Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Verkeer en WaterstaatStaatscourant 2009, 20191Besluiten van algemene strekking

Regeling tot wijziging van de Binnenvaartregeling ter reparatie van gebleken onvolkomenheden, alsmede tot het aanbrengen van enkele nieuwe elementen, in die regeling

16 december 2009

Nr. CEND/HDJZ-2009/1531 sector SCH

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 8, eerste en tweede lid, 13, eerste lid, 22, eerste lid, 29, tweede lid, onderdeel c, 31, eerste lid, 32, eerste lid en 33, eerste lid, van de Binnenvaartwet, alsmede de artikelen 11, eerste en tweede lid, 18, eerste lid, 19, 25, tweede lid, en 30, tweede lid, van het Binnenvaartbesluit;

Alsmede gelet op de op 17 oktober 1868 te Mannheim tot stand gekomen Herziene Rijnvaartakte, de resolutie van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 27 november 2008 (protocollen 2008-II-10, 2008-II-11, 2008-II-15 en 2008-II-16);

Besluit:

ARTIKEL I

De Binnenvaartregeling wordt gewijzigd als volgt.

A

Artikel 1.1 wordt gewijzigd als volgt:

1. In de zinsnede ‘duwstel: hecht samenstel of gekoppeld samenstel van schepen’ wordt geschrapt: of gekoppeld samenstel.

2. Na ‘gekoppeld samenstel: samenstelling van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;’ wordt ingevoegd: hecht samenstel: een duwstel of een gekoppeld samenstel;.

3. Na ‘richtlijn 2006/87/EG: richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006, tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad van de Europese Unie (PbEU L 389);’ wordt ingevoegd:

rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype: passagiersschip met een lengte op de waterlijn van minder dan 30 meter, zoals ontwikkeld voor de rondvaarten in Amsterdam, en dat:

  • a. één laag passagiersaccommodatie heeft, deels verzonken tot beneden het gangboord,

  • b. is voorzien van een grotendeels doorgaande opbouw met grote ramen,

  • c. een tot beneden het gangboord verzonken open kuip kan hebben van ten hoogste 25% van de lengte op de waterlijn,

  • d. een stuurstand heeft aan de voorzijde van de passagiersaccommodatie, en

  • e. niet is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zone 1 of 2;.

B

In artikel 1.5, tweede lid, wordt ‘de in het tweede lid, onderdeel f, genoemde’ vervangen door: de in het eerste lid, onderdeel f, genoemde.

C

In artikel 1.11, tweede lid, wordt onderdeel d geschrapt onder verlettering van onderdeel e tot d.

D

1. De artikelen 1.15, eerste lid, en 1.16, eerste lid, worden geschrapt.

2. De aanduiding 2 voor de resterende leden van de artikelen 1.15 en 1.16 vervalt.

E

In artikel 1.17, tweede lid, wordt ‘bedoeld in de artikelen 1.15, eerste lid, en 1.16, eerste lid,’ vervangen door: bedoeld in bijlage M, delen I en II, van het RosR 1995.

F

In artikel 1.18, eerste lid, wordt ‘de artikelen 1.6, 1.9, 1.13, 1.14, 1.15 en 1.16’ vervangen door: de artikelen 1.6, 1.9, 1.13 en 1.14.

G

Het opschrift van paragraaf 5 van hoofdstuk 1 komt te luiden:

§ 5. De commissie van deskundigen en de technische commissie

H

Artikel 1.20, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Er is voor de duur van vijf jaar een technische commissie.

I

Artikel 2.9 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Dit artikel is van toepassing op de bemanningsleden van schepen als bedoeld in artikel 12 van het besluit, niet zijnde veerboten, varend op de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren, uitgezonderd schepen die varen op de Rijn in Nederland, de Waal en de Lek.

2. In het derde lid, onderdeel a, wordt ‘van een groot of beperkt groot vaarbewijs’ vervangen door: van een beperkt groot vaarbewijs.

J

In artikel 3.1 vervalt:

rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype: passagiersschip met een lengte op de waterlijn van minder dan 30 meter, zoals ontwikkeld voor de rondvaarten in Amsterdam, en dat:

  • a. één laag passagiersaccommodatie heeft, deels verzonken tot beneden het gangboord,

  • b. is voorzien van een grotendeels doorgaande opbouw met grote ramen,

  • c. een tot beneden het gangboord verzonken open kuip kan hebben van ten hoogste 25% van de lengte op de waterlijn,

  • d. een stuurstand heeft aan de voorzijde van de passagiersaccommodatie, en

  • e. niet is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zone 1 of 2;.

K

Artikel 3.15 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. De hellingproef wordt, behalve bij schepen met een lengte op de waterlijn van ten hoogste 25 meter, door of namens de eigenaar gehouden in aanwezigheid van de commissie van deskundigen.

2. Toegevoegd worden drie leden, luidende:

  • 5. Bij passagiersschepen met een lengte op de waterlijn van ten hoogste 25 meter kan voldoende stabiliteit worden aangetoond door het uitvoeren van een stabiliteitsproef met het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen, bij de ongunstigste vullingsgraad van de brandstof- en drinkwatertanks.

  • 6. Bij de in het vijfde lid bedoeld stabiliteitsproef wordt het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen zodanig op het voor passagiers bestemde gedeelte van het dek naar de zijde van het schip verplaatst, dat aldaar een dichtheid van 3,75 personen per vierkante meter, overeenkomend met 285 kg per vierkante meter, wordt verkregen.

  • 7. Bij de in het zesde lid bedoelde gewichtsverplaatsing mag de slagzij na het verplaatsen niet meer dan 7 graden bedragen. Het resterende vrijboord en de resterende veiligheidsafstand mogen niet kleiner zijn dan respectievelijk 0,05 maal de breedte op de waterlijn plus 0,20 meter en 0,05 maal de breedte op de waterlijn plus 0,10 meter.

L

In artikel 3.21, tweede lid, wordt ‘bijlage 3.8’ vervangen door: bijlage 3.7.

M

Aan artikel 5.12, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. de uitzondering voor sleep- en duwboten die slechts in havens verkeren niet van toepassing is.

N

Artikel 5.17 wordt gewijzigd als volgt:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt ‘ingevolge artikel 5.6, tweede lid’ vervangen door: ingevolge artikel 5.6, vierde lid.

2. In onderdeel a van het eerste lid worden ‘minder dan 601’, ‘minder dan 251’ en ‘minder dan 76’ vervangen door onderscheidenlijk: ten hoogste 600, ten hoogste 250 en ten hoogste 75.

3. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Passagiersschepen uit groep 1, met een lengte van maximaal 45 meter, die ten hoogste 40 personen aan boord hebben en in de exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een lichtmatroos of een deksman van ten minste 18 jaar;

    • b. het schip onderbreekt de vaart gedurende een periode van ten minste 16 uur, waarin de periode van 22.00 uur tot 06.00 uur is gelegen: en

    • c. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking van de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de schipper het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast.

O

In artikel 6.10, derde lid, wordt ‘verzendt de in het eerste lid bedoelde eigen verklaring’ vervangen door: zendt de eigen verklaring, indien het tweede lid van toepassing is,.

P

Het opschrift van hoofdstuk 7 komt te luiden:

HOOFDSTUK 7. VAARBEWIJZEN, RADARPATENTEN EN ICC’S.

Q

Aan de opsomming in artikel 7.1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:

groot pleziervaartbewijs I:

groot pleziervaartbewijs voor de vaart op rivieren, kanalen en meren;

groot pleziervaartbewijs II:

groot pleziervaartbewijs voor de vaart op alle binnenwateren;

ICC:

internationaal certificaat van competentie als bedoeld in resolutie 40, nr. TRANS/SC.3/147, van de Working Party on Inland Transport van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, van 16 oktober 1998, overeenkomstig bijlage 7.5 bij deze regeling.

R

Artikel 7.5 wordt gewijzigd als volgt:

1. De zinsnede ‘open rondvaartboten als bedoeld in artikel 3.1’ wordt vervangen door: open rondvaartboten als bedoeld in artikel 1.1.

2. De zinsnede ‘minder dan 15 meter’ wordt vervangen door: minder dan 20 meter.

S

In artikel 7.6, eerste lid, wordt de zinsnede ‘als bedoeld in artikel 3.1’ vervangen door: als bedoeld in artikel 1.1.

T

Artikel 7.8 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid komt de zinsnede ‘van een groot pleziervaartbewijs’ te luiden: van een groot pleziervaartbewijs I of II.

2. In het tweede lid komt de zinsnede ‘van een groot pleziervaartbewijs’ te luiden: van een groot pleziervaartbewijs I of II.

3. In het derde lid komt onderdeel a te luiden:

  • a. degene die geslaagd is voor het examen CWO groot motorschip van de Stichting VAMEX;.

4. In het vierde lid wordt in onderdeel a, na de puntkomma, ‘ of’ toegevoegd.

5. Onder vernummering van het vijfde tot en met tiende lid tot zevende tot en met twaalfde lid wordt en twee leden ingevoegd, luidende:

  • 5. In afwijking van het derde lid worden de in het eerste lid bedoelde groot pleziervaartbewijzen I, respectievelijk II, afgegeven aan de houder van de volgende documenten, die hun geldigheid verloren hebben uitsluitend door het verstrijken van de geldigheidsduur, indien uit een eigen verklaring van de aanvrager blijkt dat hij lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip:

    • a. een groot vaarbewijs B, respectievelijk A;

    • b. een beperkt groot vaarbewijs B, respectievelijk A;

    • c. een zeilbewijs.

  • 6. In afwijking van het vierde lid worden de in het tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijzen I, respectievelijk II, afgegeven aan de houder van de volgende documenten, die hun geldigheid verloren hebben uitsluitend door het verstrijken van de geldigheidsduur, indien uit een eigen verklaring van de aanvrager blijkt dat hij lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip:

    • a. een groot vaarbewijs B, respectievelijk A;

    • b. een zeilbewijs.

U

In artikel 7.9 wordt, onder vernummering van het tweede tot en met achtste lid tot derde tot en met negende lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Van artikel 16 van het besluit zijn vrijgesteld de gezagvoerders van schepen, voor zover zij zijn voorzien van het in het eerste lid bedoelde zeilbewijs.

V

In artikel 7.9a, eerste lid, wordt na ‘het model in bijlage 6.2’ ingevoegd: en gewaarmerkt door de instantie die het vaarbewijs afgeeft.

W

Na artikel 7.24 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 7. ICC’s

Artikel 7.25

De instantie die het klein vaarbewijs afgeeft verstrekt op aanvraag, namens de minister, aan de houder van onderscheidenlijk een geldig klein vaarbewijs I of II, een geldig groot pleziervaartbewijs I of II of een certificaat Theoretische Kustnavigatie van het Koninklijk Nederlands Watersportverbond, onderscheidenlijk:

  • a. het gecombineerde klein Vaarbewijs I / ICC inland;

  • b. het gecombineerde klein vaarbewijs II / ICC inland+coastal;

  • c. het gecombineerde groot pleziervaartbewijs I / ICC inland;

  • d. het gecombineerde groot pleziervaartbewijs II/ ICC inland+coastal;

  • e. het ICC coastal.

X

Artikel 10.2 wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. Haven Amsterdam.

2. In onderdeel c wordt, na ‘Havenbedrijf NV’, ingevoegd: , Divisie Havenmeester,.

Y

In hoofdstuk 11 wordt een artikel opgenomen, luidende:

Artikel 11.1

De bedragen van de bestuurlijke boete op overtredingen als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste lid en zesde lid, 7, eerste lid, 8, derde lid, 10, tweede lid, 11, 12, 13, vierde lid, 17, vijfde lid, 21, eerste lid, 22, negende lid, 23, eerste lid, 36, vierde lid, 37, tweede lid, 43, tweede lid, en 46, tweede lid, van de wet zijn opgenomen in de tabel in bijlage 11.1 bij deze regeling.

Z

Artikel 12.3 wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Klein vaarbewijzen en groot pleziervaartbewijzen, afgegeven krachtens deze regeling vóór 1 januari 2010 blijven geldig totdat hun geldigheid is verstreken.

AA

Aan artikel 12.5 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Tot en met 30 juni 2011 kan de houder van een groot pleziervaartbewijs I een groot pleziervaartbewijs II verkrijgen, indien hij binnen die periode het examen voor het klein vaarbewijs II heeft behaald.

BB

Artikel 1.07 van het RosR 1995 komt te luiden:

Artikel 1.07 Dienstinstructie voor de Commissies van Deskundigen en de bevoegde autoriteiten

  • 1. In het belang van een eenvoudige en uniforme toepassing van dit reglement kan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart dienstinstructies voor de Commissies van Deskundigen en de volgens dit reglement bevoegde autoriteiten vaststellen. De Commissies van Deskundigen en de bevoegde autoriteiten worden van deze dienstinstructie in kennis gesteld.

  • 2. De Commissies van Deskundigen en de bevoegde autoriteiten dienen zich aan deze dienstinstructie te houden.

CC

In artikel 2.07, eerste lid, van het RosR 1995, wordt in de eerste volzin ‘wijziging van het officiële scheepsnummer, van de te boekstelling of van de thuishaven’ vervangen door: wijziging van de teboekstelling of van de thuishaven.

DD

In artikel 2.17, derde lid, van het RosR 1995, wordt na ‘op het gebied van de scheepvaart’ ingevoegd: en ter toepassing van de artikelen 2.02 tot en met 2.15.

