Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2009, 14837Besluiten van algemene strekking

Tijdelijke regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 september 2009, nr. WJZ/156350 (8267), houdende regels voor subsidiëring van restauratie van beschermde monumenten in verband met het stimuleringsbudget woningbouw (Subsidieregeling restauratie en herbestemming cultureel erfgoed)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 43, vijfde lid, van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten;

Besluit:

§ 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Besluit:

Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten;

industrieel erfgoed:

Gebouwen vanaf 1850 die tastbaar getuigen van voorbije fasen in de ontwikkeling van bedrijf en techniek;

minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

religieus erfgoed:

gebouwen die in oorsprong uitsluitend ten behoeve van de eredienst of het belijden van de geloofsovertuiging zijn opgericht of die in oorsprong met dit gebruik direct verband hielden;

restauratie:

het verrichten van die werkzaamheden, de normale instandhouding te boven gaand, die voor het herstel van een beschermd monument noodzakelijk zijn;

restauratieplan:

plan als bedoeld in artikel 9, tweede lid;

subsidie:

subsidie als bedoeld in artikel 43 van het Besluit.

Artikel 2. Toepasselijke bepalingen Besluit

De artikelen 8, 9, 14, 16, tweede lid, 17, 23 tot en met 31, 34 en 35 van het Besluit zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat instandhouding en instandhoudingsplan telkens worden gelezen als restauratie, onderscheidenlijk restauratieplan en dat in artikel 14 ’subsidiabele kosten’ wordt gelezen als: totale kosten.

Artikel 3. Reikwijdte

  • 1. De minister kan aan de eigenaar van een beschermd monument op aanvraag subsidie verlenen voor de restauratie van het desbetreffende beschermde monument.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden verleend ten behoeve van:

    • a. beschermd religieus erfgoed met een (gedeeltelijke) herbestemming tot wonen; of

    • b. beschermd industrieel erfgoed met een (gedeeltelijke) herbestemming tot wonen .

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 5, tweede lid, verstrekt de minister per gemeente slechts ten behoeve van één beschermd monument subsidie.

Artikel 4. Looptijd

Een restauratie waarvoor subsidie wordt verleend vangt aan in 2010 en is uiterlijk op 31 december 2011 afgerond.

Artikel 5. Subsidieplafond

  • 1. Voor subsidieverlening is een bedrag van € 15 miljoen beschikbaar.

  • 2. Indien het bedrag, bedoeld in het eerste lid, niet volledig is verleend, kan de minister artikel 3, derde lid, buiten toepassing laten en subsidie verlenen ten behoeve van meerdere beschermde monumenten per gemeente.

Artikel 6. Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen als bedoeld in de Leidraad Brim subsidiabele instandhoudingskosten, opgenomen als bijlage bij de Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten, met dien verstande dat kosten uitsluitend voor subsidie in aanmerking komen voor zover de werkzaamheden naar het oordeel van de minister:

    • a. strekken tot restauratie van het monument en zijn monumentale waarden;

    • b. sober en doelmatig zijn;

    • c. technisch noodzakelijk zijn; en

    • d. gericht zijn op maximaal behoud van aanwezige monumentale waarden, in het bijzonder historische materialen en constructies.

  • 2. Tevens komen voor subsidie in aanmerking de kosten voor werkzaamheden die:

    • a. gericht zijn op het voorkomen van verval of het voorkomen van vervolgschade; of

    • b. bestaan uit het vervangen van materialen die hun functie niet meer kunnen vervullen.

  • 3. Niet voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor werkzaamheden die:

    • a. voortvloeien uit veranderd gebruik;

    • b. gericht zijn op comfortverbetering; of

    • c. gericht zijn op reconstructie, tenzij ze in uitzonderlijke gevallen naar het oordeel van de minister ter versterking van de monumentale waarden gewenst zijn.

  • 4. Het totaal van de kosten die voor subsidie in aanmerking komen, bedraagt ten minste € 300.000 en ten hoogste € 3.000.000.

Artikel 7. Subsidiebedrag

  • 1. De subsidie voor eigenaren die geen recht hebben op fiscale aftrek van onderhoudskosten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Besluit bedraagt 70% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie voor eigenaren die recht hebben op fiscale aftrek van onderhoudskosten bedraagt 60% van de subsidiabele kosten.

§ 2 Aanvraag

Artikel 8. Aanvraag

Een aanvraag voor subsidie wordt voor 15 november 2009 ingediend.

Artikel 9. In te dienen documenten

  • 1. De aanvraag omvat in ieder geval:

    • a. een restauratieplan;

    • b. een bouwkundig inspectierapport per beschermd monument dat niet ouder is dan twee jaar;

    • d. een financieel dekkingsplan waaruit blijkt dat de financiering van het gedeelte van de kosten van het restauratieplan dat niet door subsidie wordt gedekt, zeker is gesteld; en

    • d. een afschrift van de voor de restauratie verleende vergunning, bedoeld in artikel 11 van de wet.

