Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Verkeer en WaterstaatStaatscourant 2009, 19721Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende regels omtrent erkenning en toezicht op erkende instanties inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen (Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen)

Nr. CEND/HDJZ-2009/1484 sector I&O

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 10a en 34 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen;

Besluit:

§ 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

onderneming:

onderneming als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet, met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid;

wet:

Wet vervoer gevaarlijke stoffen;

erkenning:

erkenning als bedoeld in artikel 10a van de wet;

erkende instantie:

onderneming die beschikt over een geldige erkenning;

Minister:

Minister van Verkeer en Waterstaat;

ADNR:

Règlement pour le transport des matières dangereuses sur le Rhin;

ADN:

Accord Européen relatif au Transport International des Marchandises Dangereuses par voie de Navigation (ADN);

ADR:

Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route;

RID:

Règlement concernant le transport international ferroviaire des marchandises dangereuses.

Artikel 2

  • 1. Deze regeling is uitsluitend van toepassing op:

    • a. ondernemingen die een aanvraag tot erkenning hebben gedaan, en

    • b. erkende instanties.

  • 2. Deze regeling is van toepassing op de volgende handelingen:

    • a. keuren of certificeren van verpakkingen, drukhouders tanks, of de bouw en uitrusting van binnenvaartschepen, of

    • b. classificeren van of vaststellen van vervoersvoorwaarden voor ontplofbare stoffen en voorwerpen, voor zelfontbranding vatbare stoffen of organische peroxiden, als bedoeld in de vermelde randnummers in bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 3

De aanvrager verstrekt bij de aanvraag tot erkenning in elk geval de volgende bescheiden en gegevens:

  • a. een kwaliteitsborgingsysteem als bedoeld in artikel 9;

  • b. gegevens die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de aanvrager aantonen, en

  • c. de polis van een verzekering als bedoeld in artikel 12.

Artikel 4

  • 1. De Minister kan een erkenning verlenen aan een onderneming, indien die onderneming voldoet aan de in de paragraaf 2 van deze regeling opgenomen voorwaarden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan niet een erkenning worden verleend voor handelingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder b, indien voor die handelingen reeds een erkende instantie is aangewezen voor dezelfde vervoersmodaliteit.

Artikel 5

De erkenning is gedurende tien jaar vanaf de bekendmaking geldig.

Artikel 6

Indien een erkende instantie handelingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, voornemens is wijzigingen door te voeren in de bescheiden en gegevens als bedoeld in artikel 3, die gevolgen kunnen hebben voor de uitvoering van die handelingen, overlegt die erkende instantie deze gewijzigde bescheiden en gegevens voorafgaand aan de voorgenomen wijziging, aan de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

§ 2. Organisatorische en inhoudelijke vereisten voor erkende instanties

Artikel 7

De erkende instantie hanteert geen tarieven of andere vereisten, die de toegang tot het uitvoeren van handelingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, door die erkende instantie onnodig belemmeren.

Artikel 8

  • 1. De erkende instantie waarborgt de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de onderneming zowel als die van de personen die zijn betrokken bij handelingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, ten opzichte van een opdrachtgever en andere betrokken partijen.

  • 2. Indien de bezoldiging van personen die zijn betrokken bij handelingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, op enige wijze afhankelijk is van het aantal van die handelingen dat is uitgevoerd, of het resultaat van die handelingen, is dat in elk geval in strijd met het eerste lid.

Artikel 9

De erkende instantie beschikt over een geschikt kwaliteitsborgingsysteem, schriftelijk vastgelegd in een document dat de organisatorische, personele en procedurele kwaliteitsborgen beschrijft.

Artikel 10

  • 1. De erkende instantie heeft voor de uitvoering van handelingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, de beschikking over medewerkers met voldoende vakbekwaamheid voor de uitvoering van die werkzaamheden alsmede voor het toezicht op de uitvoering van die werkzaamheden.

  • 2. In het kwaliteitsborgingsysteem, bedoeld in artikel 9, wordt aandacht besteed aan opleiding, kwalificatie en ervaring.

Artikel 11

De erkende instantie draagt zorg voor uitvoering van handelingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, in overeenstemming met de geldende voorschriften, waaronder in elk geval die in de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen of de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen.