EE

Artikel 2.18 van het RosR 1995, wordt gewijzigd als volgt:

1. In de derde volzin van het tweede lid wordt ‘van zijn registratie’ vervangen door: van zijn teboekstelling.

2. De tweede volzin van het vierde lid komt te luiden: Hij moet tevens het Europees scheepsnummer, dat in het certificaat van onderzoek is ingevuld, daarop doen aanbrengen.

3. het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Elke in het vijfde lid bedoelde autoriteit treft de noodzakelijke maatregelen, om alle tot het afgeven van de Europese scheepsnummers bevoegde autoriteiten, die in het register overeenkomstig het vijfde lid worden ingevuld, over ieder door haar toegekende Europees scheepsnummer evenals over de gegevens ter identificatie van het vaartuig overeenkomstig Bijlage P te informeren. Deze gegevens kunnen aan de bevoegde autoriteiten van de Rijnoeverstaten en van België, aan de lidstaten van de Europese Unie en, voor zover een gelijkwaardige gegevensbescherming is gewaarborgd, aan de bevoegde autoriteiten van derde landen op grond van bestuursrechtelijke overeenkomsten ter uitvoering van bestuursrechtelijke maatregelen op het gebied van veiligheid en het goede verloop van de scheepvaart evenals ter toepassing van de artikelen 2.02 tot en met 2.15 en 2.18, derde lid, ter beschikking worden gesteld.

FF

In artikel 2.19, tweede lid, van het RosR 1995, wordt in de tweede volzin ‘het officiële scheepsnummer’ vervangen door: het Europees scheepsidentificatienummer.

GG

In artikel 6.03, vierde lid, onderdeel c, van het RosR 1995 wordt ‘om de tien jaar’ vervangen door: om de acht jaar.

HH

Artikel 6.09 van het RosR 1995 wordt gewijzigd als volgt:

1. in de aanhef van het derde lid wordt na ‘moeten’ ingevoegd: door een deskundige worden gekeurd.

2. In het derde lid komt onderdeel d te luiden: met regelmaat en tenminste elke drie jaar.

3. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Inzake de keuring moet een door de erkend deskundige ondertekende verklaring worden opgesteld waaruit de datum van de keuring blijkt.

II

Artikel 7.05, eerste lid, van het RosR 1995, komt te luiden:

  • 1. Navigatielichten, evenals de lantaarnhuizen en toebehoren, dragen het keurmerk, dat in de Richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1996, inzake uitrusting van zeeschepen, gewijzigd door Richtlijn 2008/67/EG van de Commissie van de Europese Unie van 30 juni 2008, is voorgeschreven of voldoen de aan de eisen van Richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006, tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad.

JJ

Artikel 7.06, eerste lid, van het RosR 1995, komt te luiden:

  • 1. De radarinstallatie en de bochtaanwijzer komen overeen met de in bijlage M, deel I en deel II vermelde vereisten. Het voldoen aan de vereisten wordt met een door de bevoegde autoriteit afgegeven typegoedkeuring vastgesteld. Typegoedkeuringen die werden afgegeven op grond van de vereisten van Richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006, tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad, zijn als gelijkwaardig erkend.

    Inland ECDIS apparaten, die in de navigatiemodus kunnen worden gebruikt, worden beschouwd als radarapparatuur. Zij moeten tevens voldoen aan de eisen van Inland ECDIS in de op de dag van afgifte van de typegoedkeuring geldige editie.

    Aan de in bijlage M, deel III, vermelde voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers in de Rijnvaart moet worden voldaan.

    De bochtaanwijzer moet vóór de roerganger in diens gezichtsveld zijn geplaatst.

    De lijsten van de overeenkomstig bijlage M of op grond van als gelijkwaardig erkende typegoedkeuringen toegelaten radarapparatuur en bochtaanwijzers worden door de Centrale Commissie gepubliceerd.

KK

In artikel 14.13 van het RosR 1995 wordt, na de tweede volzin, een volzin ingevoegd, luidende: Bij passagiersschepen moet hij bovendien vaststellen of een geldige verklaring over de conformiteit van de inbouw van de in artikel 15.15, negende lid, bedoelde alarminstallatie, of over de controle van die installatie aanwezig is.

LL

Artikel 23.10, eerste lid, van het RosR 1995 wordt gewijzigd als volgt:

1. In de tabel komt het opschrift van kolom 2 te luiden: A2.

2. In groep 1 van de tabel komt de rij ‘lichtmatroos’ te luiden:

lichtmatroos

 

 

  

1a

2a b

3. In groep 3 van de tabel komt de rij ‘stuurman’ te luiden:

stuurman

1

1

1

1

1c

1

4. Aan het begin van de voetnoten worden de cijfers 1, 2 en 3 vervangen door respectievelijk: a, b en c.

MM

Artikel 23.11, eerste lid, van het RosR 1995 wordt gewijzigd als volgt:

1. In groep 1 van de tabel komt de rij ‘lichtmatroos’ te luiden:

lichtmatroos

 

 

  

1a

2a b

2. In groep 3 van de tabel komt de rij ‘stuurman’ te luiden:

stuurman

1

1

1

1

1c

1

3. Het opschrift van groep 4 komt te luiden: duwboot + 2 duwbakkendmotorschip + 1 duwbakd.

4. Het opschrift van groep 5 komt te luiden: duwboot + 3 of 4duwbakkend motorschip + 2 of 3 duwbakkend.

5. Het opschrift van groep 6 komt te luiden: duwboot + meer dan 4duwbakkend.

6. Aan het begin van de voetnoten worden de cijfers 1, 2, 3 en 4 vervangen door respectievelijk: a, b, c en d.

NN

Artikel 23.12 van het RosR 1995 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid wordt gewijzigd als volgt:

a. in groep 2 van de tabel komt de rij ‘lichtmatroos’ te luiden:

lichtmatroos

1

1

1a

 

1a

 

b. het cijfer aan het begin van de voetnoot bij de tabel wordt vervangen door: a.

2. Het tweede lid wordt gewijzigd als volgt:

a. in groep 2 van de tabel komt de rij ‘lichtmatroos’ te luiden:

lichtmatroos

2

1

1b

2b

1b

2b

b. de cijfers aan het begin van de voetnoten bij de tabel worden vervangen door respectievelijk: a en b.

OO

Artikel 23.15 van het RosR 1995 wordt gewijzigd als volgt:

1. De zinsnede ‘de Wet vaartijden en bemanningssterkte’ wordt vervangen door: de Binnenvaartwet en de daarop berustende bepalingen.

2. Na de zinsnede ‘worden volstaan met de voorschriften van’ wordt een voetnoot ingevoegd, luidende: Deze verwijzing wijkt af van die in de Franse en Duitse versies, waarin nog steeds wordt verwezen naar de ingetrokken Wet vaartijden en bemanningssterkte, aangezien de CCR dit artikel nog moet aanpassen.

PP

In de tabel in artikel 24.02, tweede lid, van het RosR 1995, worden in hoofdstuk 7 in de numerieke rangschikking twee rijen ingevoegd, luidende:

7.05, lid 1

Navigatielichten, lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen

De navigatielichten waarvan de lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen voldoen aan de eisen van de op 30 november 2009 geldende voorschriften omtrent de kleuren de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns in de Rijnvaart, kunnen nog steeds worden gebruikt.

7.06, lid 1

Navigatieradarinstallaties die vóór 1 januari 1990 zijn toegelaten

Navigatieradarinstallaties die vóór januari 1990 waren toegelaten, en vóór 1 januari 2000 werden ingebouwd, mogen tot de verlenging van het certificaat van onderzoek na 31 december 2009, maar uiterlijk tot en met 31 december 2011, met een geldige inbouwverklaring (1989-I-35) ingebouwd zijn en gebruikt worden.

Bochtaanwijzers die vóór 1 januari 1990 zijn toegelaten

Bochtaanwijzers die vóór januari 1990 waren toegelaten, en vóór 1 januari 2000 werden ingebouwd, mogen tot de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1 januari 2015 met een geldige inbouwverklaring (1989-I-35) ingebouwd zijn en gebruikt worden.

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 januari 1990 waren toegelaten

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers, die vanaf 1 januari 1990 op grond van de voorschriften omtrent de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties voor de Rijnvaart evenals van de voorschriften omtrent de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor de Rijnvaart waren toegelaten, kunnen verder ingebouwd en, indien een geldige inbouwverklaring op grond van de voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers in de Rijnvaart of van Bijlage M, deel III, van dit Reglement aanwezig is, gebruikt worden.

QQ

In artikel 24.02, tweede lid, van het RosR 1995, komt de derde kolom van de rij betreffende artikel 20.01 te luiden: Voor zeeschepen die niet zijn bestemd voor het vervoer van goederen in de zin van het ADNR en waarvan de kiel is gelegd vóór 1.10.1987: N.V.O. uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015.

RR

In artikel 24.04, vijfde lid, van het RosR 1995, komt de zinsnede ‘nog 20 jaar na de nieuwe formulering’ te luiden: nog maximaal 20 jaar na de nieuwe formulering.

SS

In de tabel in artikel 24.06, vijfde lid, van het RosR 1995, worden in hoofdstuk 7 in de numerieke rangschikking twee rijen ingevoegd, luidende:

7.05, eerste lid 1

Navigatielichten, lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen

De navigatielichten waarvan de lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen voldoen aan de eisen van de op 30 november 2009 geldende voorschriften omtrent de kleur en de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns in de Rijnvaart, kunnen nog steeds worden gebruikt.

1.12.2009

7.06, lid 1

Navigatieradarinstallaties die vóór 1 januari 1990 zijn toegelaten

Navigatieradarinstallaties die vóór januari 1990 waren toegelaten, en vóór 1 januari 2000 werden ingebouwd, mogen tot de verlenging van het certificaat van onderzoek na 31 december 2009, maar uiterlijk tot en met 31 december 2011, met een geldige inbouwverklaring (1989-I-35) ingebouwd zijn en gebruikt worden.

1.12.2009

Bochtaanwijzers die vóór 1 januari 1990 zijn toegelaten

Bochtaanwijzers die vóór januari 1990 waren toegelaten, en vóór 1 januari 2000 werden ingebouwd, mogen tot de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1 januari 2015 met een geldige inbouwverklaring (1989-I-35) ingebouwd zijn en gebruikt worden.

1.12.2009

Inbouw en gebruik van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 januari 1990 waren toegelaten

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers, die vanaf 1 januari 1990 op grond van de voorschriften omtrent de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties in de Rijnvaart evenals van de voorschriften omtrent de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers in de Rijnvaart waren toegelaten, kunnen verder ingebouwd en, indien een geldige inbouwverklaring op grond van de voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers voor de Rijnvaart of van Bijlage M, deel III, van dit Reglement aanwezig is, gebruikt worden.

1.12.2009

TT

Artikel 24.08 van het RosR 1995 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt ‘unieke’ geschrapt.

2. In het tweede lid wordt ‘uniek’ geschrapt.

UU

Het model in bijlage B van het RosR 1995 wordt gewijzigd als volgt:

1. Op het eerste blad wordt in de derde alinea ‘het officiële scheepsnummer, van de registratie’ vervangen door: de teboekstelling.

2. Op het tweede blad komt onderdeel drie te luiden:

  • 3. Uniek Europees scheepsidentificatienummer.

3. In onderdeel 12 wordt ‘het officiële scheepsnummer’ vervangen door: het uniek Europees scheepsidentificatienummer.

4. Onderdeel 35 komt te luiden:

35 Lensinrichtingen

  

Aantal lenspompen ...., waarvan gemotoriseerd

  

Minimumdebiet

eerste lenspomp ..... l/Min.

 

Tweede lenspomp..... l/min.

  

5. Onderdeel 36 komt te luiden:

  • 36. Aantal en plaats van de afsluiters bedoeld in artikel 8.08, tiende en elfde lid.

6. Onderdeel 42 komt te luiden:

42. Overige uitrusting

 

werplijn

loopplank volgens artikel 10.02, lid 2 *)/volgens artikel 15.06, lid 12*), lengte ..... m

bootshaak

aantal verbandtrommels .....

verrekijker

bord betreffende het redden van drenkelingen

vanuit de stuurstelling bedienbare schijnwerper

aantal brandbestendige verzamel-reservoirs .....

buitenboordtrap/-ladder *)

intercom

tweezijdig afwisselend*)

tweezijdig tegelijkertijd*)

Interne bedrijfstelefoon d.m.v. marifoon*)

  

marifoon-installatie

schip – schipverkeer

nautische informatie

Schip-havendienst

  

kranen

volgens artikel 11.12 lid 9*)

andere kranen met bedrijfs-last tot 2000 kg *)

7. Onderdeel 43 komt te luiden:

43. Inrichtingen voor het bestrijden van brand

 

Aantal draagbare blustoestellen............, brandbluspompen..........., brandkranen,

Vast ingebouwde brandblusinstallaties in verblijven enz. neen/aantal........*)

Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers enz.neen/aantal.........*)

De motorlenspomp vervangt een brandbluspomp ja/neen*)

8. Na onderdeel 44 wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

45. Bijzondere inrichting van het stuurhuis voor het voeren van het schip met behulp van radar door één persoon.

 

Het schip is voorzien van éénmansstuurstelling voor het varen op radar. Ja / Nee *)

VV

In het opschrift van de derde kolom van het linkerblad van het model in bijlage C van het RosR 1995 wordt ‘Officieel scheepsnummer’ vervangen door: Uniek Europees scheepsidentificatie-nummer of officieel scheepsnummer.