  • 2. Het restauratieplan, bedoeld in het eerste lid, onder a, bestaat uit:

    • a. overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het beschermde monument en zijn gebreken;

    • b. tekeningen van de bestaande toestand van het beschermde monument en tekeningen waarop de voorgenomen herstelwerkzaamheden of wijzigingen staan aangegeven;

    • c. een bestek of werkomschrijving per onderdeel van de toe te passen constructies, materialen, afwerkingen en kleuren alsmede van de wijze van verwerking daarvan;

    • d. een begroting die niet ouder is dan twee jaar en die is gespecificeerd in hoeveelheden uren en materialen, stelposten en onderaannemers; en

    • e. in voorkomende gevallen rapporten inzake bouwfysische, bouwhistorische, constructieve, decoratieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten.

§ 3 Verlening

Artikel 10. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 9 van het Besluit wordt geen subsidie verstrekt indien:

  • a. voor de voorgenomen restauratie geen vergunning als bedoeld in artikel 11 van de wet is verleend;

  • b. naar het oordeel van de minister niet is gewaarborgd, dat het beschermde monument na uitvoering van het restauratieplan zonder aanvullende restauratiewerkzaamheden in een goede staat kan worden gehouden; of

  • c. de toekomstige bestemming van het te restaureren beschermde monument naar het oordeel van de minister een belemmering vormt voor de instandhouding van het monument.

Artikel 11. Verlening

  • 1. De minister behandelt de aanvragen in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de subsidieaanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvullende informatie is ontvangen met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.

  • 2. Het eerste lid is tevens van toepassing in het geval dat de minister toepassing geeft aan artikel 5, tweede lid.

  • 3. Indien meerdere aanvragen die voldoen aan de regeling op een bepaalde dag worden ingediend, en verlening van subsidie op deze aanvragen tot overschrijding van het subsidieplafond leidt, wordt op deze aanvragen in volgorde van subsidiabele kosten beslist, waarbij een aanvraag met lagere subsidiabele kosten voorrang heeft.

Artikel 12. Bevoorschotting

  • 1. De minister kan aan de subsidieontvanger voorschotten verstrekken op basis van door de subsidieontvanger ingediende overzichten van gemaakte kosten die vergezeld gaan van de desbetreffende originele rekeningen.

  • 2. Indien rekeningen betrekking hebben op kosten van personeel dat in loondienst is bij de eigenaar, gaan de overzichten, bedoeld in het eerste lid, tevens vergezeld van een verklaring van een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent waaruit blijkt hoeveel uren door dat personeel is besteed aan de restauratie, waarvoor subsidie is verleend.

  • 3. De minister keert de voorschotten uit voor zover de rekeningen werkzaamheden betreffen die in overeenstemming zijn met het restauratieplan.

§ 4 Subsidieverplichtingen

Artikel 13. Aanvullende subsidieverplichting

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de restauratie waarvoor subsidie is verleend, voor 31 december 2011 is afgerond.

§ 5 Vaststelling

Artikel 14. Vaststelling

  • 1. Voor de vaststelling van een verleende subsidie is artikel 32 van het Besluit van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat een aanvraag tot vaststelling door de subsidieontvanger binnen drie maanden nadat de restauratie is afgerond, bij de minister wordt ingediend.

  • 2. Indien het verleende subsidiebedrag € 1 miljoen of meer bedraagt, gaan de rekeningen en betalingsbewijzen vergezeld van een mededeling dat de subsidie rechtmatig is besteed, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

§ 6 Slotbepalingen

Artikel 15. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling restauratie en herbestemming cultureel erfgoed.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.H.A. Plasterk.

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Achtergrond

Op 25 maart 2009 heeft het kabinet zijn beleidsprogramma uitgebreid met een aanvullend beleidsakkoord ‘Werken aan toekomst’. Dit beleidsakkoord bevat de maatregelen die het kabinet neemt om de gevolgen van de economische crisis op verschillende beleidsterreinen het hoofd te bieden. Daarin is onder meer op hoofdlijnen ingegaan op de maatregelen op het terrein van de woning- en bouwmarkt.

Eén van de voorgestelde maatregelen betreft het stimuleringsbudget woningbouw. Voor dit stimuleringsbudget is door de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie (hierna: Minister voor WWI) € 395 mln. uitgetrokken. Zoals afgesproken in het aanvullend beleidsakkoord zal een deel van het stimuleringsbudget worden ingezet voor de restauratie van monumenten. In die sector is eveneens sprake van een (dreigend) werkgelegenheidsverlies en terugval van productie.