Artikel 12

De erkende instantie beschikt over een aansprakelijkheidsverzekering met een dekking van tenminste vijf miljoen euro.

Artikel 13

Voorafgaand aan de uitvoering van handelingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, stelt de erkende instantie aan een opdrachtgever een document ter beschikking waarin per categorie objecten is vastgelegd welke van de handelingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, worden uitgevoerd, de te hanteren methode en de eisen waaraan zal worden getoetst.

Artikel 14

  • 1. De erkende instantie verstrekt zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever geen informatie aan derden over handelingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, met uitzondering van overheidsdienaren in de uitoefening van hun functie.

  • 2. De erkende instantie verplicht alle bij handelingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, betrokken medewerkers tot geheimhouding als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 15

De erkende instantie doet jaarlijks verslag aan de Minister, waarbij voor elke handeling als bedoeld in artikel 2, tweede lid, het aantal verrichte handelingen en het resultaat van de beoordeling wordt vermeld.

Artikel 16

  • 1. De erkende instantie maakt binnen twaalf maanden na het verlenen van een erkenning daarvan gebruik.

  • 2. De erkende instantie laat een erkenning niet langer dan een aaneengesloten periode van twaalf maanden ongebruikt.

Artikel 17

  • 1. De erkende instantie besteedt het uitvoeren van de handelingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, niet uit, tenzij:

    • a. de te hanteren methode schriftelijk is vastgelegd in een modelovereenkomst voordat de werkzaamheden worden uitbesteed;

    • b. de opdrachtgever van het voornemen tot uitbesteding op de hoogte wordt gesteld en uitdrukkelijk kenbaar maakt dat hij instemt met de voorgenomen uitbesteding en de betreffende onderaannemer;

    • c. het geven van een eindoordeel over de keuring of certificering voorbehouden blijft aan de erkende instantie;

    • d. de onderaannemer tenminste voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 en 14, en

    • e. de erkende instantie waarborgt dat geen verdere onderaanbesteding dan de onderaannemer plaatsvindt.

  • 2. De erkende instantie besteedt handelingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder b, niet uit.

Artikel 18

  • 1. De erkende instantie houdt een register bij van elke uitbesteding van keuring of certificatie.

  • 2. Het register bevat voor een gekeurd object of certificatie de naam van de onderaannemer, het kenmerk van het certificaat en het kenmerk van het keuringsrapport.

§ 3. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 19

  • 1. Bij het eerste verlenen van een erkenning met toepassing van deze regeling vervalt een erkenning voor die onderneming, genoemd in:

    • a. artikel 1 van bijlage 4 bij de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen;

    • b. artikel 1 van bijlage 3 bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen, of

    • c. artikel 1 van bijlage 3 bij de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen,

    zoals die luidden tot het moment van inwerkingtreding van deze regeling.

  • 2. Een erkenning als bedoeld in de in het eerste lid, onder a tot en met c, genoemde regelingen, vervalt in elk geval met ingang van twee jaar na de datum waarop deze regeling in werking is getreden.

Artikel 20

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2010.

Artikel 21

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

C.M.P.S. Eurlings.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

J.C. Huizinga-Heringa.

BIJLAGE 1

Tabel 1. Randnummers van het ADNR en ADN

ADNR-randnummer

ADN-randnummer

1.2.1 Openingsdruk

1.2.1 Openingsdruk

1.10.3.2.2, Opmerking

1.10.3.2.2, Opmerking

2.2.1.1.3; 2.2.1.3; Opmerking bij UN-nummer 0190

2.2.1.1.3; 2.2.1.3; Opmerking bij UN-nummer 0190

2.2.41.13

2.2.41.13

2.2.52.1.8

2.2.52.1.8

3.1.2.6

3.1.2.6

3.3.1, bijzondere bepaling 16 en 178

3.3.1, bijzondere bepaling 16 en 178

3.3.1, bijzondere bepaling 181, 237, 266, 271, 272 en 278

3.3.1, bijzondere bepaling 181, 237, 266, 271, 272 en 278

3.3.1, bijzondere bepaling 283

3.3.1, bijzondere bepaling 283

3.3.1, bijzondere bepaling 288, 309 en 311

3.3.1, bijzondere bepaling 288, 309 en 311

5.2.2.1.9

5.2.2.1.9

9.3.1.23.1

9.3.1.23.1;

