Regeling van de Minister van Justitie van 9 november 2009, nr. 5602920/09, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en het College van procureurs-generaal ten aanzien van aangelegenheden van het openbaar ministerie die niet het beheer van het openbaar ministerie betreffen (Mandaatregeling niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie)

De Minister van Justitie,

Gelet op de artikelen 10:3, 10:9, eerste lid, en 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

    a. minister:

    de Minister van Justitie;

    b. mandaat:

    de bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen;

    c. secretaris-generaal:

    de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie;

    d. College:

    het College van procureurs-generaal.

  • 2. Deze regeling heeft geen betrekking op aangelegenheden die het beheer van het openbaar ministerie betreffen.

Artikel 2

  • 1. Aan de secretaris-generaal wordt mandaat verleend tot:

    • a. het beslissen op bezwaarschriften of op verzoeken als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van besluiten die het College krachtens mandaat heeft genomen;

    • b. de behandeling van klachten die gedragingen van het College of leden daarvan betreffen;

    • c. het beslissen op verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, indien inwilliging of afwijzing daarvan belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kan hebben,

    • d. het nemen van besluiten en het verrichten van andere handelingen, voortvloeiend uit aangelegenheden die de Nationale ombudsman betreffen, behoudens in het geval de strekking daarvan is dat:

      • aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven; of

      • een verbod wordt gegeven als bedoeld in artikel 14 van de Wet Nationale ombudsman.

  • 2. De secretaris-generaal wordt toegestaan om ten aanzien van het krachtens het eerste lid, onder a tot en met c verleende mandaat, ondermandaat te verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen.

Artikel 3

Aan het College wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de minister behorende aangelegenheden op het terrein van het openbaar ministerie, met uitzondering van:

  • a. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten die zijn neergelegd in een document, gericht tot:

    • 1°. de Koningin;

    • 2°. de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie;

    • 3°. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie;

    • 4°. de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State;

    • 5°. de president van de Algemene Rekenkamer;

    • 6°. de Nationale ombudsman, behoudens indien het gaat om :

      • ontvangstbevestigingen;

      • tussenberichten, waaronder uitstelberichten;

      • stukken naar aanleiding van pogingen van de Nationale ombudsman om ter vermijding van een volledig onderzoek te bevorderen dat alsnog aan de klacht tegemoet wordt gekomen (interventies);

  • b. de behandeling van klachten die gedragingen van het College of leden daarvan betreffen.

  • c. het beslissen op verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, indien inwilliging of afwijzing daarvan belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kan hebben.

Artikel 4

  • 1. Het College wordt toegestaan ondermandaat te verlenen aan rechtstreeks onder hem ressorterende functionarissen, voor zover in deze regeling niet anders is bepaald.

  • 2. Verleend ondermandaat kan steeds één hiërarchisch niveau verder worden doorgegeven, voor zover in deze regeling niet anders is bepaald.

Artikel 5

Indien een krachtens mandaat te nemen besluit belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kan hebben, draagt het College zorg voor voorafgaande afstemming met de secretaris-generaal.

Artikel 6

  • 1. Ondermandaat door het College tot het nemen van besluiten op verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur kan uitsluitend worden verleend aan:

    • a. de hoofden van de arrondissementsparketten;

    • b. het hoofd van het landelijk parket;

    • c. het hoofd van het functioneel parket;

    • d. de hoofden van de ressortsparketten;

    • e. het hoofd van de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het parket-generaal;

    • f. het hoofd van het bureau verkeershandhaving;

    • g. de directeur van het bureau ontnemingen openbaar ministerie;

    • h. de directeur van de Dienstverleningsorganisatie Openbaar Ministerie;

    • i. de directeur van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie;

    • j. de directeur van de Rijksrecherche;

    • k. de directeur van het wetenschappelijk bureau van het openbaar ministerie.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde functionarissen kunnen het ondermandaat slechts aan onder hen ressorterende ambtenaren doorgeven voor zover het standaardbeslissingen betreft.