Bij de inzet van middelen ten behoeve van monumenten uit het stimuleringsbudget is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de wijze waarop de Minister voor WWI invulling wil geven aan de maatregelen. Voor de besteding van het stimuleringsbudget zijn de volgende criteria gehanteerd: de plannen moeten direct (in 2009 en 2010) effect hebben op de werkgelegenheid in Nederland, bijdragen aan de (langere termijn) ambities op het gebied van duurzaamheid en bijdragen aan het weer vlottrekken van woningbouw- of herstructureringsprojecten.

De Minister voor WWI heeft invulling gegeven aan de wens van het kabinet door middel van een ‘Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouwprojecten 2009’, waarbij gemeenten aanvragen kunnen indienen. De regeling is gebaseerd op artikel 20 van de Wet stedelijke vernieuwing. Dit artikel regelt dat de Minister voor WWI bij wijze van uitzonderlijke en tijdelijke stimulans subsidie kan verstrekken voor maatregelen op het gebied van stedelijke vernieuwing volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of, indien spoed vereist is, bij ministeriële regeling gegeven regels.

De indiening van aanvragen alsmede de verlening van subsidie vindt plaats in drie afzonderlijke tranches. De eerste twee tranches zijn voorzien in 2009, de derde tranche vindt haar beslag in 2010. Voor elke tranche wordt een afzonderlijke regeling opgesteld.

Monumenten

De subsidiëring van restauratie van beschermde monumenten is niet meegenomen in de voornoemde tijdelijke stimuleringsregeling, omdat de Wet stedelijke vernieuwing, waarop de WWI regeling gebaseerd is, geen grondslag biedt om de restauratie van beschermde monumenten te subsidiëren. Bovendien is het voor de bestuurlijke transparantie niet bevorderlijk als zowel de Minister van WWI als de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister) subsidies ten behoeve van beschermde monumenten verstrekken. Daarom heeft de minister onderhavige regeling opgesteld op grond van de Monumentenwet 1988 en het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten. Wel is besloten mee te lopen met de systematiek van de verschillende tranches waarin het stimuleringsbudget woningbouw door de Minister van WWI wordt weggezet, en zoveel mogelijk aan te sluiten bij de specifieke WWI criteria ‘wonen’ en ‘herbestemming’.

Eerste tranche

Van het stimuleringsbudget van € 395 mln voor 2009 en 2010 is in totaal € 44 mln bestemd voor monumenten. In het kader van de eerste tranche is omwille van de snelheid een selectie gemaakt van rijksmonumenten die voor de eerste subsidieronde (juli-augustus 2009) in aanmerking kwamen. Daarbij is als criterium gehanteerd dat het gaat om rijksmonumenten met een herbestemming tot wonen, die gelegen zijn in een herstructureringsgebied en waarbij de restauratie in 2009 kan starten. Hierbij is een keuze gemaakt uit plannen die in het verleden al zijn ingediend en waarvan de subsidiabele kosten al waren vastgesteld. (Kamerstukken II, 2008–2009, 27 562, nr. 36). De totale inzet voor monumenten in deze eerste ronde kwam op circa € 13 mln. De selectie is bekrachtigd via de begroting van WWI. Daarmee resteerde een bedrag van € 31 mln voor de tweede tranche ten behoeve van de restauratie van beschermde monumenten.

Tweede tranche

Voor de inzet van het resterende budget voor de restauratie van rijksmonumenten is onderhavige regeling door de minister opgesteld. Op basis van deze regeling kunnen eigenaren van beschermde monumenten subsidie aanvragen. Het betreft subsidie voor de restauratie en herbestemming van industriële en kerkelijke monumenten die (gedeeltelijk) een woonbestemming krijgen. Voor deze subsidieregeling is een budget van € 15 mln. beschikbaar. Het overige deel van het budget wordt gereserveerd voor noodzakelijk geachte restauraties van monumenten die buiten de criteria van deze regeling vallen (Kamerstukken II 2008–2009, 27 562, nr. 43)

Grondslag

De regeling is gebaseerd op het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (hierna: Brim). Naast de reguliere instandhoudingssubsidie die op grond van het Brim kan worden verstrekt, is in artikel 43 van het Brim een specifieke basis gelegd om het wegwerken van de restauratieachterstand te kunnen subsidiëren. Uitsluitend de eigenaren die op grond van het Brim in aanmerking komen voor instandhoudingssubsidie, kunnen een beroep doen op restauratiesubsidie als bedoeld in artikel 43 Brim, en daarmee op deze Subsidieregeling restauratie en herbestemming cultureel erfgoed.

