Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 oktober 2009, nr. MEVA/BO-2919631, houdende vaststelling van de vacatiegelden voor personen die lid, plaatsvervangend lid of plaatsvervangend secretaris zijn van een tuchtcollege als bedoeld in artikel 47, derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Regeling vacatiegelden tuchtcolleges voor de gezondheidszorg 2009)

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 62, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. wet:

de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

b. eindbeslissing:

een schriftelijke uitspraak van een tuchtcollege waarmee:

  • 1. de bij het tuchtcollege ingediende klacht wordt afgedaan,

  • 2. een op de terechtzitting bereikte minnelijke oplossing tussen de klager en de aangeklaagde schriftelijk wordt vastgelegd, of

  • 3. de behandeling van de klacht wordt gestaakt in verband met de intrekking van de klacht.

Artikel 2

  • 1. Aan de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de andere leden of hun plaatsvervangers en de plaatsvervangende secretarissen van een regionaal tuchtcollege, die niet zijn aangesteld in vaste, algemene dienst bij het Rijk, wordt een vacatiegeld per eindbeslissing toegekend voor het voorbereiden, bijwonen en afhandelen van een zaak die wordt behandeld op een terechtzitting van het college.

  • 2. Het vacatiegeld bedraagt:

    • a. voor de voorzitter of diens plaatsvervanger: € 230,–;

    • b. voor de rechtsgeleerde leden of de plaatsvervangende rechtsgeleerde leden, niet zijnde de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter: € 180,–;

    • c. voor de leden-beroepsgenoten of hun plaatsvervangers: € 180,–;

    • d. voor de plaatsvervangende secretarissen: € 180,–.

  • 3. Onverminderd het tweede lid, onder d, kan door een plaatsvervangend secretaris een vergoeding van € 50,– worden gedeclareerd voor het schrijven van de eindbeslissing na een terechtzitting.

  • 4. Voor bij de regionale tuchtcolleges aanhangig gemaakte zaken die niet naar een terechtzitting worden verwezen, bedraagt het vacatiegeld per door het college in raadkamer genomen eindbeslissing:

    • a. voor de voorzitter of diens plaatsvervanger: € 115,–;

    • b. voor de rechtsgeleerde leden of de plaatsvervangende rechtsgeleerde leden, niet zijnde de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter: € 90,–;

    • c. voor de leden-beroepsgenoten of hun plaatsvervangers: € 90,–;

    • d. voor de plaatsvervangende secretarissen: € 90,–.

Artikel 3

  • 1. Aan de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de andere leden of hun plaatsvervangers en de plaatsvervangende secretarissen van het centrale tuchtcollege, die niet zijn aangesteld in vaste, algemene dienst bij het Rijk, wordt een vacatiegeld per eindbeslissing toegekend voor het voorbereiden, bijwonen en afhandelen van zaken die worden behandeld op een terechtzitting van het college.

  • 2. Het vacatiegeld, bedoeld in het eerste lid, bedraagt onderscheidenlijk voor:

    • a. een plaatsvervangend voorzitter: € 230,–;

    • b. een rechtsgeleerd lid of een plaatsvervangend rechtsgeleerd lid, niet zijnde een plaatsvervangend voorzitter: € 180,–;

    • c. een lid-beroepsgenoot of een plaatsvervangend lid-beroepsgenoot: € 180,–;

    • d. een plaatsvervangend secretaris: € 180,–.

  • 3. Indien het centrale tuchtcollege toepassing heeft gegeven aan artikel 74, eerste lid, van de wet, bedraagt het vacatiegeld voor de in het tweede lid, onder a tot en met d, bedoelde personen € 50,– per door het college genomen eindbeslissing.

  • 4. Indien een zaak na het horen van partijen ter terechtzitting is aangehouden en overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van het Tuchtrechtbesluit, de samenstelling van het centrale tuchtcollege is gewijzigd, is het tweede lid van dit artikel van deze regeling onverminderd van toepassing op de leden die betrokken zijn geweest bij de eerste behandeling van de zaak op de terechtzitting.

