprake. Als gevolg van de financiële crisis zijn de beurskoersen ingezakt en is de rente laag. De pensioenfondsen worden hierdoor ernstig geraakt. Uit een inventarisatie van De Nederlandsche Bank (DNB) blijkt dat eind januari jl. enkele honderden pensioenfondsen een dekkingsgraad hadden van minder dan 105%. Het onverkort toepassen van artikel 140 van de Pensioenwet en artikel 135 van de WVB zou ertoe leiden dat circa 50% van de pensioenfondsen kortingsmaatregelen zou moeten nemen om binnen de hersteltermijn van 3 jaar een dekkingsgraad van 105% te halen. Dat zou tot gevolg hebben dat mogelijk 75%-80% van de deelnemers en gepensioneerden te maken zouden krijgen met een korting van rechten.

Na overleg met DNB heb ik besloten vrijstelling te verlenen van de termijn van drie jaar als bedoeld in artikel 140 van de Pensioenwet en artikel 135 van de WVB. Pensioenfondsen krijgen op grond van deze vrijstelling de mogelijkheid om in hun kortetermijnherstelplan uit te gaan van een termijn van vijf jaar waarbinnen opnieuw moet worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen (artikel 131 van de Pensioenwet of artikel 126 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling). Het kortetermijnherstelplan zal dan wel aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen.

Om voor de vrijstelling in aanmerking te komen moeten pensioenfondsen een herstelplan indienen met een termijn van maximaal vijf jaar. In het kortetermijnherstelplan wordt aangegeven op welke wijze het fonds, zonder vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, uiterlijk in vijf jaar zal voldoen aan het minimaal vereist vermogen. In het kortetermijnherstelplan moet voorts worden aangegeven welke maatregelen getroffen zullen worden indien gedurende de looptijd van het herstelplan blijkt dat het herstel niet naar verwachting verloopt en verwacht moet worden dat aan het eind van de herstelperiode niet kan worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen.

DNB zal ieder jaar het verloop van de dekkingsgraad van de pensioenfondsen controleren. De feitelijke dekkingsgraad wordt standaard per 31 december van ieder jaar vastgesteld. Indien daarbij blijkt dat de feitelijke ontwikkeling in ongunstige zin afwijkt van de in het kortetermijnherstelplan veronderstelde ontwikkeling waardoor verwacht moet worden dat het fonds aan het einde van het herstelplan niet zal voldoen aan het minimaal vereist eigen vermogen, zullen de in het plan aangegeven maatregelen getroffen moeten worden die nodig zijn om opnieuw op het herstelpad uit te komen. Teneinde echter te voorkomen dat in deze economisch onzekere tijd maatregelen worden getroffen die achteraf onnodig blijken te zijn, wordt het pensioenfonds waar een discrepantie wordt vastgesteld alsnog een jaar gegeven alvorens deze maatregelen getroffen moeten worden. Ook dan hoeven ze niet getroffen te worden indien het fonds alsdan ten genoegen van DNB aantoont dat de economische ontwikkeling ondertussen ten goede is gekeerd en verwacht mag worden dat het fonds aan het einde van de herstelperiode kan voldoen aan het minimaal vereist eigen vermogen. Deze systematiek sluit aan bij die van artikel 140, tweede en derde lid, van de Pensioenwet en artikel 135, tweede en derde lid, van de WVB. Ingevolge artikel 140, derde lid, van de Pensioenwet respectievelijk artikel 135, derde lid, van de WVB moet een fonds dat niet kan voldoen aan de herstelperiode van drie jaren binnen een jaar de maatregelen treffen om te voldoen aan het minimaal vereist eigen vermogen. In afwijking van artikel 140, derde lid, van de Pensioenwet en van artikel 135, derde lid, van de WVB wordt in de onderhavige regeling van pensioenfondsen niet vereist dat ze binnen een jaar het volledige dekkingstekort moeten aanvullen, doch alleen inzoverre dit nodig is om opnieuw op het herstelpad van vijf jaren te komen.