Tabel 2. Randnummers in het ADR

2.2.1.1.3

2.2.1.3, Opmerking bij UN-nummer 0190

2.2.41.1.13, 2.2.52.1.8

3.1.2.6

3.3.1, bijzondere bepalingen 16 en 178

3.3.1, bijzondere bepalingen 181, 237, 266, 271, 272 en 278

3.3.1, bijzondere bepaling 283

3.3.1, bijzondere bepalingen 288, 309, 311

4.1.3.6

4.1.4.1, P099, P101

4.1.4.1, P200, P201, P203

4.1.4.1, P405 (2) b)

4.1.4.1, P601 (3) g)

4.1.4.1, P902, 4.1.4.1, P905

4.1.4.2 IBC99, 4.1.4.2 IBC520, 4.1.4.3 LP99

4.1.4.3 LP902

4.1.5.15, 4.1.5.18

4.1.7.2.2

4.1.10.4, MP21

4.2.1.7, 4.2.1.9.1

4.2.3.7.1, 4.2.5.1.1

4.2.5.3 TP4, TP9, TP10, TP16, TP24

4.3.2.1.5, voetnoot 2

4.3.2.1.7

4.3.3.2.5

5.2.2.1.9

6.1.3.1, 6.1.3.8

6.1.5.1.1, 6.1.5.1.3, 6.1.5.1.5, 6.1.5.1.106.1.5.2.5, 6.1.5.8.2

6.2.1.4.1, 6.2.1.4.2, 6.2.1.5.1 g), 6.2.1.6.1, 6.2.1.7.2, 6.2.2.1.1, Opmerking 2, 6.2.2.5.2, 6.2.2.5.3, 6.2.2.5.4, 6.2.2.5.5, 6.2.2.6.2, 6.2.2.6.3, 6.2.2.6.4, 6.2.2.7.1d), 6.2.2.7.3, 6.2.2.7.6, 6.2.2.7.7, 6.2.2.9, 6.2.3.4.2, 6.2.3.5, 6.2.3.6.1, 6.2.5.4.2, 6.2.6.3.2.2, 6.2.6.3.3

6.3.2.1, 6.3.2.2

6.3.4.2, 6.3.4.3, 6.3.5.1.1, 6.3.5.1.3, 6.3.5.1.5, 6.3.5.1.7, 6.3.5.1.8, 6.3.5.5.2

6.5.1.1.3

6.5.2.1.1, 6.5.2.2.4, 6.5.2.2.5, 6.5.4.4.1, 6.5.6.1.1, 6.5.6.2.1, 6.5.6.2.3, 6.5.6.3.4, 6.5.614.2

6.6.3.1, 6.6.5.1.1, 6.6.5.1.3, 6.6.5.1.5, 6.6.5.1.7, 6.6.5.1.8, 6.6.5.4.3

6.7.1.2

6.7.2.2.1, 6.7.2.2.10, 6.7.2.2.14

6.7.2.3.1, 6.7.2.3.3.1

6.7.2.4.3, 6.7.2.6.2, 6.7.2.6.3, 6.7.2.6.4, 6.7.2.7.1, 6.7.2.8.3, 6.7.2.10.1, 6.7.2.12.2.4, 6.7.2.18.1, 6.7.2.19.5, 6.7.2.19.9, 6.7.2.19.10

6.7.3.2.1, 6.7.3.2.11, 6.7.3.3.3.1, 6.7.3.7.3, 6.7.3.8.1.2, 6.7.3.14.1, 6.7.3.15.3, 6.7.3.15.5, 6.7.3.15.9, 6.7.3.15.10, 6.7.4.2.1, 6.7.4.2.8.1, 6.7.4.2.8.2, 6.7.4.2.14, 6.7.4.3.3.1, 6.7.4.5.10,6.7.4.6.4, 6.7.4.7.4, 6.7.4.13.1, 6.7.4.14.3, 6.7.4.14.6 b)

6.7.4.14.10, 6.7.4.14.11

6.7.5.2.9, 6.7.5.4.1, 6.7.5.4.3, 6.7.5.11.1

6.7.5.12.3, 6.7.5.12.7

6.8.2.1.4, 6.8.2.1.16, 6.8.2.1.19

6.8.2.1.20

6.8.2.1.23, 6.8.2.2.2

6.8.2.3.1, 6.8.2.4.1 voetnoot 9, 6.8.2.4.2 voetnoot 9, 6.8.2.4.5 (als erkend deskundige), 6.8.2.7