Artikel 4

Indien een vooronderzoek als bedoeld in artikel 66 onderscheidenlijk artikel 74 van de wet is uitgevoerd door een lid of plaatsvervangend lid dan wel door een plaatsvervangend secretaris van een regionaal tuchtcollege dan wel van het centrale tuchtcollege, bedraagt het vacatiegeld voor zodanig vooronderzoek € 150,–.

Artikel 5

Voor het beoordelen of een zaak in raadkamer kan worden behandeld of naar een terechtzitting van een tuchtcollege moet worden verwezen, dan wel voor het geven van een advies aan de voorzitter of diens plaatsvervanger, bedraagt het vacatiegeld € 150,– per schriftelijk gemotiveerd advies, indien dit is opgesteld door een lid-beroepsgenoot of een plaatsvervangend lid-beroepsgenoot, die niet deelneemt aan de behandeling van de desbetreffende zaak op de terechtzitting.

Artikel 6

Reis- en verblijfkosten van leden, plaatsvervangende leden en plaatsvervangende secretarissen die niet in vaste, algemene dienst van het Rijk zijn aangesteld, worden vergoed per zittingsdag op de voet van het Reisbesluit binnenland.

Artikel 7

In afwijking van de bedragen, genoemd in de artikelen 2 en 3, bedraagt het vacatiegeld voor de leden-beroepsgenoten en de plaatsvervangende leden-beroepsgenoten € 113,45 per aanhangig gemaakte zaak tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling.

Artikel 8

De volgende regelingen worden ingetrokken: de Regeling vergoedingen leden-beroepsgenoten, de Regeling vacatiegelden secretarissen en de Regeling vacatiegelden voorzitters en rechtsgeleerde leden.

Artikel 9

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Artikel 7 werkt terug tot en met 1 januari 2008

Artikel 10

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vacatiegelden tuchtcolleges voor de gezondheidszorg 2009.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink.

TOELICHTING

1. Algemeen

Op grond van artikel 62, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG) moeten regels worden gesteld met betrekking tot de door de leden, de plaatsvervangende leden, de secretarissen en de plaatsvervangende secretarissen te ontvangen vergoedingen voor de werkzaamheden die zij verrichten. Het gaat hier om vacatiegeld, vergoeding van reis- en verblijfkosten en andere verschotten. Vacatiegeld omvat de vergoeding voor het voorbereiden en bijwonen van zittingen of vergaderingen.

De bestaande vacatiegeldregeling en andere vergoedingsregelingen voor de leden, hun plaatsvervangers, de secretarissen en hun plaatsvervangers zijn gedateerd. Er zijn een aantal structurele wijzigingen doorgevoerd die verband houden met de gewijzigde organisatiestructuur van de tuchtcolleges. Er bestaat alle aanleiding om de soort en de hoogte van de vergoedingen met de gewijzigde omstandigheden in overeenstemming te brengen.

2. Gewijzigde omstandigheden

Per 1 januari 2006 is het beheer van de tuchtcolleges overgedragen door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan zijn agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg(CIBG). Dit heeft een aantal gevolgen gehad voor de wijze waarop de tuchtcolleges zijn georganiseerd. Alle secretariaten van de tuchtcolleges zijn per 1 januari 2006 ingebed in de ambtelijke organisatie van het CIBG. Het centrale tuchtcollege en elk regionaal tuchtcollege beschikken inmiddels over eigen secretarissen en, in een enkel geval, over plaatsvervangende secretarissen die zijn aangesteld in vaste, algemene dienst van het Rijk. Deze functionarissen komen niet in aanmerking voor vacatiegeld. Daar waar de onderhavige regeling betrekking heeft op een plaatsvervangende secretaris aan wie vacatiegeld wordt toegekend, gaat het om een persoon die geen aanstelling heeft bij het Rijk en op basis van vacatiegeld tijdelijk wordt ingezet om pieken in de werkbelasting te kunnen opvangen.

