Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 november 2009, nr. WBV 2009/27, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C24/8 Congo DRCVreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

Het asielbeleid ten aanzien van Congo DRC

1 Achtergrond

Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor de Democratische Republiek Congo (hierna te noemen Congo DRC). Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.

De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van juni 2009 (zie de website van het Ministerie van BuZa).

Naar aanleiding van het algemeen ambtsbericht is besloten tot een actualisering van het beleid ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Congo DRC. Dit betreft het niet langer categoriaal beschermingswaardig achten van Bas Congo en het aanmerken van Haut-Uélé als categoriaal beschermingswaardig gebied, met een verblijfsalternatief in Kinshasa.

Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri werden reeds aangemerkt als categoriaal beschermingswaardige gebieden. Voor alle personen van alle bevolkingsgroepen is echter een verblijfsalternatief aanwezig in Kinshasa.

Het beleid dat etnische Tutsi’s zijn aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep blijft gehandhaafd. Het beleid dat geen vlucht- of vestigingsalternatief voor asielzoekers uit Congo DRC aanwezig is, blijft eveneens van kracht.

2 Besluitmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Congo DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw.

3 Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
3.1 Tutsi’s

Hoewel diverse bronnen het niet eens zijn in hoeverre Tutsi’s thans een kwetsbare positie innemen, blijkt uit het ambtsbericht de situatie verder bestendigd dat Tutsi’s de laatste jaren in Kinshasa geen gevaar meer lopen. Deze ontwikkeling werd reeds in de drie voorgaande ambtsberichten beschreven.

Tot de bevolkingsgroep van de Tutsi (waaronder begrepen de Banyamulenge en Banyarwanda die Tutsi zijn) worden ook asielzoekers van gemengde afkomst aangemerkt. Daar het onduidelijk is welke personen formeel tot de etnische groep van de Tutsi gerekend kunnen worden en het voorts in de rede ligt dat ook asielzoekers van wie alleen de moeder die tot de etnische groep van de Tutsi behoort in Congo DRC als Tutsi gezien worden, wordt er geen onderscheid gemaakt welke ouder van de asielzoeker tot de bevolkingsgroep van de Tutsi behoort.

Banyamulenge worden door veel Congolezen gezien als aanstichter van de oorlogen van 1997 en 1998–2003. Banyamulenge en andere Tutsi-groepen worden vaak verdacht van Rwandese sympathieën en daarom gewantrouwd. In het huidige ambtsbericht staat beschreven dat voor zover bekend zich gedurende de verslagperiode geen gewelddadige incidenten hebben voorgedaan waar Tutsi’s het slachtoffer van waren.

Vluchtelingschap

Een persoon die behoort tot de bevolkingsgroep van de Tutsi in Congo DRC kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging vanwege bijvoorbeeld zijn etnische afkomst. Het betreft hier zowel acties van de autoriteiten als ook van de lokale bevolking, waartegen de autoriteiten niet altijd bescherming kunnen bieden.

Kwetsbare minderheidsgroep

De Tutsi’s uit Congo DRC blijven aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C2/3.1.3.

Dit houdt in dat de vreemdeling die behoort tot deze groep met op zichzelf beperkte individuele indicaties reeds aannemelijk kan maken dat bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM dreigt.

Het is niet vereist dat de vreemdeling persoonlijk te maken heeft gehad met een behandeling die op zichzelf voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Ook indien sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Daarbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij aannemelijk maakt dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep.

Categoriale bescherming

Personen die behoren tot de bevolkingsgroep van de Tutsi in Congo DRC komen niet in aanmerking voor categoriale bescherming.

Voor personen afkomstig uit de categoriaal beschermingswaardige gebieden in het oosten van Congo DRC, te weten Noord-Kivu, Zuid-Kivu, Ituri en thans ook Haut Uélé, is een verblijfsalternatief aanwezig in Kinshasa.

Uit de laatste algemene ambtsberichten die zijn uitgebracht door de Minister van BuZa, is gebleken dat de situatie voor Tutsi’s in Kinshasa gaandeweg is verbeterd. In het recentste ambtsbericht wordt beschreven dat de Tutsi’s de laatste jaren geen gevaar meer lopen in Kinshasa. Hieraan wordt wel toegevoegd dat in de hoofdstad nog altijd veel vooroordelen bestaan, met name jegens de Banyamulenge, een Tutsi-groepering. Overigens is het aantal Tutsi’s in Kinshasa klein. In Kinshasa is het nog altijd erg makkelijk om mensen te mobiliseren op basis van anti-Rwandese sentimenten, aldus het ambtsbericht. Ten tijde van oplaaiende gevechten in Noord-Kivu in oktober en november 2008, was er sprake van anti-Tutsi retoriek in Kinshasa. Van stelselmatige vervolging en bedreiging was in de verslagperiode echter geen sprake. Kinshasa kan derhalve ook voor Tutsi’s als verblijfsalternatief gelden.

