Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Buitenlandse ZakenStaatscourant 2009, 15950Besluiten van algemene strekking

Besluit van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 15 oktober 2009, nr. DJZ/BR/0804-09, tot wijziging van beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van het Medefinancieringsstelsel II

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op de artikelen 6, 7, en 10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken, en de artikelen 4.1 tot en met 4.9 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

ARTIKEL I

De bijlage bij het besluit van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 29 juli 2009, nr. DJZ/BR/0501-09, tot vaststelling van beleidsregels alsmede een plafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Beleidsregels en subsidieplafond Medefinancieringsstelsel II)1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In paragraaf 1, Inleiding, vierde alinea, komt de voorlaatste volzin te luiden: Deze criteria hebben betrekking op de aanvrager (evenals mede-indieners) en op het voorstel waarvoor subsidie wordt aangevraagd en worden in dit Subsidiebeleidskader nader uitgewerkt.

B

In de voorlaatste alinea van paragraaf 1, Inleiding, komt de derde volzin te luiden: In de eerste fase wordt tevens een beknopte toets uitgevoerd, op basis waarvan de kwaliteit van het beknopte voorstel wordt beoordeeld (V-toets).

C

In paragraaf 2.4, Voor wie is de subsidie bestemd, wordt in de tweede volzin ‘zoals gespecificeerd in 2.1’ vervangen door: zoals gespecificeerd in 2.1 en 2.2.

D

In paragraaf 2.4, Voor wie is de subsidie bestemd, komt de voorlaatste volzin te luiden: In een dergelijk geval kan de organisatie een aanvraag indienen voor een MFS II subsidie, dan wel optreden als mede-indiener, voor een programma/programma’s dat/die loopt/lopen in de tot aan 2016 resterende jaren waarin zij geen instellingssubsidie meer ontvangt.

E

In paragraaf 3.1, Beoordelingscriteria, komen de criteria 4 en 5 respectievelijk te luiden:

  • 4. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van het beknopte voorstel (beknopte voorsteltoets, V-toets).

  • 5. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van het uitgewerkte programmavoorstel (programmatoets, P-toets). NB: De programmatoets heeft betrekking op het voorstel, dat uit één of meerdere programma’s kan bestaan. Wanneer een voorstel uit meer dan één programma bestaat, betreft de programmatoets het geheel van programma’s.

F

In paragraaf 3.3.1, toetsen in fase 1, komt de eerste volzin te luiden: De drempelcriteria zijn criteria waaraan aanvragen voor MFS II-subsidie zonder meer moeten voldoen.

G

In paragraaf 4.1, De drempelcriteria, komen de criteria 4.1.2, 4.1.3, 4.1.10, 4.1.13 en 4.1.14 respectievelijk te luiden:

Criterium 4.1.2 De aanvrager (evenals mede-indieners) zet/zetten zich in voor structurele armoedevermindering in DAC-landen door ondersteuning – in de vorm van samenwerking, beschikbaarstelling van expertise, financiële sponsoring of op andere wijze – van particuliere organisaties, dat wil zeggen maatschappelijke organisaties zonder winstoogmerk, in deze landen. De doelstellingen van de organisatie(s), zoals bijvoorbeeld verwoord in de statuten, dienen dit duidelijk te maken.

Criterium 4.1.3 De aanvrager (evenals mede-indieners) heeft/hebben een aantoonbaar draagvlak in Nederland. De organisatie is verankerd in de Nederlandse samenleving. Dat betekent dat de organisatie bestendig actief is in en met (onderdelen van) de Nederlandse samenleving. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het beschikken over Nederlandse vrijwilligers of Nederlandse donateurs.

Criterium 4.1.10 Programma’s waarvoor financiering wordt aangevraagd dienen in elk land een minimale financiële omvang te hebben. Indien een programma zich in een land (grotendeels) richt op de strategie duurzame economische ontwikkeling en directe armoedebestrijding, geldt voor dat land een ondergrens van € 500.000 bestedingen per jaar. Indien een programma zich in een land (grotendeels) richt op andere strategieën, geldt voor dat land een ondergrens van € 200.000 bestedingen per jaar. Deze ondergrenzen betreffen gemiddelden over de subsidieperiode, met andere woorden: over- of onderschrijdingen in één jaar kunnen worden gecompenseerd in andere jaren.

Criterium 4.1.13 Het voorstel betreft geen financiering van commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten. Dit laat onverlet dat bedrijven binnen MFS II programma’s wel als samenwerkingspartner kunnen optreden.

Criterium 4.1.14. Het voorstel moet activiteiten in twee of meer DAC-landen betreffen.