De constructie waarbij de secretariaten zijn ondergebracht bij advocatenkantoren behoort inmiddels tot het verleden. Daardoor hoeft er geen compensatie te worden uitbetaald voor de onkosten voor het voeren van de administratie (€ 52,64). De onkostenvergoeding die aan de secretarissen werd geboden en die nooit bedoeld is geweest voor uitbetaling aan plaatsvervangende secretarissen, komt in de onderhavige regeling niet terug. Vanwege de gewijzigde omstandigheden is de coördinatievergoeding (€ 23,60 ) voor de secretarissen voor het inzetten van plaatsvervangende secretarissen ook komen te vervallen.

Het is de bedoeling dat elk tuchtcollege een voorzitter zal kennen die in vaste algemene dienst is van het Rijk (al dan niet via een detacheringsconstructie). Daarnaast zullen er plaatsvervangende voorzitters zijn die ingezet kunnen worden bij piekbelastingen. Omdat dit op het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige regeling nog niet was gerealiseerd voor alle regionale tuchtcolleges, ziet de regeling voor deze colleges ook op de inzet van de voorzitter naast de inzet van plaatsvervangende voorzitters.

3. Hoogte vergoedingen

Bij de vaststelling van de hoogte van de nieuwe vacatiegelden is als uitgangspunt genomen dat vacatiegelden niet bedoeld zijn als compensatie voor niet gewerkt uren door de leden van een tuchtcollege op basis van het uurtarief dat zij elders hadden kunnen declareren. De hoogte van de bedragen is dan ook geen marktconforme uurvergoeding. Een vacatiegeld moet worden gezien als een tegemoetkoming van de kosten die collegeleden moeten maken om zitting te moeten nemen in een tuchtcollege. Hierbij geldt dat de zwaarte van de taak van het college en niet het persoonlijke niveau van de leden als criterium moet worden gehanteerd.

Bij het vaststellen van de hoogte van de nieuwe vacatiegelden is ervoor gekozen de bestaande systematiek van vergoeding per zaak te handhaven, maar eveneens een nieuwe systematiek in te voeren. Laatstbedoelde systematiek bestaat er uit dat er een onderscheid in de hoogte van het vacatiegeld wordt ingevoerd voor zaken die meer werk onderscheidenlijk minder werk vereisen.

Naast deze nieuwe systematiek wordt het uitbetalen van vacatiegeld expliciet gekoppeld aan het opstellen van een eindbeslissing in raadkamer of na een zitting. Dit betekent dat deze regeling niet van toepassing is als het gaat om klachten die zijn ingediend bij een tuchtcollege, maar niet leiden tot een zaak waarin een eindbeslissing wordt genomen. Het tijdens de tuchtrechtelijke procedure intrekken van een klacht en het daarmee staken van de behandeling kan alsdan niet leiden tot recht op vacatiegeld, tenzij er sprake is van een bereikte schikking door tussenkomst van het college, dan wel het intrekken van een zaak na de behandeling op de terechtzitting.

Het ligt niet in het voornemen om jaarlijks de vacatiegelden te indexeren. Na verloop van een aantal jaren kan worden beoordeeld of aanpassing van de bedragen wenselijk dan wel of nodig is.

4. Weging in de zwaarte van een zaak

Indien ingevolge artikel 66, vierde lid, van de wet BIG blijkt dat de klager niet tot klagen bevoegd is, dat het klaagschrift niet voldoet aan de gestelde eisen, dat de klacht kennelijk ongegrond is of van onvoldoende gewicht, kan het tuchtcollege zonder verder onderzoek in raadkamer een eindbeslissing geven. Deze eindbeslissing wordt schriftelijk gemotiveerd. Het betreft eenvoudige raadkamerconcepten die weinig bewerkelijk zijn en in kleine samenstelling (3 leden) afgedaan kunnen worden. Dergelijke raadkamerconcepten zijn van een duidelijk ander gewicht en karakter dan de zaken die ingevolge artikel 67, van de wet BIG op een terechtzitting worden behandeld. Voor het werk dat wordt verricht aan raadkamerbeslissingen bij regionale tuchtcolleges zal het vacatiegeld de helft bedragen van het vacatiegeld dat wordt betaald voor het nemen van een eindbeslissing na behandeling van een zaak op de terechtzitting.