6.8.3.2.16, 6.8.3.2.26, 6.8.3.4.4

6.8.3.4.6 b)

6.8.3.4.12, 6.8.3.4.16, 6.8.3.7

6.8.4 TA2

6.8.5.2.2

6.12.3.1.2, 6.12.3.1.3, 6.12.3.2.2

Tabel 3. Randnummers in het RID

2.2.1.1.3

2.2.1.3, Opmerking bij UN-nummer 0190

2.2.41.1.13, 2.2.52.1.8

3.1.2.6

3.3.1, bijzondere bepalingen 16 en 178

3.3.1, bijzondere bepalingen 181, 237, 266, 271, 272 en 278

3.3.1, bijzondere bepaling 283

3.3.1, bijzondere bepalingen 288, 309, 311

4.1.3.6

4.1.4.1, P099, P101

4.1.4.1, P200, P201, P203

4.1.4.1, P405 (2) b)

4.1.4.1, P601 (3) g)

4.1.4.1, P902, 4.1.4.1, P905

4.1.4.2 IBC99, 4.1.4.2 IBC520, 4.1.4.3 LP99

4.1.4.3 LP902

4.1.5.15, 4.1.5.18

4.1.7.2.2

4.1.10.4, MP21

4.2.1.7, 4.2.1.9.1

4.2.1.13.1, 4.2.1.13.3

4.2.3.7.1, 4.2.5.1.1

4.2.5.3 TP4, TP9, TP10, TP16, TP24

4.3.2.1.5, voetnoot 2

4.3.2.1.7

4.3.3.2.5

4.3.5, TU39

5.2.2.1.9

6.1.3.1, 6.1.3.8

6.1.5.1.1, 6.1.5.1.3, 6.1.5.1.5, 6.1.5.1.10, 6.1.5.2.5, 6.1.5.8.2

6.2.1.1.9, 6.2.1.3.6.5.4, 6.2.1.4.1, 6.2.1.4.2, 6.2.1.5.1, 6.2.1.6.1, 6.2.1.7.2, 6.2.2.1.1, 6.2.2.5.1, 6.2.2.5.2.1, 6.2.2.5.2.2, 6.2.2.5.2.3, 6.2.2.5.2.4, 6.2.2.5.2.6, 6.2.2.5.3, 6.2.2.5.4, 6.2.2.5.5, 6.2.2.6.2.1, 6.2.2.6.2.2, 6.2.2.6.2.3, 6.2.2.6.2.3, 6.2.2.6.3.1, 6.2.2.6.3.2, 6.2.2.6.3.3, 6.2.2.6.4.1, 6.2.2.2.4.2, 6.2.2.4.6.3, 6.2.2.7.1, 6.2.2.7.3, 6.2.2.7.7, 6.2.2.9, 6.2.3.4.2, 6.2.3.5.1, 6.2.3.5.2, 6.2.3.6.1, 6.2.5.4.2, 6.2.6.3.2.2, 6.2.6.3.3

6.3.4.2, 6.3.4.3, 6.3.5.1.1, 6.3.5.1.3, 6.3.5.1.5, 6.3.5.1.7, 6.3.5.1.8, 6.3.5.5.2

6.5.1.1.3

6.5.2.1.1, 6.5.2.2.4, 6.5.2.2.5, 6.5.4.4.1, 6.5.4.4.4, 6.5.6.1.1, 6.5.6.2.1, 6.5.6.2.3, 6.5.6.3.4, 6.5.6.14.2.