H

Aan paragraaf 4.1, De drempelcriteria, wordt een nieuw drempelcriterium toegevoegd, luidend:

Criterium 4.1.15 Het bruto salaris van medewerkers van de aanvragende organisaties en eventuele mede-indieners (inclusief hun management en bestuur) is vanaf 1 januari 2011 maximaal gelijk aan het salaris van een directeur-generaal in dienst van de Rijksoverheid. De hoogte van dit bedrag is het bruto salaris op basis van een voltijdsfunctie van niveau schaal 19 volgens het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren (BBRA)2. Geen enkel salaris van medewerkers binnen de organisatie van de aanvrager/penvoerder en de mede-indieners mag hoger zijn dan deze norm.

I

Aan paragraaf 4.2.3, De toepassing van de Code Wijffels, wordt aan het slot de volgende volzin toegevoegd: Aan de toepassing van de Code en de Adviesregeling Beloning Directeuren van Goede Doelen ten aanzien van de beloning is invulling gegeven door middel van drempelcriterium 4.1.15.

J

In paragraaf 4.2.3, De toepassing van de Code Wijffels, vervalt criterium 4.2.3c.

K

In paragraaf 4.3, De alliantietoets, komt de derde alinea te luiden: Een alliantie voert gezamenlijk een voorstel uit dat bestaat uit één of meerdere programma’s. Zowel voor penvoerder als mede-indieners geldt dat zij bij minimaal één programma betrokken zijn.

L

In paragraaf 4.3.1, De capaciteit van de alliantie, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De eerste alinea van criterium 4.3.1c komt te luiden:

Criterium 4.3.1c: Maatschappelijke organisaties die gezamenlijk een voorstel indienen moeten hun samenwerking vastleggen in een door penvoerder en mede-indieners ondertekende schriftelijke samenwerkingsovereenkomst. In de overeenkomst verklaren betrokken partijen dat zij de overeenkomst sluiten met het oog op de uitvoering van een gezamenlijk voorstel met (een) programma-overstijgende doelstelling(en).

2. In criterium 4.3.1c wordt in de zesde bullet, Gezamenlijk partnerbeleid, ‘partneroganisaties’ vervangen door: partnerorganisaties.

M

In paragraaf 4.3.2, De meerwaarde van de alliantie, komt de eerste alinea te luiden:

Indien de aanvraag door een alliantie wordt ingediend is het van belang dat de aanvrager/penvoerder aantoont dat de alliantie gezamenlijk een voorstel uitvoert, dat bestaat uit één of meerdere programma’s, waarover eveneens gezamenlijk zal worden gerapporteerd. Het is niet de bedoeling dat een voorstel een optelsom is van een aantal losse programma’s zonder inhoudelijke meerwaarde. Uit het voorstel moet blijken waarom en hoe de samenwerking meerwaarde oplevert ten opzichte van zelfstandige aanvragen van partijen.

N

In paragraaf 4.4.2, De beleidsrelevantie van het voorstel, komen criteria 4.4.2a, 4.4.2c en 4.4.2d respectievelijk te luiden:

Criterium 4.4.2a: De mate waarin de beoogde resultaten van het programmavoorstel worden gerealiseerd aan de hand van de gekozen strategieën (genoemd in 2.1 en in de begrippenlijst in annex II). De keuze van de strategie dient gerelateerd te zijn aan de resultaten, thema’s en de landenkeuze van het programmavoorstel en aan de relevante omgevingsfactoren.

Criterium 4.4.2c: Geografisch bereik (de verdeling van de activiteiten over partnerlanden en niet-partnerlanden): uiterlijk op 31 december 2015 wordt 60% van de subsidiegelden besteed in de partnerlanden (annex III). Het 60% - criterium geldt niet voor mondiale programma’s (zie voor dit begrip annex II) zoals mondiale programma’s van bijvoorbeeld netwerkorganisaties op het gebied van handelspolitiek, milieudegradatie en voedselproblematiek of mondiale aidsprogramma’s. Het 60% - criterium geldt over het totaal van de bestedingen in 2015 die aan landen toe te rekenen zijn. Bij de beoordeling van het geografisch bereik van het programmavoorstel wordt tevens beoordeeld in welke mate het voorstel wordt uitgevoerd in landen die deel uitmaken van de OESO/DAC-lijst van Least Developed Countries (LDC’s; overzicht in annex III). Het levert punten op indien middelen in deze landen worden besteed, voor zover zij geen partnerland zijn.