WW

Onderdeel 3 van de modellen 1 en 2 van bijlage D van het RosR 1995 komt te luiden: Uniek Europees scheepsidentificatienummer.

XX

Bijlage L van het RosR 1995 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift van het schema, het schema van het uniek Europees scheepsidentificatienummer en de verklarende tekst daaronder komen te luiden:

Model van het uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI)

A

A

A

X

X

X

X

X

Code van de bevoegde

autoriteit die het Europees

scheepsnummer toewijst

Serienummer

In dit model staat ‘AAA’ voor de code van drie cijfers die de bevoegde autoriteit toekent bij de toewijzing van het Europees scheepsidentificatienummer, waarbij de volgende nummers moeten worden gerespecteerd voor de landen in kwestie:.

2. De slotzin die begint met ‘Officiële scheepsnummers’ en eindigt met ‘scheepsidentificatienummers’ wordt vervangen door: ‘xxxxx’ staat voor het door de bevoegde autoriteit toegekende serienummer van vijf cijfers.

YY

Bijlage M van het RosR 1995 komt te luiden overeenkomstig bijlage 1 bij deze regeling.

ZZ

Na bijlage O van het RosR 1995 wordt een bijlage P toegevoegd, luidende:

BIJLAGE P VEREISTE GEGEVENS VOOR DE IDENTIFICATIE VAN EEN SCHIP

  • A. Voor alle vaartuigen:

    • 1. uniek Europees scheepsidentificatienummer overeenkomstig artikel 2.18 (Bijlage B, derde lid, en Bijlage C, vijfde kolom);

    • 2. naam van het vaartuig (Bijlage B, eerste lid en Bijlage C, vierde kolom);

    • 3. type vaartuig, bedoeld in artikel 1.01, lid 1 tot en met 25, (Bijlage B, tweede lid);

    • 4. lengte over alles overeenkomstig artikel 1.01, lid 56 (Bijlage B, lid 17a);

    • 5. totale breedte overeenkomstig artikel 1.01, lid 59 (Bijlage B, lid 18a);

    • 6. diepgang overeenkomstig artikel 1.01, lid 62 (Bijlage B, lid 19);

    • 7. bron van de gegevens (=certificaat van onderzoek schepen op de Rijn);

    • 8. laadvermogen (Bijlage B, lid 21 en Bijlage C, dertiende kolom) voor motorvrachtschepen;

    • 9. waterverplaatsing overeenkomstig artikel 1.01, lid 46 (Bijlage B, lid 21, en Bijlage C, dertiende kolom) voor andere vaartuigen dan motorvrachtschepen;

    • 10. de exploitant (de eigenaar of de vertegenwoordiger, artikel 2.02);

    • 11. de Commissie van Deskundigen die het certificaat afgeeft (Bijlage B en Bijlage C);

    • 12. nummer van het certificaat van onderzoek (Bijlage B en Bijlage C, eerste kolom);

    • 13. geldigheidsdatum (Bijlage B, elfde lid, en Bijlage C, kolom 17);

    • 14. de schepper van het gegevensbestand.

  • B. Indien beschikbaar:

    • 1. nationaal scheepsnummer;

    • 2. type vaartuig overeenkomstig de standaard van technische specificaties voor elektronisch melden in de binnenvaart;

    • 3. enkel- of dubbelwandig overeenkomstig het ADN/ADNR;

    • 4. holte overeenkomstig artikel 1.01, lid 61;

    • 5. bruto tonnage (voor zeeschepen);

    • 6. IMO-nummer (voor zeeschepen);

    • 7. Oproepsignaal (voor zeeschepen);

    • 8. MMSI-nummer;

    • 9. ATIS-code;

    • 10. type, nummer, autoriteit die het certificaat afgeeft en de geldigheidsdatum van andere certificaten.

AAA

Bijlagen 1.5 tot en met 1.8 vervallen.

BBB

Artikel 4 van bijlage 3.6 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt ‘niet meer dan 12 bedraagt’ vervangen door: niet meer dan 12 graden bedraagt;

2. In het tweede lid wordt ‘niet meer dan 10 bedraagt’ vervangen door: niet meer dan 10 graden bedraagt;

3. In het vijfde lid wordt ‘zones 3 en 6’ vervangen door: zones 3 en 4.

CCC

In artikel 14, eerste lid, van bijlage 3.6, wordt na ‘1/4 van het’ ingevoegd: in artikel 15.09 van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG.

DDD

In artikel 4, vijfde lid, van bijlage 3.7, wordt ‘de lengte Lwl’ vervangen door: de lengtewaterlijn.

EEE

In artikel 2, tweede lid, van bijlage 3.8, wordt ‘hoofdstuk 24’ vervangen door: hoofdstuk 24a.

FFF

In artikel 11 van bijlage 3.9 wordt ‘deze paragraaf’ vervangen door: dit hoofdstuk.

GGG

De tabel in bijlage 5.1 wordt gewijzigd als volgt:

1. In groep 5 komt de rij ‘lichtmatroos’ te luiden:

lichtmatroos

2

1

1*

2*

1*

2

1

2. In groep 5 komt de rij ‘machinist of matroos-’ te luiden:

Machinist of

1

1

1

1

1

1

1

1

1

3. In groep 6 komt de rij ‘lichtmatroos’ te luiden:

lichtmatroos

2

1

1*

2*

1*

2*

1

4. De tweede voetnoot onder de tabel komt te luiden:

** De stuurman bezit de bekwaamheid van schipper als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid.

5. In de zesde voetnoot wordt ‘wat tijdens transport geduwd wordt’ vervangen door: wat tijdens transport geduwd of langszij meegevoerd wordt.

HHH

De tabel in bijlage 5.3 wordt gewijzigd als volgt:

1. In groep 1 komt de rij ‘volmatroos te luiden:

volmatroos

2. In groep 1 komt de rij ‘matroos***’ te luiden:

matroos***

2

1

2

1

2

1

3. In groep 1 komt de rij ‘lichtmatroos’ te luiden:

lichtmatroos

1

1

1

4. In groep 1 komt de rij ‘machinist of matroos-’ te luiden

Machinist of

2

2

2

2

3

3

5. In groep 1 komt de rij ‘motordrijver**’ te luiden:

matroosmotordrijver**

    

3

 

6. In groep 2 komt de rij ‘volmatroos’ te luiden

volmatroos

7. In groep 2 komt de rij ‘matroos***’ te luiden:

matroos***

3

2

2

3

2

3

2

8. In groep 2 komt de rij ‘lichtmatroos****’ te luiden:

lichtmatroos

2

1

1*

2*

1*

2*

9. In groep 2 komt de rij ‘machinist of matroos-’ te luiden

Machinist of matroos-

3

3

3

3

3

3

3

III

In bijlage 5.8 wordt in de tabel voor de minimumbemanning van veerponten die een snelheid van meer dan 30 km. per uur, maar niet meer dan 40 km. per uur, kunnen bereiken, in de kolom bemanningsleden, ter hoogte van de rij voor groep 2, ‘matroos’ vervangen door: matroos-motordrijver.

JJJ

In paragraaf 1, onderdeel 1.1, van bijlage 7.2, wordt ‘ 10653,’ geschrapt.

KKK

Paragraaf 3 van bijlage 7.2 wordt gewijzigd als volgt:

1. In de kolom Vrijstelling examenonderdelen wordt:

a. ‘A4 tot en met A6 en B tot en met F’ vervangen door: Ter verkrijging van klein vaarbewijs II: A1 tot en met A3 en B tot en met F;

b. ‘A4 tot en met A6, B tot en met D en F’ vervangen door: Ter verkrijging van klein vaarbewijs I: A1 tot en met A3 en B tot en met F; ter verkrijging van klein vaarbewijs II: A1 tot en met A3 en B tot en met D en F;

c. ‘A tot en met D en F’ geschrapt.

2. In onderdeel 6 wordt ‘na 31 maart 2004’ geschrapt.

3. Onderdeel 8 wordt geschrapt.

LLL

Bijlage 7.3 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het Model-groot vaarbewijs A en B voor de binnenvaart wordt in het opschrift op de voor- en achterzijde ‘Vaarbewijs’ vervangen door: Groot vaarbewijs.

2. Het Model-klein vaarbewijs I en II voor de binnenvaart wordt vervangen door:

Model-klein vaarbewijs/ICC voor de binnenvaart (85 mm x 54 mm – achtergrond blauw)

NL INTERNATIONAL CERTIFICATE FOR OPERATORS OF PLEASURE CRAFT

KLEIN VAARBEWIJS I/II

Pasfoto 6

1.

 
 

2.

5.

 

3.

 
 

4.

8.

 

9.

 

Handtekening 7

10.

11.

 

12.

13.

 

14.

 
   
   
   

INTERNATIONAL CERTIFICATE FOR OPERATORS OF PLEASURE CRAFT

(resolution 40 of the UN/ECE Working Party On Inland Water Transport)

CERTIFICATE INTERNATIONAL DE CONDUCTEUR DE BATEAU DE PLA’SANCE

(Résolution No. 40 de groupe de travail CEE-ONU des transports par voie navigable)

   

1. ACHTERNAAM

SURNAME

NOM

2. VOORNAMEN

FIRST NAMES

PRÉNOMS

3. GEBOORTEDATUM EN- PLAATS

DATE AND PLACE OF BIRTH

DATE ET LIEU DE NAISSANCE

4. NATIONALITEIT

NATIONALITY

NATIONALITÉ

5. BURGER SERVICE NUMMER

CITIZEN SERVICE NUMBER

NUMÉRO DE SERVICE CITOYEN

6. PASFOTO VAN DE HOUDER

PHOTOGRAPH OF HOLDER

PHOTO DE DÉTENTEUR

7. HANDTEKENING VAN DE HOUDER

SIGNATURE OF HOLDER

SIGNATURE DU TITULAIRE

8. VAARBEWIJSNUMMER

CERTIFICATE NUMBER

NUMÉRO DU CERTIFICAT

9. GELDIG VOOR

VALID FOR

VALABLE POUR

10. AFGIFTEDATUM

DATE OF ISSUE

DATE D’ÉMISSION

11. VERVALDATUM

DATE OF EXPIRY

DATE D’EXPIRATION

12. AFGEGEVEN DOOR

ISSUED BY

DÉLIVRÉ PAR

13. AANGEWEZEN DOOR

AUTHORISED BY

AUTORISÉ PAR

14. BEPERKINGEN/VERMELDINGEN

RESTRICTIONS/MENTIONS

RESTRICTIONS/MENTIONS

 

STICHTING VAMEX + 31 (88) 4564567 WWW.VAMEX.NL info@vamex.nl

 

MMM

In bijlage 7.4 wordt het Model-groot pleziervaartbewijs vervangen door:

Model-groot pleziervaartbewijs/ICC (85 mm x 54 mm – achtergrond blauw)

NL INTERNATIONAL CERTIFICATE FOR OPERATORS OF PLEASURE CRAFT

GROOT PLEZIERVAARTBEWIJS I/II

Pasfoto 6

1.

 
 

2.

5.

 

3.

 
 

4.

8.

 

9.

 

Handtekening 7

10.

11.

 

12.

13.

 

14.

 
   
   
   

INTERNATIONAL CERTIFICATE FOR OPERATORS OF PLEASURE CRAFT

(resolution 40 of the UN/ECE Working Party On Inland Water Transport)

CERTIFICATE INTERNATIONAL DE CONDUCTEUR DE BATEAU DE PLA’SANCE

(Résolution No. 40 de groupe de travail CEE-ONU des transports par voie navigable)

   

1. ACHTERNAAM

SURNAME

NOM

2. VOORNAMEN

FIRST NAMES

PRÉNOMS

3. GEBOORTEDATUM EN- PLAATS

DATE AND PLACE OF BIRTH

DATE ET LIEU DE NAISSANCE

4. NATIONALITEIT

NATIONALITY

NATIONALITÉ

5. BURGER SERVICE NUMMER

CITIZEN SERVICE NUMBER

NUMÉRO DE SERVICE CITOYEN

6. PASFOTO VAN DE HOUDER

PHOTOGRAPH OF HOLDER

PHOTO DE DÉTENTEUR

7. HANDTEKENING VAN DE HOUDER

SIGNATURE OF HOLDER

SIGNATURE DU TITULAIRE

8. VAARBEWIJSNUMMER

CERTIFICATE NUMBER

NUMÉRO DU CERTIFICAT

9. GELDIG VOOR

VALID FOR

VALABLE POUR

10. AFGIFTEDATUM

DATE OF ISSUE

DATE D’ÉMISSION

11. VERVALDATUM

DATE OF EXPIRY

DATE D’EXPIRATION

12. AFGEGEVEN DOOR

ISSUED BY

DÉLIVRÉ PAR

13. AANGEWEZEN DOOR

AUTHORISED BY

AUTORISÉ PAR

14. BEPERKINGEN/VERMELDINGEN

RESTRICTIONS/MENTIONS

RESTRICTIONS/MENTIONS

 

STICHTING VAMEX + 31 (88) 4564567 WWW.VAMEX.NL info@vamex.nl

 

NNN

Na bijlage 7.4 wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

BIJLAGE 7.5: MODEL-ICC, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 7.1 (85 mm x 54 mm – achtergrond blauw)

NL INTERNATIONAL CERTIFICATE FOR OPERATORS OF PLEASURE CRAFT

Pasfoto 6

1.

