Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 10 november 2008, nummer 2008/26, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Justitie,

Gelet op de Vw 2000, het Vb 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C24/Congo DRCVreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

Het asielbeleid ten aanzien van Congo DRC

1 Achtergrond

Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Congo DRC. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.

De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van juli 2008 (zie de website van het Ministerie van BuZa).

Naar aanleiding van het algemeen ambtsbericht is besloten tot een beleidswijziging ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Congo DRC. Dit betreft het beëindigen van het beleid van categoriale bescherming voor de bevolkingsgroep van etnische Tutsi’s.

Voor het overige blijft het beleid ongewijzigd. Vanwege de verslechterde situatie gedurende de verslagperiode, is Bas-Congo als categoriaal beschermingswaardig gebied aangemerkt. Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri werden reeds aangemerkt als categoriaal beschermingswaardige gebieden. Voor alle personen van alle bevolkingsgroepen is echter een verblijfsalternatief aanwezig in Kinshasa. Daarom geldt in het geheel geen categoriaal beschermingsbeleid meer voor asielzoekers afkomstig uit Congo DRC.

De beleidswijziging is neergelegd in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 30 september 2008.

Het beleid dat etnische Tutsi’s zijn aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep blijft gehandhaafd. Het beleid dat geen vlucht- of vestigingsalternatief voor asielzoekers uit Congo DRC aanwezig is, blijft eveneens van kracht.

2 Besluitmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Congo DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw.

3 Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
3.1 Tutsi’s

Hoewel diverse bronnen het niet eens zijn in hoeverre Tutsi’s thans een kwetsbare positie innemen, blijkt uit het ambtsbericht de situatie verder bestendigd dat Tutsi’s de laatste jaren in Kinshasa geen gevaar meer lopen. Deze ontwikkeling werd reeds in de twee voorgaande ambtsberichten beschreven.

Tot de bevolkingsgroep van de Tutsi (waaronder begrepen de Banyamulenge en Banyarwanda die Tutsi zijn) worden ook asielzoekers van gemengde afkomst aangemerkt. Daar het onduidelijk is welke personen formeel tot de etnische groep van de Tutsi gerekend kunnen worden en het voorts in de rede ligt dat ook asielzoekers van wie alleen de moeder die tot de etnische groep van de Tutsi behoort in Congo DRC als Tutsi gezien worden, wordt er geen onderscheid gemaakt welke ouder van de asielzoeker tot de bevolkingsgroep van de Tutsi behoort.

Banyamulenge worden door veel Congolezen gezien als aanstichter van de oorlogen van 1997 en 1998-2003. Banyamulenge en andere Tutsi-groepen worden vaak verdacht van Rwandese sympathieën en daarom gewantrouwd. In het huidige ambtsbericht staat beschreven dat voor zover bekend zich gedurende de verslagperiode geen geweldadige incidenten hebben voorgedaan waar Tutsi’s het slachtoffer van waren.

Vluchtelingschap

Een persoon die behoort tot de bevolkingsgroep van de Tutsi in Congo DRC kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging vanwege bijvoorbeeld zijn etnische afkomst. Het betreft hier zowel acties van de autoriteiten als ook van de lokale bevolking, waartegen de autoriteiten niet altijd bescherming kunnen bieden.

Kwetsbare minderheidsgroep

De Tutsi’s uit Congo DRC blijven aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C2/3.1.3.

Dit houdt in dat de vreemdeling die behoort tot deze groep met op zichzelf beperkte individuele indicaties reeds aannemelijk kan maken dat bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM dreigt.

Het is niet vereist dat de vreemdeling persoonlijk te maken heeft gehad met een behandeling die op zichzelf voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Ook indien sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Daarbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij aannemelijk maakt dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep.

Categoriale bescherming

Personen die behoren tot de bevolkingsgroep van de Tutsi in Congo DRC komen niet langer in aanmerking voor categoriale bescherming.