3.2 Bevolkingsgroepen uit Noord- en Zuid-Kivu

Ten opzichte van de vorige verslagperiode is de veiligheidssituatie in Noord-Kivu verslechterd. Hoewel na de ondertekening van de Acte d’Engagement in januari 2008 al geregeld sprake was van schendingen van het staakt-het-vuren, braken eind augustus grootschalige gevechten uit tussen de CNDP en de FARDC, die een groot deel van de verslagperiode voortduurden. Bij de gewapende groeperingen in Zuid-Kivu leek meer bereidheid te bestaan zich aan afspraken te houden en over te gaan tot demobilisatie dan in Noord-Kivu. In het begin van de verslagperiode was de veiligheidssituatie in Zuid-Kivu dan ook beter dan in Noord-Kivu. Tegen het einde van de verslagperiode zorgde een toename van de gewelddadigheden door de FDLR echter voor een verslechtering van de veiligheidssituatie in zowel Noord- als Zuid-Kivu.

In de provincies Noord- en Zuid-Kivu is sprake van een binnenlands gewapend conflict volgens de criteria van de Raad van State. In deze provincies of elders in Congo DRC is echter geen sprake van een “uitzonderlijke situatie” op grond waarvan op voorhand wordt aangenomen dat personen bij terugkeer te vrezen hebben voor schending van artikel 3 EVRM. Uit het ambtsbericht volgt niet dat de geografische omvang van het willekeurig geweld zodanig is dat iedere burger in Noord- en Zuid-Kivu louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt.

Een beroep op de algehele situatie in Noord- en Zuid-Kivu is op zichzelf niet voldoende voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3.3 Bevolkingsgroepen uit het Ituri District

De afgelopen jaren was in Ituri sprake van een gestage verbetering van de veiligheidssituatie. Dit wordt geïllustreerd door het toenemend aantal ontheemden dat terugkeerde naar Ituri. In de verslagperiode kwam de veiligheidssituatie echter onder druk te staan. Vanwege de intensivering van het conflict in de Kivu’s, werden in de verslagperiode FARDC- en MONUC-troepen uit rustige maar nog niet stabiele gebieden, zoals Ituri, verplaatst naar acute probleemgebieden. Hierdoor werd in Ituri ruimte gecreëerd voor kleine, gewapende groeperingen die hun invloed in het gebied probeerden te vergroten. Dit had negatieve consequenties voor de veiligheidssituatie in Ituri.

In de provincie Ituri is sprake van een binnenlands gewapend conflict volgens de criteria van de Raad van State. In deze provincie of elders in Congo DRC is echter geen sprake van een “uitzonderlijke situatie” op grond waarvan op voorhand wordt aangenomen dat personen bij terugkeer te vrezen hebben voor schending van artikel 3 EVRM. Uit het ambtsbericht volgt niet dat de geografische omvang van het willekeurig geweld zodanig is dat iedere burger in Ituri louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt.

Een beroep op de algehele situatie in Ituri is op zichzelf niet voldoende voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3.4 Bevolkingsgroepen uit Haut-Uélé

In Haut-Uélé was tijdens de verslagperiode sprake van een verslechtering van de veiligheidssituatie. Tussen september 2008 en januari 2009 zijn er door geweld van de zijde van de Lord’s Resistance Army (LRA) veel doden gevallen, veelal burgers. Na januari 2009 is de intensiteit van het geweld afgenomen, maar gevreesd wordt dat de terugtrekking van het Ugandese leger uit het noorden van Congo DRC zal leiden tot een toename van het geweld. Hiervan is aan het eind van de verslagperiode reeds gebleken. Daarom bestaat er aanleiding om dit gebied aan te merken als categoriaal beschermingswaardig, maar wordt er een verblijfsalternatief in Kinshasa aanwezig geacht.

In de provincie Haut-Uélé is sprake van een binnenlands gewapend conflict volgens de criteria van de Raad van State. In deze provincie of elders in Congo DRC is echter geen sprake van een “uitzonderlijke situatie” op grond waarvan op voorhand wordt aangenomen dat personen bij terugkeer te vrezen hebben voor schending van artikel 3 EVRM. Uit het ambtsbericht volgt niet dat de geografische omvang van het willekeurig geweld zodanig is dat iedere burger in Haut-Uélé louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt.