 
 

2.

5.

 

3.

 
 

4.

8.

 

9.

 

Handtekening 7

10.

11.

 

12.

13.

 

14.

 
   
   
   

INTERNATIONAL CERTIFICATE FOR OPERATORS OF PLEASURE CRAFT

(resolution 40 of the UN/ECE Working Party On Inland Water Transport)

CERTIFICATE INTERNATIONAL DE CONDUCTEUR DE BATEAU DE PLA’SANCE

(Résolution No. 40 de groupe de travail CEE-ONU des transports par voie navigable)

   

1. ACHTERNAAM

SURNAME

NOM

2. VOORNAMEN

FIRST NAMES

PRÉNOMS

3. GEBOORTEDATUM EN- PLAATS

DATE AND PLACE OF BIRTH

DATE ET LIEU DE NAISSANCE

4. NATIONALITEIT

NATIONALITY

NATIONALITÉ

5. BURGER SERVICE NUMMER

CITIZEN SERVICE NUMBER

NUMÉRO DE SERVICE CITOYEN

6. PASFOTO VAN DE HOUDER

PHOTOGRAPH OF HOLDER

PHOTO DE DÉTENTEUR

7. HANDTEKENING VAN DE HOUDER

SIGNATURE OF HOLDER

SIGNATURE DU TITULAIRE

8. VAARBEWIJSNUMMER

CERTIFICATE NUMBER

NUMÉRO DU CERTIFICAT

9. GELDIG VOOR

VALID FOR

VALABLE POUR

10. AFGIFTEDATUM

DATE OF ISSUE

DATE D’ÉMISSION

11. VERVALDATUM

DATE OF EXPIRY

DATE D’EXPIRATION

12. AFGEGEVEN DOOR

ISSUED BY

DÉLIVRÉ PAR

13. AANGEWEZEN DOOR

AUTHORISED BY

AUTORISÉ PAR

14. BEPERKINGEN/VERMELDINGEN

RESTRICTIONS/MENTIONS

RESTRICTIONS/MENTIONS

 

STICHTING VAMEX + 31 (88) 4564567 WWW.VAMEX.NL info@vamex.nl

 

OOO

Na bijlage 8.3 wordt een bijlage ingevoegd overeenkomstig bijlage 2 bij deze regeling.

ARTIKEL II

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.

  • 2. De onderdelen BB tot en met ZZ van artikel I werken terug tot en met 1 december 2009.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

J.C. Huizinga-Heringa.

BIJLAGE 1 ALS BEDOELD IN ARTIKEL I, ONDERDEEL YY

Bijlage M

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers in de Rijnvaart

Inhoud

Deel I

Minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties in de Rijnvaart

Deel II

Minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers in de Rijnvaart

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 2 Algemene minimumeisen voor bochtaanwijzers

Hoofdstuk 3 Operationele minimumeisen voor bochtaanwijzers

Hoofdstuk 4 Technische minimumeisen voor bochtaanwijzers

Hoofdstuk 5 Keuringsvoorwaarden en -methodes voor bochtaanwijzers

Aanhangsel : Tolerantiegrenzen voor bochtaanwijzers

Deel III

Voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties enbochtaanwijzers in de Rijnvaart

Deel IV

Verklaring over de inbouw en het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers in de Rijnvaart

Deel V

Lijsten van de bevoegde autoriteiten, toegelaten apparatuur en erkende deskundige bedrijven

Bijlage M, Deel I

Minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties in de Rijnvaart

Artikel 1 Toepassing

In deze voorschriften zijn de minimumeisen voor radarinstallaties voor de Rijnvaart vastgelegd, alsmede de keuringsvoorwaarden waaronder aan de minimumeisen moet worden voldaan. Inland ECDIS apparaten, die in de navigatiemodus kunnen worden gebruikt, worden beschouwd als radarinstallaties als bedoeld in deze voorschriften.

Artikel 2 Doel van de radarinstallatie

Radarinstallaties moeten een voor het voeren van een schip bruikbaar beeld geven van de positie van het schip ten opzichte van de bebakening, de contouren van de oever en de voor de scheepvaart van belang zijnde werken en moet tijdig en op betrouwbare wijze de aanwezigheid aangeven van andere schepen en van boven het wateroppervlak van het vaarwater uitstekende obstakels.

Artikel 3 Minimumeisen
  • 1. Radarinstallaties moeten voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit.

  • 2. Bovendien moeten de radarinstallaties voldoen aan de voorwaarden van de Europese norm EN 302194-1:2006 Electromagnetic compatibility and Radio spectrum Matters (ERM); Navigation radar used on inland waterways: Part 1: Technical characteristics and methods of measurement .

Artikel 4 Typekeuring

Inbouw van een radarinstallatie aan boord van een schip is slechts toegestaan, wanneer aan de hand van een typekeuring werd aangetoond dat de installatie aan de minimumeisen van artikel 3, tweede lid, voldoet. Tests voor het aantonen dat aan de minimumeisen bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt voldaan, zijn geen onderdeel van de typekeuring.

Artikel 5 Aanvraag tot typekeuring
  • 1. De aanvraag tot typekeuring van een radarinstallatie moet bij de bevoegde autoriteit van één der Rijnoeverstaten of van België worden ingediend. De namen van deze autoriteiten moeten ter kennis van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) worden gebracht.

  • 2. Daarbij moet de volgende documentatie worden overgelegd:

    • a. twee uitvoerige technische beschrijvingen;

    • b. twee stel complete schakelschema's en servicedocumentatie;

    • c. twee uitvoerige bedieningsvoorschriften;

    • d. twee korte bedieningsvoorschriften; en

    • e) eventueel verklaringen over reeds uitgevoerde typekeuringen.

  • 3. In het kader van de typekeuring wordt onder aanvrager verstaan een rechtspersoon of natuurlijk persoon onder wiens naam, handelsmerk of andere specifieke aanduiding de ter typekeuring aangeboden installatie wordt vervaardigd of verhandeld.

Artikel 6 Typegoedkeuring
  • 1. Na een geslaagde typekeuring geeft de autoriteit een bewijs van de typegoedkeuring af. Bij het niet voldoen aan de minimumeisen worden de redenen van afwijzing schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld. De typegoedkeuring wordt door de bevoegde autoriteit verleend. De bevoegde autoriteit deelt de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede welke typen zijn goedgekeurd.

  • 2. Iedere autoriteit is gerechtigd op elk tijdstip een apparaat uit de serie te controleren. Worden tijdens deze controle gebreken geconstateerd dat kan de verleende typegoedkeuring worden ingetrokken. Tot de intrekking van deze goedkeuring is de autoriteit bevoegd, die ook de goedkeuring heeft verleend.

Artikel 7 Toestelkenmerken en goedkeuringsnummer
  • 1. De tot een installatie behorende toestellen moeten duurzaam met de naam van de fabrikant, de typeaanduiding van de installatie, de toestelsoort en het serienummer zijn gekenmerkt.

  • 2. Het door de bevoegde autoriteit toegekende goedkeuringsnummer moet duurzaam op de beeldschermeenheid zijn aangebracht en ook na de inbouw duidelijk zichtbaar zijn.

    Het goedkeuringsnummer is samengesteld als volgt: R-N-NNN

    (R = Rijn

    N = nummer dat het land van de goedkeuring aangeeft:

    1 = D, 2 = F, 4 = N, 6 = B, 14 = CH

    NNN = nummer van drie cijfers, te bepalen door de bevoegde autoriteit.)

  • 3. Het goedkeuringsnummer mag uitsluitend met de daarbij behorende goedkeuring worden toegepast. De aanvrager zorgt zelf voor de aanmaak en het aanbrengen van het goedkeuringsnummer.

  • 4. De bevoegde autoriteit deelt het verleende goedkeuringsnummer evenals de typeaanduiding, de naam van de fabrikant, de naam van de houder van de typegoedkeuring en de dag van de goedkeuring onmiddellijk aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede.

Artikel 8 Verklaring fabrikant

Voor elke installatie moet de fabrikant een verklaring afgeven waarin hij garandeert dat de installatie aan de bestaande minimumeisen voldoet en zonder enige beperking overeenkomstig het gekeurde prototype is.

Artikel 9 Wijzigingen aan goedgekeurde installaties
  • 1. Bij wijzigingen aan goedgekeurde installaties vervalt de goedkeuring. Voorgenomen wijzigingen moeten schriftelijk aan de autoriteit worden gemeld.

  • 2. De autoriteit beslist of de goedkeuring kan worden gehandhaafd of dat een herkeuring dan wel een nieuwe typekeuring nodig is. Is er sprake van een nieuwe typegoedkeuring dan wordt ook een nieuw goedkeuringsnummer toegekend.

Bijlage M, Deel II

Minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers in de Rijnvaart

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen
Artikel 1.01 Toepassing

In deze voorschriften zijn de minimumeisen voor aanwijzers van de snelheid van draaiing (bochtaanwijzers) voor de Rijnvaart vastgelegd, alsmede de keuringsvoorwaarden waaraan moet worden voldaan.

Artikel 1.02 Doel van de bochtaanwijzer

Het doel van bochtaanwijzers is het vergemakkelijken van het varen met behulp van radar en het meten en aanwijzen van de snelheid van draaiing van het schip naar bakboord en stuurboord.

Artikel 1.03 Typekeuring

Inbouw van bochtaanwijzers aan boord van een schip is slechts toegestaan wanneer aan de hand van een typekeuring werd aangetoond dat het apparaat aan de in deze voorschriften gestelde minimumeisen voldoet.

Artikel 1.04 Aanvraag tot typekeuring
  • 1. De aanvraag tot typekeuring van een bochtaanwijzer moet bij de bevoegde autoriteit van één der Rijnoeverstaten of van België worden ingediend. De namen van deze autoriteiten moeten ter kennis van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) worden gebracht.

  • 2. Daarbij moet de volgende documentatie worden overgelegd:

    • a. twee uitvoerige technische beschrijvingen;

    • b. twee stel complete schakelschema's en servicedocumentatie;

    • c. twee bedieningshandleidingen.

  • 3. De aanvrager moet zelf controleren of laten controleren dat aan de in deze voorschriften gestelde minimumeisen wordt voldaan. Het resultaat van deze keuring en de meetrapporten moeten gelijktijdig bij de aanvraag worden ingediend. Deze bescheiden en de bij de typekeuring verkregen gegevens worden bij de autoriteit bewaard.

  • 4. In het kader van de typekeuring wordt onder aanvrager verstaan een rechtspersoon of natuurlijk persoon onder wiens naam, handelsmerk of andere specifieke aanduiding de ter typekeuring aangeboden installatie wordt vervaardigd of verhandeld.

Artikel 1.05 Typegoedkeuring
  • 1. Na een geslaagde typekeuring geeft de autoriteit een bewijs van de typegoedkeuring af.

    Bij het niet voldoen aan de minimumeisen worden de redenen van afwijzing schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld.

    De typegoedkeuring wordt door de bevoegde autoriteit verleend.

    De bevoegde autoriteit deelt de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede welke typen zijn goedgekeurd.

  • 2. Iedere autoriteit is gerechtigd op elk tijdstip een apparaat uit de serie te controleren. Worden tijdens deze controle gebreken geconstateerd dat kan de verleende typegoedkeuring worden ingetrokken. Tot de intrekking van deze goedkeuring is de autoriteit bevoegd, die ook de goedkeuring heeft verleend.

Artikel 1.06 Toestelkenmerken en goedkeuringsnummer
  • 1. De tot een installatie behorende toestellen moeten duurzaam met de naam van de fabrikant, de typeaanduiding van de installatie, de toestelsoort en het serienummer zijn gekenmerkt.

  • 2. Het door de bevoegde autoriteit toegekende goedkeuringsnummer moet duurzaam op de bedieningseenheid van de installatie zijn aangebracht en ook na de inbouw duidelijk zichtbaar zijn.

    Het goedkeuringsnummer is samengesteld als volgt: R-N-NNN

    (R = Rijn

    N = nummer dat het land van de goedkeuring aangeeft:

    1 = D, 2 = F, 4 = N, 6 = B, 14 = CH

    NNN = nummer van drie cijfers, te bepalen door de bevoegde autoriteit.)

  • 3. Het goedkeuringsnummer mag uitsluitend met de daarbij behorende goedkeuring worden toegepast. De aanvrager zorgt zelf voor de aanmaak en het aanbrengen van het goedkeuringsnummer.

  • 4. De bevoegde autoriteit deelt het verleende goedkeuringsnummer evenals de typeaanduiding, de naam van de fabrikant, de naam van de houder van de typegoedkeuring en de dag van de goedkeuring onmiddellijk aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede.

Artikel 1.07 Verklaring fabrikant

Voor elke installatie moet de fabrikant een verklaring afgeven waarin hij garandeert dat de installatie aan de bestaande minimumeisen voldoet en zonder enige beperking overeenkomstig het gekeurde prototype is.

Artikel 1.08 Wijzigingen aan goedgekeurde installaties
  • 1. Bij wijzigingen aan goedgekeurde installaties vervalt de goedkeuring.

    Voorgenomen wijzigingen moeten schriftelijk aan de autoriteit worden gemeld.

  • 2. De autoriteit beslist of de goedkeuring kan worden gehandhaafd of dat een herkeuring dan wel een nieuwe typekeuring nodig is. Is er sprake van een nieuwe typegoedkeuring dan wordt ook een nieuw goedkeuringsnummer toegekend.