Voor personen behorend tot de Tutsi-bevolkingsgroep afkomstig uit de categoriaal beschermingswaardige gebieden in het oosten van Congo DRC, te weten Noord-Kivu, Zuid-Kivu, Ituri en thans ook Bas-Congo, is een verblijfsalternatief aanwezig in Kinshasa.

Uit de laatste algemene ambtsberichten die zijn uitgebracht door de Minister van BuZa, is gebleken dat de situatie voor Tutsi’s in Kinshasa gaandeweg is verbeterd. In het recentste ambtsbericht wordt beschreven dat de Tutsi’s de laatste jaren geen gevaar meer lopen in Kinshasa. Hieraan wordt wel toegevoegd dat in de hoofdstad nog altijd veel vooroordelen bestaan, met name jegens de Banyamulenge, een Tutsi-groepering. Overigens is het aantal Tutsi’s in Kinshasa klein. In Kinshasa is het nog altijd erg makkelijk om mensen te mobiliseren op basis van anti-Rwandese sentimenten, aldus het ambtsbericht. Waar in het vorige ambtsbericht nog sprake was dat Banyamulenge in het westen van Congo DRC een doelwit kunnen vormen zodra er een incident plaatsvindt in het oosten waarbij Tutsi’s betrokken (worden verondersteld te) zijn, is zulks niet meer in het huidige ambtsbericht vermeld. Ook hebben zich gedurende de verslagperiode voor zover bekend geen gewelddadige incidenten voorgedaan in Kinshasa waarvan Tutsi’s het slachtoffer waren. Kinshasa kan derhalve ook voor Tutsi’s als verblijfsalternatief gelden, waardoor het beleid van categoriale bescherming voor hen niet langer is geïndiceerd.

Daarnaast is gebleken dat België, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk, die voorheen een bijzonder beleid voor Tutsi’s respectievelijk Banyamulenge voerden, niet langer een dergelijk beleid voeren. Gezien het belang dat wordt gehecht aan het afstemmen van het Nederlandse beleid met het beleid dat in andere Europese landen, is het geheel overziend, besloten om het categoriaal beschermingsbeleid voor Tutsi’s te beëindigen.

3.2 Bevolkingsgroepen uit Noord- en Zuid-Kivu

Uit het eerdergenoemde ambtsbericht blijkt dat de veiligheidssituatie mede onder invloed van de Acte d’Engagement die in januari 2008 in Coma werd ondertekend, in beide Kivu-provincies enigszins verbeterd is. Anderzijds wordt in het ambtsbericht aangegeven dat nog steeds sprake is van grootschalige mensenrechtenschendingen.

Het merendeel van de gevechtshandelingen had plaats in het zuiden van Noord-Kivu. In Zuid-Kivu vinden minder veiligheidsincidenten plaats. Zowel de troepen van generaal Nkunda, als soldaten van het Congolese regeringsleger, Forces Armées de la Republique Democratic du Congo, als andere rebellengroeperingen maken zich schuldig aan moord op Congolese burgers, verkrachtingen en andere mensenrechtenschendingen.

Voorts komt naar voren dat deze oorlogshandelingen niet specifiek op individuen of op de burgerbevolking gericht zijn, hoewel die daar wel het slachtoffer van kunnen worden.

Een beroep op de algehele situatie in Noord- en Zuid-Kivu is op zichzelf niet voldoende voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3.3 Bevolkingsgroepen uit het Ituri District

De veiligheidssituatie in Ituri is gedurende de verslagperiode verder verbeterd nadat enkele belangrijke militaire leiders, die eerder al waren gedemobiliseerd, zich in Kinshasa meldden om deel te nemen aan het brassage-proces. Niet alle soldaten willen echter deelnemen aan het proces en bleven tijdens de verslagperiode militair actief. Sporadische gevechten tussen Forces Armées de la Republique Democratic du Congo en overgebleven rebellengroeperingen bleven dan ook gedurende de verslagperiode voorkomen.

