Aanpassingsregeling handel in emissierechten II

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 mei 2008, nr. KvI2008043222, tot wijziging van de Regeling monitoring handel in emissierechten in verband met het vereenvoudigen van de regelgeving met betrekking tot de monitoring van NOx-emissies en het herstellen van enkele omissies (Aanpassingsregeling handel in emissierechten II)

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op artikel 16.6, derde lid, mede in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, van de Wet milieubeheer en de artikelen 5, 7 en 8, mede in verbinding met artikel 16, van het Besluit handel in emissierechten;

Besluit:

Artikel I

De Regeling monitoring handel in emissierechten wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

besluit: Besluit handel in emissierechten;

non-conformiteit: elke handeling of nalatigheid, bedoeld of onbedoeld, in de inrichting die in strijd is met de voorschriften van het monitoringsplan;

onjuiste opgave: omissie, verkeerde voorstelling of fout in het emissieverslag, met uitzondering van de toelaatbare onzekerheid;

standaardomstandigheden: omstandigheden met een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,325 Pa ter bepaling van een kubieke meter normaal (Nm3), waarbij het vochtgehalte 0% is.

B

Artikel 2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsomschrijving van het begrip emissiefactor komt te luiden:

factor die is gebaseerd op het koolstofgehalte, uitgedrukt als tCO2/TJ, of overeenkomstig bijlage III.2 onder paragraaf 2.1, onder 1, uitgedrukt als tCO2/t of tCO2/ Nm3 voor verbrandingsemissies en uitgedrukt als tCO2/t of tCO2/ Nm3 voor procesemissies;

2. De begripsbepaling ‘standaardomstandigheden’ vervalt.

C

Artikel 3a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b vervalt.

2. De onderdelen c tot en met m worden geletterd b tot en met l.

D

Artikel 4a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt ‘inrichtingen’ vervangen door: CO2-installaties.

2. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt ‘onder g en j’ vervangen door: onder g en k.

b. In onderdeel b wordt ‘onder h’ vervangen door: onder i.

E

In artikel 8, vijfde lid, wordt de zinsnede ‘indien het gaat om een verzoek om toewijzing van broeikasgasemissierechten, bedoeld in artikel 16.32, tweede lid, van de wet, bij het verzoek’ vervangen door: , indien het gaat om een inrichting waarvoor het bepaalde in artikel 16.5, eerste lid, van de wet is gaan gelden na 15 oktober 2007, bij de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, van de wet.

F

Het opschrift van artikel 12a komt te luiden:

Artikel 12a. Lagere niveaus voor CO2-installaties met een lage CO2-emissie

G

Artikel 13, eerste lid, komt te luiden:

1. De CO2 die wordt overgebracht naar een CO2-installatie als bestanddeel van een gemengde brandstof, wordt voor die CO2-installatie meegeteld in de emissiefactor voor die brandstof.

H

In artikel 14 wordt ‘inrichting’ vervangen door: CO2-installatie.

I

Artikel 15a wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het negende en tiende lid tot tiende en elfde lid wordt na het achtste lid een lid ingevoegd, luidende:

9. Bij de bepaling van de onzekerheid voor gasmeters corrigeert degene die een inrichting drijft, de hoeveelheid gas overeenkomstig bijlage XIII.1.

2. In het tiende lid (nieuw) wordt na ‘bij de onzekerheid van de gasmeter’ ingevoegd: als bedoeld in bijlage XIII.1.

3. In het elfde lid (nieuw) wordt ‘het negende lid’ vervangen door ‘het tiende lid’en wordt ‘hoofdstuk XIII.1’ vervangen door: hoofdstuk XIII.2.

J

In artikel 15b, tweede lid, wordt ‘tiende lid’ vervangen door ‘elfde lid’ en wordt ‘hoofdstuk XIII.2’ vervangen door: hoofdstuk XIII.3.

K

In artikel 28, eerste lid, wordt ‘uit de inrichting’ vervangen door: uit de CO2-installatie.

L

Onder vernummering van paragraaf 2.11 tot paragraaf 2.12 en artikel 34a tot artikel 34b wordt voor paragraaf 2.12 (nieuw) een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 2.11

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

Artikel 34a

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

1. Degene die een inrichting drijft, herstelt alle onjuiste opgaven en non-conformiteiten die een verificateur tijdens de verificatie en in de verklaring, bedoeld in artikel 16.12, eerste lid, onder c, van de wet, aan hem heeft medegedeeld.

2. Onjuiste opgaven en non-conformiteiten die hersteld kunnen worden en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies in het emissieverslag, worden door degene die de inrichting drijft, in het totale emissiecijfer van het emissieverslag verwerkt.

3. Non-conformiteiten die niet kunnen worden hersteld voor 1 april van het betrokken kalenderjaar en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen zes weken na indiening van het emissieverslag.

4. Non-conformiteiten die geen gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen drie maanden na indiening van het emissieverslag.

M

Aan artikel 35 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van de begripsbepaling ‘monitoringsmethodiek’ door een puntkomma de volgende begripsbepaling toegevoegd:

NOx-meetsysteem: meetsysteem waarmee de NOx-concentratie, genormaliseerd naar normaal omstandigheden en gecorrigeerd voor zuurstof, in de schoorsteen wordt gemeten.

N

Artikel 36, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen d tot en met i worden geletterd e tot en met j.

2. Na onderdeel c wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

d. indien van toepassing: de naam, de identificatie en het identificatienummer van het cluster NOx-verbrandingsinstallaties, het cluster NOx-procesinstallaties of het cluster NOx-verbrandingsinstallaties en NOx-procesinstallaties.

O

Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel j wordt geletterd o.

b. Na onderdeel i worden vijf onderdelen ingevoegd, luidende:

j. de methode waarmee het aantal opgebouwde NOx-emissierechten wordt berekend alsmede de gehanteerde formule;

k. de naam, de identificatie, het identificatienummer, het meetbereik en de kalibratiefrequentie van het meetinstrument dat relevant is voor de bepaling van de NOx-emissies of van de opgebouwde NOx-emissierechten;

l. een onderbouwing van de onzekerheid en de onzekerheidsbepaling die samenhangen met de meetinstrumenten, die relevant zijn voor de bepaling van de NOx-emissies of van de opgebouwde NOx-emissierechten;

m. de gegevens waaruit blijkt dat de onzekerheidseisen, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van het besluit en artikel 42, derde lid, zijn nageleefd;

n. de onzekerheidseisen, bedoeld in artikel 46, zevende en achtste lid;.

2. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel c wordt geletterd d.

b. Na onderdeel b wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. of de norm NEN-EN 14181 is toegepast op het NOx-meetsysteem;.

P

Na artikel 37 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 37a

Uitzonderingen eisen monitoringsplan voor inrichtingen met een lage NOx-emissie

1. Voor inrichtingen waarbinnen zich NOx-installaties bevinden met een gezamenlijke uitstoot per kalenderjaar van minder dan 20 ton NOx, gelden de volgende bepalingen:

a. de artikelen 3a, eerste lid, onder g, 36, eerste lid, onder d, en 37, eerste lid, onder j, zijn niet van toepassing;

b. artikel 36, eerste lid, onder b, onder 1°, is niet van toepassing, op voorwaarde dat degene die de inrichting drijft, de kalibratiefrequentie en de verwijzing naar kalibratierapporten opneemt in het monitoringsplan.

2. Het eerste lid is van toepassing indien degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit kan aantonen dat de jaarvracht gedurende het voorgaande kalenderjaar minder dan 20 ton NOx bedroeg.

3. Het eerste lid is tevens van toepassing indien degene die de inrichting drijft, in gevallen waarin de gegevens over het kalenderjaar als bedoeld in het tweede lid:

a. niet representatief zijn voor de NOx-jaarvracht of

b. niet beschikbaar zijn,

ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aan de hand van een conservatief onderbouwde schatting van de emissies aantoont dat de jaarvracht van de inrichting gedurende de eerstvolgende vijf kalenderjaren gemiddeld minder dan 20 ton NOx per kalenderjaar zal bedragen.

Q

Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘NOx-installatie’ ingevoegd: op basis van standaardomstandigheden en.

2. In het derde lid wordt na ‘historische emissiegegevens’ ingevoegd: of een onderbouwde schatting van de NOx-emissies.

3. Onder vernummering van het vierde, vijfde en zesde lid tot zesde, zevende en achtste lid worden na het derde lid twee leden ingevoegd, luidende:

4. In afwijking van het eerste en tweede lid mag de jaarvracht van NOx, veroorzaakt door een NOx-installatie die per kalenderjaar minder dan zes maanden in bedrijf is met een jaarvracht van minder dan twee ton NOx per kalenderjaar, worden vastgesteld op basis van historische gegevens of een onderbouwde schatting van de NOx-emissies.

5. Indien toepassing gegeven wordt aan het derde of vierde lid, worden bij het bepalen van de NOx-jaarvracht de NOx-emissies niet onderschat.

R

Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt na het eerste een lid ingevoegd, luidende:

2. De concentratie van NOx wordt uitgedrukt in NO2.

2. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘tweede lid’ vervangen door: derde lid.

S

Artikel 42, derde lid, komt te luiden:

3. De onzekerheid van de individuele waarnemingen bij de continue meting of berekening van het afgasdebiet bedraagt 15% van het jaargemiddelde debiet, uitgedrukt als het 95%-betrouwbaar-heidsinterval, tenzij degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat dit technisch niet haalbaar is.

T

Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel a, wordt na ‘concentratie van NOx’ ingevoegd ‘, uitgedrukt in mg NOx/ Nm3 ,’ en na ‘afgasdebiet’: , uitgedrukt in Nm3 rookgas/ uur,.

2. In het vierde lid, onderdeel b, wordt na ‘concentratie van NOx’ ingevoegd: ‘, uitgedrukt in mg NOx/ Nm3 ,’en na ‘afgasdebiet’ : , uitgedrukt in Nm3 rookgas/ uur,.

3. Aan het vierde lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

e. bij de registratie van de frequentie, bedoeld onder d, wordt vermeld hoe hoog de NOx-emissie in dat uur is.

4. Onder vernummering van het vijfde tot en met het achtste lid tot zevende tot en met het tiende lid worden na het vierde lid twee leden ingevoegd, luidende:

5. Indien zich binnen de inrichting identieke NOx-installaties bevinden, mag degene die de inrichting drijft, in afwijking van het vierde lid één kental vaststellen voor één NOx-installatie dat geldt voor alle identieke NOx-installaties.

6. Het vijfde lid is van toepassing indien degene die de inrichting drijft:

a. ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit heeft aangetoond dat zich binnen de inrichting identieke NOx-installaties bevinden;

b. ten minste één keer een periodieke meting heeft uitgevoerd op elke NOx-installatie;

c. ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat de NOx-emissies met deze methode met eenzelfde betrouwbaarheid kunnen worden bepaald als met de methode, bedoeld in het derde of vierde lid.

5. In het tiende lid (nieuw) wordt na ‘kentallen’ ingevoegd: uitgedrukt in gram/GJ en.

U

Na artikel 44 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 44a

Periode bepaling kental

1. Indien degene die een inrichting drijft, in de loop van een kalenderjaar een kental bepaalt voor NOx-installaties, klasse 3 en 4, als bedoeld in bijlage X, kan hij het kental toepassen voor dat gehele kalenderjaar.

2. Indien degene die een inrichting drijft, tussen 1 januari en 1 juli van een kalenderjaar een kental bepaalt voor NOx-installaties, klasse 2, als bedoeld in bijlage X, kan hij het kental toepassen van 1 januari tot 1 juli van het betrokken kalenderjaar.

3.

Indien degene die een inrichting drijft, tussen 1 juli en 1 december van een kalenderjaar een kental bepaalt voor NOx-installaties, klasse 2, als bedoeld in bijlage X, kan hij het kental toepassen van 1 juli tot en met 31 december van het betrokken kalenderjaar.

V

Artikel 46 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. rendements- en productiegegevens, indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat het technisch niet haalbaar is om de brandstofhoeveelheid te bepalen volgens de methode, bedoeld onder a.

2. Onder vernummering van het vierde tot en met achtste lid tot vijfde, zesde, achtste, negende en tiende lid wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

4. Indien het brandstofverbruik niet overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XI kan worden bepaald als bedoeld in het derde lid, wordt bij de bepaling van het brandstofverbruik het brandstofverbruik niet overschat.

3. Na het zesde lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende:

7. Bij de bepaling van de productie, bedoeld in het zesde lid, wordt de productie niet overschat.

W

Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘geschiedt’ ingevoegd: regelmatig en voorafgaand aan het gebruik van het NOx-meetsysteem.