Artikel 7

Ondermandaat door het College ten aanzien van:

  • a. de behandeling van en beslissing op bezwaar- en beroepschriften;

  • b. de behandeling van en beslissing op gerechtelijke en buitengerechtelijke verzoeken om schadevergoeding in verband met strafvorderlijk of ander optreden dat aan het openbaar ministerie wordt toegerekend;

  • c. het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 4:7, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit politiegegevens;

kan uitsluitend worden verleend aan het hoofd van de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het parket-generaal, die dit ondermandaat slechts één hiërarchisch niveau verder kan doorgeven.

Artikel 8

Ondermandaat door het College ten aanzien van een schadezaak op grond van de Aanwijzing Schade Niet-Voegen of de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften kan uitsluitend worden verleend aan de in artikel 6, eerste lid, onder a, b, c, d, e, f en i bedoelde functionarissen, die dit ondermandaat slechts één hiërarchisch niveau verder kunnen doorgeven.

Artikel 9

Het College rapporteert tenminste éénmaal per jaar aan de minister over de uitvoering van krachtens mandaat genomen beslissingen inzake het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 4:7, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit politiegegevens. Hiertoe registreert het College de gedurende het kalenderjaar bij het openbaar ministerie ingediende verzoeken en de daarop genomen beslissingen. Het rapport van het College bevat geen gegevens die tot individuele personen herleidbaar zijn.

Artikel 10

Vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling genomen besluiten waarin in de Regeling OM-mandaat Wob, de Regeling machtiging klachtbehandeling College van procureurs-generaal 2003 en de Regeling machtiging klachtbehandeling Rijksrecherche verleende mandaten verder zijn doorgegeven, blijven van kracht voor zover zij niet strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze regeling, totdat op grond van deze regeling is voorzien in ondermandaat of het betrokken besluit wordt ingetrokken.

Artikel 11

Voor de toepassing van deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt met mandaat onderscheidenlijk ondermandaat gelijkgesteld de verlening onderscheidenlijk doorgifte van:

  • a. volmacht om in naam van de minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten;

  • b. machtiging om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

Artikel 12

Ingetrokken worden:

a. de Regeling OM-mandaat Wob;

b. de Regeling machtiging klachtbehandeling College van procureurs-generaal 2003;

c. de Regeling machtiging klachtbehandeling Rijksrecherche.

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Mandaatregeling niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 9 november 2009

De Minister van Justitie,

E.M.H. Hirsch Ballin.

TOELICHTING

Algemeen

De Mandaatregeling niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie (hierna: regeling) strekt tot actualisering van mandaat, volmacht en machtiging aan het College van procureurs-generaal betreffende de aangelegenheden van het openbaar ministerie, met uitzondering van aangelegenheden die het beheer van het openbaar ministerie betreffen.

Zoals vermeld in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel reorganisatie openbaar ministerie en landelijk parket (Kamerstukken II 1996/97, 25 392, nr. 3, blz. 21) is het openbaar ministerie geen onderdeel van het Ministerie van Justitie in de betekenis van het ministerie in engere zin, maar is het in organisatorische zin ondergebracht bij de rechterlijke macht. Het openbaar ministerie is dus geen ambtelijke dienst die op één lijn kan worden gesteld met rechtstreeks onder de hiërarchie van de minister vallende stafdirecties en directoraten-generaal. Om die reden komt het openbaar ministerie niet voor als dienstonderdeel in de Organisatieregeling Ministerie van Justitie 2007. Evenmin zijn de Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2005 en de daarop gebaseerde ondermandaatregelingen van toepassing op aangelegenheden die het openbaar ministerie betreffen (behalve voor zover het bevoegdheden betreft in het kader van de zgn. beheersverantwoordelijkheid voor het openbaar ministerie, zie hierna). Om die reden voorziet de onderhavige regeling voor zover het de niet-beheersaangelegenheden betreft in rechtstreekse mandaatverlening door de minister aan het College. Dit is thans ook het geval bij de mandaatverleningen tot afhandeling van Wob-verzoeken en klachten (Regeling OM-mandaat Wob, Regeling machtiging klachtbehandeling College van procureurs-generaal 2003 en Regeling machtiging klachtbehandeling Rijksrecherche). De secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie (SG) heeft daarnaast in deze regeling een belangrijke rol gekregen. Indien een krachtens mandaat te nemen besluit belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kan hebben, moet de gemandateerde bij het openbaar ministerie altijd vooraf afstemmen met de SG. Gelet op de bijzondere positie van de Nationale ombudsman en gezien het belang van zijn rapporten, worden aangelegenheden betreffende de Nationale ombudsman binnen de departementale kolom (minister-SG) belegd. De afhandeling van verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur waarvan de inwilliging of afwijzing belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kan hebben, is eveneens belegd binnen de departementale kolom (minister - SG).