Hoofdstuk 2 Algemene minimumeisen voor bochtaanwijzers
Artikel 2.01 Constructie en uitvoering
  • 1. De betreffende bochtaanwijzers moeten geschikt zijn voor de Rijnvaart.

  • 2. Constructie en uitvoering moeten zowel mechanisch als elektrisch in overeenstemming zijn met het peil van de moderne techniek.

  • 3. Voor zover niet reeds voorgeschreven volgens het Reglement onderzoek schepen op de Rijn of in de onderhavige voorschriften niet expliciet vermeld, gelden voor de eisen aan de elektrische voeding, de veiligheid, de wederzijdse beïnvloeding van de toestellen aan boord, de veilige kompasafstand, de mechanische en klimatologische bestendigheid, de beïnvloeding door het milieu, de geluidsproductie, alsmede voor de aanduidingen op de toestellen de in de Europese norm EN 60945 : 2002 Maritieme navigatie- en radiocommunicatie-apparatuur en – systemen – Algemene eisen – Beproevingsmethoden en vereiste beproevingsresultaten (IEC 60945 : 2002) opgenomen eisen en meetmethoden. Aan alle in deze voorschriften genoemde eisen moet bij omgevingstemperaturen van de apparatuur tussen 0° C en 40° C worden voldaan.

Artikel 2.02 Uitgezonden radiostoringen en elektromagnetische compatibiliteit (EMC)
  • 1. Algemene eisen

    Bochtaanwijzers moeten voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 2004/108/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit en tot intrekking van Richtlijn 89/336/EEG.

  • 2. Uitgezonden radiostoringen

    In de frequentiegebieden van 156–65 MHz, 450–470 MHz, en van 1,53–1,544 GHz mag de veldsterkte een waarde van 15 μV/m niet te boven gaan. Deze veldsterktes gelden voor een meetafstand van 3 m ten opzichte van het te keuren apparaat.

Artikel 2.03 Bediening
  • 1. Het aantal bedieningselementen dient te worden beperkt tot het voor de doelmatige bediening strikt noodzakelijke aantal. Uitvoering, aanduiding en werking moeten een eenvoudige, ondubbelzinnige en snelle bediening mogelijk maken. Zij moeten zo zijn geplaatst dat bedieningsfouten zoveel mogelijk worden vermeden. De niet voor normaal gebruik noodzakelijke bedieningselementen mogen niet direct bereikbaar zijn.

  • 2. Alle bedieningselementen en aanwijsinstrumenten moeten zijn voorzien van symbolen en/of Engelse opschriften. De symbolen moeten voldoen aan de in de Europese norm EN 60417 : 1998 Grafische symbolen voor gebruik op apparatuur genoemde bepalingen.

    Cijfers en letters moeten ten minste 4 mm hoog zijn. Indien kan worden aangetoond dat om technische redenen een hoogte van 4 mm niet mogelijk is en uit operationeel oogpunt gezien kleinere karakters acceptabel zijn wordt een vermindering van de hoogte tot 3 mm toegestaan.

  • 3. De installatie moet zo zijn uitgevoerd dat hij door fouten bij de bediening niet buiten bedrijf kan raken.

  • 4. Functies die boven de minimumeisen uitgaan, alsmede aansluitmogelijkheden voor toegevoegde apparatuur, moeten zo zijn uitgevoerd dat de installatie onder alle omstandigheden aan de minimumeisen blijft voldoen.

Artikel 2.04 Gebruiksaanwijzing

Bij elke installatie moet een uitvoerige bedieningshandleiding worden meegeleverd. Deze moet in het Duits, Engels, Frans en Nederlands verkrijgbaar zijn en moet ten minste de volgende informatie bevatten:

  • a. inbedrijfstelling en bediening;

  • b. verzorging en onderhoud;

  • c. algemene veiligheidsvoorschriften.

Artikel 2.05 Inbouw en controle van het functioneren
  • 1. Voor de inbouw, het vervangen en de controle van het functioneren gelden de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde voorschriften.

  • 2. Op het sensorgedeelte van de bochtaanwijzer moet de inbouwrichting ten opzichte van de lengte-as van het schip worden aangegeven. Aanwijzingen voor de inbouw met het oog op een minimale gevoeligheid tegen andere typische bewegingen van het schip moeten worden meegeleverd.

Hoofdstuk 3 Operationele minimumeisen voor bochtaanwijzers
Artikel 3.01 Operationele beschikbaarheid van de installatie
  • 1. De bochtaanwijzer moet uiterlijk binnen 4 minuten na het inschakelen operationeel zijn en binnen de vereiste nauwkeurigheidsgrenzen werken.

  • 2. Het ingeschakeld zijn moet optisch worden aangegeven. De bediening en het waarnemen van de bochtaanwijzer moeten gelijktijdig mogelijk zijn.

  • 3. Draadloze afstandsbediening is niet toegestaan.

Artikel 3.02 Aanwijzen van de draaisnelheid
  • 1. Het aanwijzen van de snelheid van draaiing moet op een schaal met lineaire verdeling met het nulpunt in het midden plaatshebben. Het aflezen van de draaisnelheid moet in richting en grootte met de vereiste nauwkeurigheid mogelijk zijn. Het gebruik van wijzers en staafindicatoren (Bar-Graphs) is toegestaan.

  • 2. De schaal van het aanwijsinstrument moet ten minste 20 cm lang zijn en mag zowel cirkelvormig als recht zijn uitgevoerd. Rechte schalen mogen uitsluitend horizontaal worden geplaatst

  • 3. Een uitsluitend numerieke indicatie is niet geoorloofd.

Artikel 3.03 Meetbereiken

Bochtaanwijzers mogen over één, maar ook over verscheidene meetbereiken beschikken. De volgende meetbereiken worden geadviseerd:

30 °/min

60 °/min

90 °/min

180 °/min

300 °/min.

Artikel 3.04 Nauwkeurigheid van de draaisnelheidsaanwijzing

De aangegeven waarde mag niet méér dan 2% van de eindwaarde van het bereik, respectievelijk niet meer dan 10% van de werkelijke waarde afwijken. Daarbij is de hogere waarde van afwijking toegestaan (zie aanhangsel).

Artikel 3.05 Gevoeligheid

Het reactiepunt moet lager liggen dan of gelijk zijn aan een wijziging van de hoeksnelheid overeenkomend met 1% van de aangegeven waarde.

Artikel 3.06 Controle van het functioneren
  • 1. Indien de bochtaanwijzer niet binnen de vereiste nauwkeurigheidsgrenzen werkt, moet dit worden gesignaleerd.

  • 2. Indien een tol wordt gebruikt moet de kritische wijziging van het toerental door middel van een aanduiding worden gesignaleerd. Als kritisch geldt een wijziging van het toerental, waardoor de nauwkeurigheid met 10 % vermindert.

Artikel 3.07 Ongevoeligheid voor andere typische bewegingen van het schip
  • 1. Slingeren met hellingshoeken tot 10° mogen bij hoeksnelheden tot 4°/s geen meetfouten veroorzaken die de tolerantiegrenzen overschrijden.

  • 2. Schokbelastingen, die bijvoorbeeld bij het aanleggen kunnen optreden, mogen geen blijvende en tolerantiegrenzen overschrijdende fouten in de aanwijzing veroorzaken.

Artikel 3.08 Ongevoeligheid voor magnetische velden

De bochtaanwijzer moet ongevoelig zijn voor magnetische velden die normaal aan boord kunnen voorkomen.

Artikel 3.09 Dochterindicatoren

Dochterindicatoren moeten aan dezelfde eisen voldoen die aan bochtaanwijzers worden gesteld.

Hoofdstuk 4 Technische minimumeisen voor bochtaanwijzers
Artikel 4.01 Bediening
  • 1. Alle bedieningselementen moeten zodanig zijn aangebracht dat tijdens hun bediening geen bijbehorende aanwijzing wordt afgedekt en de navigatie met behulp van radar zonder enige beperking mogelijk blijft.

  • 2. Alle bedieningselementen en aanwijsinstrumenten moeten een niet verblindende en een voor alle omstandigheden geschikte verlichting hebben die met een onafhankelijke instelling tot op nul kan worden gereduceerd.

  • 3. De werking van de bedieningselementen moet zo zijn dat door het verstellen naar rechts of naar boven een positieve en naar links of naar beneden een negatieve uitwerking op de ingestelde waarde ontstaat.

  • 4. Bij gebruik van druktoetsen moeten deze zo zijn geconstrueerd dat deze knoppen ook op de tast kunnen worden gevonden en bediend. Bovendien moeten zij een duidelijk voelbaar drukpunt hebben.

Artikel 4.02 Dempinrichtingen
  • 1. Het sensorsysteem moet kritisch gedempt zijn. De tijdconstante van de demping (63 % van de eindwaarde) mag niet meer dan 0,4 seconde zijn.

  • 2. De aanwijzing moet kritisch gedempt zijn. Voor de extra vergroting van de demping mag een bedieningselement aanwezig zijn. De tijdconstante mag echter niet meer dan 5 seconden zijn.

Artikel 4.03 Aansluiten van toegevoegde apparatuur
  • 1. Indien de bochtaanwijzer een mogelijkheid tot het aansluiten van bij voorbeeld dochterindicatoren heeft, dan moet het draaisnelheidssignaal als elektrisch signaal ter beschikking staan. Het signaal moet galvanisch van massa zijn gescheiden en moet als proportionele analoge spanning van 20 mV/graad/min ±5% bij een inwendige weerstand van maximaal 100 Ohm beschikbaar zijn. De polariteit moet positief zijn voor een koerswijziging van het schip naar stuurboord, en negatief voor een koerswijziging van het schip naar bakboord. Het reactiepunt mag een waarde van 0,3°/min niet overschrijden. De afwijking van het nulpunt mag l °/min niet te boven gaan, bij omgevingstemperaturen van 0° tot 40° C. Bij ingeschakelde bochtaanwijzer en een bewegingloze opstelling van de sensor mag de stoorspanning op het uitgangssignaal, gemeten achter een laagdoorlaatfilter van de eerste orde met een bandbreedte van 10 Hz, niet meer dan 10 mV zijn. Het draaisnelheidssignaal meet beschikbaar zijn met een demping die binnen de grenzen bedoeld in artikel 4.02, eerste lid, blijft.

  • 2. Een schakelcontact voor het inschakelen van een extern alarm moet aanwezig zijn. Dit schakelcontact moet galvanisch van de bochtaanwijzer zijn gescheiden. Het externe alarm moet telkens door het sluiten van het schakelcontact worden geactiveerd, als:

    • a. de bochtaanwijzer uitgeschakeld is of

    • b. de bochtaanwijzer niet operationeel is of

    • c. de controle op het functioneren een grote fout signaleert (zie artikel 3.06).

Hoofdstuk 5 Keuringsvoorwaarden en -methodes voor bochtaanwijzers
Artikel 5.01 Veiligheid, bestendigheid en uitgezonden storing

Voor het testen van de voeding, de veiligheid, de wederzijdse beïnvloeding van de installaties aan boord, de veilige kompasafstand, de mechanische en klimatologische bestendigheid, de beïnvloeding door het milieu en de geluidhinder, gelden de eisen overeenkomstig de Europese norm EN 60945 : 2002 Maritieme navigatie- en radiocommunicatie-apparatuur en -systemen – Algemene eisen – Beproevingsmethoden en vereiste beproevingsresultaten (IEC 60945 : 2002).

Artikel 5.02 Uitgezonden radiostoringen

De metingen van de uitgezonden storingen worden overeenkomstig de Europese norm EN 60945 : 2002 Maritieme navigatie- en radiocommunicatie-apparatuur en -systemen – Algemene eisen – Beproevingsmethoden en vereiste beproevingsresultaten (IEC 60945 : 2002) in het frequentiegebied tussen 30 MHz en 2000 MHz uitgevoerd. Aan de eisen bedoeld in artikel 2.02, tweede lid, moet zijn voldaan.

Artikel 5.03 Keuringsmethodes
  • 1. De bochtaanwijzer wordt zowel onder nominale als extreme omstandigheden in bedrijf gesteld en op zijn goede werking onderzocht Daarbij worden de omgevingstemperatuur en de bedrijfsspanning tot aan de voorgeschreven grenzen gewijzigd. Bovendien worden radiozenders voor het opwekken van de grenswaarden van de veldsterkte in de omgeving van de bochtaanwijzers ingeschakeld.

  • 2. Met inachtneming van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, moet de fout in de aanwijzing binnen de in het aanhangsel vermelde tolerantiegrenzen liggen. Aan alle andere eisen moet zijn voldaan.

Aanhangsel
Fig. 1 Tolerantiegrenzen voor bochtaanwijzers

Fig. 1 Tolerantiegrenzen voor bochtaanwijzers

Bijlage M, Deel III

Voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers in de Rijnvaart

Artikel 1 Doel van de voorschriften

Doel van deze voorschriften is te bevorderen dat in het belang van een veilige en vlotte binnenvaart de inbouw van radarinstallaties en bochtaanwijzers technisch en ergonomisch optimaal verloopt, en dat aansluitend daarop een controle van het functioneren daarvan wordt uitgevoerd. Inland ECDIS apparaten, die in de navigatiemodus kunnen worden gebruikt, worden beschouwd als radarinstallaties als bedoeld in deze voorschriften.