3.5 Bevolkingsgroepen uit Bas-Congo

De veiligheidssituatie in Bas-Congo is ten opzichte van de vorige verslagperiode verbeterd. In februari en maart 2008 vonden gewelddadige confrontaties plaats tussen de nationale politie en Bunda dia Kongo (BdK), waarbij ongeveer honderd doden vielen. Een deel van de BdK-leden die na de gebeurtenissen van februari en maart 2008 de bossen in gevlucht zijn, houdt zich daar nog altijd schuil uit angst te worden gearresteerd. Hoewel er nog altijd spanning is tussen de autoriteiten en de BdK, zijn veel BdK-leden teruggekeerd naar hun huizen. Sinds april 2008 zijn er geen nieuwe meldingen van geweld geweest. Er is sprake van voldoende bestendiging van de situatie om Bas-Congo niet langer aan te merken als categoriaal beschermingswaardig gebied.

Een beroep op de algehele situatie in Bas-Congo is op zichzelf niet voldoende voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3.6 Politieke tegenstanders van het bewind

De wet op de organisatie en het functioneren van politieke partijen van maart 2004 erkent en garandeert het politieke pluralisme in Congo DRC. Sinds deze nieuwe wetgeving van kracht is, is de vrijheid van vereniging en vergadering licht verbeterd.

De grondwet voorziet in vrijheid van vereniging en vergadering en de vrijheid van demonstratie, zolang de openbare orde en de goede zeden niet in het geding komen.

Politieke activisten blijven kwetsbaar, hoewel politieke activisten van de belangrijkste oppositiepartij Mouvement de Libération du Congo volgens een mensenrechtenorganisatie als categorie geen gevaar lopen. Parlementariërs van Mouvement de Libération du Congo worden niet gehinderd in de uitoefening van hun functie. Het is echter niet uitgesloten dat bekende en actieve leden van Mouvement de Libération du Congo door de autoriteiten bedreigd of geïntimideerd worden.

Om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking te komen, dient de betrokkene aannemelijk te maken dat de problemen die hij van de zijde van de Congolese autoriteiten heeft ondervonden vanwege zijn politieke activiteiten, te herleiden zijn tot daden van vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, of dat hij een reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM.

3.7 Leden rebellengroeperingen

In Congo DRC zijn ontwapeningsprogramma’s en vredesbesprekingen aan de gang waarbij de leden van de (voormalige) rebellenbewegingen worden opgenomen in het regeringsleger.

Het enkele lidmaatschap van een rebellengroepering vormt derhalve onvoldoende reden om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

3.8 Journalisten

De wet voorziet in vrijheid van meningsuiting, persvrijheid en het recht op informatie. In de praktijk wordt dit recht echter beperkt. Journalisten worden regelmatig lastiggevallen. De meeste journalisten plegen, om niet in de problemen te komen, een vorm van zelfcensuur. Intimidatie bestaat vooral uit het oppakken en vastzetten van journalisten. Dit vindt in het hele land plaats. Blijkens het ambtsbericht komt het voor dat journalisten hierbij geketend en gefolterd kunnen worden. Hierbij wordt opgemerkt dat dit niet zo zeer in de officiële gevangenissen als wel in de niet-officiële gevangenissen, de zogenoemde cachots, voorkomt.

Met inachtneming van het vorenstaande, dient betrokkene, om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, aannemelijk te maken dat de problemen die hij heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten vanwege zijn werkzaamheden als journalist te herleiden zijn tot daden van vervolging, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, of dat hij een reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM.

3.9 Vrouwen

Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing.

Uit het ambtsbericht blijkt dat seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes op grote schaal voorkomt in Congo DRC en epidemische vormen aanneemt. Zowel de overgebleven rebellenbewegingen alsook de soldaten van het regeringsleger en politieagenten maken zich hier schuldig aan. Slachtoffers van verkrachting leven in schaamte. Zij lopen het risico verstoten te worden door hun familie. Het is voor de meeste vrouwen in Congo DRC onmogelijk om bescherming in te roepen tegen seksueel geweld. Het is moeilijk om aangifte te doen van seksueel geweld, vooral in het oosten van het land. Het risico is aanwezig dat het doen van aangifte van verkrachting zich tegen het slachtoffer keert. Vrouwen die aangifte komen doen van seksueel geweld worden soms door de politie beticht van hekserij en lopen het risico zelf bestraft te worden, met name wanneer de dader van het seksueel geweld invloedrijk is.

Vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging in Congo DRC, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. Het ambtsbericht geeft geen aanleiding om vrouwen aan te duiden als kwetsbare minderheidsgroep.

Voorzover een beroep wordt gedaan op het traumatabeleid, wordt verwezen naar C2/4.2.

3.10 Dienstplichtigen en deserteurs

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing.

Ten aanzien van Congo DRC heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict.

Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Congo DRC is gebleken dat in Congo DRC geen dienstplicht bestaat.

Desertie is formeel strafbaar en heeft als maximale straf de doodstraf. In de praktijk komt desertie regelmatig voor. Vervolging wegens alleen desertie vindt zelden plaats. Voor hoge militairen wordt desertie hooguit als strafverzwarende omstandigheid in combinatie met een ander strafbaar feit aangemerkt.

3.11 Kinderen

Hoewel weeskinderen traditioneel altijd werden opgevangen door familieleden of mensen in de omgeving, is het aantal straatkinderen in Kinshasa de afgelopen jaren flink toegenomen. Volgens schattingen leven in Kinshasa alleen al zo’n 25.000 straatkinderen. De meerderheid van die kinderen (tot 70%) zou verstoten zijn door familieleden nadat ze van hekserij beschuldigd werden. UNICEF heeft in acht grote steden een programma voor straatkinderen opgezet.

Waar het probleem van kinderen die van hekserij worden beschuldigd zich aanvankelijk leek te beperken tot Kinshasa en het westen van Congo DRC, wordt nu duidelijk dat het fenomeen in opkomst is in steden in het gehele land. De nieuwe Congolese grondwet stelt expliciet dat beschuldiging van hekserij een vorm van kindermishandeling is en daarom strafbaar is. Voor zover bekend is in Congo DRC, althans in de afgelopen jaren, niemand veroordeeld in verband met misdaden jegens van hekserij beschuldigde personen.

Het enkele feit van straatkind zijn of als kind te worden beschuldigd van hekserij is onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning.

3.12 Homoseksuelen

Zoals in veel Afrikaanse landen rust in Congo DRC een zwaar sociaal-cultureel taboe op homoseksualiteit, waardoor nauwelijks over het onderwerp kan worden gesproken. Door het gebrek aan beschermende wetgeving, aan formele en informele acceptatie en door het slechte functioneren van het politieapparaat kan een homoseksueel geen bescherming inroepen tegen gevallen van discriminatie door medeburgers, de politie of andere overheidsinstanties.

In Congo DRC is homoseksualiteit niet expliciet strafbaar. Het WvSr noemt wel ‘misdaden tegen het familieleven’ (met een maximum gevangenisstraf van vijf jaar), welke bepaling gebruikt kan worden tegen homoseksuelen.

Indien een Congolese asielzoeker die zich beroept op discriminatie vanwege homoseksualiteit, aannemelijk kan maken dat de ondervonden discriminatie een dusdanige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren dan kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming.

Het enkele feit van homoseksueel zijn is onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning.

3.13 Pygmeeën

In Congo DRC worden de Pygmeeën ernstig gemarginaliseerd en gediscrimineerd.

Pygmeeën zouden door veel Congolezen als halve wilden worden gezien en daarom slecht behandeld. De Pygmeeën hebben een leefwijze die zich slecht verhoudt tot de moderniteit. Het zijn jager-verzamelaars die rondtrekken in dunbevolkte bosgebieden. De Pygmeeëngemeenschappen hebben veel te lijden gehad door de burgeroorlog en massale schendingen van de mensenrechten. Pygmeeën beschikken door hun leefwijze dikwijls over een uitstekende terreinkennis, waarvan de verschillende strijdende partijen gebruik hebben gemaakt en soms nog maken.

Het enkele feit dat een persoon behoort tot de bevolkingsgroep van de Pygmeeën is onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning.

4 Traumatabeleid

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing.

5 Categoriale bescherming

Asielzoekers uit Congo DRC komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning.

De beschrijving van de algehele veiligheidssituatie in het algemene ambtsbericht van de Minister van BuZa leidt tot het oordeel dat de gebieden in het oosten van Congo DRC, waar zich recent gewapende conflicten hebben voorgedaan (Noord-Kivu, Zuid-Kivu, Ituri en Haut-Uélé), categoriaal beschermingswaardig zijn. Er is evenwel geen beleid van categoriale bescherming, in de zin van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, geïndiceerd omdat asielzoekers uit deze gebieden die niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op individuele gronden, zich aan de algehele geweldsituatie kunnen onttrekken door in Kinshasa te verblijven. Aan deze personen zal daarom een verblijfsalternatief worden tegengeworpen.

