Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
De Nederlandsche BankStaatscourant 2008, 230Besluiten van algemene strekking

Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 20 november 2008, nr. Tb/2008/01928/wjw, houdende beoordelingscriteria voor goedkeuring van gedragscodes van actuariële organisaties voor de onafhankelijkheid van de waarmerkende actuaris op grond van artikel 148, tweede lid, Pensioenwet en artikel 143, tweede lid, Wet verplichte beroepspensioenregeling (Beleidsregel gedragscode onafhankelijkheid actuariële organisaties)

De Nederlandsche Bank N.V.,

Gelet op artikel 148, tweede lid, Pensioenwet en artikel 143, tweede lid, Wet verplichte beroepspensioenregeling;

Na overleg met het Actuarieel Genootschap;

Besluit:

Artikel 1

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

a. actuariële organisatie:

actuariële organisatie waartoe de waarmerkende actuaris behoort in de zin van artikel 148, tweede lid, Pensioenwet of artikel 143, tweede lid, Wet verplichte beroepspensioenregeling;

b. DNB:

De Nederlandsche Bank N.V.;

c. pensioenfonds:

pensioenfonds, bedoeld in artikel 1, van de Pensioenwet, of beroepspensioenfonds, bedoeld in artikel 1, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, waarvoor de waarmerkende actuaris van een actuariële organisatie de actuariële staten waarmerkt en een actuariële verklaring opstelt.

Artikel 2

  • 1. DNB verleent goedkeuring als bedoeld in artikel 148, tweede lid, van de Pensioenwet, onderscheidenlijk als bedoeld in artikel 143, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, indien in de in die leden bedoelde gedragscode ten minste bepaalt:

    • a. dat de actuariële organisatie die een opdracht uitvoert van een pensioenfonds tot het waarmerken van de actuariële staten en het opstellen van een actuariële verklaring, deze werkzaamheden laat uitoefenen door een bij haar werkzame of aan haar verbonden actuaris die onafhankelijk is van het desbetreffende pensioenfonds;

    • b. dat, indien de actuariële organisatie betrekkingen onderhoudt met een pensioenfonds of een met dat pensioenfonds verbonden derde die een bedreiging kunnen vormen voor de onafhankelijkheid van een bij haar werkzame of aan haar verbonden actuaris ten opzichte van dat pensioenfonds of derde, de actuariële organisatie maatregelen neemt om zijn onafhankelijkheid te waarborgen door deze bedreiging uit te sluiten of te beperken en indien dat niet mogelijk is, de actuariële organisatie de opdracht van het pensioenfonds tot het waarmerken van de actuariële staten en het opstellen van een actuariële verklaring niet accepteert of deze beëindigt;

    • c. dat de onder b bedoelde maatregelen schriftelijk worden vastgelegd;

    • d. de interne regels en procedures van de actuariële organisatie aan de hand waarvan zij doorlopend nagaat en ervoor zorgt dat de bij haar werkzame of aan haar verbonden waarmerkende actuaris onafhankelijk is van het pensioenfonds;

    • e. dat de bij de actuariële organisatie werkzame of aan haar verbonden waarmerkende actuarissen de actuariële organisatie ten minste eenmaal per jaar schriftelijk bevestigen dat zij de onder d bedoelde regels en procedures naleven en dat zij de actuariële organisatie steeds onverwijld informeren over ernstige bedreigingen ter zake van hun onafhankelijkheid.

  • 2. Voorwaarde voor goedkeuring door DNB is dat de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde regels en procedures naar het oordeel van DNB adequaat zijn. Aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan indien de desbetreffende regels en procedures naar aard en strekking overeenkomen met de bij of krachtens de Wet op de registeraccountants of de Wet op de accountants-administratieconsulenten gestelde regels inzake onafhankelijkheid.

Artikel 3

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 4

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel gedragscode onafhankelijkheid actuariële organisaties.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Amsterdam, 20 november 2008

De Nederlandsche Bank N.V.

de directeur,

A.J. Kellermann.

TOELICHTING

Algemeen

In artikel 148, eerste lid, van de Pensioenwet is bepaald dat de bevoegde actuaris die de actuariële staten waarmerkt en een actuariële verklaring opstelt onafhankelijk is van het pensioenfonds en geen andere werkzaamheden verricht voor het pensioenfonds. Eenzelfde bepaling is opgenomen in artikel 143, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met betrekking tot de bevoegde actuaris die de actuariële staten waarmerkt en een actuariële verklaring opstelt van een beroepspensioenfonds. In het tweede lid van artikel 148 van de Pensioenwet, onderscheidenlijk in het tweede lid van artikel 143 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is verwoord dat het de waarmerkende actuaris niet is toegestaan actuariële staten te waarmerken en een actuariële verklaring op te stellen indien een andere actuaris of deskundige die behoort tot dezelfde organisatie als de waarmerkende actuaris, andere werkzaamheden verricht voor het desbetreffende pensioenfonds, tenzij de organisatie van de waarmerkende actuaris een door DNB goedgekeurde gedragscode heeft over de onafhankelijkheid van de waarmerkende actuaris. Deze bepaling ziet op de mogelijkheid dat het adequaat uitvoeren van het waarmerken van de actuariële staten en het opstellen van een actuariële verklaring wordt verstoord door een afhankelijkheidsrelatie met het pensioenfonds uit hoofde van een commercieel of financieel belang.