2. In het tweede lid wordt ‘negen parallel metingen’ vervangen door: drie parallelmetingen.

X

Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede, derde en vierde lid tot vijfde, zesde en zevende lid worden na het eerste lid drie leden ingevoegd, luidende:

2. Degene die een inrichting drijft, kalibreert een brandstofmeter die relevant is voor de bepaling van de NOx-emissies of de bepaling van het aantal opgebouwde NOx-emissierechten ten minste één keer per vijf jaar, tenzij hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat dit technisch niet haalbaar is of dat de leverancier het goed functioneren van de brandstofmeter garandeert met een lagere kalibratiefrequentie.

3. Degene die een inrichting drijft, onderhoudt een brandstofmeter die relevant is voor de bepaling van de NOx-emissies of de bepaling van het aantal opgebouwde NOx-emissierechten volgens de instructies van de leverancier of, indien deze niet aanwezig zijn, volgens de voor het toegepaste meetinstrument algemeen geldende instructies.

4. Degene die een inrichting drijft, kalibreert en onderhoudt urentellers en productmeters die relevant zijn voor de bepaling van de NOx-emissies of de bepaling van het aantal opgebouwde NOx-emissierechten volgens de gangbare industriële meetpraktijk die voor deze meetinstrumenten geldt.

2. In het vijfde en zevende lid (nieuw) wordt ‘het eerste lid’ vervangen door: het eerste, tweede, derde en vierde lid.

Y

In artikel 54, eerste lid, wordt ‘onder d’ vervangen door: onder b.

Z

Artikel 63, derde lid, vervalt.

AA

Na paragraaf 3.10 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 3.11

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

Artikel 64a

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

1. Degene die een inrichting drijft, herstelt alle onjuiste opgaven en non-conformiteiten die een verificateur tijdens de verificatie en in zijn verklaring, bedoeld in artikel 16.49, tweede lid, in verbinding met 16.12, eerste lid, onder c, van de wet, aan hem heeft medegedeeld.

2. Onjuiste opgaven en non-conformiteiten die hersteld kunnen worden, en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale NOx-emissies in het emissieverslag, worden door degene die de inrichting drijft, in het totale emissiecijfer van het emissieverslag verwerkt.

3. Non-conformiteiten die niet kunnen worden hersteld voor 1 april van het betrokken kalenderjaar en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale NOx-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen zes weken na indiening van het emissieverslag.

4. Non-conformiteiten die geen gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale NOx-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen drie maanden na indiening van het emissieverslag.

AB

Na paragraaf 4.9 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 4.10

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

Artikel 79a

Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

1. Degene die een inrichting drijft, herstelt alle onjuiste opgaven en non-conformiteiten die een verificateur tijdens de verificatie en in zijn verklaring, bedoeld in artikel 16.49, tweede lid, in verbinding met 16.12, eerste lid, onder c, van de wet, aan hem heeft medegedeeld.

2. Onjuiste opgaven en non-conformiteiten die hersteld kunnen worden en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale N2O-emissies in het emissieverslag, worden door degene die de inrichting drijft, in het totale emissiecijfer van het emissieverslag verwerkt.

3. Non-conformiteiten die niet kunnen worden hersteld voor 1 april van het betrokken kalenderjaar en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale N2O-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen zes weken na indiening van het emissieverslag.

4. Non-conformiteiten die geen gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale N2O-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen drie maanden na indiening van het emissieverslag.

AC

In bijlage I wordt onder vernummering van onderdeel 2.4 tot onderdeel 2.5 na onderdeel 2.3 een onderdeel ingevoegd, luidende:

2.4 Opbouw NOx-emissierechten

AD

In bijlage III, hoofdstuk III.3, wordt onder vernummering van onderdeel 2 tot onderdeel 3 na onderdeel 1 een onderdeel ingevoegd, luidende:

2. In afwijking van onderdeel 1 en de bij deze regeling behorende bijlage II, past degene die een inrichting drijft, een oxidatiefactor van 1 toe bij het bepalen van de CO2-emissies van de bronstroom kolen, indien in de allocatie voor deze bronstroom is uitgegaan van CO2-emissies die zijn berekend door de hoeveelheid bronstroom te vermenigvuldigen met de emissiefactor.

AE

Bijlage X wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt na ‘41, eerste lid,’ ingevoegd: 44a,.

2. De tabel komt te luiden:

 

NOx-verbrandings-installatie

NOx-proces-installatie

   
      

Klasse

Thermisch vermogen (MWth)

Vracht (ton/jaar)

Bepaling NOx-vracht

Controle en bijstelling bepaling NOx-vracht

Registratiefrequentie vrachtberekeningen

1

NOx-verbrandings-installatie ≥ 100 en afvalverbrandingsinstallaties en meeverbrandingsinstallaties als bedoeld in het Besluit verbranden afvalstoffen

≥ 150

Continue metingen van de NOx-concentratie als bedoeld in artikel 40 van de regeling; continue meting of berekening van het afgasdebiet als bedoeld in artikel 42 van de regeling;

zie bepaling A

Parallelle meting: eenmaal per jaar verificatietest en eenmaal per drie jaar kalibratie; onzekerheid < 20% van de jaargemiddelde concentratie en streefonnauwkeurigheid < 15% voor het afgasdebiet

Minimaal uurwaarden

Halfuurwaarden indien het Besluit verbranden afvalstoffen van toepassing is

2

≥ 50 en < 100

≥ 75 en < 150

Kentallen als bedoeld in artikel 44 van de regeling; zie bepaling B

Periodiek meten

(eenmaal per halfjaar)

Minimaal een keer per half jaar

In geval van het gebruik van meerdere kentallen: ieder uur

3

≥ 20 en < 50

≥ 30 en < 75

Kentallen als bedoeld in artikel 44 van de regeling; zie bepaling B

Periodiek meten

(eenmaal per vier jaar)

Minimaal een keer per jaar

In geval van het gebruik van meerdere kentallen: ieder uur

4

≥ 1 en < 20

≥ 1 en < 30

Kentallen als bedoeld in artikel 44 van de regeling; zie bepaling B

Periodiek meten

(eenmaal per acht jaar)

Minimaal een keer per jaar

In geval van het gebruik van meerdere kentallen: ieder uur

AF

In bijlage XI wordt aan het slot een alinea toegevoegd, luidende:

Indien de brandstofsamenstelling niet bekend is, kan het rookgasdebiet worden bepaald door een snelheidsmeting in het rookgaskanaal, waarbij het rookgasdebiet wordt berekend volgens de volgende formule:

Rookgasdebiet = rookgassnelheid *oppervlakte*3600

waarbij geldt:

– rookgasdebiet = berekende hoeveelheid rookgas per tijdseenheid, uitgedrukt in m3/uur;

– rookgassnelheid = gemeten snelheid van het rookgas, uitgedrukt in m/s;

– oppervlakte = oppervlakte van het rookgaskanaal bij de meetplaats, uitgedrukt in m2 ;

– 3600 = omrekenfactor van seconde naar uur.

