Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitStaatscourant 2009, 18039Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 november 2009, nr. 37370, houdende de wijziging van de Regeling Inrichting landelijk gebied (instelling Comité van Toezicht ILG)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Besluit:

ARTIKEL I

Na hoofdstuk 4 van de Regeling inrichting landelijk gebied wordt het volgende hoofdstuk ingevoegd:

HOOFDSTUK 4A. COMITÉ VAN TOEZICHT ILG

Artikel 28a

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

bestuursovereenkomsten:

bestuursovereenkomsten Investeringsbudget Landelijk Gebied 2007–2013, zoals tussen Rijk en provincies overeengekomen;

comité:

Comité van Toezicht ILG;

eindverantwoordingsverslag:

verslag als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de wet;

voortgangsrapportage:

verslag als bedoeld als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet.

Artikel 28b

Er is een Comité van Toezicht ILG.

Artikel 28c
  • 1. Het comité heeft tot taak de Minister binnen 4 maanden nadat de voortgangsrapportage 2009 of het eindverantwoordingsverslag 2013 door de provincies aan de Minister is aangeboden, verslag te doen van zijn beoordeling van de voortgang van de realisering van de in de bestuursovereenkomsten opgenomen prestaties.

  • 2. De wijze van beoordeling van de voortgang van de realisering van de in de bestuursovereenkomsten afgesproken prestaties, bedoeld in het eerste lid, geschiedt overeenkomstig de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 4B bij de bestuursovereenkomsten.

Artikel 28d
  • 1. De Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de overige leden van het comité.

  • 2. De voorzitter en de overige leden worden benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaren. Na afloop van die periode zijn zij terstond herbenoembaar.

  • 3. Het comité kan het advies van een deskundige inroepen.

  • 4. De Minister voorziet in de ondersteuning van het comité.

Artikel 28e
  • 1. Als leden van het comité worden benoemd voor de periode van 24 september 2009 tot en met 31 augustus 2013:

    • de heer W. Veldman RA, tevens voorzitter;

    • de heer W.K. van den Arend;

    • de heer ing. H.J. Mulder;

    • de heer W.G.J. Wijntjes RA.

  • 2. Behalve de heer W.K. van den Arend en de heer W.G.J. Wijntjes RA worden de leden van het comité op persoonlijke titel benoemd.

Artikel 28f

Het comité stelt zijn eigen werkwijze vast.

Artikel 28g
  • 1. De leden van het comité ontvangen een vaste vergoeding per maand als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de in artikel 28e, tweede lid, genoemde leden.

  • 3. De door de leden te ontvangen algemene vergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt aangepast aan de algemene salarisontwikkeling van het burgerlijk rijkspersoneel.

ARTIKEL II

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. De artikelen 28a tot en met 28g werken terug tot en met 24 september 2009.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg.

TOELICHTING VOOR DE STAATSCOURANT BIJ NUMMER 37370

Op 1 januari 2007 is de Wet inrichting landelijk gebied in werking getreden. Ingevolge artikel 2 van de Wet inrichting landelijk gebied (WILG) zijn de provincies in medebewind verantwoordelijk voor de realisatie van het gebiedsgerichte beleid. De betrokken ministeries hebben met gedeputeerde staten van elk van de provincies op basis van meerjarenprogramma’s een bestuursovereenkomst gesloten, waarin deze verantwoordelijkheid in prestatieafspraken is geconcretiseerd. De provinciebesturen zijn door het sluiten van de bestuursovereenkomst gebonden aan de uitvoering van de in de overeenkomst opgenomen prestaties.