Artikel 2 Goedkeuring van de apparatuur

Ten behoeve van het varen met behulp van radar in de Rijnvaart mogen uitsluitend installaties worden ingebouwd die overeenkomstig de geldende voorschriften van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart zijn toegelaten en waarop een goedkeuringsnummer is aangebracht of op grond van als gelijkwaardig erkende typegoedkeuringen toegelaten installaties.

Artikel 3 Erkende bedrijven
  • 1. De inbouw of vervanging, alsmede de reparatie en het onderhoud van radarinstallaties en bochtaanwijzers mogen slechts door deskundige bedrijven, die door de bevoegde autoriteit op grond van artikel l zijn erkend, worden uitgevoerd .

    De bevoegde autoriteiten moeten ter kennis van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) worden gebracht.

  • 2. De erkenning kan door de bevoegde autoriteit worden ingetrokken als het bedrijf niet meer voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 1.

  • 3. De bevoegde autoriteit deelt de namen, adressen, telefoonnummers en e-mailadressen van de door haar erkende bedrijven onmiddellijk aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede.

Artikel 4 Eisen voor de stroomverzorging aan boord

Iedere stroomtoevoer voor de radarinstallatie en de bochtaanwijzer moet een eigen zekering hebben en zoveel mogelijk tegen uitval zijn beveiligd.

Artikel 5 Inbouw radarantenne
  • 1. De radarantenne dient zo dicht mogelijk boven de lengte-as van het schip te worden geplaatst. In het stralingsbereik van de antenne mogen zich geen objecten bevinden, die valse echo's of ongewenste schaduwen kunnen veroorzaken; eventueel moet de antenne op het voorschip worden geïnstalleerd. De opstelling en bevestiging van de radarantenne in de operationele positie moeten zo stabiel zijn dat de radar met de vereiste nauwkeurigheid kan werken.

  • 2. Na correctie van de hoekverdraaiing die bij de inbouw is ontstaan mag na het instellen van het radarbeeld de afwijking tussen de koerslijn en de lengte-as van het schip niet meer dan 1° bedragen.

Artikel 6 Inbouw beeldscherm- en bedieningseenheid
  • 1. De beeldschermeenheid en de bedieningseenheid moeten zo in de stuurhut worden ingebouwd dat de beoordeling van het radarbeeld en de bediening van de radarinstallatie moeiteloos mogelijk zijn. De positie van het radarbeeld ten opzichte van het schip moet met de natuurlijke situatie van de omgeving overeenstemmen. Houders en verstelbare dragers moeten zo zijn geconstrueerd dat zij in elke positie zonder eigen trilling kunnen worden vastgezet.

  • 2. Gedurende het varen met behulp van radar mag kunstlicht geen reflecties in de richting van de waarnemer veroorzaken.

  • 3. Als de bedieningselementen niet in de beeldschermeenheid zijn ingebouwd, moeten zij in een huis worden ondergebracht dat hoogstens l m van het beeldscherm verwijderd mag zijn. Draadloze afstandsbedieningen zijn niet toegestaan.

  • 4. Indien dochtereenheden worden geïnstalleerd dan gelden hiervoor dezelfde voorschriften als voor navigatieradarinstallaties.

Artikel 7 Inbouw bochtaanwijzer
  • 1. Het sensordeel moet bij voorkeur midscheeps, horizontaal en opgelijnd met de lengte-as van het schip worden ingebouwd. De hiervoor gekozen plaats moet zoveel mogelijk trillingsvrij en zo min mogelijk aan temperatuurschommelingen onderhevig zijn. De indicator moet zo mogelijk boven de beeldschermeenheid worden aangebracht.

  • 2. Indien dochtereenheden worden geïnstalleerd dan gelden hiervoor dezelfde voorschriften als voor bochtaanwijzers.

Artikel 8 Inbouw van de positiesensor

De positiesensor (bijv. DGPS antenne) moet zodanig worden ingebouwd dat een zo groot mogelijke precisie wordt verzekerd en dat hij zo weinig mogelijk nadelig wordt beïnvloed door opbouwen en zendapparatuur aan boord.

Artikel 9 Inbouw en controle van het functioneren

Vóór de eerste inbedrijfstelling na de inbouw, bij verlenging of vernieuwing van het certificaat van onderzoek (met uitzondering van artikel 2.09, tweede lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn), alsmede na elke verbouwing van het schip die de operationele toestand van deze installaties zou kunnen beïnvloeden, moet door de bevoegde autoriteit of door een in artikel 3 bedoeld erkend bedrijf een controle op de inbouw en het functioneren worden uitgevoerd.

Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de voeding beschikt over een eigen zekering;

  • b. de bedrijfsspanning ligt binnen de gegeven toleranties (zie artikel 2.01 van de Voorschriften omtrent de minimumeisen en de keuringsvoorwaarden voor radarinstallaties en die voor bochtaanwijzers voor de Rijnvaart);

  • c. de bekabeling voldoet aan de voorschriften van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn of eventueel aan die van het ADNR;

  • d. het aantal omwentelingen van de antenne bedraagt minimaal 24/min;

  • e. in het stralingsbereik van de antenne bevindt zich aan boord geen voor de radarnavigatiehinderlijk object;

  • f. de veiligheidsschakelaar van de antenne is, voor zover de installatie daarmee is uitgerust, bedrijfsklaar ;

  • g. beeldschermeenheden, bochtaanwijzers en bedieningselementen zijn ergonomisch verantwoord geplaatst;

  • h. de koerslijn van de radarinstallaties wijkt maximaal 1° van de lengte-as van het schip af;

  • i. de nauwkeurigheid bij het weergeven van afstand en azimuth is overeenkomstig de eisen (meting aan de hand van bekende doelen);

  • j. de lineariteit op korte afstand (pushing en pulling) is in orde;

  • k. de af te beelden minimumafstand is ten hoogste 15 m;

  • l. het middelpunt van het radarbeeld is zichtbaar en niet groter dan 1 mm in doorsnede;

  • m. valse echo's door reflecties en ongewenste afschaduwing vooruit komen niet voor of beïnvloeden de veilige vaart niet;

  • n. de golfonderdrukking en de neerslagonderdrukking, alsmede de voorinstellingen zijn in orde;

  • o. de instelbaarheid van de versterking is in orde;

  • p. de beeldscherpte en het oplossend vermogen zijn in orde;

  • q. de draairichting van het schip is in overeenstemming met de indicatie op de bochtaanwijzer, en de nulstand bij het rechtuit varen is in orde;

  • r. de radarinstallatie is ongevoelig voor uitzendingen van de boordradioinstallatie of storingen uit andere bronnen aan boord;

  • s. storingen van andere boordapparatuur door de radarinstallatie en/of door de bochtaanwijzer komen niet voor;

Bovendien, voor Inland Ecdis apparaten:

  • t. mag de statische positie-afwijking van de kaart niet meer bedragen dan 2 m;

  • u. mag de statische hoekafwijking van de kaart niet meer bedragen dan 1°.

Artikel 10 Verklaring betreffende inbouw en functioneren

Na een succesvolle keuring overeenkomstig artikel 9 geeft de bevoegde autoriteit of het erkende bedrijf een verklaring volgens bijgaand model (bijlage M, deel IV) af. Deze verklaring moet steeds aan boord worden bewaard. Bij het niet voldoen aan de keuringseisen wordt een lijst van geconstateerde gebreken opgemaakt. Een eventueel nog aanwezige verklaring wordt ingetrokken dan wel door het erkende bedrijf aan de bevoegde autoriteit toegezonden.

Bijlage M, Deel IV

(Model)

Verklaring over de inbouw en het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers in de Rijnvaart

Soort/naam v.h. schip;

.....

Uniek Europees scheepsidentificatienummer of officieel scheepsnummer:

.....

Eigenaar van het schip

Naam: .....

Adres

.....

.....

Tel. .....

  

Radartoestellen

Aantal: .....

  

Volgnr.

Verklaring

Type

Goedkeuringsnummer

Serienummer

     
  

Bochtaanwijzers

Aantal: .....

  

Volgnr.

Verklaring

Type

Goedkeuringsnummer

Serienummer

     

Hierbij wordt verklaard dat de radarinstallatie en de bochtaanwijzer van dit schip aan de voorschriften van bijlage M, deel III, van het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn, omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers voor de Rijnvaart voldoen.

Erkend bedrijf

Naam: .....

Adres

.....

.....

Tel. .....

   

Stempel

Plaats .....

Datum .....

.....

  

Handtekening:

  
   

Instantie die erkenning verleent

Naam: .....

Adres

.....

.....

Tel. .....

Bijlage M, Deel V

(Model)

1. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn voor het toelaten van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers bevoegde autoriteiten

Land

Naam

Adres

Telefoon

E-mail

België

    

Duitsland

    

Frankrijk

    

Nederland

    

Zwitserland

    

Is geen autoriteit vermeld, dan betekent dat de betrokken staat geen bevoegde autoriteit heeft benoemd.

2. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn toegelaten navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers

Nr.

Type

Fabrikant

Houder van de typegoedkeuring

Datum van de goedkeuring

Bevoegde autoriteit

Goedkeuringsnummer

       

3. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn op grond van gelijkwaardige typegoedkeuringen toegelaten navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers

Nr.

Type

Fabrikant

Houder van de typegoedkeuring

Datum van de goedkeuring

Bevoegde autoriteit

Goedkeuringsnummer

       

4. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn voor de inbouw of het vervangen van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers erkende bedrijven

België

Nr.

Naam

Adres

Telefoon

E-mail

     

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Duitsland

Nr.

Naam

Adres

Telefoon

E-mail

     

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Frankrijk

Nr.

Naam

Adres

Telefoon

E-mail

     

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Nederland

Nr.

Naam

Adres

Telefoon

E-mail

     

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Zwitserland

Nr.

Naam

Adres

Telefoon

E-mail

     

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

BIJLAGE 2 ALS BEDOELD IN ARTIKEL I, ONDERDEEL Y

bijlage 11.1 als bedoeld in artikel 11.1

Tabel bedragen voor bestuurlijke boete op overtredingen Binnenvaartwet

Artikelen in Binnenvaartwet (Bw), -besluit (Bb), -regeling (Br), RosR 1995 (RosR) en Patentreglement Rijn (PR)

Beboetbaar feit

Boetebedrag

Feitcode

5, eerste lid, lid Bw jo. 2, eerste en tweede lid, Bb

Verrichten van bedrijfsmatig vervoer per schip zonder dat hiervoor een Rijnvaartverklaring is afgegeven

€ 1250

Biva001

5, eerste lid, lid Bw jo. 2, eerste en tweede lid, Bb

Doen verrichten van bedrijfsmatig vervoer per schip zonder dat hiervoor een Rijnvaartverklaring is afgegeven

€ 1250

Biva002

6, eerste lid, Bw jo. 2.2 Br

Verrichten van bedrijfsmatig vervoer van goederen per schip zonder bewijs van vakbekwaamheid is afgegeven

€ 1250

Biva003

6, zesde lid, Bw

Handelen in strijd met de voorschriften bij een vrijstelling of ontheffing van de eis van vakbekwaamheid

€ 525

Biva004

7, eerste lid, lid Bw jo. 1.7, tweede lid, 3.2, Br en 1.03, RosR

Doen gebruiken van een binnenschip zonder dat hiervoor een geldig certificaat van onderzoek of een vervangend document is afgegeven

€ 1250

Biva005

7, eerste lid, Bw jo. 1.7, tweede lid, 3.2, Br en 1.03, RosR

Doen gebruiken van een binnenschip met een verlopen certificaat van onderzoek of een verlopen vervangend document

€ 500

Biva006

7, eerste lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, 1.7, eerste lid, Br en 1.03, RosR

Gebruiken van een binnenschip met een verlopen certificaat van onderzoek of een verlopen vervangend document

€ 500

Biva007

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, 4.24, Br en 4.04, tweede lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder duidelijke zichtbare en onuitwisbare inzinkingsmerken

€ 150

Biva008

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 8.02, tweede lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat hoofdmotoren, hulpmotoren e.d. zijn voorzien van beschermende inrichtingen

€ 150

Biva009

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 8.04, vierde lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder de uitlaat (gasleiding) in machinekamer voldoende te isoleren of te koelen

€ 250

Biva010

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 8.05, vijfde lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat de vulopeningen van de brandstoftanks voldoende zijn gekenmerkt

€ 150

Biva011

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 9.11, eerste lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat accumulatoren niet toegankelijk en vast zijn

€ 250

Biva012

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 9.11, eerste lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat de accumulatoren zijn beschermd tegen koude/hitte/sproeiwater/dampen

€ 250

Biva013

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 9.11, tweede lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat de accumulatoren beschermd zijn tegen vallende voorwerpen en/of druipwater

€ 250

Biva014

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 9.11, tweede lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat de accumulatoren (>2,0kW) in een speciale ruimte zijn ondergebracht

€ 250

Biva015

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.01, eerste lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder ankers en kettingen die voldoen aan de voorschriften

€ 250

Biva016

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.02, eerste lid, onder a, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat een marifooninstallatie aanwezig is

€ 250

Biva017

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.02, eerste lid, onder b, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder apparaten en installaties voor licht- en geluidsseinen

€ 150

Biva018

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.02, eerste lid, onder c, RosR

Gebruik van een binnenschip zonder dat onafhankelijk van het aan boord aanwezige elektriciteitsnet werkende lichten aanwezig zijn, ter vervanging van voor het stilliggen voorgeschreven lichten

