Circulaire Vergoedingen adviescolleges en commissies

Aan: De Ministers

Onderwerp: Vergoedingen adviescolleges en commissies

Doelstelling: Bekendmaken gewijzigde regelgeving

Juridische grondslag: Wet en besluit vergoedingen adviescolleges en commissies

Datum: 29 januari 2009

Kenmerk: 2009-0000033018

Afdeling: Directie Organisatie en Personeelsbeleid Rijk

Afdeling: Personeel Rijk

Inleiding

Met deze circulaire vraag ik uw aandacht voor de inwerkingtreding van de Wet- en het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies.

Na inwerkingtreding is er voor de vergoeding van leden van adviescolleges en commissies, in overeenstemming met de toezegging aan de Tweede Kamer om de beide bestaande regelingen samen te voegen, één regeling voor vergoedingenverstrekking binnen de rijksoverheid onder verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De bestaande regelingen voor vergoedingen van leden van adviescolleges en commissies, het Vergoedingenbesluit adviescolleges en het Vacatiegeldenbesluit 1988 en de Regeling maximumbedragen vacatiegeld 2004, komen met de inwerkingtreding van de wet en het besluit te vervallen.

De Wet vergoedingen adviescolleges en commissies is gepubliceerd in Staatsblad 2008, nr. 495 van 4 december 2008. Het Besluit over het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt naar verwachting begin februari in het Staatsblad gepubliceerd, evenals het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies, en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies treedt in werking op hetzelfde tijdstip als waarop de wet in werking treedt.

Het doel van de nieuwe wet en het nieuwe besluit is niet om tot een inhoudelijk geheel nieuwe vergoedingsregeling te komen, maar om de bestaande regelgeving samen te voegen en aldus te komen tot een vereenvoudigd vergoedingenstelsel binnen de rijksoverheid.

In de Memorie van toelichting op de wet (zie kamerstukken 31489) en in de Nota van toelichting op het besluit treft u een verduidelijking aan van de inhoud van dit vergoedingenstelsel.

In deze circulaire vestig ik graag uw aandacht op een aantal aspecten van de regeling.

De vergoeding

In de wet is de mogelijkheid opgenomen om een vergoeding per vergadering of een vaste vergoeding per maand vast te stellen, maar niet een combinatie van beide. Gekozen kan worden voor de vergoeding die het beste past bij de werkzaamheden van het betreffende adviescollege of de commissie.

De vergoeding per vergadering is in het Besluit gemaximeerd op 3% van het maximum van salarisschaal 18 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. Het bestaande maximum van salarisschaal 18 bedraagt € 8.373,71, zodat de maximale vergoeding per vergadering thans € 251,21 bedraagt. Aan de voorzitter van een adviescollege of commissie kan een vergoeding van maximaal 130% van dit bedrag (€ 326,57) worden toegekend.

Het gaat hier nadrukkelijk om maximale bedragen. Van belang is, dat de vergoeding wordt afgestemd op de zwaarte van de werkzaamheden in het adviescollege of de commissie.

Het maximumbedrag wordt, doordat het op deze manier is gekoppeld aan salarisschaal 18, automatisch aangepast aan de algemene salarisontwikkeling van het burgerlijk rijkspersoneel.

Het is overigens geen automatisme, dat de vergoedingen van in te stellen adviescolleges of commissies aan de algemene salarisontwikkeling van het burgerlijk rijkspersoneel aangepast worden. De keuze om de bedragen tijdens de bestaansperiode van een adviescollege of commissie aan te passen aan genoemde algemene salarisontwikkeling kan gemaakt worden in het in artikel 2 van de wet genoemde besluit.

Een toe te kennen vaste vergoeding wordt gebaseerd op de arbeidsduurfactor en op het maximumbedrag van de toepasselijke salarisschaal van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

Het toekennen van een hogere vergoeding vergt afzonderlijke behandeling in de ministerraad.

In de wet is opgenomen, dat de leden van een adviescollege of commissie een vergoeding van reis- en verblijfkosten ontvangen op de voet van de regeling voor het personeel werkzaam bij de sector Rijk. Voor leden van adviescolleges is dat niet nieuw, voor commissies wel. Hoewel het vacatiegeldenbesluit niet in een reiskostenvergoeding voorzag, werd het recht op een dergelijke vergoeding echter wel regelmatig aan de beschikkingen en besluiten over de vastgestelde vacatiegelden toegevoegd. De nieuwe wettelijke bepaling is, ook voor bestaande commissies, rechtstreeks van toepassing.

Anticumulatie van inkomen

Met inachtneming van een overgangsbepaling (artikel 8 van het besluit) worden zowel de vergadervergoedingen als de vaste vergoedingen betrokken bij de handhaving van de norm, dat het totale inkomen de bezoldiging van een minister niet overschrijdt. Voor de vraag welke inkomens gecumuleerd dienen te worden is aansluiting gezocht bij de instellingen of organisaties, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 5 van de Wet openbaarmaking met publieke middelen gefinancierde topinkomens.

Transparantie

Aan de Tweede Kamer is destijds (Kamerstukken II 2005–2006, 28 479, nr. 21) toegezegd om bij de vergoedingen van adviescolleges en commissies maximale transparantie te betrachten. In het vijfde lid van artikel twee van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies wordt dan ook expliciet aangegeven, dat het besluit over de vergoeding in de Staatscourant wordt gepubliceerd. Daarnaast maak ik graag van de gelegenheid gebruik u nog eens te wijzen op de toezegging aan de Tweede Kamer, dat elk departement alle vergoedingen van leden van adviescolleges en commissies op zijn eigen website plaatst.

Overgangsbepalingen

Het is niet noodzakelijk, dat u voor bestaande adviescolleges en commissies een nieuw besluit over de vergoeding neemt.

Bestaande beschikkingen en besluiten over vastgestelde vacatiegelden en regelingen over vergoedingen voor leden van adviescolleges blijven gehandhaafd.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

voor deze:

de Directeur-generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk,

J.J.M. Uijlenbroek.

Naar boven