6.6.3.1, 6.6.5.1.1, 6.6.5.1.3, 6.6.5.1.5, 6.6.5.1.7, 6.6.5.1.8, 6.6.5.4.3

6.7.1.2

6.7.2.2.1, 6.7.2.2.10, 6.7.2.2.14

6.7.2.3.1, 6.7.2.3.3.1

6.7.2.4.3, 6.7.2.6.2, 6.7.2.6.3, 6.7.2.6.4, 6.7.2.7.1, 6.7.2.8.3, 6.7.2.10.1, 6.7.2.12.2.4, 6.7.2.18.1, 6.7.2.19.5, 6.7.2.19.9, 6.7.2.19.10

6.7.3.2.1, 6.7.3.2.11, 6.7.3.3.3.1, 6.7.3.7.3, 6.7.3.8.1.2, 6.7.3.14.1, 6.7.3.15.3, 6.7.3.15.5, 6.7.3.15.9, 6.7.3.15.10, 6.7.4.2.1, 6.7.4.2.8.1, 6.7.4.2.8.2, 6.7.4.2.14, 6.7.4.3.3.1, 6.7.4.5.10, 6.7.4.6.4, 6.7.4.7.4, 6.7.4.13.1, 6.7.4.14.3, 6.7.4.14.6 b)

6.7.4.14.10, 6.7.4.14.11

6.7.5.2.9, 6.7.5.4.1, 6.7.5.4.3, 6.7.5.11.1

6.7.5.12.3, 6.7.5.12.7

6.8.2.1.4, 6.8.2.1.16, 6.8.2.1.19

6.8.2.1.20

6.8.2.1.23, 6.8.2.2.2

6.8.2.2.10, 6.8.2.2.10,

6.8.2.4.1 voetnoot 9, 6.8.2.4.5 (als erkend deskundige)

6.8.2.7

6.8.3.2.16, 6.8.3.2.26, 6.8.3.4.4

6.8.3.4.6 b)

6.8.3.4.12, 6.8.3.4.16, 6.8.3.7

6.8.4 TA4, TT2, TT7, TT9

6.8.4 TA2

6.8.5.2.2

6.9.1.1, 6.9.2.1, 6.9.2.5, 6.9.2.13, 6.9.2.14.4, 6.9.2.14.5, 6.9.4.2.4, 6.9.4.4.1, 6.9.5.3

6.11.2.4, 6.11.4.4 (Code BK1)

7.3.2.6.2

7.3.3, VW12, VW13

7.5.2.2 voetnoot a)

TOELICHTING

Achtergrond en doelstelling

De (transport)regelgeving van het vervoer van gevaarlijke stoffen is grotendeels gebaseerd op internationale verdragen, overeenkomsten en codes.1

Bepaalde handelingen die verband houden met de uitvoering van die verdragen en codes kunnen worden overgelaten aan marktpartijen, zoals het keuren van verpakkingen of tanks en de classificatie van bepaalde gevaarlijke stoffen. Daaraan wordt invulling gegeven door instanties te erkennen die voldoen aan organisatorische en deskundigheidsvereisten teneinde een goed kwaliteitsniveau te waarborgen.

Omdat een goede uitvoering van die internationale voorschriften, met het oog op de veiligheid, van groot belang is, is ook een goed toezicht hierop wenselijk.

De Inspectie voor Verkeer en Waterstaat verleent op basis van deze regeling namens de Minister van Verkeer en Waterstaat de erkenning van instanties en houdt toezicht op deze instanties.

De aanwijzing van erkende instanties en de inhoudelijke voorwaarden die daaraan worden gesteld, zijn thans geregeld in de zogenoemde vervoersbesluiten2, drie ministeriële regelingen die per vervoersmodaliteit regels stellen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: de regeling) beoogt de voorwaarden voor erkenning voor verschillende vervoersmodaliteiten samen te brengen in één regeling, hierdoor meer uniformiteit aan te brengen en de besluitvorming over erkenningen transparanter te maken.

Door in de regeling duidelijke voorwaarden te stellen voor de erkenning, wordt een objectief en onpartijdig beoordelingskader gevormd, waarmee naast de reeds erkende instanties ook andere instanties die aan de kwaliteitseisen voldoen kunnen worden aangewezen. Hiermee wordt iedere schijn van oneerlijke concurrentie voorkomen. Bovendien vergroot de systematiek van een individueel erkenningsbesluit, conform de Algemene wet bestuursrecht, de rechtsbescherming voor de betrokken erkende instanties en in algemene zin de transparantie.

Door het toezicht op deze instanties te beleggen bij de rijksoverheid, in dit geval de Inspectie Verkeer en Waterstaat, wordt bereikt dat door een eenduidig en kwalitatief toezicht op deze instanties een bijdrage wordt geleverd aan een veiliger vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het bovenstaande is in lijn met aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer en kabinetsbeleid over het intensiveren van het gebruik van certificatie- en accreditatieonondernemingen, neergelegd in de Nota certificatie en accreditatie overheidsbeleid3.

