Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/178033, inzake de ‘Toepassing hardheidsclausule aanvullende voorziening reisrecht’ op grond van artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000

Hierbij bericht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te hebben besloten onderstaand beleid door de Dienst Uitvoering Onderwijs te laten uitvoeren:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

WSF 2000:

Wet studiefinanciering 2000

Reisrecht:

reisvoorziening als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onder a, WSF 2000.

Thuiswonende studerende:

studerende die bij zijn ouders woont of bij een van hen.

Uitwonende studerende:

studerende die niet als thuiswonend moet worden beschouwd.

Adres van de onderwijsinstelling of stageadres:

het adres waar de studerende daadwerkelijk aan het onderwijs deelneemt.

Artikel 2 Doelgroepen

  • 1. Op verzoek van een thuiswonende studerende, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het adres van de onderwijsinstelling, waarbij hij is ingeschreven, of het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 22,69 moet besteden, kan de Dienst Uitvoering Onderwijs het meerdere vergoeden;

  • 2. Op verzoek van een thuiswonende studerende, die kan aantonen dat hij de onderwijsinstelling, waarbij hij is ingeschreven, of het stageadres ’s ochtends per eerste gelegenheid, met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Dienst Uitvoering Onderwijs een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, als bedoeld in artikel 5.3, lid 2, WSF 2000.

  • 3. Op verzoek van een uitwonende studerende, die kan aantonen dat hij het stageadres met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Dienst Uitvoering Onderwijs een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, als bedoeld in artikel 5.3, lid 2, WSF 2000.

  • 4. Op verzoek van een studerende kan, indien het adres van de onderwijsinstelling in het geheel niet met het openbaar vervoer bereikbaar is en de afstand tussen het adres van de onderwijsinstelling en het woonadres van de studerende 6 km of meer bedraagt, de Dienst Uitvoering Onderwijs een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, als bedoeld in artikel 5.3, lid 2, WSF 2000.

Artikel 3 Reikwijdte

  • 1. De situatie dat de studerende met gebruikmaking van het openbaar vervoer de onderwijsinstelling niet tijdig kan bereiken of niet meer thuis kan komen, moet zich tenminste twaalf dagen per maand voordoen. De situatie dat een studerende op één en dezelfde dag, met gebruikmaking van het openbaar vervoer, zowel het adres van de onderwijsinstelling niet tijdig bereiken als ook niet meer tijdig kan thuiskomen, telt als één dag.

  • 2. De onderwijsinstelling wordt geacht niet tijdig bereikbaar te zijn, indien conform de dienstregeling van de snelste verbinding met het openbaar vervoer voor dit verkeer te laat aanvangt, gerekend vanaf de dichtstbijzijnde halte of het dichtstbijzijnde station.

  • 3. Als dichtstbijzijnde halte of station wordt een halte of station aangemerkt, die binnen een loopafstand van 2,5 kilometer ligt. Ligt de dichtstbijzijnde halte of station op een loopafstand van 2,5 km of verder van het woonadres, dan wordt de aanvullende voorziening verstrekt.

  • 4. De stage moet een verplicht karakter hebben en de studerende moet geen keuze hebben gehad ten aanzien van de locatie van de stageplaats of ten aanzien van de werktijden.

Artikel 4 Het verzoek

De aanvullende voorziening wordt slechts verstrekt indien de studerende daarom schriftelijk en gemotiveerd verzoekt en onder overlegging van de benodigde bewijsstukken. Het verzoek dient binnen twee maanden na begin van de periode, waarvoor de aanvullende voorziening is bedoeld, te worden aangevraagd. Wordt het verzoek later ingediend, dan ontstaat aanspraak op de aanvullende voorziening op de eerste dag van de maand die volgt op de inzenddatum.

Artikel 5 Bekendmaking

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 6 Inwerkingtreding en geldigheidsduur

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2010 en vervalt uiterlijk op 1 januari 2014. Deze beleidsregel wordt geplaatst in de Staatscourant.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.H.A. Plasterk.

TOELICHTING

De beleidsregel ‘Toepassing hardheidsclausule aanvullende voorziening OV-studentenkaart’ van 30 augustus 2000, AGOCenW/MT/00.121, Uitleg Mededelingen IB-Groep 2000, 21 had een werkingsduur van vijf jaren en had daarmee haar werking verloren per 1 september 2005. Omdat in deze periode nieuwe jurisprudentie is ontstaan op dit terrein, is er niet voor gekozen de werkingsduur van deze beleidsregel te verlengen, maar om deze in gewijzigde vorm opnieuw uit te brengen.

Onderdelen die op basis van jurisprudentie zijn toegevoegd zijn – onder meer – de volgende. In de eerste plaats is door de rechter een nadere invulling gegeven van het begrip ‘dichtstbijzijnde halte of station’. Vervolgens is duidelijk aangegeven onder welke omstandigheden het ontbreken van openbaar vervoer kan leiden tot een succesvol beroep op deze beleidsregel. Dan is de beleidsregel uitgebreid met de mogelijkheid dat een studerende niet met gebruikmaking van het openbaar vervoer meer thuis kan komen. Voor het overige was en is de inhoud van de beleidsregel dezelfde gebleven en is slechts de OV-Studentenkaart vervangen door het reisrecht.

Naar boven