Voorts waren gedurende de gehele verslagperiode rebellen van de Lord’s Resistance Army actief in Ituri en ontvoerden zij grote aantallen burgers, waaronder kinderen. Er wordt gespeculeerd over de koers die de Lord’s Resistance Army wil volgen, met name ten aanzien van het vredesproces. Zo vond op 30 januari 2008 de laatste onderhandelingsronde met de Lord’s Resistance Army plaats, maar is Joseph Kony bij de ondertekening niet komen opdagen.

Overigens wordt opgemerkt, dat het geweld in het Ituri District doorgaans niet specifiek is gericht op individuen (hoewel die er wel het slachtoffer van zijn), maar dat eerder sprake is van willekeurig (oorlogs)geweld.

Een beroep op de algehele situatie in Ituri is op zichzelf niet voldoende voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3.4 Bevolkingsgroepen uit Bas-Congo

Ten opzichte van de vorige verslagperiode is de veiligheidssituatie in Bas-Congo ernstig verslechterd. In Bas-Congo bevindt zich de politiek-religieuze beweging Bundu dia Kongo die zich steeds heftiger lijkt te verzetten tegen de status quo in de provincie. Begin januari 2008 verjoeg de beweging de autoriteiten in enkele dorpen in de meer perifere gebieden van Bas-Congo. In februari 2008 begonnen de Congolese autoriteiten in de provincie Bas-Congo een campagne tegen Bundu dia Kongo waarbij honderden burgers om het leven kwamen. De Congolese politie trad hard op tegen Bundu dia Kongo en beging hierbij ernstige schendingen van de mensenrechten waarvan veel onschuldige burgers het slachtoffer werden. Onder de slachtoffers waren (vermeende) aanhangers van Bundu dia Kongo, maar ook burgers die niets met de beweging te maken hadden. Aan het einde van de verslagperiode was de rust in de provincie weer hersteld.

Een beroep op de algehele situatie in Bas-Congo is op zichzelf niet voldoende voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3.5 Politieke tegenstanders van het bewind

De wet op de organisatie en het functioneren van politieke partijen van maart 2004 erkent en garandeert het politieke pluralisme in Congo DRC. Sinds deze nieuwe wetgeving van kracht is, is de vrijheid van vereniging en vergadering licht verbeterd.

De grondwet voorziet in vrijheid van vereniging en vergadering en de vrijheid van demonstratie, zolang de openbare orde en de goede zeden niet in het geding komen.

Politieke activisten blijven kwetsbaar, hoewel politieke activisten van de belangrijkste oppositiepartij Mouvement de Libération du Congo volgens een mensenrechtenorganisatie als categorie geen gevaar lopen. Parlementariërs van Mouvement de Libération du Congo worden niet gehinderd in de uitoefening van hun functie. Het is echter niet uitgesloten dat bekende en actieve leden van Mouvement de Libération du Congo door de autoriteiten bedreigd of geïntimideerd worden.

Om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking te komen, dient de betrokkene aannemelijk te maken dat de problemen die hij van de zijde van de Congolese autoriteiten heeft ondervonden vanwege zijn politieke activiteiten, te herleiden zijn tot daden van vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, of dat hij een reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM.

3.6 Leden rebellengroeperingen

In Congo DRC zijn ontwapeningsprogramma’s en vredesbesprekingen aan de gang waarbij de leden van de (voormalige) rebellenbewegingen worden opgenomen in het regeringsleger.

Het enkele lidmaatschap van een rebellengroepering vormt derhalve onvoldoende reden om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

3.7 Journalisten

De wet voorziet in vrijheid van meningsuiting, persvrijheid en het recht op informatie. In de praktijk wordt dit recht echter beperkt. Journalisten worden regelmatig lastiggevallen. Volgens Mission d'Observation des Nations Unies namen aanvallen, bedreigingen en arrestaties van journalisten aan het einde van de verslagperiode toe. De meeste journalisten plegen, om niet in de problemen te komen, een vorm van zelfcensuur. Intimidatie bestaat vooral uit het oppakken en vastzetten van journalisten. Blijkens het ambtsbericht komt het voor dat journalisten hierbij geketend en gefolterd kunnen worden. Hierbij wordt opgemerkt dat dit niet zo zeer in de officiële gevangenissen als wel in de niet-officiële gevangenissen, de zogenoemde cachots, voorkomt.

Met inachtneming van het vorenstaande, dient betrokkene, om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, aannemelijk te maken dat de problemen die hij heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten vanwege zijn werkzaamheden als journalist te herleiden zijn tot daden van vervolging, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, of dat hij een reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM.

3.8 Vrouwen

Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing.

Uit het ambtsbericht blijkt dat seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes op grote schaal voorkomt in Congo DRC en epidemische vormen aanneemt. Zowel de overgebleven rebellenbewegingen alsook de soldaten van het regeringsleger en politieagenten maken zich hier schuldig aan. Slachtoffers van verkrachting leven in schaamte. Zij lopen het risico verstoten te worden door hun familie. Het is voor de meeste vrouwen in Congo DRC onmogelijk om bescherming in te roepen tegen seksueel geweld. Het is moeilijk om aangifte te doen van seksueel geweld, vooral in het oosten van het land. Het risico is aanwezig dat het doen van aangifte van verkrachting zich tegen het slachtoffer keert. Vrouwen die aangifte komen doen van seksueel geweld worden soms door de politie beticht van hekserij en lopen het risico zelf bestraft te worden, met name wanneer de dader van het seksueel geweld invloedrijk is.

Vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging in Congo DRC, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming.

Voorzover een beroep wordt gedaan op het traumatabeleid, wordt verwezen naar C2/4.2.

3.9 Dienstplichtigen en deserteurs

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing.

Ten aanzien van Congo DRC heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict.

Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Congo DRC is gebleken dat in Congo DRC geen dienstplicht bestaat.

Desertie is formeel strafbaar en heeft als maximale straf de doodstraf. In de praktijk komt desertie regelmatig voor. Vervolging wegens alleen desertie vindt zelden plaats. Voor hoge militairen wordt desertie hooguit als strafverzwarende omstandigheid in combinatie met een ander strafbaar feit aangemerkt.

3.10 Kinderen

Hoewel weeskinderen traditioneel altijd werden opgevangen door familieleden of mensen in de omgeving, is het aantal straatkinderen in Kinshasa de afgelopen jaren flink toegenomen. Volgens schattingen leven in Kinshasa alleen al zo’n 25.000 straatkinderen. De meerderheid van die kinderen (tot 70%) zou verstoten zijn door familieleden nadat ze van hekserij beschuldigd werden. UNICEF heeft in acht grote steden een programma voor straatkinderen opgezet.

Waar het probleem van kinderen die van hekserij worden beschuldigd zich aanvankelijk leek te beperken tot Kinshasa en het westen van Congo DRC, wordt nu duidelijk dat het fenomeen in opkomst is in steden in het gehele land. De nieuwe Congolese grondwet stelt expliciet dat beschuldiging van hekserij een vorm van kindermishandeling is en daarom strafbaar is. Voor zover bekend is in Congo DRC, althans in de afgelopen jaren, niemand veroordeeld in verband met misdaden jegens van hekserij beschuldigde personen.

Het enkele feit van straatkind zijn of als kind te worden beschuldigd van hekserij is onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning.

3.11 Homoseksuelen

Zoals in veel Afrikaanse landen rust in Congo DRC een zwaar sociaal-cultureel taboe op homoseksualiteit, waardoor nauwelijks over het onderwerp kan worden gesproken. Door het gebrek aan beschermende wetgeving, aan formele en informele acceptatie en door het slechte functioneren van het politieapparaat kan een homoseksueel geen bescherming inroepen tegen gevallen van discriminatie door medeburgers, de politie of andere overheidsinstanties.

In Congo DRC is homoseksualiteit niet expliciet strafbaar. Het WvSr noemt wel ‘misdaden tegen het familieleven’ (met een maximum gevangenisstraf van vijf jaar), welke bepaling gebruikt kan worden tegen homoseksuelen.

Indien een Congolese asielzoeker die zich beroept op discriminatie vanwege homoseksualiteit, aannemelijk kan maken dat de ondervonden discriminatie een dusdanige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren dan kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming.

Het enkele feit van homoseksueel zijn is onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning.

3.12 Pygmeeën

In Congo DRC worden de pygmeeën ernstig gemarginaliseerd en gediscrimineerd.

Pygmeeën zouden door veel Congolezen als halve wilden worden gezien en daarom slecht behandeld. De pygmeeën hebben een leefwijze die zich slecht verhoudt tot de moderniteit. Het zijn jager-verzamelaars die rondtrekken in dunbevolkte bosgebieden. De pygmeeëngemeenschappen hebben veel te lijden gehad door de burgeroorlog en massale schendingen van de mensenrechten. Pygmeeën beschikken door hun leefwijze dikwijls over een uitstekende terreinkennis, waarvan de verschillende strijdende partijen gebruik hebben gemaakt en soms nog maken.

Het enkele feit dat een persoon behoort tot de bevolkingsgroep van de Pygmeeën is onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning.

4 Traumatabeleid

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing.

5 Categoriale bescherming

Asielzoekers uit Congo DRC, waaronder de Tutsi’s, komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning.

De beschrijving van de algehele veiligheidssituatie in het algemene ambtsbericht van de Minister van BuZa leidt tot het oordeel dat de gebieden in het oosten van Congo DRC, waar zich recent gewapende conflicten hebben voorgedaan (Noord-Kivu, Zuid-Kivu, Ituri en Bas-Congo), categoriaal beschermingswaardig zijn. Er is evenwel geen beleid van categoriale bescherming, in de zin van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, geïndiceerd omdat asielzoekers, waaronder Tutsi’s, uit deze gebieden die niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op individuele gronden, zich aan de algehele geweldsituatie kunnen onttrekken door in Kinshasa te verblijven. Aan deze personen zal daarom een verblijfsalternatief worden tegengeworpen.

Ten aanzien van het verblijfsalternatief dat nu ook aan Tutsi’s zal worden tegengeworpen,wordt opgemerkt dat de beschrijving in het algemene ambtsbericht van de Minister van BuZa leidt tot de conclusie dat de veiligheidssituatie van Tutsi’s in Kinshasa de afgelopen jaren verbeterd is en zich heeft bestendigd.

Daarnaast is gebleken dat de ons omringende landen, het Verenigd Koninkrijk, België en Denemarken, geen speciaal beleid voeren ten aanzien van (bepaalde bevolkingsgroepen) uit Congo DRC.

Met betrekking tot Tutsi’s die in bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid onder d, Vw, zal een herbeoordeling plaatsvinden. Indien deze herbeoordeling niet tot gevolg heeft dat wordt geoordeeld dat de vreemdeling op basis van één van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, Vw verblijf toekomt, zal de verblijfsvergunning worden ingetrokken, dan wel de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden afgewezen. Dit geldt overeenkomstig voor houders van een verblijfsvergunning asiel die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw en waarbij de verblijfsvergunning van de hoofdpersoon op grond van het bovenstaande wordt ingetrokken.

Verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd zal op normale wijze plaatsvinden indien de geldigheid van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verlopen voorafgaand aan de beëindiging van het beleid van categoriale bescherming, voor zover de vreemdeling ook aan de overige vereisten voor verlening voldoet.

6 Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
6.1 Vlucht- en/of vestigingsalternatief

Gezien de huidige situatie in Congo DRC, wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen.