Voor pensioenfondsen die niet zonder vermindering van pensioenaanspraken en -rechten redelijkerwijze binnen vijf jaar weer kunnen voldoen aan de vereiste dekkingsgraad, geldt dat zij uiterlijk voor 1 augustus 2010 de noodzakelijke maatregelen moeten hebben getroffen inclusief zonodig een vermindering van pensioenaanspraken en -rechten om op een herstelpad van vijf jaren te komen. De vaststelling of alsnog zonder vermindering van pensioenaanspraken en -rechten in de resterende looptijd van het herstelplan weer voldaan kan worden aan de vereiste dekkingsgraad, geschiedt op basis van de laatst bekende kwartaalcijfers op grond waarvan de feitelijke dekkingsgraad wordt vastgesteld. Dit betekent dat de mogelijkheid bestaat dat rekening kan worden gehouden met de kwartaalcijfers van het tweede kwartaal van 2010. Uiteraard geldt ook hier dat indien op grond van deze cijfers blijkt dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad gunstiger is geweest en dat alsnog verwacht mag worden dat aan het eind van de herstelperiode aan de vereiste dekkingsgraad zal worden voldaan, dat alsdan de maatregelen achterwege kunnen blijven.

Ik ben mij er ten volle van bewust dat de toepassing van deze regeling mogelijk niet geheel zal kunnen voorkomen dat bij een aantal fondsen zal moeten worden besloten tot korting. Die korting zal feitelijk dan niet eerder aan de orde zijn voor 1 juli 2010. Het lijkt aantrekkelijk om de herstelperiode langer te maken zodat uiteindelijk ieder fonds voldoende tijd heeft om te kunnen herstellen om, wanneer dat alsnog niet mogelijk blijkt, pas aan het einde van de herstelperiode tot korting te komen. Daarmee worden aanzienlijk risico’s aanvaard. Het veronderstelt immers dat de economie zich in de tussentijd herstelt en de dekking op ‘gewone’ wijze hersteld kan worden. Als alles volgens verwachting loopt, zou dat een mooie oplossing zijn die evenwel tot gevolg kan hebben dat de periode waarin niet wordt geïndexeerd langer zal zijn. Die benadering impliceert echter ook dat als de economische ontwikkeling niet volgens verwachting verloopt de risico’s en tegenvallers over een veel langere periode kunnen gaan cumuleren. De ervaring van de afgelopen maanden heeft geleerd dat er op economisch terrein nog maar weinig volgens verwachtingen verloopt. Daarom zou een dergelijke aanpak van de problematiek bij de pensioenfondsen moeilijk verenigbaar zijn met de verantwoordelijkheid voor een stabiel pensioensysteem en het scheppen van zekerheid omtrent de toekomstige uitbetaling van pensioenen.

Het gebruik maken van de bevoegdheid om vrijstelling te geven van de termijn van drie jaar laat onverlet dat de overige bepalingen met betrekking tot het kortetermijnherstelplan van toepassing zijn, dus ook de bevoegdheid voor DNB om maatwerk te leveren en in bijzondere gevallen, op verzoek van een fonds, geheel of gedeeltelijk ontheffing te verlenen van de bepalingen met betrekking tot het kortetermijnherstelplan. Het moet dan echter gaan om andere omstandigheden dan die welke aanleiding zijn voor de voorliggende generieke verlenging.

De voorliggende regeling is uiteraard slechts van toepassing op pensioenfondsen die na de inwerkingtreding daarvan een herstelplan indienen. Voor pensioenfondsen waarbij de DNB al eerder een dekkingstekort vaststelde en die geen uitstel was verleend 1 april 2009 voor de indiening van het kortetermijnherstelplan, geldt geen vrijstelling. Het gaat daarbij om pensioenfondsen bij welke de DNB al eerder een onaanvaardbaar dekkingstekort had vastgesteld.

De voorliggende regeling vervalt met ingang van 1 januari 2011. Vooralsnog ga ik er van uit dat op dat tijdstip een meer ‘normale’ economische situatie is ontstaan. Aangezien de bevoegdheid van artikel 142 van de Pensioenwet en artikel 137 van de WVB slechts is verleend voor uitzonderlijke economische omstandigheden, moet onderhavige generieke vrijstelling alsdan komen te vervallen. Mocht tegen die tijd blijken dat de uitzonderlijke omstandigheden zich onverhoopt nog steeds voordoen, dan zal dan bezien moeten worden of de vrijstellingsregeling moet worden gecontinueerd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J.P.H. Donner.