2. Doelstelling van de regeling

Herbestemming

De regeling heeft tot doel de restauratie van religieus of industrieel erfgoed met een (gedeeltelijke) herbestemming tot wonen. Herbestemmen van (monumentale) gebouwen is actueel. Het vormt een van de pijlers voor de Beleidsbrief Modernisering van de Monumentenzorg, die de Minister van OCW eind september 2009 aan de Tweede Kamer zal aanbieden. Onze leefomgeving transformeert voortdurend. Met het veranderen van onze maatschappij veranderen ook onze manier van leven en ons gebruik van de ruimte. Dit heeft weer gevolgen voor gebouwen, complexen en terreinen. Zij verliezen hun functie en blijven ongebruikt achter, raken verwaarloosd, waardoor te vaak waardevol cultureel erfgoed verloren gaat. In een klein land als Nederland, met zo’n grote druk op de ruimte, kunnen we ons dat niet veroorloven. Investeren in herbestemming kan uitkomst bieden : zoeken naar nieuwe functies, zodat een gebouw, complex of terrein van duurzaam nut kan zijn voor zijn gebruikers. Er moet dus sprake zijn van passend gebruik om het beschermde monument in stand te kunnen houden, en daarvoor kunnen ingrijpende maatregelen noodzakelijk zijn.

(gedeeltelijk)herbestemmen tot wonen

De regeling dient de instandhouding van het monumentenbestand en past tegelijkertijd goed bij de specifieke WWI doelstellingen zoals het stimuleren van de woning- en bouwmarkt. Zo kon in de eerste tranche van de ‘Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouwprojecten 2009’ ook de verbouw van gemeentelijke monumenten, waarbij sprake is van functieverandering van een niet-woongebouw (zoals oude fabrieken of kerkgebouwen) tot woningen, in aanmerking komen voor subsidie. Dit zal ook voor de tweede tranche van de ‘Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw 2009’ gelden. De onderhavige regeling sluit daar bij aan. Gedeeltelijke herbestemming tot wonen wil zeggen dat ook projecten waar een monument meer functies krijgt dan alleen wonen in aanmerking komen voor subsidie. Zo valt te denken aan monumentencomplexen waar bijvoorbeeld ruimte voor kantoren, ateliers, culturele instellingen gecombineerd wordt met wonen.

‘Wonen’ wordt gedefinieerd in de zin van het rapport van het CBS (Administratieve woningtelling, Statistiek woningvoorraad, 1 jan. 1992, uitgave 1995, pag. 10 ) waarin het begrip woning is gedefinieerd als: een tot bewoning bestemd gebouw dat, vanuit bouwtechnisch oogpunt bezien, blijvend is bestemd voor permanente bewoning door één particulier huishouden.1

3. Uitvoerings- en handhavingsaspecten

Het betreft hier een regeling die leidt tot subsidieverstrekking. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed voert deze regeling uit en zal de aanvragen volgens een standaard procedure in behandeling nemen. De omvang van de regeling is zodanig, dat dit geen problemen in de uitvoering en handhaving zal opleveren.

4. Administratieve lasten voor de overheid, burgers, bedrijven en instellingen

De administratieve lasten van deze nieuwe, tijdelijke regeling worden laag gehouden doordat:

  • bij de aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling door de aanvrager gebruik wordt gemaakt van stukken die al beschikbaar zijn en dus niet van stukken die specifiek ten behoeve van de minister worden opgesteld;

  • een minimumbedrag voor subsidiabele kosten geldt (€ 300.000), zodat het beschikbare budget niet versnipperd raakt over een groot aantal kleine projecten.

Deze regeling is voorgelegd aan Actal en Actal heeft besloten deze regeling niet te selecteren voor advies.

II. Artikelsgewijs

Artikel 1

Bij de begrippen restauratie en subsidie komt de grondslag van deze subsidieregeling tot uiting. Deze regeling is namelijk op grond van artikel 43 Brim vastgesteld en in dit artikel wordt bepaald dat de minister op aanvraag per monument subsidie kan verstrekken ten behoeve van de restauratie van dit monument. Subsidie op grond van deze regeling is dan ook slechts bedoeld voor de restauratie van beschermde monumenten.

Religieus erfgoed omvat ten eerste kerken. De definitie ‘gebouwen die in oorsprong uitsluitend ten behoeve van de eredienst of het belijden van de geloofsovertuiging zijn opgericht of die in oorsprong met dit gebruik direct verband hielden’ heeft echter een ruimer bereik. Als voorbeelden voor her te bestemmen objecten uit de categorie religieus erfgoed valt naast kerken te denken aan kloosters en hofjes van liefdadigheid. Pastorieën vallen weer buiten de definitie, omdat die immers bedoeld zijn als woonhuis, zodat geen sprake kan zijn van herbestemming tot gedeeltelijk wonen.

