Belastingen op milieugrondslag

20 februari 2009

Nr. CPP2009/120M, Stcrt. 2009, nr.

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten

De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een herdruk van het besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1214M, dat hiermee wordt ingetrokken.

De reden voor de herdruk is, dat de tijdelijke goedkeuring voor de kolenbelasting is vervallen in verband met de inwerkingtreding van de Wet van 3 juli 2008, Stb. 262, tot wijziging van een aantal belastingwetten en enkele andere wetten.

Verder is aanleiding gevonden het besluit aan te vullen met enkele regelingen op het gebied van de vliegbelasting en de verpakkingenbelasting, waarmee wordt tegemoetgekomen aan enkele onbillijkheden van overwegende aard die zich bij de toepassing van de wettelijke regeling voor die belastingen kunnen voordoen.

De tegemoetkomingen voor de vliegbelasting betreffen de toepassing van het begrip bestemming en de heffing van de belasting ingeval het vliegtuig wegens onvoorziene omstandigheden naar de luchthaven van vertrek moet terugkeren.

De tegemoetkomingen voor de verpakkingenbelasting betreffen de heffing van de belasting op enveloppen en verkooppuntverpakkingen.

1. Inleiding

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

wet:

Wet belastingen op milieugrondslag

besluit:

Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag

wet WOZ:

Wet waardering onroerende zaken

2. Grondwaterbelasting

2.1. Ontwateren en afwateren van gronden

De Grondwaterwet is niet van toepassing op het ontwateren en afwateren van gronden (artikel 1, derde lid, onderdeel a, van de Grondwaterwet). Voor de toepassing van de wet wordt een ruime interpretatie gevolgd. Die handelingen worden buiten de heffing gelaten die niet het onttrekken van grondwater ten doel hebben, maar wel de grondwaterstand beïnvloeden ten behoeve van peilbeheersing. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich mee dat ook sprake is van ontwatering of afwatering voor bebouwde gronden zoals woonwijken, viaducten, parkeergarages e.d. waar (semi) permanent grondwater wordt onttrokken om te voorkomen dat er wateroverlast ontstaat. Zij blijven buiten de heffing als het onttrokken grondwater niet wordt gebruikt of doorgeleverd. Ook moet buiten aanmerking worden gelaten het infiltreren van water dat geschiedt ter handhaving of verhoging van de grondwaterstand tot een ander doel dan met het oog op het onttrekken van grondwater.

2.2. Beregening en bevloeiing

De onttrekking van grondwater dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend wordt gebruikt voor beregeningsdoeleinden is vrijgesteld van de grondwaterbelasting (artikel 10, eerste lid, onderdeel e, van de wet). Een redelijke wetstoepassing brengt met zich mee dat ook het besproeien van bomen door fruittelers ter voorkoming van nachtvorstschade aan het fruit onder het begrip beregening wordt begrepen.

3. Afvalstoffenbelasting

3.1. Bovenafdichtingsconstructie

Materiaal dat wordt gebruikt voor het realiseren van een bovenafdichtingsconstructie wordt niet tot afvalstoffen gerekend (artikel 22, tweede lid, van de wet en artikel 4, onderdeel c, van het besluit). De bovenafdichtingsconstructie wordt boven op de egalisatie-/steunlaag aangebracht en bestaat uit een minerale en een synthetische component. De minerale component is veelal een zand/bentoniet mengsel en de synthetische component een HDPE-folie.

Hierbij kan het zogenoemde Hydrostab een vervanger voor het zand/bentoniet mengsel zijn. Indien het Expertise Netwerk Bodembescherming (ENBB) heeft aangegeven dat een bovenafdichtingsconstructie van Hydrostab met een synthetische laag gelijkwaardig is aan een bovenafdichtingsconstructie van een zand/bentoniet mengsel met een synthetische laag, wordt de Hydrostab beschouwd als een onderdeel van de bovenafdichtingsconstructie. In dat geval is het redelijk dat het gebruik van componenten in de Hydrostab niet beschouwd wordt als het storten van afvalstoffen. Het is hierbij niet van belang dat enkele componenten afvalstoffen waren voordat zij werden toegepast in de bovenafdichtingsconstructie.