Criterium 4.4.2d: De mate waarin het programmavoorstel aansluit bij één of meer landenprofielen. De aansluiting op de landenprofielen wordt beoordeeld in relatie tot de thema’s waarop de aanvraag betrekking heeft, de landenkeuze en de relevante omgevingsfactoren.

O

In paragraaf 4.4.3, De inhoud van het voorstel, komen de criteria 4.4.3b en 4.4.3d respectievelijk te luiden:

Criterium 4.4.3b: De haalbaarheid van het voorstel. De beoogde resultaten op programmaniveau dienen te worden onderbouwd aan de hand van SMART-indicatoren, waarbij een beschrijving van eerdere ervaringen kan worden gegeven, alsmede een risicoanalyse.

Criterium 4.4.3d: De samenwerking met bedrijven en/of kennisinstellingen. Bij dit criterium worden punten verdiend indien bij de uitvoering van het voorstel wordt samengewerkt met bedrijfsleven en/of kennisinstellingen als samenwerkingspartners (zie annex II).

P

Aan paragraaf 5, Fase 2: De programmatoets, wordt na het opschrift en voor paragraaf 5.1. toegevoegd:

NB 1: Een voorstel kan bestaan uit één of meerdere programma’s. De programmatoets heeft betrekking op het voorstel. Wanneer een voorstel uit meer dan één programma bestaat, betreft de programmatoets het geheel van programma’s.

NB 2: Waar ‘programma’ staat wordt bedoeld ‘programma of programma’s’.

Q

In paragraaf 5.2, Onderdelen van de programmatoets, komt criterium 5.2.3d te luiden:

Criterium 5.2.3d: Het programma sluit aan bij de capaciteit van de aanvrager (en eventuele mede-indieners). De beoogde resultaten moeten realistisch en haalbaar zijn in relatie tot de personele en financiële capaciteit van de aanvrager (en eventuele mede-indieners).

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

namens deze:

de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,

J.M. Brandt.

TOELICHTING

Aanleiding van deze aanpassing van het MFS-II subsidiebeleidskader is de toevoeging van de salarisnorm voor MFS-II organisaties als drempelcriterium. Verder is na de bekendmaking van het MFS-II subsidiekader uit mondelinge en schriftelijke reacties van belangstellende organisaties gebleken dat de tekst op onderdelen vragen oproept. Antwoorden op deze vragen zijn gepubliceerd op de website www.minbuza.nl/mfs. In samenhang daarmee zijn enkele passages van het beleidskader verduidelijkt. Daarmee wordt beter recht gedaan aan de strekking van het kader. De aanpassingen in het kader betreffen vooral redactionele verduidelijkingen. Veel van de aanpassingen hebben betrekking op de begrippen aanvraag, aanvrager, voorstel, programma en contextanalyse en leiden tot een meer consistent gebruik van deze termen. In samenhang hiermee is ook de begrippenlijst, annex II bij het kader, verhelderd. De aangepaste begrippenlijst is geplaatst op www.minbuza.nl/mfs. Voor zover de wijzigingen een meer materiële betekenis hebben, worden ze hierna toegelicht.

Artikel I

De onderdelen A tot en met F bevatten enkele aanpassingen van technisch-redactionele aard.

Onderdeel G

In de passage met betrekking tot criterium 4.1.2 is verduidelijkt dat ‘ondersteuning’ op verschillende wijzen plaats kan vinden en niet uitsluitend financiële ondersteuning betreft.

Ingevolge de aangepaste tekst van criterium 4.1.3 kan ook op andere wijze dan door het beschikken over donateurs of vrijwilligers ‘draagvlak in Nederland’ worden aangetoond.

In de omschrijving van criterium 4.1.10 zijn de bestedingsminima per programma per land verduidelijkt.

De slotzin van de passage met betrekking tot criterium 4.1.13 over de bekostiging van de activiteiten van samenwerkingspartners had maar weinig van doen met de toepassing van dit drempelcriterium en riep meer vragen dan antwoorden op. Uit dien hoofde is deze slotzin vervallen.

Onderdelen H, I en J

De toevoeging van criterium 4.1.15 inzake de salarisnorm voor MFS-II organisaties brengt mee dat de naleving van deze norm als drempelcriterium zal gelden, en niet bij de organisatietoets (‘de toepassing van de Code Wijffels’) aan de orde zal komen. De tekst van het door deze aanpassing aangescherpte kader sluit daardoor beter aan bij artikel 4.4, eerste lid, onder g, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006.

De onderdelen K tot en met Q betreffen uitsluitend redactionele verduidelijkingen.

De minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

namens deze:

de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,

J.M. Brandt.


XNoot
2

Dit BBRA kan worden gevonden op de website van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, www.minbzk.nl.