In de memorie van toelichting van de beide wettelijke regelingen is met betrekking tot het onafhankelijkheidsvereiste ondermeer verwoord dat dit vereiste betekent dat de actuariële staten niet kunnen worden gewaarmerkt en een actuariële verklaring niet kan worden opgesteld door een actuaris die in dienst is van het pensioenfonds en dat deze actuaris geen andere werkzaamheden, zoals advisering, voor het zelfde pensioenfonds kan verrichten. Omdat de onafhankelijkheid van de actuaris ook in het gedrang zou kunnen komen wanneer de actuaris die de actuariële staten waarmerkt en een actuariële verklaring opstelt tot dezelfde organisatie behoort als degene die het pensioenfonds adviseert of anderszins ondersteunt, is in het tweede lid van artikel 148 van de Pensioenwet, onderscheidenlijk in het tweede lid van artikel 143 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling de eis van een door DNB goedgekeurde gedragscode opgenomen om de onafhankelijkheid zoveel mogelijk te waarborgen. Dit onafhankelijkheidsvereiste betekent dus niet dat de actuariële organisatie waaraan de actuaris verbonden is het uitvoeren van waarmerkingen niet zou mogen combineren met advieswerkzaamheden voor het desbetreffende pensioenfonds of een met dit pensioenfonds verbonden derde. Een actuaris dient zelf zijn onafhankelijkheid te onderzoeken en te bewaken. Wel wordt als expliciete norm gesteld dat de actuaris onafhankelijk dient te zijn. Hiertoe dient door de actuaris zelf een inschatting gemaakt te worden van alle mogelijke risico's die een onafhankelijk en onpartijdig oordeel in de weg zouden kunnen staan.

Onderhavige beleidsregel is ‘principles based’ van aard in de zin dat de hoofdnormen in de wet staan (artikel 148 van de Pensioenwet en artikel 143 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling) en de uitwerking in artikel 2 van deze beleidsregel aansluit op de voor accountantsorganisaties geldende wettelijke regels en de door deze organisaties opgestelde gedragsregels, waarbij de actuariële organisaties ruimte wordt gelaten voor een eigen invulling van de desbetreffende normen.

Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de beleidsregel adresseert de norm betreffende onafhankelijkheid van de actuaris, door te bepalen dat de in artikel 148 van de Pensioenwet, respectievelijk artikel 143 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling neergelegde norm betreffende onafhankelijkheid in de gedragscode is verankerd.

De onderdelen b en c van datzelfde artikellid bevatten een uitwerking ten aanzien van de onafhankelijkheid van de bij de actuariële organisatie werkzame of aan haar verbonden waarmerkende actuarissen. De actuariële organisatie beoordeelt of er bedreigingen zijn ten aanzien van de onafhankelijkheid van de bij haar werkzame of aan haar verbonden waarmerkende actuarissen, neemt zonodig maatregelen (onderdeel b) en maakt de bedreiging en de genomen maatregelen inzichtelijk (onderdeel c). De actuariële organisatie borgt door middel van interne regels en procedures de naleving van onafhankelijkheidsvoorschriften door de bij haar werkzame of aan haar verbonden actuaris (onderdeel d). Voorts is de actuaris verplicht om tenminste jaarlijks schriftelijk te bevestigen dat hij de bepalingen inzake onafhankelijkheid naleeft en de actuariële organisatie steeds direct informeert over bedreigingen van zijn onafhankelijkheid (onderdeel e).

In het tweede lid van artikel 2 is verwoord dat de regels en procedures, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, adequaat dienen te zijn en dat dat geacht wordt het geval te zijn indien de desbetreffende regels en procedures naar aard en strekking overeenkomen aan de bij en krachtens de Wet op de registeraccountants of de Wet op de accountants-administratieconsulenten gestelde regels inzake onafhankelijkheid. Deze formulering sluit overigens niet uit dat actuariële organisaties afwijkende regels toepassen die naar het oordeel van DNB, gelet op de voor deze organisaties geldende specifieke omstandigheden, eveneens adequaat zijn. Leidend principe is dat voldaan is aan de in de wet verankerde eis inzake onafhankelijkheid en niet de wijze waarop die onafhankelijkheid is geborgd.