3.2. Verhoudingsgetal

De strikte toepassing van het verhoudingsgetal (artikel 27, tweede en derde lid, van de wet) kan bij bepaalde discontinue productieprocessen tot een financieringsnadeel leiden. Bij dergelijke processen zullen niet alle afvalstromen die in enig kalenderjaar in de heffing van de afvalstoffenbelasting zijn betrokken ook in datzelfde kalenderjaar de stortplaats weer verlaten in een andere verschijningsvorm of in de vorm van een ander product. Het financieringsnadeel ontstaat omdat bij de toepassing van het verhoudingsgetal de herrekening op basis van de werkelijke cijfers moet plaatsvinden na afloop van het kalenderjaar.

Goedkeuring

Om dit financieringsnadeel te voorkomen keur ik met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) goed, dat bij de vaststelling van de definitieve afrekening in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de mogelijke vorming van voorraad op de stortplaats. In dat geval kan die afrekening worden verschoven naar het moment waarop de in enig jaar op de inrichting aangeboden en in de heffing van de afvalstoffenbelasting betrokken afvalstromen de inrichting in de een of andere vorm hebben verlaten. De Belastingdienst levert met betrekking tot de toepassing van deze goedkeuring zoveel mogelijk maatwerk. Zij houdt hierbij rekening met de feiten en omstandigheden zoals die zich in de praktijk zullen voordoen.

4. Energiebelasting

4.1. Begrip aansluiting; complexbepaling

Onder een aansluiting wordt verstaan een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak op een Nederlands distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd (artikel 47, eerste lid, onderdeel f, van de wet). Voor het begrip onroerende zaak wordt verwezen naar de wet WOZ (artikel 16, onderdelen a tot en met e). Een samenstel van gebouwde of ongebouwde eigendommen – of een gedeelte hiervan – die bij eenzelfde rechtspersoon in gebruik zijn en die naar omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen, wordt als één onroerende zaak aangemerkt (de complexbepaling; artikel 16, onderdeel d, van de wet WOZ). Om een aantal objecten aan te kunnen merken als één onroerende zaak is het niet voldoende dat deze bij eenzelfde (rechts)persoon in gebruik zijn. Gelet op de feitelijke situatie, moet er sprake zijn van een eenheid, waarbij fysieke criteria doorslaggevend zijn. Het gaat bij voorbeeld om een woning met schuur en tuin of een fabriekscomplex bestaande uit een kantoorgebouw, fabrieksruimte en een opslagterrein. Het is niet zo dat alle vestigingen binnen een provincie of binnen Nederland die behoren tot één concern als één onroerende zaak (en dus als één aansluiting) kunnen worden aangemerkt. Ter bevordering van een redelijke wetstoepassing kan in de hierna omschreven gevallen als volgt worden gehandeld.

4.1.1. Afvalwater

Gemeenten zijn op grond van de Wet milieubeheer verplicht zorg te dragen voor de doelmatige inzameling en het doelmatige transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen hun grondgebied gelegen percelen. Die taak wordt uitgevoerd door middel van een stelsel van rioolleidingen en installaties voor het transport van het afvalwater naar het overnamepunt van het waterschap. Op het overnamepunt wordt het afvalwater door het waterschap overgenomen. Voor het afvoeren van het afvalwater wordt naast het transport door zogenoemde vrij verval, ook elektriciteit gebruikt voor de voeding van pompen die voor een eventuele voortstuwing van het afvalwater moeten zorgen. Die pompen zijn aangebracht in of op het rioolleidingenstelsel dat voor de afvoer van het afvalwater wordt gebruikt. Het stelsel van rioolleidingen en installaties dat bij de gemeente wordt gebruikt voor het transport van het afvalwater naar het overnamepunt van het waterschap is onderling fysiek met elkaar verbonden. Het stelsel wordt aangemerkt als één onroerende zaak.

Dit betekent dat de leveringen van elektriciteit voor de voeding van de pompen die in of op het rioolleidingenstelsel in gebruik zijn, als levering van elektriciteit via één aansluiting wordt aangemerkt.