De provincies moeten de prestaties in zeven jaar hebben gerealiseerd. Blijkens artikel 7, derde lid, van de WILG overleggen provincies en het Rijk in het vierde jaar van het investeringstijdvak waarop de bestuursovereenkomst betrekking heeft, aan de hand van de voortgang van de realisatie van de prestaties en van de tot dan toe gerealiseerde besteding van het investeringsbudget landelijk gebied (ILG), of wijziging van de overeenkomst noodzakelijk of wenselijk is, mede met het oog op wijzigingen in het gebiedsgerichte beleid. Dit wordt de ‘mid term review’ genoemd. Na afloop van de termijn brengen gedeputeerde staten, op grond van artikel 12, derde lid, WILG, een eindverantwoordingsverslag uit. In het eindverantwoordingsverslag wordt ingegaan op de realisatie van de prestaties, de wijze waarop het investeringsbudget is besteed en de wijze waarop de besteding van het investeringsbudget heeft bijgedragen aan het bereiken van de prestaties per doel.

Ingevolge de bestuursovereenkomst bestaat het eindverantwoordingsverslag onder meer uit een visitatie door het Rijk. Met de provincies is nader afgesproken, dat ten behoeve van de mid term review ook een visitatie wordt uitgevoerd. Daarom stel ik met het onderhavige wijzigingsbesluit het Comité van Toezicht ILG (hierna: het comité) in.

Het comité draagt zorg voor de visitatie. Nadat de voortgangsrapportage van 2009 of het eindverantwoordingsverslag van 2013 door provincies aan de Minister is aangeboden, vergelijkt het comité de voortgangsrapportage of het eindverantwoordingsrapport met de visitatie en doet vervolgens verslag van zijn beoordeling van de voortgang van de realisering van de in de bestuursovereenkomsten opgenomen prestaties (artikel 28c van de bij dit besluit gewijzigde Regeling inrichting landelijk gebied (RILG)).

Het comité dient de vorderingen in de realisering van de in de bestuursovereenkomsten opgenomen prestaties overeenkomstig de in bijlage 4B van de ILG bestuurovereenkomsten opgenomen algemene voorschriften te beoordelen.

De leden van het comité worden benoemd, ontslagen of geschorst door de Minister (artikel 28d van de RILG). De benoeming van de leden is geregeld in artikel 28e van de RILG. De samenstelling van het comité representeert de verschillende partijen en dient de objectieve beoordeling van de vorderingen in de realisering van de in de bestuursovereenkomsten opgenomen prestaties te waarborgen.

Het comité bestaat uit zowel ambtenaren van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, als vertegenwoordigers van de provincies. Daarnaast zijn er twee onafhankelijke leden benoemd. In het derde lid van artikel 28d is geregeld, dat het comité, naar gelang van behoefte, kan besluiten het advies van een adviseur in te roepen en zodoende in voorkomend geval kan beschikken over niet in het comité zelf aanwezige kennis.

De leden ontvangen in beginsel een vaste vergoeding per maand (artikel 28g, tweede lid, van de RILG). In artikel 28g, derde lid, van de RILG, is bepaald, dat de vergoeding wordt aangepast aan de algemene salarisontwikkeling van het burgerlijk rijkspersoneel.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies zijn uitgezonderd van een vergoeding personen die een functie vervullen bij instellingen of organisaties als bedoeld in de artikelen 2 tot en met 5 van de Wet openbaarmaking met publieke middelen gefinancierde topinkomens, indien hun benoeming of deelname aan de werkzaamheden haar oorzaak vindt in de functie die zij vervullen. Dit betekent, dat de ambtenaren van mijn ministerie en van de provincies niet in aanmerking komen voor een vergoeding. Zij worden derhalve in artikel 28g, tweede lid, van de RILG, van vergoeding uitgezonderd.

In afwijking van mijn besluit om als algemeen uitgangspunt voor de inwerkingtreding van LNV-regelgeving twee vaste data te hanteren, zoals aangegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 28 april 2008 (Kamerstukken II, 2007–2008, 29 515, nr 202), treedt deze wijzigingsregeling in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 24 september. Dit gezien de wenselijkheid om zo spoedig mogelijk een begin te maken met de benodigde voorbereidingen ten behoeve van het mid term review. Deze regeling leidt niet tot extra lasten van het bedrijfsleven.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg.