De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat maakt, gelet op het
bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, bekend dat er op 27 mei 2009 een
besluit is genomen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken.
Aan Rijkswaterstaat Projectbureau A2 Hooggelegen, Postbus 1282,
3430 BG Nieuwegein, is vergunning verleend voor:
• het ophogen van de Meernbrug te Utrecht en het aanpassen van de
opleggingen;
• het aanbrengen en weer verwijderen van een
conserveringswagen;
• het conserveren van de Meernbrug;
• het verwijderen van een hekwerk op de boogconstructie van de
brug;
• het aanbrengen van een anti-vandalisme scherm;
• het uitvoeren van bijkomende werkzaamheden zoals reparatie
landhoofden en taludbekleding.
De werkzaamheden worden uitgevoerd ter hoogte van km 37,475 van het
Amsterdam-Rijnkanaal in de gemeente Utrecht in verband met de aanpassingen van
de rijksweg A2 tussen de Leidse Rijntunnel en het knooppunt Oudenrijn.
Het definitieve besluit kan worden opgevraagd bij het Waterdistrict
Utrecht van Rijkswaterstaat Utrecht, Zuidersluis 1, 3439 LA Nieuwegein,
telefoon 030-6008260/030-6008284.
Bezwaar
Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht kan tegen dit besluit een
bezwaarschrift worden ingediend. Het bezwaarschrift moet worden gericht aan de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, p/a Toezichteenheid Waterbeheer,
Postbus 61, 8200 AB Lelystad.
Het bezwaarschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de
dag waarop dit besluit is bekendgemaakt. Voor de behandeling van het
bezwaarschrift wordt geen griffierecht geheven. Het bezwaarschrift moet worden
ondertekend en dient ten minste te bevatten:
– de naam en het adres van de indiener;
– de dagtekening;
– een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is
gericht;
– de gronden van het bezwaar.
Indien een bezwaarschrift is ingediend, is het mogelijk om
daarnaast een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te
dienen bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank, sector Bestuursrecht,
binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het bezwaarschrift zijn woon-
of vestigingsplaats heeft.