Ten aanzien van het verblijfsalternatief dat reeds sedert het voorgaande ambtsbericht aan Tutsi’s wordt tegengeworpen, wordt opgemerkt dat de beschrijving in het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa leidt tot de conclusie dat de veiligheidssituatie van Tutsi’s in Kinshasa de afgelopen jaren is verbeterd en zich heeft bestendigd.

Daarnaast is gebleken dat de ons omringende landen, het Verenigd Koninkrijk, België en Denemarken, geen speciaal beleid voeren ten aanzien van (bepaalde bevolkingsgroepen) uit Congo DRC.

Verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd zal op normale wijze plaatsvinden indien de geldigheid van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verlopen voorafgaand aan de beëindiging van het beleid van categoriale bescherming, voor zover de vreemdeling ook aan de overige vereisten voor verlening voldoet.

6 Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
6.1 Vlucht- en/of vestigingsalternatief

Gezien de huidige situatie in Congo DRC, wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen.

6.2 Veilig land van herkomst

Congo DRC wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.

6.3 Veilig derde land / land van eerder verblijf

Congo DRC wordt niet beschouwd als veilig derde land.

6.4 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.

Verder zijn er nog de volgende aandachtspunten.

Zowel leden van het leger, de politie en de veiligheidsdienst, als leden van (voormalige) rebellenmilities hebben zich in Congo DRC op grote schaal schuldig gemaakt aan het schenden van de mensenrechten. Met name de strijdende partijen in het oosten van Congo DRC maken zich schuldig aan foltering en andere oorlogsmisdrijven. Om die reden dient men er in het bijzonder op bedacht te zijn of betrokkene zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als omschreven in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Vorenstaande kan ook van belang zijn bij minderjarigen, aangezien met name de rebellengroeperingen en sommige facties van het nationale leger gebruik maken dan wel gebruik hebben gemaakt van kindsoldaten.

7 Opvangmogelijkheden Amv’s

Traditioneel werden weeskinderen altijd opgevangen door familieleden of mensen in de omgeving. Het aantal straatkinderen is echter in de afgelopen jaren flink toegenomen. Voor Amv’s is adequate opvang in Congo DRC voorhanden. Weeskinderen worden in het algemeen opgevangen door de familie van één van beide ouders. In het opvangcentrum van de Congregatie der Salesianen (Don Bosco) zijn vier opvangplaatsen geregeld voor uit Nederland terugkerende Amv’s. Voor meer informatie over opvangmogelijkheden voor Amv’s wordt verwezen naar het eerdergenoemde ambtsbericht van de Minister van BuZa.

Minderjarige asielzoekers van Congolese nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.

8 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Congo DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

ARTIKEL II

Dit besluit is voorzien van een toelichting en treedt in werking met ingang van 1 januari 2010

Den Haag, 12 november 2009

De Staatssecretaris van Justitie,

namens deze:

de directeur-generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken,

R.K. Visser.

TOELICHTING

Algemeen

De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in juni 2009 een algemeen ambtsbericht over Congo DRC uitgebracht. Het ambtsbericht beslaat de periode van juni 2008 tot en met mei 2009. Het ambtsbericht heeft geen aanleiding gegeven tot wijziging van het beleid. In dit wijzigingsbesluit zijn wel enkele actualiseringen als gevolg van het ambtsbericht opgenomen.

Zo wordt Bas-Congo niet langer aangemerkt als categoriaal beschermingswaardig gebied. Daarnaast wordt Haut-Uélé aangemerkt als categoriaal beschermingswaardig gebied, maar wordt een verblijfsalternatief in Kinshasa aanwezig geacht. Noord- en Zuid-Kivu en Ituri blijven aangemerkt als categoriaal beschermingswaardige gebieden. Aangezien er een verblijfsalternatief voor personen uit deze gebieden in Kinshasa aanwezig wordt geacht, geldt voor hen evenwel geen categoriaal beschermingsbeleid. Etnische Tutsi’s blijven aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep. Er wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief voor asielzoekers uit Congo DRC aanwezig verondersteld. In de provincies Noord- en Zuid-Kivu, Ituri en Haut-Uélé is er sprake van een binnenlands gewapend conflict volgens de criteria van de Raad van State. Er is echter geen sprake van een uitzonderlijke situatie. Vrouwen worden niet aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep. Wel worden vrouwen aangemerkt als groep die verhoogde aandacht vraagt.

De Staatssecretaris van Justitie,

namens deze:

de directeur-generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken,

R.K. Visser.

Naar boven