Bij het centrale tuchtcollege wordt het vacatiegeld voor eindbeslissingen na raadkamer gesteld op € 50,– voor alle leden van het college, met uitzondering van de voorzitter, en voor de plaatsvervangende secretaris. Raadkamerzaken zijn daar zowel rechterlijk als secretarieel veel minder bewerkelijk dan zaken die op de terechtzitting worden behandeld. Uit jaarverslagen van de voorgaande jaren kan worden afgeleid hoeveel zaken gemiddeld in raadkamer worden afgedaan en hoeveel zaken gemiddeld naar een zitting worden verwezen.

Het is uiteraard niet de bedoeling dat deze vacatieregeling een financiële prikkel vormt voor het verschuiven van zaken van raadkamer naar terechtzitting. Mocht dit effect optreden en tot een substantieel hoger financieel beslag leiden, zal dit aanleiding zijn om de onderhavige, nieuwe regeling aan te passen.

5. Nieuwe aanspraken

Nieuw is dat door een plaatsvervangende secretaris een schrijversvergoeding kan worden gedeclareerd van € 50,– per door hem geschreven tuchtrechtelijke eindbeslissing na een terechtzitting. Dit geldt niet voor de secretarissen, de voorzitter en de andere leden van het tuchtcollege. Dit wordt nader toegelicht in de toelichting op artikel 2.

Voor het centrale tuchtcollege wordt in artikel 3, vierde lid, van de onderhavige regeling een voorziening getroffen in het geval zaken ter zitting moeten worden aangehouden.

Tot slot wordt er, in artikel 5 van de onderhavige regeling, een financiële voorziening opgenomen voor het geven van adviezen door leden-beroepsgenoten aan het tuchtcollege.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepalingen

Eindbeslissing

Het vacatiegeld kan worden gedeclareerd per eindbeslissing. Dit betreft alle soorten eindbeslissingen van een tuchtcollege, in welke samenstelling dan ook, dus ook bij een beslissing van een beknopt samengesteld college als bedoeld in artikel 55, tweede lid, tweede volzin, van de wet BIG. Het kennelijk ongegrond verklaren van de klacht door het college in raadkamer (en niet na een zitting) is een eindbeslissing, evenals het niet -ontvankelijk verklaren van de klager of het gegrond verklaren van de klacht. Een beslissing waarbij de zaak wordt doorverwezen naar een terechtzitting is evenwel geen tuchtrechtelijke eindbeslissing.

Aangezien de onderhavige regeling het uitbetalen van vacatiegeld koppelt aan het nemen van een eindbeslissing in raadkamer dan wel na de terechtzitting, zouden bepaalde werkzaamheden niet in aanmerking komen voor een vacatiegeld. Er zijn echter situaties denkbaar dat er geen sprake is van een eindbeslissing van het college in de strikte zin van het woord, terwijl er wel werk is verzet in een zaak. Met het oog hierop zijn in artikel 1, onder b, sub 2 en sub 3, situaties aangeduid die voor de toepassing van de onderhavige regeling vallen onder het begrip eindbeslissing.

Schikking

Het gaat in termen van artikel 65, derde lid, van de wet BIG om een minnelijke oplossing tussen de klager en de aangeklaagde, hier verder aangeduid met de term schikking, na het horen van partijen ter terechtzitting. Strikt genomen wordt er geen beslissing van het tuchtcollege door partijen gevraagd na het bereiken van een schikking. De zaak is echter wel in haar geheel behandeld. Het is dan ook te rechtvaardigen dat na het bereiken van een schikking ter zitting, de voor vacatiegeld in aanmerking komende leden van het college en de betrokken plaatsvervangende secretarissen, dit geld kunnen declareren.

Intrekking

Indien een klacht tijdens de procedure door de klager wordt ingetrokken, kan, gelet op artikel 65, tiende lid, van de wet, het college de zaak niettemin verder behandelen indien de aangeklaagde schriftelijk verklaart dit te verlangen of als het algemeen belang voortzetting van de behandeling vereist. In zo’n geval kan vacatiegeld worden gedeclareerd vanwege het (moeten) nemen van een eindbeslissing.