4.1.2. Waterschappen

Waterschappen zijn publiekrechtelijke lichamen die zorg moeten dragen voor het kwaliteits- en kwantiteitsbeheer van de oppervlaktewateren in het verzorgingsgebied dat aan die lichamen is opgedragen. Die taak wordt vervuld door middel van een samenstel van watergangen, rioolleidingen, gemalen en installaties. Het door de gemeenten verzamelde vervuilde riool(afval)water wordt op een overnamepunt overgedragen aan het waterschap. Een dergelijk overnamepunt bestaat uit een gemaal dat in eigendom of in gebruik is bij het waterschap. Vervolgens wordt het vervuilde water door het waterschap via een rioolleidingenstelsel met behulp van gemalen getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Vanuit die installatie wordt gezuiverd water geloosd op het oppervlaktewater.

In dit geval is ook sprake van een rioolleidingenstelsel voor het transport van het vervuilde riool(afval)water van het overnamepunt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het geheel van gemalen en het rioolleidingenstelsel dat in eigendom of in gebruik is bij het waterschap wordt als één onroerende zaak aangemerkt.

De bij de waterschappen in eigendom of in gebruik zijnde watergangen die worden gebruikt voor de afvoer van het gezuiverde water en het op peil houden van het oppervlaktewater, worden niet tot die onroerende zaak gerekend. Deze watergangen maken geen onderdeel uit van het rioolleidingenstelsel dat wordt gebruikt voor het transport van het riool(afval)water. Gemalen en installaties, die worden gebruikt in deze watergangen voor andere taken dan het transport van het riool(afval)water, worden dus niet als één onroerende zaak aangemerkt.

Dit betekent voor waterschappen dat de leveringen van elektriciteit, nodig voor het transport via het rioolleidingenstelsel en voor de zuivering van het door de gemeenten verzameld vervuild riool(afval)water, als levering van elektriciteit via één aansluiting wordt aangemerkt. Voor de levering van elektriciteit voor gemalen en installaties, die bij het waterschap in eigendom of in gebruik zijn voor andere taken dan het transport van het riool(afval)water, is steeds sprake van een afzonderlijke aansluiting per gemaal of installatie.

4.1.3. Waterleidingbedrijven

Waterleidingbedrijven moeten er voor zorgen dat de levering van deugdelijk leidingwater aan de verbruikers in hun distributiegebied gewaarborgd is. Dit leidingwater moet in zodanige hoeveelheid en onder zodanige druk zijn als het belang van de volksgezondheid vereist. Daartoe hebben deze bedrijven tot taak de winning, de behandeling, de opslag, het transport en de distributie van water. De waterleidingbedrijven kunnen worden onderscheiden in productiebedrijven, productie- en distributiebedrijven en distributiebedrijven.

In productiebedrijven wordt ruwwater ontrokken aan de bodem of aan het oppervlaktewater. Dat water wordt via een aaneengesloten leidingennet verpompt naar de productie-installatie van het bedrijf waar het leidingwater wordt geproduceerd.

Na de productie van het water wordt het water opgeslagen in de reinwaterkelders en watertorens. Vervolgens wordt het water via een ander aaneengesloten leidingennet naar de eindgebruikers getransporteerd en gedistribueerd. In dit leidingennet zijn pompstations aangebracht voor de voortstuwing van het water.

In dit deel van de waterketen is sprake van twee afzonderlijke op zichzelf staande processen, namelijk de productie van rein water en de distributie daarvan naar de eindgebruiker. Dit staat los van het feit dat in een aantal gevallen de productie- en distributieprocessen door één en hetzelfde bedrijf plaatsvinden. In beide processen wordt gebruikt gemaakt van afzonderlijke leidingennetten met daaraan verbonden installaties voor de voortstuwing van water. Elk van deze afzonderlijke leidingnetten wordt als één onroerende zaak van de wet aangemerkt.

Dit betekent dat voor waterleidingbedrijven enerzijds de leveringen van elektriciteit voor het onttrekken van ruwwater, het transport daarvan en de productie van reinwater als levering van elektriciteit via één aansluiting kunnen worden aangemerkt. Daarnaast kunnen de leveringen van elektriciteit voor transport en distributie van het reinwater via een aaneengesloten leidingenstelsel naar de eindgebruiker eveneens als levering van elektriciteit via één aansluiting wordt aangemerkt.