€ 150

Biva019

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.02, eerste lid, onder d, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat een brandbestendig verzamelreservoir, met deksel, voor oliehoudende poetslappen aanwezig is

€ 90

Biva020

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.02, eerste lid, onder d, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat het brandbestendig verzamelreservoir, met deksel, voor oliehoudende poetslappen als zodanig is aangeduid

€ 40

Biva021

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.02, eerste lid, onder e, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat een apart brandbestendig verzamelreservoir, met deksel, voor klein chemisch afval aanwezig is

€ 90

Biva022

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.02, eerste lid, onder e, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat het apart brandbestendig verzamelreservoir, met deksel, voor klein chemisch afval als zodanig aangeduid is

€ 40

Biva023

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.02, eerste lid, onder f, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat een apart brandbestendig verzamelreservoir, met deksel, voor slops aanwezig is

€ 90

Biva024

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.02, eerste lid, onder f, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat het apart brandbestendig verzamelreservoir, met deksel, voor slops als zodanig aangeduid is

€ 90

Biva025

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.03, eerste lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder of met onvoldoende middelen ter bestrijding van brand (bedrag per benodigd blustoestel)

€ 100

Biva026

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.03, vijfde lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat de blustoestellen tweejaarlijks zijn goedgekeurd (bedrag per benodigd blustoestel)

€ 50

Biva027

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.03 a, zesde lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat de vaste brandblusinstallatie in verblijven, stuurhuizen en passagiersverblijven tweejaarlijks is goedgekeurd

€ 250

Biva028

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.03 b, negende lid, onderdeel b, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat de vaste brandblusinstallatie in machinekamers, ketelruimten en pompkamers tweejaarlijks is goedgekeurd

€ 250

Biva029

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.04 RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder voorgeschreven bijboot

€ 200

Biva030

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.05, eerste lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder voorgeschreven reddingsboeien

€ 200

Biva031

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.05, eerste lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder de voorgeschreven reddingsboeien, in gebruiksklare toestand, op een geschikte plaats aan dek

€ 100

Biva032

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.05, tweede lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder de voorgeschreven zwemvesten

€ 200

Biva033

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 10.05, tweede lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder de voorgeschreven zwemvesten onder handbereik

€ 100

Biva034

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 11.01, tweede lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip terwijl de noodzakelijke voorzieningen aan boord zodanig zijn opgesteld dat de bediening of onderhoud gevaar oplevert

€ 250

Biva035

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 11.05, vijfde lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat in het laadruim een ladder is opgesteld conform de voorschriften

€ 150

Biva036

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 11.06 RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat daarvan de nooduitgangen als zodanig zijn aangeduid

€ 150

Biva037

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 11.08, tweede lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat de vloeren van de werkplekken voldoende beveiligd zijn tegen struikelen en uitglijden

€ 250

Biva038

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 11.12, derde lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat op kranen de hoogst toelaatbare belasting duurzaam en duidelijk zichtbaar is aangebracht

€ 250

Biva039

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 11.13 RosR

Gebruiken van een binnenschip terwijl de opslag van brandbare vloeistoffen niet conform de voorschriften is

€ 150

Biva040

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 12.05, eerste lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder dat de vulopeningen van drinkwatertanks en drinkwaterslangen als zodanig zijn aangeduid

€ 150

Biva041

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 14.13 RosR

Gebruiken van een binnenschip indien de vloeibare gasinstallatie voor huishoudelijk gebruik niet of niet tijdig is gekeurd

€ 250

Biva042

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 15.09, eerste lid, RosR

Gebruiken van een passagiersschip zonder dat de voorgeschreven reddingsboeien aanwezig zijn (bedrag per boei)

€ 100

Biva043

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br en 15.09 RosR

Gebruiken van een passagiersschip zonder dat voorgeschreven individuele of gemeenschappelijke reddingsmiddelen aanwezig zijn

€ 500

Biva044

8, derde lid, Bw jo. 1.7, tweede lid, Br, 15.05, eerste lid, RosR

Het vervoer van meer passagiers dan ten hoogste toegelaten voor een passagiersschip, tot 10% van het ten hoogste toegelaten aantal personen.

€ 125 per persoon met maximum van € 1250

Biva045

8, derde lid, Bw jo. 1.7, eerste lid, Br, 17.07, eerste en tweede lid, RosR

Het bij een drijvend werktuig niet correct zijn van het bewijs van stabiliteit dat bij de tijdens het in bedrijf zijn van de installaties en tijdens de vaart optredende belastingen voldoende resterende veiligheidsafstand en voldoende resterend vrijboord aanwezig zijn.

€ 500

Biva046

8, derde lid, Bw jo. 1.7, eerste lid, Br, tweede lid, 22.01, eerste en tweede lid, 22.02, eerste en

tweede lid 22.03 RosR

Het ontbreken van de (juiste) berekening ten behoeve van de stabiliteit bij het vervoer van containers.

€ 400

Biva047

10, tweede lid, Bw jo. 1.7, eerste lid, Br en 1.03 RosR

Gebruiken van een binnenschip in strijd met het certificaat van onderzoek

€ 500

Biva048

10, tweede lid, Bw jo. 1.7, tweede lid, Br en 1.03 RosR

Doen gebruiken van een binnenschip in strijd met het certificaat van onderzoek

€ 1000

Biva049

11 Bw jo.1.7, eerste lid, en 3.2 Br en 2.07, eerste lid, en 2.08, eerste lid, RosR

Gebruiken van een binnenschip zonder kennisgeving aan de minister of de bevoegde autoriteit van een belangrijke schade of verbouwing dan wel van de eigendomsoverdracht

€ 250

Biva050

11 Bw jo. 1.7, tweede lid, Br en 2.07, eerste lid, en 2.08, eerste lid, RosR

Doen gebruiken van een binnenschip zonder kennisgeving aan de minister of de bevoegde autoriteit van een belangrijke schade of verbouwing dan wel van de eigendomsoverdracht

€ 250

Biva051

12 Bw

Gebruiken van een binnenschip waarvan de toestand, het gebruik en de uitrusting afwijkt van het certificaat van onderzoek

€ 500

Biva052

13, vierde lid, Bw

Gebruiken van een binnenschip in strijd met de voorschriften, verbonden aan een vrijstelling of ontheffing van technische eisen

€ 525

Biva053

21, eerste lid, Bw

Gebruiken van een binnenschip zonder geldige meetbrief

€ 500

Biva054

22, negende lid, Bw jo. 5.5 Br en 23.07, eerste lid, RosR

Nalaten dat bij het wisselen of herhalen van de exploitatiewijze ieder bemanningslid de volledige rusttijd in acht heeft genomen

  

bij een tekort van 1 tot 2 uur

€ 120

Biva055

bij een tekort van 2 tot 3 uur

€ 180

Biva056

bij een tekort van 3 tot 4 uur

€ 270

Biva057

bij een tekort van 4 tot 5 uur

€ 400

Biva058

bij een tekort van 5 tot 6 uur

€ 600

Biva059

22, negende lid, Bw en 23.06, eerste lid, RosR

Nalaten dat bij exploitatiewijze A1 ieder bemanningslid de volledige rusttijd in acht heeft genomen

  

bij een tekort van 1 tot 2 uur

€ 120

Biva060

bij een tekort van 2 tot 3 uur

€ 180

Biva061

bij een tekort van 3 tot 4 uur

€ 270

Biva062

bij een tekort van 4 tot 5 uur

€ 400

Biva063

bij een tekort van 5 tot 6 uur

€ 600

Biva064

22, negende lid, Bw jo. 5.4 Br en 23.05, derde lid, RosR

Nalaten dat bij exploitatiewijze A1 een onderbreking van de vaart tussen 2200 en 0600 uur wordt aangehouden

  

bij een tekort van 1 tot 2 uur

€ 120

Biva065

bij een tekort van 2 tot 3 uur

€ 180

Biva066

bij een tekort van 3 tot 4 uur

€ 270

Biva067

bij een tekort van 4 tot 5 uur

€ 400

Biva068

bij een tekort van 5 tot 6 uur

€ 600

Biva069

22, negende lid, Bw en 23.06, tweede lid, RosR

Nalaten dat bij exploitatiewijze A2 ieder bemanningslid de volledige rusttijd in acht heeft genomen

  

bij een tekort van 1 tot 2 uur

€ 120

Biva070

bij een tekort van 2 tot 3 uur

€ 180

Biva071

bij een tekort van 3 tot 4 uur

€ 270

Biva072

bij een tekort van 4 tot 5 uur

€ 400

Biva073

bij een tekort van 5 tot 6 uur

€ 600

Biva074

22, negende lid, Bw jo. 5.4 Br en 23.05, derde lid, RosR

Nalaten dat bij exploitatiewijze A2 een onderbreking van de vaart tussen 23.00 en 05.00 uur wordt aangehouden

  

bij een tekort van 1 tot 2 uur

€ 120

Biva075

bij een tekort van 2 tot 3 uur

€ 180

Biva076

bij een tekort van 3 tot 4 uur

€ 270

Biva077

bij een tekort van 4 tot 5 uur

€ 400

Biva078

bij een tekort van 5 tot 6 uur

€ 600

Biva079

22, negende lid, Bw en 23.06, derde lid, RosR

Nalaten dat bij exploitatiewijze B ieder bemanningslid de volledige rusttijd in acht heeft genomen

  

bij een tekort van 1 tot 2 uur

€ 120

Biva080

bij een tekort van 2 tot 3 uur

€ 180

Biva081

bij een tekort van 3 tot 4 uur

€ 270

Biva082

bij een tekort van 4 tot 5 uur

€ 400

Biva083

bij een tekort van 5 tot 6 uur

€ 600

Biva084

22, negende lid, Bw jo. 5.6 Br en 23.01, eerste lid, RosR

Nalaten om tijdens de vaart voortdurend de volledige minimumbemanning aan boord te hebben, waarbij wel meer dan 50% van de voorgeschreven bemanning aanwezig is,

  

bij ontbreken van 1 bemanningslid:

€ 360

Biva085

bij ontbreken van 2 bemanningsleden:

€ 800

Biva086

bij ontbreken van 3 bemanningsleden:

€ 1250

Biva087

22, negende lid, Bw jo. 2.9 Br en

23.04, vijfde lid, RosR, 20.02, tweede lid, RosR i.v.m. 23.04, vijfde lid, ROSR

Het niet kunnen aantonen van de deskundigheid (ofwel: bekwaamheid voor een functie aan boord) van de schipper door middel van een vaarbewijs of het groot patent dat overeenkomstig Patentreglement Rijn is vereist.

€ 700

Biva088

22, negende lid, Bw jo. 5.11 Br en

23.04, tweede lid, ROSR

Gezagvoerend schipper heeft niet nageleefd dat het bemanningslid in het bezit is van een dienstboekje

€ 360

Biva089

37, tweede lid, 43, tweede lid, Bw jo. 31 Bb, 5.3, tweede lid, 5.12 Br en

23.08, eerste lid, ROSR

Gezagvoerend schipper heeft geen zorg gedragen dat een vaartijdenboek aan boord aanwezig is

€ 950

Biva090

37, tweede lid, 22, negende lid, Bw jo. 31 Bb, 5,3 tweede lid, 5.12, eerste lid, Br en 23.08, eerste lid, ROSR

Tijdens de vaart het vaartijdenboek niet in de stuurhut aanwezig hebben

€ 450

Biva091

37, tweede lid, 22, negende lid, Bw jo. 31 Bb, 5,3 tweede lid, 5.12, eerste lid, Br en 23.08, eerste lid, ROSR

Het vaartijdenboek niet, dan wel niet op de juiste wijze, bijhouden

  

over een periode van 1 dag

€ 270

Biva092

over een periode van 2 dagen

€ 400

Biva093

over een periode van 3 dagen

€ 600

Biva094

37, tweede lid, 22, negende lid, Bw jo. 31 Bb, 5,3 tweede lid, 5.12, eerste lid, Br en 23.08, derde lid, ROSR

Als gezagvoerend schipper een, wegens vervanging ongeldig verklaard, voorgaand vaartijdenboek niet, gedurende 6 maanden nadat daarin de laatste aantekening is gesteld, aan boord bewaren

€ 270

Biva095

37, tweede lid, 22, negende lid, Bw jo. 31 Bb, 5,4 Br, 23.08, vijfde lid, ROSR

Als gezagvoerend schipper niet de registraties van de tachograaf in chronologische volgorde aan boord bewaren, gedurende 6 maanden na de laatste aantekening daarop

€ 270

Biva096

22, negende lid, Bw jo. 2.11, 5.11 Br, 23.04, tweede lid, ROSR

Als bemanningslid niet in het bezit zijn van een dienstboekje

€ 360

Biva097

23, eerste lid, Bw jo. 22, tweede lid,

27, tweede lid, Bb,

Doen gebruiken van een binnenschip met een bemanningslid zonder geneeskundige verklaring

€ 250

Biva098

23, eerste lid 1, Bw

22, tweede lid,

27, tweede lid, Bb,

Gebruiken van een binnenschip met een bemanningslid zonder geneeskundige verklaring

€ 250

Biva099

36, vierde lid, Bw jo. 9.1 Br

De voorgeschreven kentekens zijn niet op een binnenschip aangebracht

€ 150

Biva100

36, vierde lid, Bw jo. 9.1 Br

De voorgeschreven kentekens zijn niet op de voorgeschreven wijze op een binnenschip aangebracht

€ 150

Biva101

36, vierde lid, Bw

Niet binnen 2 weken kennis geven aan de minister van zodanige wijzigingen in omstandigheden van een binnenschip, die aanleiding kunnen geven tot wijziging van het scheepsnummer

€ 1.250

Biva102

37, tweede lid, Bw

Handelen in strijd met de regels en voorschriften betreffende de registratie van gegevens met betrekking tot de vaartijden en bemanningssterkte

€ 700

Biva103

37, tweede lid, 43, tweede lid, Bw jo. 31 Bb, 5.3 tweede lid, 5.12, eerste lid, Br en 23.08 RosR

Niet aan boord hebben van het vaartijdenboek met inbegrip van verklaring overeenkomstig bijlage K van het RosR/ journaal

€ 790

Biva104

37, tweede lid, 43, tweede lid, Bw jo. 31 Bb, 5.3 tweede lid,5.12, eerste lid, Br en 23.08 RosR

Niet aan boord hebben van de verklaring vaartijdenboek

€ 75

Biva105

43, tweede lid, Bw jo. 5.11, eerste lid Br en 23.04, derde lid, RosR

Niet aan boord hebben van het dienstboekje

€ 125

Biva106

37, tweede lid, 43, tweede lid, Bw jo.