Artikel 2. Colleges in eerste aanleg

Vacatiegeld bij eindbeslissingen (lid 2)

Het vacatiegeld voor plaatsvervangend secretarissen is gelijk getrokken aan die van de leden-juristen en leden-beroepsgenoten. Hoewel de plaatsvervangende secretaris zowel bij de tuchtcolleges in eerste aanleg als in hoger beroep geen lid is van het college, heeft deze wel een belangrijke functie in de voorbereiding van, de advisering over en de afwerking van de uitspraken van het desbetreffende college. Een vacatiegeld dat gelijk is aan dat van de leden-juristen en de leden-beroepsgenoten is dan ook gerechtvaardigd.

Het spreekt voor zich dat de hoogte van het vacatiegeld wordt bepaald door de hoedanigheid waarin het lid deelneemt aan de terechtzitting. Indien bijvoorbeeld een (plv.) voorzitter deelneemt aan de terechtzitting in de hoedanigheid van een lid-jurist, dan moet de betrokkene ook in de hoedanigheid van lid-jurist worden betaald en niet als voorzitter (in dit geval dus geen € 230,– maar € 180,–)1.

De vacatiegelden zullen betaalbaar worden gesteld na het nemen van een eindbeslissing.

Schrijversvergoeding (lid 3)

Nieuw is dat door de plaatsvervangende secretarissen van de regionale tuchtcolleges een schrijversvergoeding kan worden gedeclareerd van € 50,– per door hen geschreven eindbeslissing na terechtzitting. Het betreft hier de inhoudelijk meer ingewikkelde beslissingen die na de terechtzitting door het college zijn genomen en door een plaatsvervangende secretaris worden geschreven. De schrijversvergoeding wordt niet ingevoerd voor het schrijven van eindbeslissingen na raadkamer. De vergoeding voor het schrijven van een beslissing na raadkamer wordt voldoende gedekt door de daarvoor vastgestelde vacatiegelden, bedoeld in het vierde lid.

De schrijversvergoeding kan niet worden gedeclareerd door leden van het tuchtcollege, zoals de voorzitter of een lid-jurist, indien deze de eindbeslissing zouden schrijven. De schijn van het bestaan van enige financiële prikkel bij de toedeling van het schrijven van een eindbeslissing door de voorzitter moet worden voorkomen.

Het staat de voorzitter, of in voorkomende gevallen de leden-juristen, uiteraard vrij om een eindbeslissing zelf te schrijven zonder dat daar een vergoeding tegenover staat.

Vacatiegeld in raadkamerzaken (lid 4)

Zoals in deze toelichting al is aangegeven, wordt er onderscheidt gemaakt tussen een eindbeslissing, genomen na de behandeling op de terechtzitting, en een eindbeslissing, genomen na raadkamer.

Klachten die afkomstig zijn van een niet tot klagen bevoegde, die kennelijk ongegrond zijn of niet van voldoende gewicht, of waarin de klager niet ontvankelijk wordt verklaard, kennen meestal een dusdanige lagere werklast dan klachten die geheel inhoudelijk moeten worden beoordeeld en om die reden naar een terechtzitting worden verwezen, dat een verhoudingsgewijs lager vacatiegeld voor de eerstgenoemde zaken is te rechtvaardigen. Op dit soort klachten doelt het vierde lid van het onderhavige artikel. Voor deze zogenoemde raadkamerzaken bedraagt het vacatiegeld de helft van het vacatiegeld dat voor het nemen van een eindbeslissing in een zaak na een behandeling op een terechtzitting kan worden gedeclareerd.

Artikel 3. Het centrale tuchtcollege

Vacatiegeld bij eindbeslissingen (lid 2)

Het centrale tuchtcollege kent één voorzitter. Deze werkt niet op vacatiegeldbasis. In het onderhavige artikel is daarom geen vacatiegeld ingesteld voor de voorzitter, dit in tegenstelling tot de regeling bij de regionale tuchtcolleges. De onderhavige bepaling heeft wel betrekking op de vacatiegelden voor plaatvervangende voorzitters.