4.1.4. Kabelexploitanten

Kabelexploitanten beschikken in het algemeen over een kabelnet voor de doorgifte van het CAI-signaal. In dit net zijn elektriciteitsafleveringspunten opgenomen voor het transport en de versterking van het CAI signaal. De versterkers en de elektriciteitsafleveringspunten zijn economisch eigendom van en in gebruik bij de kabelexploitant. Er is sprake van een aaneengesloten kabelsysteem voor de doorgifte van het CAI-signaal naar de afnemers.

Het geheel van kabelnet, versterkers en elektriciteitsafleveringspunten wordt voor de energiebelasting, daargelaten de objectafbakening in het kader van de WOZ-beschikking, als één onroerende zaak aangemerkt. De overige elektriciteitsafleveringspunten die bij de kabelexploitanten in gebruik zijn, zoals bij voorbeeld in kantoorgebouwen, worden niet tot die onroerende zaak gerekend.

Dit betekent dat ten aanzien van kabelexploitanten slechts de levering van elektriciteit voor de doorgifte van het CAI-signaal via het aaneengesloten kabelnet als levering van elektriciteit via één aansluiting kan worden aangemerkt.

4.1.5. Straatverlichting, telefooncellen, e.d.

In een aantal gevallen wordt op basis van een contract elektriciteit rechtstreeks door het distributiebedrijf afgeleverd aan vele afleveringspunten, die in een bepaald gebied (stad, gemeente, regio) in beheer zijn bij een bepaalde (rechts)persoon aan wie de geleverde elektriciteit in rekening wordt gebracht. Het betreft bijvoorbeeld de levering van elektriciteit aan een gemeente voor straatverlichting, aan telefoonbedrijven voor de verlichting van telefooncellen en aan busondernemingen voor bushokjes. Voor deze voorzieningen is in het algemeen geen beschikking voor de wet WOZ afgegeven. De (rechts)persoon die deze voorzieningen beheert, ontvangt in de praktijk per gemeente of per regio veelal één factuur voor het totaal van het – forfaitair bepaalde – elektriciteitsverbruik van die voorzieningen. Voor de heffing van de energiebelasting wordt daarbij aangesloten.

4.1.6. Evenementen

Bij evenementen wordt de elektriciteit veelal geleverd via een mobiele meetkast (een zogenoemde kermiskast) waarop verschillende attracties zijn aangesloten, dan wel via een rechtstreekse aftap van de kabel. Voor deze voorzieningen is in het algemeen geen beschikking voor de wet WOZ afgegeven. In een aantal gevallen worden de kosten voor de aansluiting en de elektriciteit niet rechtstreeks aan de daadwerkelijke verbruiker in rekening gebracht maar aan een tussenpersoon (bijvoorbeeld de gemeente of een installatiebedrijf), die ook het verzoek tot de aansluiting heeft gedaan. Deze tussenpersoon rekent vervolgens af met de individuele afnemers. Voor de energiebelasting wordt bij deze praktijk aangesloten. Dat betekent dat in voorkomend geval de tussenpersoon (de gemeente, het installatiebedrijf) voor het distributiebedrijf als verbruiker wordt aangemerkt en dat in de tarieven die in rekening worden gebracht de energiebelasting is verwerkt.

4.2. Verlaagd tarief energiebelasting minerale oliën glastuinbouw

Voor de glastuinbouw geldt een verlaagd tarief voor de energiebelasting voor het gebruik van halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas. Deze minerale oliën moeten worden gebruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten. Het verlaagde tarief is alleen van toepassing als er geen aansluiting voor aardgas is (artikel 58, derde lid, van de wet). In de praktijk blijkt dat de aanwezige aardgasaansluiting niet in alle gevallen voldoende capaciteit heeft om te worden gebruikt voor het stomen (ontsmetten) van tuinbouwgronden. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich mee ook in die gevallen het verlaagde tarief toe te passen.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) goed, dat het verlaagde tarief voor de energiebelasting ook wordt toegepast in gevallen waarin wel een aansluiting voor aardgas aanwezig is, maar deze een onvoldoende capaciteit heeft om te worden gebruikt voor het stomen (ontsmetten) van tuinbouwgronden.