Overigens zij benadrukt dat, zoals ook in de genoemde memorie van toelichting is vermeld, de omstandigheid dat het openbaar ministerie in organisatorische zin is ondergebracht bij de rechterlijke macht, geen afbreuk doet aan de ministeriële verantwoordelijkheid van de minister voor het openbaar ministerie.

Ingevolge artikel 25, tweede lid, van de Organisatieregeling Ministerie van Justitie 2007 is de directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving (dgRR) beheersverantwoordelijk voor het openbaar ministerie. Anders dan in beginsel het geval is bij de door de onderhavige regeling bestreken niet-beheersaangelegenheden die het openbaar ministerie betreffen, vallen beheersaangelegenheden (personeel, budgethouderschap, arbeidsomstandigheden e.d.) hiërarchisch onder de bevoegdheid van de dgRR. Terzake daarvan is op basis van de Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2005 door de dgRR geclausuleerd ondermandaat verleend aan het College van procureurs-generaal via de Mandaatregeling beheersaangelegenheden openbaar ministerie. De onderhavige regeling heeft dus geen betrekking op beheersaangelegenheden, hetgeen is vastgelegd in artikel 1, tweede lid.

Met artikel 3, aanhef en onder b, in combinatie met de artikelen 2, eerste lid, onder b en tweede lid, 4 en 5 van deze regeling worden de Regeling machtiging klachtbehandeling College van procureurs-generaal 2003 en de Regeling machtiging klachtbehandeling Rijksrecherche vervangen, omdat het de voorkeur verdient de mandaten te bundelen. In aansluiting op de onderhavige mandaatregeling blijft voor de rijksrecherche de Klachtenregeling Rijksrecherche gelden, waarmee de minister heeft voldaan aan de wettelijke verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen 61 en 62 van de Politiewet 1993.

Ook vervangen wordt de huidige Regeling OM-mandaat Wob, door de artikelen 3, aanhef, 5 en 6 van deze regeling. Artikel 2, eerste lid, onder a, is van toepassing indien de SG op bezwaar dient te beslissen, waar het primaire Wob-besluit door het College is genomen.

Op de mandaatverlening in deze regeling zijn de regels uit afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Deze regels zijn krachtens artikel 10:12 van de Awb van overeenkomstige toepassing op de verlening van volmacht en machtiging.

Overigens blijft de minister, de mandaatgever, te allen tijde bevoegd de gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen en kan hij de gemandateerde instructies geven ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. De gemandateerde verschaft de mandaatgever op diens verzoek inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheid. Hetzelfde geldt ten aanzien van volmacht en machtiging. Waar in deze toelichting wordt gesproken over mandaat, wordt indien van toepassing tevens gedoeld op volmacht en machtiging.

Zoals gebruikelijk, kunnen aan een functionaris gemandateerde bevoegdheden ook worden uitgeoefend door degene die als plaatsvervanger, waarnemer of fungerend functionaris is aangewezen.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Naast enkele bekortende definities is in het eerste lid de omschrijving van mandaat in afdeling 10.1.1 van de Awb aangevuld om aan te duiden dat waar verder in de regeling gesproken wordt van mandaat, het uitsluitend namens de Minister van Justitie te nemen besluiten of te verrichten handelingen betreft.