AG

Bijlage XIII wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt ‘artikelen 15a tiende lid’ vervangen door: artikelen 15a, negende, tiende en elfde lid.

2. Onder vernummering van de hoofdstukken XIII.1 en XIII.2 tot de hoofdstukken XIII.2 en XIII.3 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk XIII.1

Degene die een inrichting drijft, corrigeert de hoeveelheid gas als volgt:

1.1 Degene die een inrichting drijft, mag voor een gasmeter met een Elektronische Volume Herleidings Instrument (EVHI) dat de druk en temperatuur bepaalt, een onzekerheid van 0,5% aanhouden indien hij voldoet aan de voorwaarden die in bijlage XIV zijn opgenomen voor een EVHI.

1.2 Indien de gasmeter in een aparte drukmeting en temperatuurmeting voorziet, maakt degene die een inrichting drijft, een conservatieve en onderbouwde inschatting van de onzekerheid van de drukmeting en temperatuurmeting aan de hand van de volgende formule:

stcrt-2008-97-p17-SC85728-1.gif

1.3 Indien de gasmeter niet in een aparte druk- en temperatuurmeting voorziet en er sprake is van een centrale drukmeting en temperatuurmeting, maakt degene die een inrichting drijft, een conservatieve en onderbouwde inschatting van de onzekerheid van de drukmeting en temperatuurmeting op de plaats van de gasmeter. Degene die een inrichting drijft, houdt rekening met de drukverschillen en temperatuurverschillen tussen de plaats van de drukmeting en temperatuurmeting en de plaats van de gasmeter. De onzekerheid wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:

stcrt-2008-97-p17-SC85728-2.gif

3. In hoofdstuk XIII.3 (nieuw) wordt de slotzin ‘U afhankelijke correctie = de onzekerheid van de afhankelijke drukmeting en temperatuurmeting indien de drukmetingen en temperatuurmetingen door verschillende meetinstrumenten worden bepaald.’ Vervangen door: U afhankelijke correctie = de onzekerheid van de afhankelijke en centrale drukmeting en temperatuurmeting indien de drukmetingen en temperatuurmetingen op één plaats worden bepaald.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel III

Deze regeling wordt aangehaald als: Aanpassingsregeling handel in emissierechten II.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 6 mei 2008.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J.C. Cramer.

Toelichting

Algemeen

1. Inleiding

Deze wijziging van de Regeling monitoring handel in emissierechten (hierna: regeling) strekt tot vereenvoudiging van de regeling met als doel een vermindering van de monitoringslasten van NOx-emissiehandel. Daarnaast wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele omissies en onvolkomenheden in de CO2- en NOx-regelgeving te herstellen.

2. Vermindering monitoringslasten van NOx-emissiehandel

Naar aanleiding van de voorevaluatie van NOx-emissiehandel is een onderzoek gestart om in kaart te brengen op welke wijze de monitoringseisen van NOx-emissiehandel kunnen worden vereenvoudigd. Het achterliggende doel was een daarmee samenhangende kostenvermindering te bewerkstelligen en zo de administratieve lasten van NOx-emissiehandel voor de bedrijven te verlagen. Dit onderzoek heeft geleid tot een aantal vereenvoudigingsvoorstellen die gevolgen hebben voor de onderhavige regeling. Aanpassing van deze regeling was daardoor noodzakelijk. Voor een toelichting van de wijzigingen ter vereenvoudiging van de monitoringseisen wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

3. Herstelwerkzaamheden

Verder wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele omissies en onvolkomenheden in de regeling op te lossen. Deze doen zich voor in zowel de CO2- als in de NOx-bepalingen. Ook worden in de artikelen 36 en 37 enkele aanvullende eisen met betrekking tot de inhoud van het monitoringsplan opgenomen. De informatie die bedrijven in de aanvullende eisen wordt gevraagd te leveren, werd in de praktijk reeds door bedrijven in het monitoringsplan opgenomen. Door deze eisen in de regeling op te nemen, hebben ze een wettelijke grondslag gekregen.

4. Administratieve lasten

De administratieve lasten die voortvloeien uit het systeem van handel in NOx-emissierechten bestaan voornamelijk uit een reeks van algemene en specifieke informatieverplichtingen. Dat zijn onder meer:

– het opstellen van een monitoringsplan;

– het meten en monitoren van de NOx-emissies conform het monitoringsplan;

– het op de juiste wijze intern organiseren van de gegevensverwerking en de gegevensopslag;

– de organisatie van interne bedrijfsprocedures zoals interne controles, en

– het opstellen van het emissieverslag en het daarna extern laten verifiëren van dat verslag.

De meeste lasten doen zich voor bij het meten en monitoren van de NOx-emissies conform het monitoringsplan en de monitoringsregels die in de regeling zijn gesteld. Uit de evaluatie van NOx-emissiehandel over de periode 2005–2007 is gebleken dat enkele monitoringseisen kunnen worden vereenvoudigd om een daarmee samenhangende kostenvermindering voor bedrijven te bewerkstelligen zonder de kwaliteit en de integriteit van het NOx-emissiehandelssysteem aan te tasten.Wanneer bijvoorbeeld naar de meetkosten wordt gekeken voor klasse 3 en 4 NOx-installaties, levert het halveren van de meetfrequentie een besparing op van naar schatting 315.000 euro. Dit betreft een kostenreductie van 50% ten opzichte van de huidige situatie.