4.3. Samenloop vrijstelling en belaste levering (aard)gassen

Op productielocaties kan gebruik worden gemaakt van zowel gassen die van buiten de locatie afkomstig zijn, als van gassen die op de locatie zelf zijn geproduceerd. Deze gassen worden vervolgens voor verschillende doeleinden op de locatie gebruikt alsook doorgeleverd aan derden. Op dat moment gaan verschillende regelingen die in de wet zijn opgenomen door elkaar lopen, omdat de verschillende bestemmingen soms belast zijn en soms zijn vrijgesteld van de heffing van energiebelasting. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich mee de verschillende gassen op basis van de herkomst naar voorkeur toe te rekenen aan de diverse bestemmingen.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) goed dat de verschillende gassen op basis van de herkomst naar voorkeur worden toegerekend aan de diverse bestemmingen. Deze toerekening moet op de volgende wijze gebeuren. De hoeveelheden gas die de locatie worden binnengebracht, de hoeveelheden gas die op de locatie zelf worden geproduceerd en de hoeveelheden gas die op de verschillende bestemmingen afzonderlijk worden gebruikt, moeten worden gemeten. Ook de hoeveelheden die eventueel worden doorgeleverd aan derden moeten worden gemeten. Op basis van deze gegevens kunnen de op de verschillende bestemmingen verbruikte hoeveelheden – waarvoor aanspraak op vrijstelling bestaat – worden toegerekend aan de hoeveelheden gas die op de locatie zelf zijn geproduceerd of die de locatie zijn binnengebracht.

4.4. Teruggaaf energiebelasting meerdere onroerende zaken achter één aansluiting

Energiebelasting is verschuldigd voor de levering van aardgas en elektriciteit via een aansluiting aan een verbruiker (artikel 50, eerste lid, van de wet). Onder aansluiting wordt verstaan een aansluiting van een onroerende zaak op een Nederlands distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd. Er wordt een belastingvermindering toegepast per aansluiting (artikel 63, eerste lid, van de wet).

De wettelijke regeling roept problemen op als op één aansluiting meer dan één onroerende zaak is aangesloten. Dit kan het geval zijn indien een huis is gesplitst in twee of meer zelfstandige onroerende zaken, zonder dat afzonderlijke aansluitingen zijn aangelegd. In deze gevallen kan het energiebedrijf slechts één keer de belastingvermindering toepassen. Het is de bedoeling om zo veel mogelijk de uiteindelijke verbruiker, die beschikt over een zelfstandige onroerende zaak, als verbruiker aan te merken. Daarom is het redelijk dat voor de toepassing van de belastingvermindering rekening wordt gehouden met het aantal zelfstandige onroerende zaken ‘achter één aansluiting’. Dit gebeurt in de vorm van een teruggaafregeling. Op verzoek kent de Belastingdienst, na afloop van de verbruiksperiode van 12 maanden, de belastingvermindering toe in de vorm van een teruggaaf.

Met de hantering van het criterium ‘zelfstandige onroerende zaak’ wordt aangesloten bij de praktijk van de onroerende zaakbelasting. Dit houdt in dat het feit dat meer ‘huishoudens’ of meer gezinnen in één onroerende zaak gevestigd zijn niet van belang is en dan ook geen basis vormt voor deze tegemoetkomende regeling. Daardoor mist zij toepassing voor woongroepen, studentenhuizen, hospita's die een kamer verhuren e.d. Basis voor deze regeling blijft het in de wet neergelegde uitgangspunt dat er sprake moet zijn van een zelfstandige onroerende zaak.

Op verzoek kan teruggaaf van energiebelasting worden verleend voor een bedrag van de belastingvermindering per elektriciteitsaansluiting per kalenderjaar per onroerende zaak die zich bevindt achter de elektriciteitsaansluiting via welke het energiebedrijf de elektriciteit levert en waarop de eindafrekening betrekking heeft. Uiteraard wordt geen teruggaaf verleend van de belastingvermindering waarmee het energiebedrijf al rekening heeft gehouden. Op het bedrag van de teruggaaf wordt in voorkomend geval in mindering gebracht de te weinig in rekening gebrachte energiebelasting op leveringen van elektriciteit en aardgas als wordt uitgegaan van het verbruik per onroerende zaak. In de teruggaaf kan tevens worden begrepen een bedrag gelijk aan de omzetbelasting die is berekend over dat deel van de energiebelasting waarvoor tot teruggaaf is besloten. Degene die voor de teruggaaf van omzetbelasting in aanmerking komt mag geen recht op aftrek van de omzetbelasting hebben op grond van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968.