De hoogte van de bedragen van het vacatiegeld voor eindbeslissingen in zittingszaken, genomen door het centrale tuchtcollege wijkt niet af van de hoogte van de bedragen voor zittingszaken bij de regionale tuchtcolleges. Een rechtsgeleerd lid, niet zijnde de plaatsvervangende voorzitter, of een plaatsvervangend rechtsgeleerd lid, een lid- beroepsgenoot of diens plaatsvervanger en een plaatsvervangend secretaris krijgen hetzelfde vacatiegeld, onafhankelijk of zij oordelen in eerste aanleg of in hoger beroep. Een plaatsvervangend voorzitter van het centrale tuchtcollege krijgt ook het hoogste vacatiegeld omdat hij de (eind)verantwoordelijkheid voor de zaak draagt.

Vacatiegeld in raadkamerzaken (lid 3)

Het derde lid regelt de vacatiegelden voor de raadkamerzaken. Voor het centrale tuchtcollege geldt dezelfde systematiek als voor de regionale tuchtcolleges, zij het dat de bedragen voor alle leden en de plaatsvervangend secretaris in zaken die niet naar een terechtzitting worden verwezen € 50,– bedraagt. Deze zogenaamde ‘raadkamerzaken’ zijn bij het centrale tuchtcollege weinig bewerkelijk en weinig arbeidsintensief.

Aangehouden zaken (lid 4)

Het vierde lid regelt de declaratiemogelijkheden indien zaken tussentijds moeten worden aangehouden. Deze bepaling geldt alleen voor het centrale tuchtcollege omdat gebleken is dat aanhouding van zaken voornamelijk bij het centrale tuchtcollege gebeurt en niet of nauwelijks voorkomt bij de regionale tuchtcolleges. Dat zaken moeten worden aangehouden komt overigens ook bij het centrale tuchtcollege sporadisch voor.

Indien een zaak na het horen van partijen ter terechtzitting is aangehouden en er dientengevolge geen sprake is van een eindbeslissing, is het tweede lid ook van toepassing op de leden die betrokken zijn bij de eerste behandeling van de zaak op de terechtzitting. Dit houdt in dat zij voor hun werk in die zaak kunnen declareren ook als is er op dat moment nog geen sprake van een eindbeslissing. Dat kan echter alleen in het geval zij niet deelnemen aan de vervolgbehandeling van de zaak. Nemen zij wel deel aan de vervolgbehandeling , dan kunnen zij uiteraard niet op grond van het onderhavige artikel voor dezelfde zaak twee keer vacatiegeld declareren.

Als de samenstelling van het college na de aanhouding van de zaak is gewijzigd door een beroep te doen op artikel 10, tweede lid, van het Tuchtrechtbesluit, dan kunnen de nieuwe deelnemende leden declareren op de grondslag van het tweede lid van artikel 3. Na de aanhouding van de zaak zal er na de vervolgzitting immers gewoon een eindbeslissing volgen. Het vierde lid komt er dus op neer dat zowel de leden die hebben deelgenomen aan de eerste behandeling, als de leden die betrokken zijn bij de tweede behandeling van de zaak na de aanhouding het volle bedrag kunnen declareren waarop een eindbeslissing recht geeft.

Het vierde lid van het onderhavige artikel kan overigens niet gebruikt worden in de gevallen dat zaken eerst in raadkamer worden behandeld en vervolgens worden verwezen naar de terechtzitting. In dat geval geldt alleen het vacatiegeld van de behandeling ter zitting en niet ook dat van de behandeling in raadkamer.

Artikel 4. Vooronderzoek

Het vooronderzoek wordt ingevolge artikel 66, tiende lid, van de wet BIG door de voorzitter opgedragen aan een of meer (plv)leden of aan de (plv) secretaris van het regionale tuchtcollege.

Het vooronderzoek is wettelijk verplicht bij elke bij een regionaal tuchtcollege binnengekomen klaagschrift, maar heeft bij het centrale tuchtcollege een facultatief karakter. In artikel 4 is expliciet opgenomen dat leden en hun plaatsvervangers en de plaatsvervangende secretarissen voor het uitvoeren van het vooronderzoek een vacatiegeld van € 150,– per vooronderzoek kunnen declareren.