De wijzigingen in de monitoringseisen hebben betrekking op de volgende onderdelen:

– de mogelijkheid om de jaarvracht van NOx op basis van historische gegevens vast te stellen indien de NOx-installatie minder dan een half jaar in bedrijf is en de jaarvracht minder dan twee ton NOx is (artikel 39, vierde lid, van de regeling);

– de mogelijkheid voor bedrijven om een kentalsystematiek te hanteren op voorwaarde dat die bedrijven ten minste één periodieke meting uitvoeren en kunnen aantonen dat binnen een inrichting zich meerdere identieke NOx-installaties bevinden (artikel 44, vijfde en zesde lid, van de regeling);

– de mogelijkheid voor bedrijven om een kental dat zij in de loop van een kalenderjaar bepalen, voor dat gehele kalenderjaar toe te passen voor NOx-installaties klasse 3 en 4. Omdat NOx-installaties klasse 2 ieder half jaar een kental moeten bepalen, kunnen emittenten in dat geval het kental voor de gehele halfjaarlijkse periode toepassen (artikel 44a van de regeling);

– beperking van het aantal parallelmetingen bij het toepassen van een mini-PEMS (artikel 48, tweede lid, van de regeling);

– halvering van de meetfrequentie voor NOx-installaties klasse 3 en 4 en de verlaging van de registratiefrequentie voor NOx-installaties klasse 2, 3 en 4 (bijlage X bij de regeling);

– vereenvoudiging van het monitoringsplan voor inrichtingen die een uitstoot per kalenderjaar van minder dan 20 ton NOx hebben (artikel 37a van de regeling).

Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij deze regeling.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

In dit onderdeel wordt een omissie hersteld. Er worden twee begripsbepalingen toegevoegd die voortvloeien uit de Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 28 juli 2007 tot vaststelling van richtsnoeren voor de bewaking en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (hierna: richtsnoeren inzake de monitoring).1 Het betreft de definities van non-conformi-teit en van onjuiste opgave. Beide definities zijn ingevoegd om de nieuwe artikelen 34a, 64a en 79a van de regeling beter te kunnen plaatsen en gelden zowel voor CO2 en NOx als voor N2O. Non-conformiteit betekent elke handeling of nalatigheid, bedoeld of onbedoeld, die in strijd is met de voorschriften van een monitoringsplan. Onjuiste opgave houdt een omissie, verkeerde voorstelling of fout in het emissieverslag in.

Verder wordt in artikel 1 een begripsbepaling ingevoegd van ‘standaardomstandigheden’. De definitie van standaardomstandigheden was al op CO2 van toepassing, maar is door de verplaatsing van artikel 2 naar artikel 1 nu van toepassing op de gehele regeling, dus ook op NOx en N2O.

Onderdeel B

In de begripsbepaling van ‘emissiefactor’ wordt duidelijker tot uitdrukking gebracht dat in bepaalde omstandigheden, ten genoege van het bestuur van de emissieautoriteit, de emissiefactor voor verbrandingsemissies behalve in t CO2/TJ ook in tCO2/t of tCO2/Nm3 kan worden uitgedrukt. De omstandigheden waarin dit mogelijk is, worden in bijlage III.2 onder paragraaf 2.1, onder 1, genoemd.

Onderdeel C

In de praktijk worden bedrijven niet gevraagd om een uittreksel van het handelsregister te overleggen. Omdat het overleggen van een dergelijk uittreksel niet noodzakelijk en overbodig is gebleken, wordt dit onderdeel geschrapt.

Onderdeel D

Dit onderdeel betreft enkele verbeteringen van artikel 4a. In het opschrift wordt het woord inrichtingen vervangen door: CO2-installaties. Verder worden de verwijzingen naar de desbetreffende leden in artikel 3a van de regeling gecorrigeerd. Inrichtingen waarbinnen zich een CO2-installatie bevindt met een uitstoot per kalenderjaar van minder dan 25 kton CO2, inclusief de overgedragen CO2, hoeven (onder meer) geen beschrijving te geven van de werkomschrijvingen van alle operationele activiteiten (eerste lid). Ook kunnen zij bij een beschrijving van de bedrijfsinterne validatie volstaan met het opnemen van de kalibratiefrequentie en een verwijzing naar de kalibratierapporten in het monitoringsplan (tweede lid).

Onderdeel E

Bestaande inrichtingen hadden de mogelijkheid om voor 15 oktober 2007 een melding te doen om de jaarlijks in de Staatscourant te publiceren waarde voor aardgas te mogen hanteren. Artikel 8, vijfde lid, van de regeling is zodanig aangepast dat nieuwkomers ook van deze mogelijkheid gebruik kunnen maken. Bestaande inrichtingen die niet voor 15 oktober 2007 een melding hebben gedaan, kunnen niet alsnog als nieuwkomer een melding doen.

Onderdeel I

Met het toevoegen van een negende lid aan artikel 15a wordt duidelijker naar voren gebracht dat de emittent bij de bepaling van de onzekerheid voor de gasmeters de hoeveelheid gas moet corrigeren. Deze correctie kan op drie verschillende manieren plaatsvinden, die in hoofdstuk XIII.1 van bijlage XIII zijn neergelegd (zie toelichting bij onderdeel AG).

Onderdeel L

Gelet op hoofdstuk 10.4.2, onder e, van de richtsnoeren inzake de monitoring, moeten lidstaten erop toezien dat een non-conformiteit of onjuiste opgave door de emittent wordt hersteld. In het nieuwe artikel 34a wordt hier voor Nederland gevolg aan gegeven. Non-conformiteiten en onjuiste opgaven die tijdens de verificatie door een verificateur mondeling of schriftelijk aan de emittent zijn medegedeeld, moeten door de emittent worden hersteld. Dit geldt ook voor onjuiste opgaven en non-conformiteiten die na afloop van een verificatie door de verificateur in de verificatieverklaring worden opgenomen en vervolgens tezamen met het emissieverslag uiterlijk op 31 maart wordt gezonden aan het bestuur van de emissieautoriteit. Herstelbare onjuiste opgaven en non-conformiteiten moeten worden verwerkt in het totale emissiecijfer dat in het emissieverslag is opgenomen. Non-conformiteiten die niet hersteld kunnen worden voor 1 april en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies, moeten binnen zes weken na het indienen van het emissieverslag worden hersteld. Non-conformiteiten die geen gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies moeten binnen drie maanden na het indienen van het emissieverslag worden hersteld. Het betreft bijvoorbeeld fouten in de taken en verantwoordelijkheden die zijn toebedeeld aan de personen binnen een bedrijf.