5. Vliegbelasting

5.1. Inleiding

Op 1 juli 2008 is hoofdstuk VII van de wet in werking getreden. Dit hoofdstuk regelt de heffing van de vliegbelasting. Inmiddels is gebleken dat een strikte toepassing van de wet in enkele bijzondere situaties kan leiden tot onbedoelde gevolgen. Om daaraan tegemoet te komen heb ik aanleiding gevonden tot nader order de volgende regelingen te treffen.

5.2. Bestemming

De vliegbelasting wordt geheven ter zake van het vertrek van een passagier met een vliegtuig vanaf een in Nederland gelegen luchthaven. Het tarief van de belasting is afhankelijk van de bestemming van de passagier. Wat daaronder wordt verstaan, is geregeld in artikel 72, aanhef en onderdeel f, van de wet. Op grond van die bepaling wordt als bestemming aangemerkt de luchthaven gelegen op de grootste afstand van de luchthaven van vertrek, waar naartoe de passagier ingevolge de vervoersovereenkomst met de luchtvaartmaatschappij wordt vervoerd. Als een passagier in het kader van de vervoersovereenkomst op een tussengelegen luchthaven op een ander vliegtuig overstapt, wordt dus niet de luchthaven waar de overstap wordt gemaakt als bestemming aangemerkt, maar de luchthaven waarheen de passagier volgens de vervoersovereenkomst uiteindelijk wordt vervoerd.

In de praktijk is gebleken dat deze begripsbepaling tot onbedoelde gevolgen kan leiden, als de passagier de luchthaven waar hij een overstap maakt, meer dan 24 uur verlaat. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als een passagier een vliegreis boekt naar New York, maar op weg daarheen Londen aandoet, waar hij langer dan 24 uur buiten de luchthaven verblijft alvorens de reis naar New York voort te zetten. Op grond van de wettelijke definitie van het begrip ‘bestemming’ zou voor de bepaling van het tarief uitgegaan moeten worden van de verst weg gelegen luchthaven waarheen de passagier ingevolge de vervoersovereenkomst wordt vervoerd, in het voorbeeld New York. Dit strookt echter niet met de bedoeling van de wetgever, het onderscheid tussen transfer en local boarding bij overstap in het buitenland op overeenkomstige wijze te regelen als bij overstap in Nederland.

Goedkeuring

Teneinde hieraan tegemoet te komen, keur ik met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) goed dat een andere luchthaven dan de luchthaven, bedoeld in artikel 72, onderdeel f, van de wet wordt aangemerkt als bestemming, als de passagier

  • a. ingevolge de vervoersovereenkomst met de luchtvaartmaatschappij naar die andere luchthaven wordt vervoerd voorafgaande aan het vervoer naar de luchthaven, bedoeld in artikel 72, onderdeel f, van de wet;

    en

  • b. het gebied van die andere luchthaven dat een vertrekkende passagier alleen mag betreden met een geldig vervoersbewijs, ingevolge de vervoersovereenkomst tussen het moment van aankomst en het moment van vertrek meer dan 24 uur zal verlaten.

Ingeval er meer dan één luchthaven is waarop aan deze voorwaarden wordt voldaan, geldt de goedkeuring uitsluitend voor de eerste van deze luchthavens die door de passagier wordt aangedaan.

5.3. Terugkeer wegens onvoorziene omstandigheden

De vliegbelasting wordt geheven ter zake van het vertrek van een passagier met een vliegtuig vanaf een in Nederland gelegen luchthaven. Het komt echter voor, dat het vliegtuig wegens weersomstandigheden, motorstoring of daarmee vergelijkbare onvoorziene omstandigheden naar de luchthaven van vertrek moet terugkeren, waarna het vervoer – al dan niet met een ander vliegtuig – wordt hervat zodra de omstandigheden dat toelaten. Op grond van artikel 73, tweede lid, van de wet leidt de hervatting van het vervoer in deze situatie in beginsel niet tot een belastbaar feit, zodat slechts één maal vliegbelasting geheven wordt.