Voor de categorie industrieel erfgoed is als ondergrens het jaar 1850 aangehouden, zijnde het startpunt van de industrialisatie. Bedrijfsmonumenten zoals fabrieksgebouwen en nutsvoorzieningen met industriële werktuigen zoals bijvoorbeeld watertorens en elektriciteitscentrales, vallen onder dit begrip.

Zowel bij religieus als bij industrieel erfgoed is het niet relevant wat het huidige gebruik van het monument is.

Artikel 2

De grondslag van deze regeling (artikel 43 Brim) staat in het Brim op zichzelf en er zijn binnen het Brim geen andere bepalingen die van toepassing zijn op restauratiesubsidies. De overige artikelen van het Brim hebben betrekking op de instandhouding van beschermde monumenten. Omdat een aantal bepalingen voor restauratiesubsidies overeenkomt met de bepalingen voor instandhoudingsubsidies worden de betreffende artikelen uit het Brim van overeenkomstige toepassing verklaard. Het gaat hierbij om bepalingen over doelmatige besteding van de subsidie, weigeringsgronden, mededeling van de subsidie aan burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente, een rekening courantmogelijkheid, verplichtingen voor de subsidieontvanger en bepalingen over de vaststelling van de subsidie.

Artikel 3

Dit artikel geeft het doel en de bestemming van de subsidie weer. De minister verstrekt slechts subsidie voor de restauratie van beschermde monumenten aan de eigenaar van het desbetreffende beschermde monument. Twee categorieën beschermde monumenten komen in aanmerking voor subsidie, te weten religieus en industrieel erfgoed met een (gedeeltelijke) herbestemming tot wonen.

Om de restauratie van beschermde monumenten zoveel mogelijk over het land te verspreiden komt in beginsel slechts één monument per gemeente in aanmerking voor subsidie. Slechts als het subsidieplafond niet wordt bereikt nadat alle aanvragen die voldoen aan de regeling zijn gehonoreerd, kan ten behoeve van meerdere monumenten per gemeente subsidie worden verstrekt.

Voor de vraag in welke gemeente een beschermd monument gelegen is, is de situatie zoals die bestond ten tijde van de aanvraag beslissend en niet de situatie op het moment van beslissen op de aanvraag.

Door gemeentelijke herindeling is het namelijk mogelijk dat een beschermd monument in 2009 in een andere gemeente is gelegen dan in 2010. De situatie zoals die bestond ten tijde van de aanvraag in 2009 is dus doorslaggevend.

Artikel 4

Deze regeling heeft naast de restauratie van beschermde monumenten tevens tot doel dat in de bouwsector die ziet op de restauratie van beschermde monumenten geen werkgelegenheid verloren gaat door de economische crisis. Met de afname van bouwactiviteiten ten behoeve van de restauratie van cultureel erfgoed zou ook expertise op dit terrein verloren kunnen gaan en komt de instandhouding van beschermde monumenten in gevaar. Daarom dient de restauratie waarvoor subsidie wordt verleend op korte termijn na de verlening aan te vangen en uiterlijk eind 2011 afgerond te zijn.

Artikel 6

Als uitgangspunt geldt dat de kosten die voor subsidie in aanmerking komen vermeld staan in de Leidraad Brim subsidiabele instandhoudingskosten dat als bijlage bij de Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten is gevoegd. Omdat deze leidraad is geschreven voor instandhoudingssubsidies en niet voor restauratiesubsidies gelden nog een aantal extra voorwaarden ten aanzien van de subsidiabele kosten. De kosten moeten strekken tot restauratie, sober en doelmatig zijn, technisch noodzakelijk zijn en gericht zijn op maximaal behoud van monumentale waarden.

In aanvulling op het eerste lid, geven het tweede en derde lid aan welke kosten wel en niet in aanmerking komen voor subsidie.

