Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

Nr. 2008/128

Beslissing in de zaak onder nummer 2008/128 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. R. Schoemaker, advocaat te Den Haag,

tegen

C., verpleegkundige, wonende te D., verweerster in beide instanties, gemachtigde: mr. I.M.I. Apperloo, advocaat te Amsterdam.

1. Verloop van de procedure

A. – hierna te noemen klaagster – heeft op 22 december 2006 bij het Regionaal Tuchtcollege te ’s-Gravenhage tegen C. – hierna te noemen de verpleegkundige – een klacht ingediend. Bij beslissing van 11 maart 2008, onder nummer 2006 T 239 heeft dat College de klacht afgewezen. Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De verpleegkundige heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 23 april 2009, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door mr. R. Schoemaker voornoemd, en verweerster, bijgestaan door mr. J.S.M. Brouwer, advocaat te Amsterdam tevens kantoorgenoot van de gemachtigde van verweerster.

Mr. Schoemaker heeft een pleitnota overgelegd.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

  • ‘2. De klacht

    • 2.1 Op 26 november 2004 heeft verpleegkundige bij klaagster, die toen was opgenomen in het ziekenhuis wegens buikklachten, bij het aanbrengen van een infuus in de pols onder de duim een zenuw geraakt. Bij het inbrengen van de naald voelde klaagster direct een heftige stekende pijn. Ze heeft toen direct aangegeven: ‘...stop, je zit in een zenuw, dat doet erg zeer...’ . Verpleegkundige is toen niet onmiddellijk gestopt maar doorgegaan met het inbrengen van de naald. Klaagster is toen gaan vloeken en heeft gezegd dat verpleegkundige naar patiënten moet luisteren als ze wat zeggen. Pas daarna heeft verpleegkundige de behandeling gestaakt. Vervolgens is een nieuw infuus ingebracht in de rechterpols bij de pinkregio wat goed lukte.

    • 2.2 Verpleegkundige wordt het volgende verweten:

      • a) verpleegkundige heeft onvoldoende zorg gegeven door bij het inbrengen van de naald een zenuw aan te prikken. Gelet op de kwetsbare regio waar geprikt werd had verpleegkundige voorzichtiger moeten zijn.

      • b) verpleegkundige is niet onmiddellijk gestopt met de behandeling toen klaagster ‘stop’ riep, maar is pas na hevig vloeken van klaagster opgehouden. Verpleegkundige is dus tegen de wil van klaagster doorgegaan met het penetreren van de zenuw. Aldus heeft ze verwijtbaar onzorgvuldig en in strijd met het bepaalde in artikel 7:450 juncto 7:453 BW gehandeld. Bovendien heeft ze nagelaten een arts te waarschuwen, hetgeen volgens het protocol was voorgeschreven.

  • 3. Het standpunt van de verpleegkundige

    • 3.1 Verpleegkundige heeft bij het aanbrengen van de infuusnaald bij klaagster zorgvuldig en exact volgens het protocol gehandeld. Tijdens het plaatsen van de naald bleek deze niet direct in een bloedvat te zitten. Verpleegkundige heeft toen de naald enkele millimeters teruggetrokken en opnieuw geprobeerd een bloedvat aan te prikken (het zogenaamde waaieren). Dit lukte. De controlekamer vulde zich met bloed. Klaagster gaf echter aan veel pijn te hebben. Hierna verwijderde verpleegkundige de naald. Na het verwijderen van de naald bleef klaagster pijn houden. Zij gaf aan een tinteling en dof gevoel in haar vingers te hebben. Verpleegkundige is toen bij patiënte gebleven en heeft haar uitgelegd dat waarschijnlijk een van de kleine zenuwen, die overal in- en onderhuids aanwezig zijn, is geraakt. Met instemming van klaagster heeft verpleegkundige daarna de venflon in de rechterpols aangebracht.

    • 3.2 Ten aanzien van de klachtonderdelen brengt verpleegkundige het volgende naar voren.

      • ad a) Het aanprikken van een zenuw is een niet te vermijden soms optredende complicatie, omdat de huid onzichtbaar is en niet te zien is waar de zenuwen lopen.

      • ad b) Het is juist dat klaagster bij het aanprikken van de huid pijn heeft aangegeven, maar dit doet altijd pijn. Verpleegkundige is direct gestopt toen zij merkte dat klaagster pijn bleef houden en een instinctieve beweging maakte. Van vloeken en tieren door klaagster was overigens geen sprake. Verpleegkundige heeft niet zonder toestemming van klaagster gehandeld. Zij is zo snel als vanuit het oogpunt van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid redelijkerwijs van haar had mogen worden verwacht gestopt.

  • 4. De beoordeling

    • 4.1 Klachtonderdeel a) wordt verworpen. Een dergelijke complicatie kan voorkomen. Er zijn geen aanwijzingen dat verpleegkundige bij de selectie van de aan te prikken regio onzorgvuldig te werk is gegaan.

    • 4.2 Omtrent klachtonderdeel b) wordt als volgt overwogen.

      Voor het aanbrengen van het infuus had klaagster toestemming verleend. Zoals verpleegkundige terecht heeft opgemerkt wordt altijd pijn gevoeld bij het aanprikken van de huid. Dit alléén is geen reden om te stoppen met het inbrengen van de naald. Ter zitting is uitvoerig besproken hoe klaagster toen heeft gereageerd. In ieder geval heeft verpleegkundige aanvankelijk een duidelijk minder heftige reactie bij klaagster bespeurd dan klaagster thans aangeeft. De lezingen van partijen lopen op dit punt uiteen. Het College heeft geen mogelijkheid om vast te stellen wat er precies is gebeurd. Het heeft geen reden om aan de lezing van de een meer waarde toe te kennen dan aan die van de ander. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat klaagster aanvankelijk heeft gereageerd op een wijze zoals zij thans aangeeft.