In de praktijk behoort het verrichten van het vooronderzoek tot de taken van de secretaris die in vaste dienst is aangesteld. Bij ontstentenis van de secretaris wordt het vooronderzoek alsdan opgedragen aan een plaatsvervangende secretaris. In uitzonderlijke gevallen wordt het vooronderzoek verricht door een lid of plaatsvervangend lid van het desbetreffende college omwille van hun (medische) vaktechnische kennis of hun specifieke juridische kennis. In het merendeel van de zaken zal dan ook geen vacatiegeld worden gedeclareerd voor het verrichten van het vooronderzoek.

Artikel 5. Interne adviezen door leden-beroepsgenoten

Indien er binnen een regionaal tuchtcollege onvoldoende (medische) expertise aanwezig is om een klacht inhoudelijk goed te kunnen beoordelen, kan het college advies vragen bij een collega-lid-beroepsgenoot binnen het eigen college (die niet is ingedeeld voor de zitting van het college) of bij een ander tuchtcollege. Dit kan het geval zijn als de voorzitter moet beoordelen of een zaak in raadkamer kan worden behandeld of naar een terechtzitting moet worden verwezen of als er specifieke medisch-inhoudelijke kennis moet worden ingewonnen die bij het desbetreffende college ontbreekt.

In dat geval neemt het betrokken lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot geen deel aan de behandeling van de zaak op de terechtzitting, en is hij ook niet betrokken bij het opstellen van de eindbeslissing, terwijl hij toch werk verricht. Hiervoor wordt een declaratiemogelijkheid ingevoerd van € 150,– per schriftelijk gemotiveerd advies. Door het invoeren van deze mogelijkheid kan voorkomen worden dat bij (dure) externe deskundigen advies moet worden ingewonnen.

In bepaalde gevallen wordt bij het centrale tuchtcollege aan leden-beroepsgenoten gevraagd om te beoordelen of het dossier in medisch opzicht compleet is of dat er nog nadere informatie moet worden opgevraagd dan wel deskundigen moeten worden benoemd.

Artikel 6. Reis en verblijfkosten

Dit artikel verwijst voor de vaststelling van de reis- en verblijfkosten van de leden, de plaatsvervangende leden en de plaatsvervangende secretarissen naar het Reisbesluit binnenland, Stb. 1993. Op de voorzitters en de secretarissen van de tuchtcolleges die in vaste dienst van het Rijk zijn aangesteld, is het Reisbesluit reeds daardoor van toepassing.

Artikelen 7 en 9. Vacatiegeld leden-beroepsgenoten

Leden-beroepsgenoten hebben met ingang van 1 januari 2008 een vergoeding uitbetaald gekregen van € 113,45 per zaak in plaats van een vergoeding van € 190,59 per zitting, zoals voorheen het geval was. Hiermee is hun wijze van vergoeding sinds 1 januari 2008 in de praktijk gelijkgetrokken met de wijze waarop de rechtsgeleerde leden worden vergoed, namelijk ook per zaak. Dit verschil werd in de praktijk terecht als onrechtvaardig ervaren. Bovendien is gebleken dat de tijdsinvestering van leden-beroepsgenoten in de werkzaamheden voor de tuchtcolleges in de praktijk groter is dan de voormalige regeling op basis van een vergoeding per zitting rechtvaardigde.

Omdat deze regeling ten positieve is voor de betrokkenen, is aan artikel 7 terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2008.

Hiermee wordt aan de reeds verrichte uitbetalingen per zaak per 1 januari 2008 een wettelijke grondslag gegeven.

De bedragen die per zaak gedeclareerd mogen worden zullen daarnaast met ingang van de inwerkingtreding van deze regeling worden verhoogd van € 113,45 per zaak naar € 180,– per zaak.

Artikel 8. Vervallen regelingen

Dit artikel voorziet er in dat alle bestaande regelingen en de hierbij behorende wijzigingsregelingen inzake vacatiegeld voor de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg vervallen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink.


XNoot
1

Mocht bijvoorbeeld de benaming van de leden-juristen bij de komst van nieuwe wetgeving in de toekomst wijzigen in plaatsvervangend voorzitters, dan mag dat niet tot gevolg hebben dat de leden-juristen een aanspraak gaan maken op de hogere vergoeding van de plaatsvervangend voorzitters.

Naar boven