In de regeling zijn de basiscriteria opgenomen aan de hand waarvan beoordeeld kan worden of er sprake is van subsidiabele kosten. In de Leidraad Brim subsidiabele instandhoudingskosten (hierna: Leidraad), de bijlage bij de Rrim, zijn werkzaamheden die als zodanig kunnen worden aangemerkt opgenomen. De Leidraad ligt ter inzage in de bibliotheek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en is geplaatst op de internetsite www.cultureelerfgoed.nl. Eén en ander neemt niet weg dat deze werkzaamheden niet altijd noodzakelijk zullen zijn en dus ook niet altijd zonder meer subsidiabel zullen zijn. Zo zal herstel van voegwerk dat technisch gezien nog goed is, niet subsidiabel zijn. Een uitgangspunt voor het subsidiabel zijn van werkzaamheden is dat de werkzaamheden naar het oordeel van de minister op een sobere en doelmatige wijze dienen te worden verricht. Dit houdt in dat de werkzaamheden gericht moeten zijn op maximaal behoud van monumentale waarden, op een vakkundige wijze worden uitgevoerd en dat met de werkzaamheden verval en vervolgschade worden voorkomen. Bij (materiaal)technisch noodzakelijk gebleken vervanging dienen de nieuwe onderdelen in materiaal, vorm, detaillering,uitvoering, afwerking én kwaliteit zoveel mogelijk overeen te komen met de afkomende, te vervangen onderdelen. Van geval tot geval zal een gedegen afweging moeten plaatsvinden of onderdelen of elementen gereconstrueerd mogen en kunnen worden en zo ja op welke manier. Werkzaamheden die slechts op comfortverbetering of verfraaiing zijn gericht, komen niet voor subsidie in aanmerking. Voorzover het werkzaamheden aan het interieur van het monument betreft wordt nog het volgende opgemerkt. In de Leidraad is bij de subsidiabele kosten niet telkens onderscheid gemaakt tussen kosten van werkzaamheden aan de buitenkant van een monument en van werkzaamheden aan de binnenkant van een monument. Uitgangspunt is dat kosten die betrekking hebben op werkzaamheden aan de binnenkant van een monument slechts subsidiabel zijn indien die werkzaamheden strekken tot bescherming van de monumentale waarde van het monument of bijvoorbeeld om constructieve reden noodzakelijk zijn. Zo zal het ‘witten’ van binnenmuren in de meeste gevallen niet subsidiabel zijn omdat dit niet noodzakelijk is voor de bescherming van de monumentale waarde of een constructieve noodzaak heeft. Dit schilderwerk is wel subsidiabel indien pleisterwerk om constructieve redenen vervangen moet worden. Of interieuronderdelen of objecten daadwerkelijk monumentale waarden bezitten, dient, voorzover mogelijk, in de eerste plaats beoordeeld te worden aan de hand van hetgeen vermeld is in de omschrijving van het beschermde monument in het monumentenregister. Daarnaast kan ook het oordeel van de Minister ertoe leiden dat in het kader van de vaststelling van de subsidiabele kosten aan bepaalde onderdelen of objecten monumentale waarde wordt toegekend. Het bij de subsidieaanvraag gevoegde restauratieplan zal getoetst worden aan bovengenoemde uitgangspunten om te kunnen bepalen of de werkzaamheden die daarin zijn opgenomen voor subsidie in aanmerking kunnen komen. In alle gevallen geldt dat het oordeel van de Minister doorslaggevend is voor de vraag of de werkzaamheden noodzakelijk zijn en sober en doelmatig worden uitgevoerd. De subsidiabele kosten zelf zijn vastgelegd in de Leidraad, waarmee wordt gestreefd naar een betere en efficiënte afhandeling van subsidieaanvragen en subsidievaststellingen. Ook in het restauratieplan, met name het bestek en de begroting, moeten de onderdelen zoals genoemd in de Leidraad terug te vinden zijn. In de Leidraad wordt uiteengezet welke kosten subsidiabel zijn. Kosten van werkzaamheden die niet zijn opgenomen in de Leidraad komen dus niet voor subsidieverlening in aanmerking. In een aantal gevallen is aangegeven welke kosten niet subsidiabel zijn. Deze niet subsidiabele kostenposten zijn bedoeld ter verduidelijking en als afbakening om aan te geven waar de grens tussen subsidiabel en niet-subsidiabel ligt, maar zijn niet limitatief bedoeld. De Arbeidsomstandighedenwet stelt eisen met betrekking tot veiligheid, gezondheid en welzijn van degenen die met de uitvoering van werk belast zijn. Deze wet is ook van toepassing op restauratiewerkzaamheden. Op grond daarvan moeten zogenoemde Arbovoorzieningen worden getroffen om risico’s zo veel mogelijk te beperken. Met betrekking tot het herstel van monumenten wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke bouwplaatsvoorzieningen (steigers, dakrandbeveiliging, en dergelijke) en voorzieningen van meer permanente aard (zoals bij voorbeeld ladder- en veiligheidshaken,loopbruggen, luiken en verlichting). De tijdelijke bouwplaatsvoorzieningen zijn uitsluitend nodig, indien ingrijpende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. In de regel wordt hiervoor een (hoofd-)aannemer ingeschakeld. Het treffen van de benodigde tijdelijke voorzieningen valt onder de verantwoordelijkheid van de aannemer en daarvoor wordt verwezen naar de paragrafen 01.04 en 01.05 van de Leidraad. Het komt vaak voor dat delen van monumenten zeer moeilijk of niet bereikbaar zijn zonder een hoogwerker, kraan of steiger. Om reguliere inspecties en werkzaamheden goed en veilig te kunnen uitvoeren is het in zo’n situatie noodzakelijk voorzieningen van meer permanente aard aan te brengen om die gedeelten steeds gemakkelijk te kunnen bereiken. Voorbeelden van dergelijke voorzieningen zijn loopbruggen in ruimten boven gewelven in kerken, ladder- en veiligheidshaken, klimhaken (voldoende en op de juiste plaats) en dak- en torenspitsluiken. Hoewel zelden een verfraaiing zijn dergelijke Arbovoorzieningen noodzakelijk om monumenten in stand te kunnen blijven houden. Het aanbrengen, mits deskundig uitgevoerd, is dan ook subsidiabel (zie de paragrafen 32, 33 en 70 van de Leidraad). Diverse specialistische werkzaamheden worden in de planvorming niet door de restauratiearchitect uitgevoerd maar door andere specialisten. In dit verband kan gedacht worden aan adviezen op bouwfysisch, constructief of installatietechnisch gebied, aan bouwhistorisch of interieuronderzoek en aan beeldhouwwerk, bijzonder schilderwerk en werkzaamheden aan installaties en interieur. Dergelijke werkzaamheden door derden (adviseurs, onderzoekers, restaurateurs) zijn subsidiabel, mits ze noodzakelijk zijn en voorgeschreven dan wel vooraf goedgekeurd door de Minister (zie ook paragraaf 01.04 van de Leidraad onder ‘overige kosten’). Voor het in stand houden van een monument is specifiek vakmanschap onontbeerlijk. De regelgeving biedt een eigenaar van een monument de ruimte om herstelwerkzaamheden – gedeeltelijk of geheel – zelf uit te voeren dan wel door eigen personeel of hemzelf uit te laten voeren in het kader van een door hem gedreven onderneming (zie hiervoor paragraaf 01.04 van de Leidraad). In het algemeen geldt dat de kosten van ‘eigen arbeid’ alleen dan subsidiabel zijn indien uit een te overleggen accountantsverklaring duidelijk blijkt hoeveel uren door de eigenaar of zijn personeel binnen het kader van een door hem gedreven onderneming zijn besteed aan subsidiabele werkzaamheden. Uren die zijn besteed buiten het kader van de door hem gedreven onderneming gelden als ‘doe-het-zelf’-uren en zijn derhalve niet subsidiabel.