6.2 Veilig land van herkomst

Congo DRC wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.

6.3 Veilig derde land / land van eerder verblijf

Congo DRC wordt niet beschouwd als veilig derde land.

6.4 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.

Verder zijn er nog de volgende aandachtspunten.

Zowel leden van het leger, de politie en de veiligheidsdienst, als leden van (voormalige) rebellenmilities hebben zich in Congo DRC op grote schaal schuldig gemaakt aan het schenden van de mensenrechten. Met name de strijdende partijen in het oosten van Congo DRC maken zich schuldig aan foltering en andere oorlogsmisdrijven. Om die reden dient men er in het bijzonder op bedacht te zijn of betrokkene zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als omschreven in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Vorenstaande kan ook van belang zijn bij minderjarigen, aangezien met name de rebellengroeperingen en sommige facties van het nationale leger gebruik maken dan wel gebruik hebben gemaakt van kindsoldaten.

7 Opvangmogelijkheden Amv’s

Traditioneel werden weeskinderen altijd opgevangen door familieleden of mensen in de omgeving. Het aantal straatkinderen is echter in de afgelopen jaren flink toegenomen. Voor Amv’s is adequate opvang in Congo DRC voorhanden. Weeskinderen worden in het algemeen opgevangen door de familie van één van beide ouders. In het opvangcentrum van de Congregatie der Salesianen (Don Bosco) zijn vier opvangplaatsen geregeld voor uit Nederland terugkerende Amv’s. Voor meer informatie over opvangmogelijkheden voor Amv’s wordt verwezen naar het eerdergenoemde ambtsbericht van de Minister van BuZa.

Minderjarige asielzoekers van Congolese nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.

8 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Congo DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 10 november 2008

De Staatssecretaris van Justitie,

namens deze:

de directeur-generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken,

R.K. Visser.

TOELICHTING

Algemeen

De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in juli 2008 een algemeen ambtsbericht over Congo DRC uitgebracht. Het ambtsbericht beslaat de periode van november 2007 tot en met mei 2008. Het ambtsbericht heeft aanleiding gegeven tot de volgende wijziging van het beleid.

Het beëindigen van het beleid van categoriale bescherming voor de bevolkingsgroep van etnische Tutsi’s.

Ten aanzien van het afschaffen van het categoriale beschermingsbeleid is van belang dat de veiligheidssituatie van de Tutsi’s zich niet meer onderscheid van de veiligheidssituatie van de andere bevolkingsgroepen in de categoriaal beschermingswaardig geachte provincies. Daarbij is de veiligheidssituatie van de Tutsi’s in Kinshasa de laatste jaren gestaag verbeterd, waardoor Kinshasa ook voor de bevolkingsgroep van de Tutsi als verblijfsalternatief kan worden tegengeworpen.

Voorts is hierbij van belang dat de ons omringende landen, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en België, geen bijzonder beleid voeren ten aanzien van (geen enkele bevolkingsgroep in) Congo DRC.

Voor het overige blijft het beleid ongewijzigd. Weliswaar is, vanwege de verslechterde situatie gedurende de verslagperiode, ook Bas-Congo als categoriaal beschermingswaardig gebied aangemerkt omdat de veiligheidssituatie in Bas-Congo ernstig is verslechterd. In Bas-Congo zijn de Congolese autoriteiten in februari 2008 hard opgetreden tegen de politiek-religieuze beweging Bundu dia Kongo waarbij honderden burgers om het leven kwamen. Voor asielzoekers afkomstig uit dit gebied is er – evenals voor asielzoekers afkomstig uit Noord- en Zuid-Kivu en Ituri – een verblijfsalternatief in Kinshasa. Daarom geldt voor hen geen categoriaal beschermingsbeleid.

Voorts zijn in dit wijzigingsbesluit enkele actualiseringen opgenomen.

De Staatssecretaris van Justitie,

namens deze:

de directeur-generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken,

R.K. Visser.

Naar boven