Onderdeel M

In dit onderdeel wordt een begripsbepaling van ‘NOx-meetsysteem’ ingevoegd. Een NOx-meetsysteem is een meetsysteem waarmee de concentratie in de schoorsteen wordt gemeten.

Onderdeel N

In dit onderdeel worden enkele aanvullende eisen gesteld aan de inhoud van het monitoringsplan. Er is aan artikel 36. tweede lid, een onderdeel toegevoegd op grond waarvan de naam, de identificatie en het identificatienummer van een cluster NOx-verbrandings-installaties, een cluster NOx-proces-installaties of een cluster NOx-verbran-dingsinstallaties en NOx-procesinstal-laties moeten worden opgenomen in het monitoringsplan. Deze verplichting geldt alleen indien er sprake is van een cluster en indien de emittent zijn NOx-jaarvracht in het gemeenschappelijke afgaskanaal bepaalt, zoals bedoeld in artikel 39, zesde en zevende lid.

Onderdeel O

Dit onderdeel betreft een aanvulling van de NOx-regelgeving met betrekking tot de inhoud van het monitoringsplan. Er worden enkele aanvullende eisen ingevoegd die in de praktijk reeds door bedrijven werden toegepast.

Emittenten worden door de wijziging in artikel 37, eerste lid, verplicht om de methode met behulp waarvan de opgebouwde NOx-emissierechten worden berekend, in het monitoringsplan op te nemen. De berekening van de opbouw van NOx-emissierechten vindt op verschillende manieren plaats. Om de totale opbouw van de NOx-emissierechten in het emissieverslag goed te kunnen beoordelen, is het van belang om kennis te nemen van de bereking van de opbouw van de NOx-emissierechten (onderdeel j).

De gegevens voor brandstofmeters en productmeters zijn van belang voor de NOx-monitoring of in het kader van de opbouw van de NOx-emissierechten. Daarom worden in artikel 37, eerste lid, aanvullende eisen gesteld met betrekking tot de te verstrekken informatie over meetinstrumenten die relevant zijn voor de NOx-monitoring of de bepaling van de opgebouwde NOx-emissierech-ten. Hieronder worden niet de continue meetsystemen bedoeld die worden gebruikt om continue metingen in de schoorsteen uit te voeren.

Het is voor het bestuur van de emissieautoriteit van belang om vast te stellen en te kunnen controleren of de NEN-EN 14181 ook daadwerkelijk wordt toegepast op het NOx-meetsysteem. Daarom wordt in artikel 37, vierde lid, de verplichting ingevoegd dat emittenten in hun monitoringsplannen moeten opnemen of de NEN-EN 14181 wordt toegepast op het NOx-meetsysteem (onderdeel c).

Onderdeel P

Dit onderdeel betreft een vereenvoudiging van de NOx-regelgeving. Inrichtingen die een uitstoot hebben van minder dan 20 ton NOx per kalenderjaar, worden uitgezonderd van de verplichting om bepaalde elementen in het monitoringsplan op te nemen. Een soortgelijke bepaling geldt eveneens voor CO2 (artikel 4a). Deze inrichtingen hoeven bijvoorbeeld niet de werkomschrijvingen van de operationele activiteiten te beschrijven en een overzicht van beschikbaarheid en vakbekwaamheid te geven in het monitoringsplan (eerste lid, onder a). Bovendien kunnen zij bij de beschrijving van bedrijfsinterne validatie volstaan met het opnemen van de kalibratiefrequentie en een verwijzing naar de kalibratierapporten (eerste lid, onder b). Een inrichting kan op deze bepaling een beroep doen, indien de emittent ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat de jaarvracht gedurende het voorgaande kalenderjaar minder dan 20 ton NOx bedroeg (tweede lid). Wanneer de gegevens van dat kalenderjaar niet beschikbaar of niet representatief zijn, kan de emittent toch een vereenvoudigd monitoringsplan opstellen. Dit is mogelijk indien de emittent aan de hand van een conservatief onderbouwde schatting van de emissies kan aantonen dat de jaarvracht van de inrichting gedurende de eerstvolgende vijf jaren gemiddeld minder dan 20 ton NOx per kalenderjaar bedraagt (derde lid).

Onderdeel Q

Dit onderdeel heeft ten doel twee omissies te herstellen en de monitoring van NOx te vereenvoudigen. In het eerste lid van artikel 39 wordt uitdrukkelijk gesteld dat de NOx-jaarvracht op basis van standaardomstandigheden moet worden bepaald. Het begrip standaardomstandigheden is in artikel 1 gedefinieerd.

Een uitzondering op artikel 39 is opgenomen in artikel 44, tiende lid. Bij de bepaling van kentallen voor gasturbines, gasturbine-installaties en gasmotoren moeten de kentallen worden omgerekend naar ISO-luchtcondities en gelden geen standaardomstandigheden.

De tweede omissie die wordt hersteld, heeft betrekking op het derde lid. Met deze wijziging wordt duidelijker naar voren gebracht dat voor NOx-verbrandingsinstallaties, klasse 2, 3 en 4, die minder dan 1 ton NOx uitstoten per jaar, de NOx-jaarvracht niet alleen mag worden vastgesteld op basis van historische gegevens maar ook mag worden geschat, mits de onderschatting wordt onderbouwd.

Tot slot wordt in het kader van de vereenvoudiging van het NOx-systeem een vierde lid aan artikel 39 toegevoegd op grond waarvan bedrijven voor NOx-installaties, die minder dan een half jaar in bedrijf zijn en minder dan 2 ton NOx per jaar uitstoten, de NOx-jaarvracht mogen vaststellen op basis van historische gegevens of een onderbouwde schatting. Deze NOx-installaties worden meestal tijdelijk geplaatst vanwege onderhoud of een storing aan een andere NOx-installatie. Om de monitoringslasten voor deze NOx-installaties te verminderen en zo een kostenvermindering te bewerkstelligen, wordt bedrijven toegestaan om de NOx-vracht van dergelijke installaties op basis van historische gegevens of een onderbouwde schatting vast te stellen in plaats van een continue meetmethode of een kentalsystematiek toe te passen.

In het vijfde lid wordt uitdrukkelijk gesteld dat de NOx-emissies niet mogen worden onderschat, indien de NOx-emissies op basis van het derde en vierde lid worden geschat.