Het vierde lid bepaalt dat om voor subsidie in aanmerking te komen er een ondergrens en een bovengrens aan subsidiabele kosten bestaat. De ondergrens zorgt ervoor dat alleen restauratieprojecten van een substantiële omvang gestart worden en de bovengrens heeft tot doel dat het beschikbare budget niet slechts aan een paar beschermde monumenten wordt besteed, maar ten goede komt van een redelijk aantal beschermde monumenten over het hele land.

Artikel 7

Aan de hand van de subsidiabele kosten wordt het subsidiebedrag voor de monumenteigenaar berekend. Bij de berekening van het subsidiebedrag is het relevant of de eigenaar recht heeft op fiscale aftrek van onderhoudskosten. Uitgangspunt is dat de subsidiepercentages hoger moeten zijn dan de reguliere Brim-percentages. Tegelijkertijd moeten de percentages stimulerend zijn voor het wegwerken van de restauratieachterstand. De hoogte van de percentages is afgeleid van het Besluit rijkssubsidiëring restauraties monumenten 1997 en is hetzelfde als in de Regeling rijkssubsidiëring wegwerken restauratieachterstand 2007 en 2008. Voor het onderscheid in hoogte van het percentage voor eigenaren met en zonder fiscale aftrekmogelijkheid van onderhoudskosten is echter aangesloten bij het verschil van 10% zoals dat ook bij de instandhoudingsubsidie op grond van het Brim wordt toegepast.

Artikel 8

De aanvraag voor subsidie wordt naar de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Postbus 1600, 3800 BP Amersfoort, gestuurd.

Artikel 9

Bij de aanvraag voor subsidie worden de in het eerste lid genoemde bescheiden ingediend. Het tweede lid licht toe wat een restauratieplan omvat. Naast dit restauratieplan, waarin een begroting is verwerkt, dient de subsidieaanvrager tevens een financieel dekkingsplan in waaruit blijkt dat de kosten die niet door subsidie worden gedekt zeker zijn gesteld en de restauratie dus financieel haalbaar is. Daarnaast dient de aanvrager te beschikken over de benodigde vergunningen voor de restauratie zodat de restauratie ook daadwerkelijk plaats kan vinden. Kopieën van de vergunningen worden meegestuurd bij de aanvraag.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed kan op verzoek aanvraagformulieren voor deze subsidie verstrekken. Het aanvraag formulier bevat een overzicht van de gegevens die van de subsidieaanvrager benodigd zijn om een aanvraag goed te kunnen beoordelen.