Op verzoek van de Tweede Kamer, naar aanleiding over het dodelijke ongeval in Viareggio (Italië), is toegezegd nog voor 1 januari 2010 deze regeling over verbeterd toezicht vast te stellen.4

De regeling beperkt zich vooralsnog tot het vervoer over land, spoor en binnenwateren en tot privaatrechtelijke ondernemingen. De mogelijkheid van toekomstige uitbreiding van deze regeling, zodat die ook van toepassing is op transport met zeeschepen of vliegtuigen wordt onderzocht.

De Inspectie Verkeer en Waterstaat zal er tevens op toezien of de instanties ook na de aanwijzing nog steeds aan de kwaliteitseisen voldoen.

Door het opnemen van een ruime overgangstermijn voor deze nieuwe regeling, krijgen erkende instanties die reeds in de bijlagen bij de eerder genoemde drie vervoersbesluiten zijn aangewezen, de gelegenheid om opnieuw een aanvraag in te dienen en aan te tonen dat zij voldoen aan de eisen.

Administratieve lasten en bedrijfseffecten

De financiële gevolgen voor de erkende instanties beperken zich tot de kosten van de aanvraag tot erkenning zelf. De regeling treft tien bedrijven en de lasten per bedrijf bedragen € 416 euro, dus € 4.160 euro totaal, waarvan € 160 euro per bedrijf (€ 1600 euro totaal) structureel. De overige kosten zijn eenmalige kosten voor de aanvraag van een nieuwe erkenning op basis van deze regeling. Deze regeling is voorgelegd aan Actal. Het college heeft besloten deze regeling niet te selecteren voor een toets op de gevolgen voor de administratieve lasten. De gestelde kwaliteitseisen zijn (veelal) na overleg met de betrokken instanties opgesteld en komen in grote lijnen overeen met de huidige praktijk.

Het beoordelen van aanvragen tot erkenning brengt geen wezenlijke verschuiving van bestuurslasten met zich voor de Minister van Verkeer en Waterstaat of de Inspectie Verkeer en Waterstaat, omdat die ook in de huidige situatie betrokken zijn bij het verlenen van en toezien op erkenningen. Wel heeft de Inspectie Verkeer en Waterstaat mensen en middelen beschikbaar gesteld voor een herbeoordeling van bestaande (privaatrechtelijke) erkende instanties tijdens de overgangsperiode naar de nieuwe erkenningen (zie toelichting op artikel 20).

Voor burgers en andere betrokken bedrijven in de vervoerssector heeft deze regeling geen financiële gevolgen.

Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Door het stellen van duidelijke voorwaarden voor erkenning worden de mogelijkheden voor toezicht en handhaving aanzienlijk vergroot en vergemakkelijkt.

Het systeem van erkenningen is primair gericht op preventie. Toezicht en handhaving zijn daarop aanvullend. De inzet van het formele sanctie-instrumentarium (bestuursrechtelijke handhaving) komt pas aan de orde indien preventie en het aanspreken van een onderneming op geconstateerde of dreigende onregelmatigheden geen of onvoldoende effect sorteert. Als uiterste handhavingmiddel staat op grond van artikel 10a, vierde lid, van de wet schorsing of intrekking van de erkenning ter beschikking.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Deze regeling beperkt zich tot privaatrechtelijke ondernemingen, waarbij is aangesloten bij de definitie uit de Handelsregisterwet omdat die de meest volledige is. Deze definitie omvat tevens buitenlandse ondernemingen, mits die een hoofd- of nevenvestiging in Nederland hebben.

Artikel 3

Deze regeling is alleen van toepassing op erkende instanties die met toepassing van deze regeling zijn erkend; zo lang een onderneming nog erkende instantie is op basis van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG), de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG), of de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (VBG),blijft het regime in die regelingen van toepassing.

In de afbakening van de reikwijdte van deze regeling (artikel 2) is tevens rekening gehouden met het feit dat deze regeling ook eisen stelt aan de aanvraag van een erkenning. Bovendien kan een bestuursorgaan van de aanvrager verlangen dat die aanvullende gegevens verstrekt voor zover die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen.

