Bekendmaking wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in de stichting molenaarspensioenfonds

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gezien de op 26 januari, 6 februari en 9 maart 2009 ontvangen aanvraag van Syntrus Achmea Pensioenbeheer namens de Nederlandse Vereniging Diervoederindustrie (Nevedi), De Unie, FNV Bondgenoten en CNV Bedrijvenbond, daartoe strekkende dat de verplichtstelling tot deelneming in de Stichting Molenaarspensioenfonds, ingevolge de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, wordt gewijzigd voor de in de aanvraag bedoelde groepen van personen in de bedrijfstak voor de Graanbe- en verwerkende Industrie;

Overwegende dat vorengenoemde organisaties zijn te beschouwen als een vertegenwoordiging van het georganiseerde bedrijfsleven in genoemde bedrijfstak, die naar het oordeel van de Minister een belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt;

Gelet op de artikelen 10, eerste lid en 16 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;

Gezien het overleg met De Nederlandsche Bank;

Besluit:

ARTIKEL I

Wijzigt zijn besluit van 6 augustus 2003, nr. 02/85669, Stcrt. 2003, nr. 151, waarin werd overgegaan tot het verplicht stellen van de deelneming in de Stichting Molenaarspensioenfonds. De verplichtstelling tot deelneming komt na wijziging te luiden als volgt:

‘De deelneming in de Stichting Molenaarspensioenfonds is verplicht gesteld voor:

Alle werknemers die

  • de leeftijd van 65 jaar nog niet hebben bereikt, en

  • op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn van een in Nederland gevestigde onderneming, met uitzondering van de directeur-grootaandeelhouder in de zin van de Pensioenwet (Wet van 7 december 2006, Staatsblad 2006, 705) van de naamloze vennootschap en van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich uitsluitend of in hoofdzaak beweegt in de Graanbe- en verwerkende industrie (hierna te noemen de bedrijfstak), waaronder wordt verstaan:

    • a. de be- en verwerking van granen, landbouwzaden en/of peulvruchten;

    • b. de verwerking van veevoedergrondstoffen t.b.v. landbouwhuisdieren, uitgezonderd die bedrijven die in hoofdzaak kunstmelkvoeders en/of pre-mixen fabriceren;

    • c. de op- en overslag van granen, landbouwzaden en/of peulvruchten en/of veevoedergrondstoffen.

Voor wat betreft de term “in hoofdzaak” geldt dat deze geacht wordt van toepassing te zijn als ten minste de helft van de werknemers van de desbetreffende onderneming bij de omschreven bedrijfsactiviteiten is betrokken.’

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Den Haag, 31 juli 2009

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

namens deze:

de Directeur Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving,

M.H.M. van der Goes.

Naar boven