Het tweede lid maakt duidelijk dat deze regeling geen betrekking heeft op beheersaangelegenheden. Zie hierover het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 2

Het in het eerste lid verleende mandaat aan de SG houdt verband met het volgende:

  • (a) Artikel 10:3, derde lid, van de Awb staat niet toe dat de beslissing op een bezwaarschrift wordt genomen door dezelfde gemandateerde als degene die het primaire besluit in mandaat nam. Ten aanzien van de in dit lid genoemde besluiten van door het College krachtens mandaat genomen besluiten, waartegen bezwaar kan worden gemaakt, wordt de SG aangewezen om de beslissing op bezwaar te nemen. Ook voor het beslissen op een verzoek als bedoeld in art. 7:1a, eerste lid, Awb wordt mandaat verleend aan de secretaris-generaal. De aard van deze bevoegdheid verzet zich niet tegen het verlenen van ondermandaat door de secretaris-generaal.

  • (b) In verband met de gewenste distantie tussen klachtbehandelaar en degene over wie wordt geklaagd, is ervoor gekozen de SG aan te wijzen als behandelaar van klachten over gedragingen van een of meer leden van het College.

  • (c) Gelet op het belang is er voorts voor gekozen om de beslissing over verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur waarvan de inwilling of afwijzing belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kan hebben, neer te leggen bij de SG.

  • (d) Gelet op de bijzondere positie van de Nationale ombudsman en gezien het belang van zijn rapporten, zijn aangelegenheden betreffende de Nationale ombudsman niet aan het College gemandateerd, maar aan de SG (behoudens afdoening van ontvangstbevestigingen, tussenberichten en interventies). In twee specifiek genoemde situaties blijft de afdoening aan de minister voorbehouden (geen gevolg geven aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman en een verbod geven aan de Nationale ombudsman om bepaalde plaatsen te betreden in verband met de veiligheid van de staat). Anders dan de andere in dit artikel genoemde bevoegdheden, is ten aanzien van ombudsmanaangelegenheden geen ondermandaat mogelijk.

Artikel 3

Dit artikel geeft een algemeen mandaat aan het College, met enkele uitzonderingen. Onder het mandaat vallen alle aan de minister van Justitie toekomende bevoegdheden op het terrein van het OM (voor zover niet het beheer van het OM betreffend: zie artikel 1, tweede lid).

Het mandaat omvat onder meer de behandeling van klachten over gedragingen van personen die werkzaam zijn bij het openbaar ministerie. In verband met de gewenste distantie tussen klachtbehandelaar en degene over wie wordt geklaagd, zijn in onderdeel b de klachten over gedragingen van (één of meerdere leden van) het College uitgezonderd van het mandaat. In plaats daarvan is hiervoor mandaat verleend aan de secretaris-generaal (artikel 2, eerste lid, onder b). Het College wordt met artikel 4 toegestaan de klachtbehandeling door te mandateren. In de praktijk zullen klachten over medewerkers van het openbaar ministerie worden afgedaan door een persoon die hiërarchisch hoger staat dan de persoon over wie geklaagd wordt.

Ook omvat het mandaat de bevoegdheid om namens de minister bij zowel de bestuurs- als de civiele rechter te procederen (waaronder het voeren van verweer) en op te treden bij comparitie van partijen. Bij de door de bestuursrechter te behandelen zaken gaat het om op grond van de Awb ingestelde beroepen tegen beslissingen van de minister, door het openbaar ministerie in mandaat genomen, zoals in het kader van Wob-verzoeken. Bij de door civiele rechter te behandelen zaken gaat het om verzoeken om schadevergoeding, voor welke schade het openbaar ministerie verantwoordelijk wordt gehouden. Voorts kan gedacht worden aan het verrichten van rechtshandelingen in het kader van een comparitie, naast de inschakeling van de Landsadvocaat die namens de Staat optreedt.

De uitzonderingen genoemd onder a komen overeen met de voorbehouden in het departementale mandaat van de minister aan de SG, vermeld in artikel 2 van de Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2005.

Tenslotte zij opgemerkt dat er voorts bevoegdheden zijn die door hun aard of ingevolge wettelijk voorschrift buiten het mandaat aan het College vallen (zie voor dit laatste art. 10:3 Awb).