Onderdeel R

In dit onderdeel wordt een verduidelijking aangebracht in artikel 40. NOx bestaat uit de componenten NO en NO2. De NOx-concentratie moet altijd worden uitgedrukt in NO2. Deze omrekening geschiedt aan de hand van een algemeen geldende formule die in de leidraad NOx-monitoring van de Nederlandse emissieautoriteit is opgenomen. Deze is gepubliceerd op de website van de Nederlandse emissieautoriteit.

Onderdeel S

Ook dit onderdeel betreft het herstel van een omissie. In plaats van een streefnauwkeurigheid van 15% van het jaargemiddelde debiet geldt ingevolge artikel 42, derde lid, voor het afgasdebiet thans een onzekerheidseis van 15%, tenzij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt aangetoond dat dit technisch niet haalbaar. Technisch niet haalbaar betekent in dit geval dat er geen techniek bestaat die een onzekerheid van 15% oplevert of dat er ingrijpende technische aanpassingen nodig zijn om aan de onzekerheidseis van 15% te voldoen.

Onderdeel T

Dit onderdeel heeft betrekking op het herstel van een aantal omissies en heeft daarnaast ten doel de NOx-monitoring te vereenvoudigen. Op grond van artikel 44, derde lid, mag voor een NOx-installatie een kental worden toegepast, indien onder andere de NOx-concentratie in mg NOx/Nm3 rookgas niet meer dan 20% fluctueert en het afgasdebiet in Nm3 rookgas/uur niet meer dan 15% fluctueert. De juiste eenheden waarin de NOx-concentratie en het afgasdebiet moeten worden uitgedrukt, zijn thans uitdrukkelijk vermeld. Dezelfde wijziging is in het vierde lid doorgevoerd. Verder wordt in het vierde lid in het nieuw toegevoegde onderdeel e beter tot uitdrukking gebracht dat een emittent, wanneer hij meer dan een kental gebruikt, minstens elk uur moet registreren welk kental in dat uur van toepassing is en hoe hoog de NOx-emissie in het betreffende uur is. In het tiende lid (nieuw) wordt de juiste eenheid waarin kentallen voor gasturbines, gasturbine-installaties en gasmotoren moeten worden uitgedrukt, aangegeven. De kentallen dienen in deze gevallen te worden uitgedrukt in gram/GJ.

Tot slot wordt in dit onderdeel voor bedrijven de mogelijkheid gecreëerd om de NOx-emissies op basis van een kental-systematiek te berekenen indien zich binnen de inrichting meerdere identieke NOx-installaties bevinden. Het is in dat geval niet noodzakelijk om voor alle NOx-installaties apart kentallen vast te stellen om tot een betrouwbaar emissiegetal voor het geheel van de NOx installaties te komen. Om van deze mogelijkheid gebruik te mogen maken, dienen bedrijven evenwel aan het bestuur van de emissieautoriteit aan te tonen dat er sprake is van identieke NOx-installaties en dat toepassing van de kental-systematiek op de betrokken installaties tot een betrouwbaar emissiegetal leidt. Tevens dient in ieder geval één keer een periodieke meting te zijn uitgevoerd op alle NOx-installaties. Het bestuur van de emissieautoriteit keurt de kental-systematiek al dan niet goed in het kader van de validatie van het monitoringsplan. Met deze bepaling worden de monitoringslasten voor het bedrijf verminderd.

Onderdeel U

Dit onderdeel betreft eveneens een vereenvoudiging van de monitoring van NOx. Bedrijven wordt de mogelijkheid geboden om het kental dat zij voor klasse 3 en 4 NOx-installaties in de loop van het kalenderjaar vaststellen, met terugwerkende kracht voor dat gehele kalenderjaar toe te passen (eerste lid). Dit houdt in dat het kental dat door de emittent wordt vastgesteld, van toepassing is op het gehele kalenderjaar dus ook op de periode in het kalenderjaar voor de daadwerkelijke vaststelling van het nieuwe kental. Het tweede en derde lid hebben betrekking op klasse 2 NOx-installaties die elk half jaar een kental moeten bepalen. Indien de emittent een kental tussen 1 januari en 1 juli bepaalt voor klasse 2 NOx-installaties, kan hij het kental toepassen van 1 januari tot 1 juli. Wanneer hij in de loop van de tweede helft van het kalenderjaar het kental bepaalt, kan hij het kental toepassen van 1 juli tot en met 31 december. Indien de omstandigheden binnen de NOx-installatie wijzigen en het vastgestelde kental niet meer van toepassing is, blijft de emittent verplicht om een nieuw kental te bepalen en dit conform artikel 63 ter goedkeuring voor te leggen aan het bestuur van de emissieautoriteit.

Onderdeel V

In dit onderdeel wordt een fout hersteld. In principe wordt de brandstofhoeveelheid bepaald aan de hand van verbruiksmeting en de stookwaarde. Indien de emittent ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit echter kan aantonen dat dit technisch niet haalbaar is, dan mag hij de brandstofhoeveelheid van de NOx-installatie bepalen aan de hand van rendements- en productiegegevens. Bedrijven hebben alleen in dat geval de mogelijkheid om rendements- en productiegegevens te hanteren.

Onderdeel W

Dit onderdeel heeft betrekking op de vereenvoudiging van de NOx-monitoring. Indien NOx-installaties, klasse 2, 3 en 4, continue worden gemeten en de kwaliteitsborging van deze continue meting niet conform de norm NEN EN 14181 is geborgd, moeten op grond van het huidige artikel 48, tweede lid, de periodieke metingen als negen parallelmetingen uitgevoerd. Om de monitoringslasten voor bedrijven te verminderen, wordt het aantal parallelmetingen beperkt tot drie parallelmetingen. Hiermee wordt een kostenreductie bewerkstelligd.