Het kan echter voorkomen, dat tussen de terugkeer op de luchthaven en de hervatting van het vervoer zo veel tijd verstrijkt, dat de passagier het gebied van de luchthaven dat een vertrekkende passagier alleen mag betreden met een geldig vervoersbewijs, meer dan 24 uur verlaten heeft alvorens het vervoer wordt hervat. Strikte toepassing van de wet zou dan leiden tot het onbedoelde gevolg, dat bij de hervatting van het vervoer opnieuw vliegbelasting geheven zou worden, hoewel in wezen slechts sprake is van voortzetting van reeds aangevangen vervoer.

Goedkeuring

Teneinde hieraan tegemoet te komen, keur ik met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) goed dat ingeval een vliegtuig wegens weersomstandigheden, motorstoring of daarmee vergelijkbare onvoorziene omstandigheden genoodzaakt is naar de luchthaven van vertrek terug te keren, onder de hierna te vermelden voorwaarden als volgt gehandeld wordt.

De heffing van vliegbelasting ter zake van het aanvankelijke vertrek blijft in stand op basis van de bestemming van de passagiers op het moment van vertrek. Bij de hervatting van het vervoer behoeft ter zake van het vertrek geen vliegbelasting voldaan te worden, ook niet als de passagier het gebied van de luchthaven dat een vertrekkende passagier alleen mag betreden met een geldig vervoersbewijs, tussen het moment van de terugkeer en het moment van de hervatting van het vervoer meer dan 24 uur verlaten heeft.

De goedkeuring geldt alleen als het vervoer bij de eerste zich aandienende gelegenheid op basis van dezelfde vervoersovereenkomst wordt hervat, waarbij de passagier alsnog naar de oorspronkelijke bestemming wordt vervoerd.

Voorts keur ik goed dat heffing van vliegbelasting achterwege blijft voor zover de belasting betrekking heeft op passagiers die er na de terugkeer op de luchthaven van vertrek van afzien alsnog naar de oorspronkelijke bestemming te worden vervoerd. Uiteraard is alsdan wel vliegbelasting verschuldigd als de betrokken passagiers later alsnog naar die bestemming vliegen.

6. Verpakkingenbelasting

6.1. Enveloppen

Volgens de wettelijke definitie zijn verpakkingen in beginsel alle producten, vervaardigd van materiaal van welke aard ook, die kunnen worden gebruikt voor het insluiten, beschermen, verladen, afleveren en aanbieden van andere producten. Daar vallen ook enveloppen onder. Over enveloppen is een producent verpakkingenbelasting verschuldigd als de enveloppen worden gebruikt voor het verpakken van een product. Hiervan zal sprake zijn indien de enveloppen worden gebruikt voor de verzending van tijdschriften, boeken, CD's, brochures, folders en dergelijke. Dit zijn immers andere producten. Enveloppen die gebruikt worden voor de verzending van individueel gerichte brieven, facturen, bankafschriften, juridische adviezen en soortgelijke, individueel aan de geadresseerde gerichte correspondentie (alle hierna te noemen: individuele correspondentie) zijn niet belast omdat in dat geval de envelop geen product bevat. In de praktijk is gebleken dat het niet altijd duidelijk is, wanneer een envelop wel en of niet een product bevat.

Goedkeuring

Er van uitgaande dat enveloppen van het formaat C5 en kleiner doorgaans worden gebruikt voor de verzending van individuele correspondentie, keur ik ter bevordering van een doelmatige belastingheffing in overeenstemming met doel en strekking van de wet goed, dat enveloppen van het formaat C5 en kleiner ongeacht het doel waarvoor ze worden gebruikt, niet worden geacht een product te bevatten en daarom niet worden belast met verpakkingenbelasting.