Artikel 4

Dit artikel regelt in algemene zin dat het College van procureurs-generaal ondermandaat kan verlenen. Evenals op basis van de Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2005 het geval is, kan dit ondermandaat in beginsel steeds één hiërarchisch niveau verder worden doorgeven. Clausuleringen op het ondermandaat voor wat betreft de uitoefening van specifieke bevoegdheden zijn opgenomen in de artikelen 6 tot en met 8.

Artikel 5

Wanneer besluiten of andere handelingen, te nemen of te verrichten door een op grond van deze regeling (onder)gemandateerde bij het openbaar ministerie, belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kunnen hebben, moeten deze vooraf worden afgestemd met de secretaris-generaal. In de praktijk zal het vooral gaan om gevoelige bezwaar-, beroep- en schadevergoedingszaken. Op deze wijze blijft de SG geïnformeerd en kan hij de minister ondersteunen ten aanzien van diens politieke verantwoordelijkheid voor het openbaar ministerie. Overigens blijft de behandeling van gevoelige Wob-zaken voorbehouden aan de minister c.q. de SG (zie artikelen 2 en 3).

Artikel 6

Het onderhavige artikel betreft in combinatie met artikel 3, aanhef en onder a, sub 6, en artikel 5 van deze regeling, de beslissingen op (gewone) Wob-verzoeken en beslissingen op bezwaar terzake. Deze bepalingen treden in de plaats van de Regeling OM-mandaat Wob. Het voornaamste verschil is dat in die regeling was opgenomen dat het College bij gevoelige zaken visie vooraf vraagt aan de departementale Wob-coördinator, terwijl in deze regeling (art. 2) de beslissing in op Wob-verzoeken waarvan de inwilling of afwijzing belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke geovlgen kan hebben, aan de minister blijft voorbehouden (met ondermandaat aan de secretaris-generaal (artikelen 2 en 3). Daarnaast is ervoor gekozen om verdergaand ondermandaat mogelijk te maken bij standaardbeslissingen. Dit zijn beslissingen op verzoeken die een standaardmatig karakter hebben, met grote regelmaat worden ingediend of op een meer standaardmatige wijze kunnen worden afgehandeld. De enorme toename van Wob-verzoeken in verkeerszaken bij de Centrale Verwerking openbaar ministerie (CVOM) heeft aanleiding gegeven tot uitbreiding van het toegestane ondermandaat.

Artikelen 7 en 9

Artikel 7, gezien in combinatie met artikelen 3, aanhef, en 5 van deze regeling, betreft achtereenvolgens de beslissingen op:

  • (a) Bezwaar- en beroepschriften;

    Op grond van de artikelen 3, aanhef, en 7, onder a, van deze regeling is het College bevoegd tot behandelen van en beslissen op bezwaar- en beroepschriften betreffende door het openbaar ministerie in mandaat genomen beslissingen. Deze bevoegdheden kan het College doorgeven aan het hoofd (en daarmee het plaatsvervangend hoofd) van de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het parket-generaal (hierna: BJZ) en krachtens door hem verleend ondermandaat aan de medewerkers van BJZ. Voor deze functionarissen en voor het College geldt hierbij vanzelfsprekend dat de beslissing op bezwaar niet door dezelfde gemandateerde genomen mag worden, overeenkomstig artikel 10:3, derde lid, van de Awb. Van een besluit van het College is de SG (of een door hem daartoe gemandateerde onder hem ressorterende functionaris) de aangewezen persoon om de beslissing op bezwaar te nemen, als beschreven in artikel 2, eerste lid, onderdeel a. Overigens is er geen beletsel voor het nemen van beslissingen op bezwaar (door bijvoorbeeld het College), waar het primaire besluit krachtens ondermandaat is genomen (bijvoorbeeld door het hoofd van BJZ). Door hiermee rekening te houden bij het primaire besluit, kan zo ook de beslissing op bezwaar binnen het openbaar ministerie worden genomen. Natuurlijk geldt ook hier dat waar het een gevoelige zaak betreft, er vooraf afgestemd zal worden met de SG (artikel 5).