Onderdeel X

In dit onderdeel wordt een omissie hersteld. Meetinstrumenten die niet tot de continue NOx-meetsystemen behoren maar wel relevant zijn voor de bepaling van NOx-emissies of voor de opbouw van de NOx-emissierechten, moeten eveneens worden gekalibreerd. In artikel 49 is een aantal leden opgenomen waarbij nadere eisen omtrent de kalibratiefrequentie en het onderhoud van brandstofmeters, productmeters en urentellers worden gesteld. Brandstofmeters moeten minstens een keer per vijf jaar worden gekalibreerd, tenzij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt aangetoond dat dit technisch niet haalbaar is of dat de leverancier het goed functioneren van de brandstofmeter garandeert met een lagere kalibratiefrequentie (tweede lid). Brandstofmeters moeten worden onderhouden volgens de instructies van de leverancier of, indien deze niet aanwezig zijn, volgens de algemeen geldende instructies voor de specifieke brandstofmeter (derde lid). Voor urentellers en productmeters geldt dat deze moeten worden gekalibreerd en onderhouden volgens de gangbare industriële meetpraktijk die van toepassing is op deze meetinstrumenten (vierde lid). Ook resultaten van de kalibratie en het onderhoud van brandstofmeters, urentellers en productmeters moeten worden geregistreerd in het register operationele registraties en beoordeeld op hun geldigheid (vijfde lid en zesde lid nieuw). Wanneer blijkt dat de apparatuur, brandstofmeters, urentellers en productmeters niet naar behoren functioneren, moet de emittent onmiddellijk maatregelen nemen om deze situatie te beëindigen (zevende lid, nieuw).

Onderdeel Z

Artikel 63, derde lid, wordt geschrapt. Deze bepaling regelde dat wijzigingen van de monitoringsmethodiek die het resultaat zijn van een wijziging van de wet- en regelgeving, niet ter goedkeuring hoefden te worden voorgelegd aan het bestuur van de emissieautoriteit. Echter voor NOx dienen wijzigingen van de wet- en regelgeving die gevolgen hebben voor de monitoringsmethodiek wel ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bestuur van de emissieautoriteit zodat het bestuur erop kan toezien dat de wijzigingen goed zijn geïmplementeerd in het monitoringsplan.

Onderdelen AA en AB

Voor NOx-emissies en N2O-emissies wordt een zelfde bepaling toegevoegd over het herstel van non-conformiteiten en onjuiste opgaven als voor CO2-emissies (artikel 34a). Voor een verdere uitleg wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel L.

Onderdeel AC

Dit onderdeel betreft het herstel van een omissie. In de structuur van het monitoringsplan wordt een onderdeel toegevoegd, te weten de wijze waarop NOx-emissierechten worden opgebouwd.

Onderdeel AD

In dit onderdeel wordt een omissie hersteld. Wanneer tijdens de toewijzing is uitgegaan van CO2-emissies die zijn berekend door de hoeveelheid bronstroom te vermenigvuldigen met de emissiefactor en daardoor een oxidatiefactor van 1 is gehanteerd, dient hij eveneens voor de monitoring van die specifieke bronstroom een oxidatiefactor van 1 te hanteren. Een bedrijf mag dus niet in afwijking van de toewijzing, bij de monitoring van de CO2-emissies van de bronstroom kolen binnen een CO2-installatie de oxidatiefactor bepalen conform de eisen van bijlage V.

Onderdeel AE

Dit onderdeel is ingevoegd ter vereenvoudiging van de NOx-monitoring. De NOx-emissie van NOx-installaties, klasse 3 en 4, is ten opzichte van de nationale emissie zeer beperkt. De meeste van deze installaties vertonen weinig variatie in de uitstoot van hun emissies. Gelet op de beperkte emissie is het gerechtvaardigd om de meetfrequentie van de kentallen te halveren voor NOx-installaties, klasse 3 en 4. Voor installaties, klasse 3, geldt voortaan een meetfrequentie van eenmaal in de vier jaar. Voor installaties, klasse 4, betreft de meetfrequentie eenmaal per acht jaar.

In bijlage X wordt tevens de registratiefrequentie van de vrachtberekeningen verlaagd tot ten minste een keer per half jaar voor klasse 2 NOx-installaties en ten minste een keer per jaar voor klasse 3 en 4 NOx-installaties. Wanneer echter vanwege gewijzigde omstandigheden binnen de NOx-installatie een nieuw kental moet worden bepaald, dient de vrachtberekening met betrekking tot deze bepaling te worden geregistreerd en geldt in dat geval een hogere registratiefrequentie.

Onderdeel AF

Indien de brandstofbepaling niet bekend is, kan het rookgasdebiet ook worden bepaald door een snelheidsmeting in het rookgaskanaal. In dat geval moet het rookgasdebiet worden berekend volgens de formule die in de onderhavige regeling is opgenomen.

Onderdeel AG

In bijlage XIII wordt een nieuw hoofdstuk (XIII.1) ingevoegd, waarin wordt beschreven hoe de hoeveelheid gas moet worden gecorrigeerd bij de bepaling van de onzekerheid van de drukcorrectie en de temperatuurcorrectie voor een gasmeter. Er bestaan drie situaties:

1. Als de gasmeter een Elektronisch Volume Herleidings Instrument (EVHI) heeft dat de druk en temperatuur bepaalt, mag de emittent een onzekerheid van 0,5% aanhouden op voorwaarde dat de EVHI voldoet aan de eisen die voor dit instrument in bijlage XIV bij de regeling zijn neergelegd.

2. De tweede situatie betreft gasmeters met een aparte drukmeting en temperatuurmeting. Voor deze instrumenten moet de emittent in overleg met de fabrikant van de meter of andere experts een conservatieve en onderbouwde inschatting maken van de onzekerheid van de drukmeting en temperatuurmeting. Dit dient te geschieden volgens de formule die in hoofdstuk XIII.1 is opgenomen.

3. In de derde situatie gaat het om een gasmeter zonder een aparte drukmeting en temperatuurmeting bij die gasmeter. In dat geval moet de emittent in overleg met de fabrikant van die gasmeter of andere experts een conservatieve en onderbouwde inschatting maken van de onzekerheid van de drukmeting en temperatuurmeting op de plaats van die gasmeter. Daarbij moet rekening worden gehouden met de drukverschillen en temperatuurverschillen tussen de plaats van de drukmeting en temperatuurmeting en de plaats van de gasmeter. Ook deze onzekerheid wordt aan de hand van een formule die in hoofdstuk XIII.1 is opgenomen, bepaald. Voor deze derde situatie geldt overigens dat bij de bepaling van de onzekerheid van de hoeveelheid bronstroom de onzekerheid van de afhankelijke en centrale drukmeting en temperatuurmeting moet worden opgeteld als afhankelijke parameters bij de onzekerheid van het meetsysteem (artikel 15b van, en bijlage XIII, hoofdstuk XIII.3 bij de regeling).

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer

Naar boven