      Toen bleek dat er aanvankelijk geen bloedvat was aangeprikt heeft verpleegkundige volgens de gangbare procedure het zogenaamde waaieren toegepast. Het alternatief van de naald terugtrekken en opnieuw prikken is in de regel bij een gemist bloedvat niet voor de handliggend, omdat dan opnieuw door de huid heen moet worden geprikt, met extra pijn voor patiënte van dien.

      De voor het aanbrengen van het infuus verleende toestemming van klaagster impliceert ook toestemming voor dit ‘waaieren’, althans voor (extra) corrigerende handelingen wanneer een eenmaal ingezette procedure niet vlekkeloos verloopt. Vast staat dat verpleegkundige vervolgens is gestopt met haar handelingen toen klaagster duidelijk langer pijn aangaf.

      Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat er geen sprake is geweest van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verpleegkundige.

      De klacht dat in strijd met het protocol geen arts is geraadpleegd wordt verworpen. Voor acute consultatie door een arts was geen grond omdat er in dat stadium geen behandelopties zijn. Vaststaat dat de dag erna een neuroloog in consult is geroepen en dat deze op 1 december 2004 ook is langs geweest met als conclusie dat er waarschijnlijk sprake is van oppervlakkig zenuwletsel van een sensibel takje van de nervus radialis links (brief aan huisarts d.d. 16 december 2004).

    • 4.3 De slotsom is dat de klacht in al zijn onderdelen faalt’.

3. Beoordeling van het hoger beroep

  • 3.1 In hoger beroep heeft klaagster haar klacht herhaald en nader toegelicht.

  • 3.2 De verpleegkundige heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

  • 3.3 Het Centraal Tuchtcollege kan zich wat betreft de beschouwingen en beslissingen van het Regionaal Tuchtcollege omtrent – kort gezegd – de vraag of de verpleegkundige bij het inbrengen van een infuusnaald voldoende zorg heeft geboden (klachtonderdeel a) en de vraag of de verpleegkundige nadien tegen de wens van patiënt in met de behandeling is doorgegaan (klachtonderdeel b), verenigen met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege.

  • 3.4 Ten aanzien van de vraag of volgens protocol is gehandeld (eveneens klachtonderdeel b) komt het Centraal Tuchtcollege echter tot een ander oordeel. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat er voor de verpleegkundige wél grond was om een arts te consulteren. Duidelijk was dat het aanprikken van het bloedvat bij klaagster niet in één keer goed was gegaan. Klaagster had bij het aanprikken aan de verpleegkundige aangegeven dat zij pijn had (‘Au’) en had daarbij ook spontaan haar arm teruggetrokken, waarna er ter hoogte van de aangeprikte regio meteen een hematoom was ontstaan. Voor de verpleegkundige was op dat moment direct helder dat de naald door de wand van het bloedvat was geschoten, hetgeen voor haar ook de reden was om de naald te verwijderen. Vast staat voorts dat klaagster na het staken van de behandeling (opnieuw) aan de verpleegkundige kenbaar heeft gemaakt dat zij pijn had en gewag maakte van tintelingen en een dof gevoel in de vingers. Op grond van het bovenstaande was er naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voor de verpleegkundige op meerdere punten voldoende reden tot twijfel over een goed verloop van de behandeling en een mogelijk ontstane zenuwbeschadiging. Dit had voor de verpleegkundige aanleiding moeten zijn om conform Protocol ‘II a Inbrengen van een perifeer infuus, voorbehouden handeling, Categorie: punctie’ een arts te raadplegen. Door dit achterwege te laten, heeft klaagster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Daaraan kan niet afdoen dat er mogelijk voor de arts op dat moment geen behandelopties waren en evenmin dat klaagster een dag na de behandeling is gezien door een neuroloog.

  • 3.5 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep doel treft en dat de klacht gegrond is in zoverre als hiervoor in 3.4 is aangegeven.

  • 3.6 Het Centraal Tuchtcollege acht, al het voorgaande in acht genomen, de oplegging van een waarschuwing passend en toereikend. Een waarschuwing is een zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van een handelwijze naar voren brengt zonder daarop het stempel van laakbaarheid te drukken (MvT, TK 19522, nr. 3 p. 76).

  • 3.7 Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal het college voorts bepalen dat deze beslissing op na te noemen wijze wordt bekendgemaakt.

4. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep voor zover daarin de klacht overeenkomstig het door het Regionaal Tuchtcollege onder 4.2, laatste alinea, overwogene (handelen in strijd met het Protocol) ongegrond is verklaard, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart dit onderdeel van de klacht (handelen in strijd met het Protocol) alsnog gegrond;

legt dienaangaande aan de verpleegkundige de maatregel van waarschuwing op;

verwerpt het beroep voor het overige;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheids- recht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Bijzijn, TVZ en Verpleegkunde en Nursing met verzoek tot plaatsing

Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. R.A. Torrenga, voorzitter, mrs. H.L.C. Hermans en R. Veldhuisen, leden-juristen en W.J.B. Hauwert en drs. D.A. Polhuis, leden-beroepsgenoten en mr. D. Brommer, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 juni 2009 door mr. K.E. Mollema in tegenwoordigheid van de secretaris.

Voorzitter.

Secretaris.

Naar boven