Wijziging Vreemdelingencirculaire 2000 (2008/16)

Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 15 mei 2008, nr. 2008/16, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

Artikel I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C24/Armenië Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

Het asielbeleid ten aanzien van Armenië

1 Achtergrond

Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Armenië. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.

De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van maart 2008 over de situatie in Armenië (zie de website van het Ministerie van BuZa).

2 Besluitmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Armenië geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw.

3 Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen

3.1 Etnische Azeri en etnisch gemengde gezinnen

Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat na 1988 vrijwel de gehele Azerbeidzjaanse minderheid, als gevolg van het conflict in Nagorny Karabach, uit Armenië is vertrokken. In de afgelopen jaren is geen informatie bekend geworden die zou duiden op vervolging van Azeri zijdens de overheid of intolerantie van de kant van de Armeense bevolking jegens hen.

Gemengd gehuwden en kinderen uit een gemengd huwelijk kunnen aanspraak maken op het Armeense staatsburgerschap, aangezien etnische Armenen dit voor zichzelf en voor hun directe familieleden kunnen aanvragen, ook als deze familieleden niet etnisch Armeens zijn.

Ten aanzien van etnische Azeri geldt het algemene asielbeleid. Zij komen niet enkel op grond van hun etniciteit in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.

3.2 Leden van politieke oppositiepartijen

De vrijheid van vereniging en vergadering wordt in de grondwet gegarandeerd. Niettemin komt uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa naar voren dat oppositiepartijen te maken kunnen krijgen met tegenwerking van de autoriteiten. Er is sprake van invallen, arrestaties, een bomaanslag en brandstichting. Soms is er sprake van dodelijk geweld. Arrestaties en veroordelingen kunnen een politiek karakter dragen.

Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag vanwege zijn politieke activiteiten, kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3.3 Vrouwen

Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing.

3.4 Dienstplichtigen en deserteurs

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing.

De strafmaten voor dienstweigering en desertie, zoals vermeld in het ambtsbericht, zijn niet als onevenredig zwaar aan te merken.

Dit geldt ook voor dienstplichtigen die op onvrijwillige basis naar Nagorny Karabach zijn gezonden.

Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat volgens sommige bronnen Jehova’s getuigen zwaarder bestraft zouden worden dan andere dienstweigeraars. Deze berichten leiden vooralsnog niet in het algemeen tot de conclusie dat Jehova’s getuigen die dienst weigeren in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Indien de vreemdeling in een individueel geval met documenten of anderszins aannemelijk maakt dat hij vanwege zijn geloofsovertuiging gegronde vrees heeft voor onevenredige of discriminatoire bestraffing of tenuitvoerlegging van de straf wegens dienstweigering of desertie, kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Ten aanzien van Armenië heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict.

4 Traumatabeleid

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Armenië geen bijzonderheden.

5 Categoriale bescherming

Asielzoekers uit Armenië komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5).

6 Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten

6.1 Vlucht- en/of vestigingsalternatief

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing.

6.2 Veilig land van herkomst

Armenië wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.

6.3 Veilig derde land / land van eerder verblijf

Armenië wordt niet beschouwd als veilig derde land.

Ten aanzien van de beoordeling van de vraag of er een land van eerder verblijf is, wordt opgemerkt dat het mogelijk is dat betrokkene, indien hij ten tijde van de voormalige Sovjet-Unie uit de toenmalige deelrepubliek Armenië is vertrokken en niet in het bezit is gesteld van het staatsburgerschap van één van deze voormalige deelrepublieken, maar anderszins legaal verblijf had.

Dit wordt meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, Vw (zie C4/3.9).

Indien uit het relaas van betrokkene, de (doorlopende) duur van de verblijfsvergunning of uit onderzoek door de Minister van BuZa niet valt af te leiden dat de asielzoeker duurzame bescherming zal genieten in het land van eerder verblijf, dan wordt geen toepassing gegeven aan artikel 31, tweede lid, onder i, Vw.

6.4 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.

6.5 Nationaliteit of staatsburgerschap

Veel Armeniërs zijn, op het moment dat de Sovjet-Unie nog als staat bestond, uit de toenmalige deelrepubliek Armenië vertrokken, veelal naar één van de andere deelrepublieken van de voormalige Sovjet-Unie. Nadat de voormalige Sovjet-Unie ophield te bestaan (december 1991) hebben velen het staatsburgerschap verkregen van één van deze later zelfstandig geworden republieken.

Voor de voorwaarden ter vaststelling van het staatsburgerschap in de republieken van de voormalige Sovjet-Unie wordt verwezen naar het ambtsbericht van het Ministerie van BuZa inzake Staatsburgerschap- en Vreemdelingenwetgeving in de republieken van de voormalige Sovjet-Unie van 14 augustus 2002 (zie de website van het Ministerie van BuZa).

7 Opvangmogelijkheden Amv’s

Ten aanzien van Amv’s uit Armenië kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.

8 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Armenië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 15 mei 2008.
De Staatssecretaris van Justitie,
namens deze:
de directeur-generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken, R.K. Visser.

Toelichting

Algemeen

De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in maart 2008 een algemeen ambtsbericht Armenië uitgebracht. Het ambtsbericht beslaat de periode van oktober 2006 tot en met december 2007. Het ambtsbericht heeft geen aanleiding gegeven tot wijziging van het beleid. In dit wijzigingsbesluit zijn wel enkele actualiseringen als gevolg van het ambtsbericht opgenomen. Ook is de tekst hier en daar ingekort.

De Staatssecretaris van Justitie

namens deze:

de directeur-generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken,

R.K. Visser

Naar boven