Een aanvrager moet ten tijde van de aanvraag wel kunnen aantonen dat hij aan de inhoudelijke eisen uit deze regeling voldoet om een erkenning te verkrijgen, maar die onderneming is totdat de erkenning is verleed nog niet op grond van de wet of deze regeling verplicht om aan die eisen te voldoen.

Artikel 4

Met deze regeling wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid die artikel 10a van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen geeft om nadere regels te stellen voor erkende instanties. De Inspectie Verkeer en Waterstaat kan, gelet op de bestaande ervaring in het toezicht op het vervoer van gevaarlijke stoffen, het best in staat worden geacht om te beoordelen of een onderneming voldoet – en blijft voldoen – aan die eisen. De Inspectie Verkeer en Waterstaat zal daarom worden gemandateerd om de erkenningen te verlenen.

Het tweede lid regelt dat per vervoersmodaliteit slechts één erkende instantie kan worden aangewezen voor classificatie, vanwege de zeer specialistische kennis en ervaring die daarvoor is vereist, alsmede het feit dat een deel van deze werkzaamheden plaatsvindt in opdracht van het Ministerie van Defensie, hetgeen verhoogde eisen stelt aan geheimhouding en dergelijke. Het onderdeel Defensie en Veiligheid van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO/DV) voert deze taken thans uit en het ligt voor de hand dat TNO/DV ook onder het verbeterde toezichtregime de erkende instantie voor deze taak blijft.

Artikel 5

Het is onwenselijk dat een erkenning voor een werkterrein dat zo nauw verbonden is met de veiligheid van mensen voor onbepaalde duur geldig is zonder herbeoordeling. Een periode van tien jaar geeft ondernemingen voldoende zekerheid vanuit bedrijfseconomisch oogpunt. Het in acht nemen van die geldigheidsduur en het tijdig voorbereiden van een hernieuwde aanvraag is de eigen verantwoordelijkheid van de erkende instantie.

Artikel 6

Met het oog op effectief toezicht is het van belang dat erkende instanties de Inspectie Verkeer en Waterstaat op de hoogte houden van voorgenomen wijzigingen voor zover die gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van de uitvoering van de werkzaamheden waarvoor zij erkend zijn.

Artikel 9 en 10

Het kwaliteitsborgingsysteem bevat onder andere interne procesbeschrijvingen, organisatiestructuur, functiebeschrijvingen, opleidingsplannen, en keuringsmethoden.

Het dient zowel voor interne kwaliteitsborging als externe toetsing daarop (vergelijk met ISO-certificering), met name door de Inspectie Verkeer en Waterstaat in het kader van toezicht, maar ook door de opdrachtgever. Een exemplaar van het kwaliteitsborgingsysteem moet daarom worden overlegd aan de Inspectie Verkeer en Waterstaat en tevens aan een opdrachtgever. Bovendien volgt uit artikel 6 dat wijzigingen in het kwaliteitsborgingsysteem, die gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van handelingen waarop deze regeling betrekking heeft, moeten worden gemeld aan de Inspectie.

Artikel 11

Een dergelijk artikel bestaat niet in de huidige regelingen over erkende instanties en is een concrete verbetering van het toezicht- en handhavingarrangement. Indien de Inspectie (herhaalde) onregelmatigheden in de uitvoering van werkzaamheden, in strijd met voorschriften van nationaal en Europees recht, constateert, kan dat met behulp van dit artikel tevens leiden tot schorsing of intrekking van de erkenning, krachtens artikel 10a, vierde lid, van de wet.

Artikel 12

Dit artikel dient ter waarborging van de wettelijke aansprakelijkheid van de erkende instantie. Voor de hoogte van het bedrag is aangesloten bij reeds bestaande vergelijkbare regelingen op het gebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen, om uniformiteit te behouden.

Artikel 14

Omdat keuringswerkzaamheden verband houden met gevoelige product- en bedrijfsinformatie is een geheimhoudingsregime onderdeel van de kwaliteitseisen die aan een erkende instantie worden gesteld.

Artikel 15

Omwille van een beperking van administratieve lasten is deze bepaling zo beperkt mogelijk gehouden, maar ten behoeve van effectief toezicht is het wel noodzakelijk dat erkende instanties jaarlijks kwantitatief verslag doen van hun activiteiten. Deze eisen gelden thans ook.