Artikel 2 sluit aan bij de regels ingevolge artikel 19 van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta), in casu de in hoofdstuk 6 van het Besluit toezicht accountantsorganisaties (Stb. 2006, 380) opgenomen bepalingen ter uitvoering van artikel 19 van de Wta.

Artikelsgewijs

Artikel 1

De actuariële organisatie is de organisatie die de opdracht voor het waarmerken van de actuariële staten en het opstellen van een actuariële verklaring laat uitvoeren samen met de eventueel met haar verbonden organisaties. De verbonden organisaties zijn de organisaties die door de actuariële organisatie worden beheerst of onder dezelfde leiding staan of in dezelfde handen zijn. Ook kunnen deze organisaties op een andere manier verbonden zijn zoals door het gebruik van een gezamenlijke naam of door het gezamenlijk gebruik van professionele hulpmiddelen.

Artikel 2

Onder verwijzing naar het algemene deel van de toelichting wordt opgemerkt dat in het tweede lid van artikel 2 is verwoord dat de actuariële organisatie adequate interne regels en procedures hanteert en dat deze regels en procedures in ieder geval geacht worden adequaat te zijn indien zij naar aard en strekking voldoen aan de bij en krachtens de wet en de Wet op de Registeraccountants of de Wet op de Accountants-administratieconsulenten gestelde regels inzake onafhankelijkheid. Daarbij gaat het (vertaald naar de context van de actuariële organisatie) in het bijzonder om de volgende regels:

Regels met betrekking tot de (omgeving van de) actuariële organisatie

  • 1°. De actuariële organisatie treft maatregelen die een onafhankelijk optreden van de waarmerkende actuaris waarborgt en de actuariële organisatie en de waarmerkende actuaris richten de werkzaamheden zo in dat een goed geïnformeerde buitenstaander een oordeel kan vormen over de onafhankelijkheid.

  • 2°. De waarmerkende actuaris, de actuariële organisatie, het pensioenfonds en de sponsor van het pensioenfonds gaan geen zakelijke relaties of verbintenissen aan met elkaar, tenzij de relatie past in het kader van de gewone bedrijfsuitoefening en geen ernstige bedreiging vormt voor de onafhankelijkheid van de waarmerkende actuaris.

  • 3°. Het bestuur van de actuariële organisatie voorkomt dat anderen dan degene die bevoegd zijn tot de uitvoering van de waarmerkende werkzaamheden invloed van betekenis krijgen op het deel van de actuariële organisatie dat het beleid voor de waarmerkende werkzaamheden bepaalt.

  • 4°. De actuariële organisatie draagt zorg voor de invoering, onderhoud en controle van een stelsel van waarborgen dat een onderdeel is van de bestuurlijke organisatie en het voor de gehele organisatie van toepassing zijnde stelsel van kwaliteitbeheersingsmaatregelen met betrekking tot de onafhankelijkheid van de waarmerkende actuaris. Dit stelsel omvat, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel, procedures en maatregelen voor de vastlegging, bekendmaking en training of opleiding van de onafhankelijkheidsbepalingen, procedures en maatregelen voor de schriftelijke rapportage aan het pensioenfonds en procedures en maatregelen voor interne compliance en interne roulatie.

  • 5°. De organisatie evalueert periodiek de maatregelen die ze heeft genomen om de onafhankelijkheid van de waarmerkende actuaris te bevorderen.

  • 6°. De waarmerkende actuaris gaat na of de bestuursstructuur van het pensioenfonds waarborgen bevat die mogelijke onderkende bedreigingen van de onafhankelijkheid kunnen beperken en beoordeelt de wijze waarop deze waarborgen functioneren.1

  • 7°. De actuariële organisatie maakt geen afspraken over een vergoeding voor waarmerkende werkzaamheden waarbij het bedrag afhankelijk is van het resultaat van de verleende werkzaamheden.

  • 8°. Het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van het waarmerken of andere werkzaamheden door een actuariële organisatie leidt niet tot financiële afhankelijkheid van het pensioenfonds in wezen of in schijn.

Indien een actuariële organisatie één of meer principes specifiek voor haar organisatie niet of minder of belang acht dan kan de actuariële organisatie afwijkende regels toepassen, mits deze gezien de specifieke omstandigheden van de actuariële organisatie naar het oordeel van DNB eveneens adequaat zijn.

De Nederlandsche Bank N.V.

de directeur,

A.J. Kellermann.


XNoot
1

Artikel 20 Besluit financieel toetsingskader (belangenverstrengeling) vereist dat het pensioenfonds beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van privé-belangen met de belangen van het pensioenfonds van, onder andere, personen die in opdracht van het fonds op structurele basis werkzaamheden voor het pensioenfonds verrichten. Ook in dat kader kan aandacht worden besteed aan de gedragscode van actuariële organisaties.