Artikel 10

Naast de weigeringsgronden van artikel 9 van het Brim en artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, zijn nog drie specifieke weigeringsgronden van toepassing. Onderdeel a heeft betrekking op de feitelijke uitvoering van de restauratie; indien de aanvrager niet over de benodigde vergunningen beschikt om de restauratie uit te voeren, weigert de minister de aanvraag. De weigeringsgronden onder b en c hebben betrekking op het duurzaam effect van de restauratie. De minister weigert een aanvraag voor subsidie als niet gewaarborgd is dat na uitvoering van het restauratieplan zonder aanvullende restauratiewerkzaamheden het beschermde monument in een goede staat kan worden gehouden of als de nieuwe bestemming van het monument een belemmering vormt voor de instandhouding van het monument.

Artikel 11

De minister beslist op de aanvragen in volgorde van ontvangst. Indien een aanvraag niet compleet is en de aanvrager in de gelegenheid gesteld wordt om de aanvraag aan te vullen, geldt als ontvangstdatum de datum waarop de aanvullende informatie is ontvangen.

Als het beschikbare bedrag niet geheel is besteed na verlening van subsidie op aanvragen die voldoen aan deze regeling, kan de minister op grond van artikel 5, tweede lid, subsidie verlenen ten behoeve van meerdere beschermde monumenten per gemeente. Ook de verlening ten behoeve van tweede en volgende aanvragen per gemeente gaat op volgorde van ontvangst van de aanvraag.

In het geval dat op dezelfde dag meerdere aanvragen binnenkomen, deze aanvragen voldoen aan de regeling, en honorering van al deze aanvragen tot een overschrijding van het subsidieplafond zou leiden, brengt de minister in de aanvragen van de desbetreffende dag een rangorde. Deze rangorde wordt gemaakt aan de hand van de subsidiabele kosten waarbij de aanvraag met de laagste subsidieabele kosten bovenaan komt te staan en de aanvraag met de hoogste subsidiabele kosten onderaan. De minister gaat vervolgens de rangorde af van boven naar beneden totdat het beschikbare bedrag van deze regeling geheel beschikt is.

Artikel 12

Een eigenaar kan werkzaamheden uitvoeren en betalingen tussentijds laten bevoorschotten door het Nationaal Restauratie Fonds tot het bedrag waarvoor subsidie is verleend.

Artikel 13

Naast de verplichtingen uit het Brim geldt een aanvullende verplichting voor de subsidieontvanger, namelijk dat de restauratie waarvoor subsidie wordt verleend voor eind 2011 is afgerond. Deze verplichting vloeit ook al voort uit artikel 4, maar is hier nog eens expliciet gemaakt. Reden voor deze verplichting is dat deze subsidieregeling tot doel heeft op korte termijn restauraties van monumenten te bevorderen en werkgelegenheid in de restauratie- en woningbouwsector te behouden.

Artikel 14

De verantwoording van de subsidie vindt overeenkomstig de bepalingen hieromtrent in het Brim plaats. De aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt uiterlijk drie maanden na afronding van de restauratie ingediend. Dit betekent dat de laatste verantwoording uiterlijk voor 1 april 2012 is ingediend.

In geval het verleende subsidiebedrag meer dan € 1 miljoen bedraagt, gaat de financiële verantwoording vergezeld van een accountantsverklaring.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.H.A. Plasterk.


XNoot
1

Om als woning geclassificeerd te worden moet het tot bewoning bestemd gebouw aan vier criteria voldoen:

  • 1 – Het gebouw dient zodanig te zijn gebouwd of verbouwd dat het voor particuliere bewoning geschikt is;

  • 2 – Het gebouw dient te zijn voorzien van een eigen toegangsdeur die hetzij direct vanaf de openbare weg, hetzij via een gemeenschappelijke ruimte (zoals portiek, galerij, trappenhuis of corridor) toegang biedt tot de woonruimte;

  • 3 – Het gebouw dient ten minste 14 m2 aan verblijfsruimte te bevatten. De verblijfsruimte wordt tussen de muren gemeten en is de in de woning gelegen ruimte, bestemd voor het verblijven van mensen, zoals keuken, woonkamer(s), slaapkamer(s), werk- en hobbykamer(s) e.d. Niet tot de verblijfsruimte behoren de verkeersruimte, toiletruimte, badruimte, bergruimte of technische ruimte;

  • 4 – Het gebouw dient te beschikken over een toilet en over een keukeninrichting die is bestemd voor bereiding van complete maaltijden.