Artikel 16

Het is mogelijk dat een erkende instantie om allerlei redenen voor een korte periode niet de activiteiten uitvoert waarvoor de erkenning is verleend, hetgeen in beginsel niet bezwaarlijk is. Wel is het wenselijk dat het systeem van erkenningen op orde blijft en er alleen erkenningen worden verleend voor ondernemingen die ook daadwerkelijk de betreffende activiteiten uitvoeren. Bovendien is het voor de kwaliteit van uitvoering van belang dat de onderneming beschikt over recente kennis en ervaring. Indien blijkt dat een erkende instantie langer dan twaalf maanden geen gebruik heeft gemaakt van de erkenning, dan kan dat een grond zijn voor het schorsen of intrekken van de erkenning, krachtens artikel 10a, vierde lid, van de wet.

Artikel 17

Een erkende instantie kan soms omwille van een gebrek aan capaciteit of specifieke expertise, of vanuit bedrijfseconomisch oogpunt, behoefte hebben om behaalde werkzaamheden door een onderaannemer uit te laten voeren.

Dat is slechts toelaatbaar onder de voorwaarden, genoemd in artikel 17. De erkende instantie dient zich met name te verzekeren dat de onderaannemer voldoet aan dezelfde kwaliteitseisen als de erkende instantie zelf, dient de te hanteren keuringsmethode vooraf contractueel vast te leggen met de onderaannemer en blijft ook altijd zelf eindverantwoordelijk voor de uitgevoerde beoordeling. Tot slot kan onderaanneming uitsluitend plaatsvinden met medeweten en goedkeuring van de opdrachtgever (zowel wat betreft de uitbesteding als de keuze van de onderaannemer).

Verdere onderaanneming dan één niveau is niet toegestaan, omdat een erkende instantie redelijkerwijs geen zicht en zeggenschap meer heeft over het handelen van een derde onderneming. Het is de verantwoordelijkheid van de erkende instantie om contractueel te waarborgen dat geen verdere onderaanbesteding dan de onderaannemer plaatsvindt.

Werkzaamheden op het gebied van classificatie van bepaalde stoffen zijn te specialistisch om uitbesteding toe te laten en zijn daarom uitgesloten in het tweede lid.

Artikel 18

Om ingeval van onregelmatigheden te kunnen traceren waar de oorzaak daarvan ligt, wordt van erkende instanties verlangd dat die uitbestedingen registreren, met vermelding van de naam van de onderaannemer en het resultaat van de beoordeling.

Artikel 19

Een erkenning berust zowel in de huidige als in de toekomstige situatie op artikel 10a van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, alleen in de huidige situatie vindt aanwijzing plaats door middel van tabellen in de vervoersbesluiten, terwijl in de toekomstige situatie een erkende instantie per individueel besluit wordt aangewezen.

De huidige erkende instanties hebben twee jaar de tijd om een erkenning nieuwe stijl aan te vragen. Tot die tijd bestaan beide regimes, maar een erkende instantie is slechts onder het oude óf het nieuwe regime erkend.

Totdat een erkenning nieuwe stijl is verleend, blijft een erkende instantie onder het oude regime vallen; de erkenningen die in de huidige tabellen staan vermeld, blijven er daarom in staan tot dat moment en vervallen pas dan, maar in elk geval uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding. Die doet vanzelfsprekend niet af aan de geldigheid van keuringen en dergelijke die zijn uitgevoerd vóór het vervallen van de huidige erkenning.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

C.M.P.S. Eurlings.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

J.C. Huizinga-Heringa.


XNoot
1

Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route (ADR) voor vervoer over land; Règlement concernant le transport international ferroviaire des marchandises dangereuses (RID) voor vervoer over spoor; Accord Européen relatif au Transport International des Marchandises Dangereuses par voie de Navigation (ADN) en Règlement pour le transport des matières dangereuses sur le Rhin (ADNR) voor vervoer over de binnenwateren.

XNoot
2

Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG), Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG), en Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (VBG).

XNoot
3

Kamerstukken II 2003/04, 29 304, nr. 1.

XNoot
4

Antwoorden op vragen van de leden Jansen, Poppe en Roemer (SP), Aanhangsel Handelingen II 2008/09, nr. 3525.