31 Bb, 1.8, 5,4, 5.14 eerste lid, Br en 3, tweede lid, van bijl. 1.4 bij Br en onderdeel B van bijlage H van het RosR

Niet aan boord hebben van de tachograafverklaring

€ 100

Biva107

43, tweede lid, Bw jo. 1.9, 7.13 Br en 1.04, eerste lid, Patent Reglement Rijn

Gebruiken van het schip zonder geldig radarpatent of een vervangend diploma

€ 400

Biva108

43, tweede lid, Bw jo. 1.5, tweede lid Br

Ontbreken van een metalen plaat met de gegevens op alle schepen genoemd in Art 1.5, eerste lid Br

€ 1.250

Biva109

46, tweede lid, Bw jo. 7, eerste lid, Bw

Niet op eerste vordering behoorlijk ter inzage afgeven van een geldig certificaat van onderzoek of een vervangend document

€ 60

Biva110

46, tweede lid, Bw jo. 21, eerste lid, Bw

Niet op eerste vordering behoorlijk ter inzage afgeven van een geldige meetbrief

€ 60

Biva111

46, tweede lid, Bw jo. 2, eerste lid, Bb

Niet op eerste vordering behoorlijk ter inzage afgeven van een Rijnvaartverklaring

€ 60

Biva112

46, tweede lid, Bw jo. 5.3, 5.12 Br en 23.08, eerste lid, RosR

Niet op eerste vordering behoorlijk ter inzage afgeven van een vaartijdenboek / Journaal

€ 60

Biva113

46, tweede lid, Bw jo. 5.3, 5.12 Br en 23.08, vierde lid, RosR

Niet op eerste vordering behoorlijk ter inzage afgeven van een verklaring vaartijdenboek

€ 60

Biva114

46, tweede lid, Bw jo. 5.11 Br en 23.04, derde lid, RosR

Niet op eerste vordering behoorlijk ter inzage afgeven van een dienstboekje

€ 60

Biva115

37, tweede lid, 22, negende lid, Bw jo. 31 Bb, 5,3 eerste lid, 5.12, eerste lid, Br en 23.08, eerste lid, ROSR

Het vaartijdenboek niet, dan wel niet op de juiste wijze, bijhouden over het tijdvak van 48 uur, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het schip de binnenwateren is binnengevaren.

€ 400

Biva116

37, tweede lid, 22, negende lid, Bw jo. 5.11, eerste lid, Br, 23.04, tweede lid ROSR

Het niet laten afstempelen van het dienstboekje, telkens binnen een periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum van afgifte, door een plaatselijk bevoegde autoriteit.

€ 125

Biva117

37, tweede lid, 22, negende lid, Bw jo. 5.11, eerste lid, Br, 23.04, derde lid ROSR

Het niet regelmatig invullen in het dienstboekje van alle gegevens overeenkomstig de aanwijzingen en instructies voor het bijhouden.

€ 125

Biva118

37, tweede lid, 22, negende lid, Bw jo. 5.11, eerste lid, Br, 23.04, derde lid ROSR

Het niet, of niet veilig, in het stuurhuis bewaren van het dienstboekje tot aan het eind van het dienstverband, arbeidscontract dan wel andere regeling.

€ 60

Biva119

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br, 9.11, achtste lid, ROSR

Het niet op de deuren of deksels van ruimten, kasten of kisten voor accumulatoren aangebracht hebben van een teken ‘vuur, open licht en roken verboden’ met een diameter van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 2 van bijlage I van ROSR

€ 100

Biva120

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br, 9.12, vierde lid onder c, ROSR

Het niet bij de opstelling van schakelborden en bij spanningen boven 50 V aan de bedieningszijde van het hoofdschakelbord hebben liggen van isolerende roosters of matten.

€ 150

Biva121

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br, 10.04, tweede lid, ROSR

Gebruiken van een binnenschip zonder bijboot die binnen 5 minuten, te rekenen vanaf de eerste daartoe noodzakelijke handeling, door één persoon veilig te water kan worden gelaten.

€ 200

Biva122

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br, 11.02, eerste lid, ROSR

Het ter bescherming tegen vallen niet vlak en vrij zijn van dekken en gangboorden.

€ 150

Biva123

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br, 11.02, tweede lid, ROSR

Het ter voorkoming van uitglijden op dekken, alsmede gangboorden, machinekamervloeren, bordessen, trappen en de bolderdeksels, niet voldoende veiligheid bieden.

€ 150

Biva124

8, derde lid, Bw jo. 3.2, eerste lid, Br, 11.02, derde lid, ROSR

Het ter bescherming tegen vallen niet geverfd hebben van bolderdeksels in de gangboorden en hindernissen in de verkeerswegen, in een met het omgevende dek contrasterende kleur.

€ 150

Biva125

TOELICHTING

Algemeen

De onderhavige regeling ziet in de eerste plaats op de wijziging van de Binnenvaartregeling, ter reparatie van diverse wetgevingstechnische en redactionele gebreken.

Daarnaast ziet de regeling op de implementatie van de protocollen 10, 11, 15 en 16 van resolutie 2008-II van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, van 27 november 2008. Deze implementatie heeft haar beslag gekregen in verschillende wijzigingen van het RosR 1995, dat een onderdeel is van de Binnenvaartregeling. Deze wijzigingen hebben eveneens een overwegend wetgevingstechnisch karakter omdat deze strekken tot verdere harmonisatie van het RosR 1995 met richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad (PbEU L 389).

Ten slotte introduceert deze regeling een aantal nieuwe elementen in de Binnenvaartregeling. Deze betreffen allereerst de bekendmaking van de bedragen voor de vanaf 1 januari 2010 in te voeren bestuurlijke boete ter handhaving van de Binnenvaartwet. Daarnaast de invoering van het internationaal certificaat van competentie (ICC), met bijbehorende geïntegreerde modellen van onderscheidenlijk het klein vaarbewijs met het ICC en het groot pleziervaartbewijs met het ICC. Daarnaast biedt de regeling een verruiming van de overgangsbepalingen met betrekking tot de invoering van het groot pleziervaartbewijs.

Administratieve lasten

Aangezien de regeling grotendeels wetgevingstechnische en redactionele wijzigingen bevat zijn de gevolgen beperkt tot de lastenvermindering die voortvloeit uit de integratie van het ICC met het klein vaarbewijs en het groot pleziervaartbewijs. Daardoor wordt namelijk het aantal handelingen voor het verkrijgen van een ICC teruggebracht. De daarvoor vereiste handelingen zijn: het digitaal ophalen van een aanvraagformulier, het invullen (datum en naw-gegevens) en ondertekenen daarvan, alsmede het laten maken van een pasfoto. Daaraan is een tijdsbeslag verbonden van onderscheidenlijk 10/60, 3/60 en 30/60 uur. Aangezien nu jaarlijks circa 7000 ICC’s worden afgegeven levert dit voor de burger op jaarbasis een reductie van administratieve lasten op van circa 5000 uur, te weten 43/60 uur maal 7000. Daarnaast betekent het maken van een pasfoto, naast een tijdsbeslag van 30/60 uur, tevens 2 euro aan zogenaamde out-of-pocket kosten. Dus naast de lastenvermindering van 5.000 uren betekent dit ook een lastenvermindering van € 14.000, namelijk 7000 maal € 2. Het Adviescollege toetsing administratieve lasten heeft de onderhavige regeling niet geselecteerd voor advisering.

Artikelsgewijs

Aangezien een groot deel van de wijzigingen voor zichzelf sprekende reparaties van technisch en redactionele aard betreft, worden alleen die wijzigingen toegelicht die een nieuw element in de Binnenvaartregeling vormen of voortvloeien uit implementatie van CCR-besluiten.

Artikel I

Onderdeel K

Met dit onderdeel wordt artikel 3.15 van de Binnenvaartregeling, dat de procedure voor de stabiliteitsmeting van schepen regelt, uitgebreid met een vereenvoudigde procedure voor de stabiliteitsmeting bij kleine passagiersschepen. Deze vereenvoudigde procedure is overgenomen uit artikel 4.01, vierde lid, van bijlage III van het voormalige Binnenschepenbesluit.

Onderdelen P, Q en W

Deze onderdelen houden verband met de invoering van het internationaal certificaat van competentie (ICC) in de Binnenvaartregeling. Dit document is vastgesteld bij resolutie 40 van de binnenvaartwerkgroep van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties en is een bewijsstuk om in het buitenland te kunnen aantonen dat men een klein vaarbewijs bezit. Nederland heeft resolutie 40 onderschreven. Het ICC wordt vanaf 1 januari 2010 geïntegreerd in het klein vaarbewijs en het groot pleziervaartbewijs. Vanaf dan zal het voor nieuwe houders van een klein vaarbewijs of groot pleziervaartbewijs niet meer nodig zijn om een ICC aan te vragen. De bestaande groep krijgt bij aanvraag van een ICC eveneens het geïntegreerde document. Een los ICC is nog slechts verkrijgbaar voor degenen die geen houder zijn van een vaarbewijs of groot pleziervaartbewijs, maar van een certificaat theoretische kustnavigatie van het Koninklijk Nederlands Watersportverbond. Dit certificaat heeft wel het gewicht van een vaarbewijs, maar is niet vergelijkbaar met een klein vaarbewijs of groot pleziervaartbewijs voor de binnenwateren. Derhalve kunnen de houders daarvan geen gebruik maken van het geïntegreerde model.

Onderdeel Y

Met dit nieuwe artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel 48, vierde lid, van de Binnenvaartwet inzake de bekendmaking van de bedragen van de bestuurlijk beboetbare feiten.

Onderdeel Z

Omdat de modellen van het klein vaarbewijs en het groot pleziervaartbewijs zijn vervangen door modellen waarin het ICC is geïntegreerd voorziet dit onderdeel in een overgangsbepaling, die de geldigheid regelt van de klein vaarbewijzen en groot pleziervaartbewijzen die zijn afgegeven volgens het model van vóór 1 januari 2010.

Onderdeel AA

Dit artikel behelst een verruiming van de overgangsregeling voor de invoering van het groot pleziervaartbewijs. De onderhavige wijziging maakt het mogelijk voor houders van het groot pleziervaartbewijs I (voor rivieren, kanalen en meren), die mogelijk al voor of tijdens de overgangsperiode van 1 juli 2009 tot 1 juli 2011 aan de voorbereiding voor het examen klein vaarbewijs II waren begonnen, alsnog in het bezit van het groot pleziervaartbewijs II (voor alle binnenwateren) te komen. Voorwaarde is dat het examen voor het klein vaarbewijs II behaald moet zijn vóór 1 juli 2011.

Onderdelen BB tot en met ZZ

Met deze onderdelen worden de protocollen 10, 11, 15 en 16 van CCR-resolutie 2008-II geïmplementeerd, alsmede enige redactionele correcties uitgevoerd, in het RosR 1995. De voornoemde protocollen behelsen voornamelijk een verdere harmonisatie van het RosR 1995 met de eerder, in het algemeen deel van deze toelichting, genoemde Europese richtlijn 2006/87/EG. De wijzigingen betreffen de vervanging van de begrippen ‘richtlijn’ en ‘officieel scheepsnummer’ door respectievelijk ‘dienstinstructie’ en ‘uniek Europees scheepsidentificatienummer’, alsmede de vervanging van de ‘Voorschriften omtrent de kleur en de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns voor de Rijnvaart’ door de desbetreffende voorschriften uit richtlijn 2006/87/EG. De daarmee samenhangende overgangsbepalingen in het RosR 1995 worden aangepast. Verder worden de voorschriften omtrent de radarinstallaties en bochtaanwijzers voor de Rijnvaart, die als aparte bijlagen 1.6 tot en met 1.8 waren opgenomen bij de Binnenvaartregeling, opgenomen als bijlage M in het RosR 1995. In verband hiermee vervallen de bijlagen 1.5 tot en met 1.8 van de Binnenvaartregeling. Tot slot wordt het model van certificaat van onderzoek, mede in verband met de bovengenoemde wijzigingen aangepast.

Onderdelen LLL tot en met NNN

Deze onderdelen bevatten de gewijzigde modellen van het met het ICC geïntegreerde klein vaarbewijs en groot pleziervaartbewijs, alsmede het het model van het los ICC.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

J.C. Huizinga-Heringa.