  • (b) Gerechtelijke en buitengerechtelijke verzoeken om schadevergoeding;

    Op grond van de artikelen 3, aanhef, en 7, onder b, van deze regeling kan het College, of na doormandatering het (plaatsvervangend) hoofd of een medewerker van BJZ, verzoeken om schadevergoeding, voor welke schade het openbaar ministerie verantwoordelijk wordt gehouden, gerechtelijk en buitengerechtelijk afdoen. Ook hier geldt dat een gevoelig schadevergoedingsverzoek wordt afgestemd met de SG (artikel 5).

  • (c) Toestemming als bedoeld in artikel 4:7, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit politiegegevens.

    Met de artikelen 3, aanhef, en 8, onder c, van deze regeling wordt aan het College, of na doormandatering het (plaatsvervangend) hoofd of een medewerker van BJZ, mandaat verleend ten aanzien van de aan de minister op grond van artikel 4:7 van het Besluit politiegegevens toekomende bevoegdheid om schriftelijk toestemming te verlenen tot verstrekking van politiegegevens voor wetenschappelijke doeleinden. Het opnemen van deze bepalingen betekent het bestendigen van de in de afgelopen jaren ontstane praktijk waarbij veel verzoeken van onderzoekers door het College worden beoordeeld en de organisatie van het openbaar ministerie op deze taak ook toegerust is. Gelet op deze naar tevredenheid functionerende praktijk wordt niet overwogen de huidige uitvoeringssituatie te wijzigen. Daarnaast is ook ter bevordering van eenvormig beleid ervoor gekozen het College toe te staan het mandaat door te geven aan het hoofd en het plaatsvervangend hoofd van de afdeling BJZ, die dit mandaat nog één hiërarchisch niveau mogen doorgeven.

    Dit mandaat heeft geen betrekking op de bevoegdheid van de minister, bedoeld in artikel 4:7, vijfde lid, van het Besluit politiegegevens, om toestemming te geven voor de rechtstreekse benadering van personen. Evenmin heeft dit mandaat betrekking op de bevoegdheid van de minister, bedoeld in artikel 4:7, zesde lid, van het Besluit politiegegevens om, op grond van artikel 18, tweede lid van de Wet politiegegevens, gegevens als bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 of 13 van de Wet politiegegevens te verstrekken voor wetenschappelijke doeleinden.

Artikel 9 van de onderhavige regeling betreft de verplichte jaarlijkse rapportage over de uitvoering van het mandaat, vermeld onder c.

Artikel 8

Met dit artikel wordt een verdergaand ondermandaat mogelijk gemaakt dan op grond van artikel 7 van deze regeling, maar een beperkter ondermandaat dan krachtens artikel 3, indien het schadezaken betreft op grond van de Aanwijzing Schade Niet-Voegen (Stcrt. 2008, 144) of de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Het gaat hier om standaardzaken, waarvoor een aantal parketmedewerkers is opgeleid.

Artikel 10

Deze overgangsbepaling beoogt bestaande (onder)mandaten, volmachten en machtigingen die zijn verleend aan functionarissen onder het niveau van het College in stand te laten totdat ter zake desgewenst een op basis van deze nieuwe regeling vastgestelde voorziening is getroffen of is besloten tot intrekking van het desbetreffende (onder)mandaat. Een voorbeeld van een voorshands in stand blijvende (onder)mandaatregeling is de Regeling machtiging klachtbehandeling directeur Rijksrecherche, waarin het College de directeur Rijksrecherche heeft gemachtigd klachten te behandelen over personen werkzaam bij de rijksrecherche.

Artikel 11

Hetgeen in deze regeling over mandaat wordt gesteld, geldt ook voor de verlening en de doorgifte van volmacht en machtiging, in analogie met artikel 10:12 van de Awb en artikel 7, eerste lid, van de Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2005.

Artikel 12

De onderhavige regeling treedt in de plaats van de Regeling OM-mandaat Wob, de Regeling machtiging klachtbehandeling Rijksrecherche en de Regeling machtiging klachtbehandeling College van procureurs-generaal 2003. Tezamen met de Mandaatregeling beheersaangelegenheden openbaar ministerie vervangt deze regeling ook het Mandaatbesluit openbaar ministerie uit 1997, dat door de eerstgenoemde regeling wordt ingetrokken.

Den Haag, 9 november 2009

De Minister van Justitie,

E.M.H. Hirsch Ballin.

Naar boven