Deze goedkeuring is niet van toepassing op omslagen waarvan duidelijk is dat ze qua vormgeving bedoeld zijn als verpakking van producten (zoals omslagen gevoerd met noppenfolie). Dergelijke omslagen worden volgens de hoofdregel belast, dat wil zeggen: indien de omslag een product bevat is verpakkingenbelasting verschuldigd, indien de omslag geen product bevat is geen verpakkingenbelasting verschuldigd.

6.2. Verkooppuntverpakkingen

Met ingang van 1 januari 2009 zijn wijzigingen in werking getreden in de verpakkingenbelasting. Die wijzigingen hebben onder meer betrekking op de zogenoemde verkooppuntverpakkingen. Daaronder worden verstaan verpakkingen die zijn ontworpen en bedoeld om op het verkooppunt te worden gevuld.

De toepassing van de ter zake geldende bepalingen in 2008 en de gewijzigde bepalingen voor 2009 roepen vragen op over de samenloop van die bepalingen. Hierna is aangegeven hoe een en ander verloopt en is tevens aangegeven hoe kan worden gehandeld.

Op grond van de in 2008 geldende tekst van de wet wordt de verpakkingenbelasting ter zake van verkooppuntverpakkingen geheven van de ondernemers die deze verpakkingen voor het eerst in Nederland aan een ander ter beschikking stellen.

Op grond van de in 2009 geldende tekst van de wet wordt de verpakkingenbelasting ter zake van verkooppuntverpakkingen geheven van de ondernemers die deze verpakkingen aanwenden om producten te verpakken en de verpakte producten in Nederland aan een ander ter beschikking stellen dan wel deze verpakkingen tezamen met een of meer producten ter beschikking stellen.

Het is mogelijk dat een aantal afnemers van verkooppuntverpakkingen die al in de heffing van verpakkingenbelasting betrokken zijn ultimo 2008 beschikt over nog niet gebruikte verkooppuntverpakkingen. Indien voornoemde afnemers in 2009 deze verpakkingen aanwenden voor het doel waarvoor ze zijn bestemd, het vullen met een product, en de gevulde verpakkingen als ondernemer in Nederland ter beschikking stellen aan een ander, is als gevolg van de wetswijziging strikt genomen opnieuw verpakkingenbelasting verschuldigd. Hetzelfde is het geval als de afnemers de verpakkingen tezamen met een of meer producten ter beschikking stellen.

Goedkeuring

Om te voorkomen dat voor voornoemde verkooppuntverpakkingen tweemaal verpakkingenbelasting moet worden voldaan, keur ik met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) het volgende goed.

Voor de terbeschikkingstelling van verkooppuntverpakkingen in 2008 moeten de in dat jaar geldende bepalingen worden toegepast. Er moet derhalve over het tijdvak 2008 op normale wijze verpakkingenbelasting worden voldaan voor het ter beschikking stellen van verkooppuntverpakkingen.

De producenten die deze reeds belaste verkooppuntverpakkingen gevuld of tezamen met een of meer producten in 2009 voor het eerst in Nederland aan een ander ter beschikking stellen, hoeven onder de hierna vermelde voorwaarden voor de terbeschikkingstelling van deze verkooppuntverpakkingen in het tijdvak 2009 geen verpakkingenbelasting te voldoen.

Voorwaarden

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  • De belastingplichtige kan aannemelijk maken dat de betreffende verkooppuntverpakkingen in 2008 in de heffing van verpakkingenbelasting betrokken zijn.

  • Aan de hand van de administratie van de belastingplichtige kunnen het karakter en de soort van die verpakkingen en de hoeveelheid van de betreffende verpakkingen worden vastgesteld. De belastingplichtige maakt van voormelde elementen aantekening in zijn verpakkingenadministratie.

7. Ingetrokken regeling(en)

Het besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1214M, Stcrt. nr. 119, is met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken.

8. Vervallen regeling(en)

Het besluit van 4 juli 2008, nr. CPP2008/1239M, Stcrt. nr. 132, is als gevolg van de inwerkingtreding van het Belastingplan 2009 met terugwerkende kracht tot 1 juli 2008 vervallen.

9. Inwerkingtreding (en vervaldatum)

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van dit besluit. In afwijking hiervan treedt onderdeel 6 in werking met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 20 februari 2009

De staatssecretaris van Financiën,

J.C. de Jager.

Naar boven