Besluit beoordelingskader individuele re-integratieovereenkomst 2008

21 januari 2008

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

Gelet op artikel 4.7 Regeling SUWI;

Besluit:

Artikel 1

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de uitvoering van de Individuele re-integratieovereenkomst een beoordelingskader als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Het Besluit beoordelingskader individuele reïntegratieovereenkomst 2005 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2008. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 maart 2008, treedt het besluit in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 april 2008.

Artikel 4

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beoordelingskader individuele re-integratieovereenkomst 2008

Dit besluit wordt met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant geplaatst.

Amsterdam, 21 januari 2008.
J.M. Linthorst, Voorzitter Raad van bestuur UWV

1. Algemene voorwaarden

Voor een Individuele Re-integratieovereenkomst (IRO) komt in aanmerking:

1. De persoon voor wie UWV op grond van artikel 30 eerste lid onder b SUWI de verantwoordelijkheid voor de re-integratie heeft;

2. Die gelet op de afstand tot de arbeidsmarkt is aangewezen op de inzet van re-integratie-instrumenten;

3. Die direct of indirect uitzicht heeft op reguliere betaalde arbeid.

Bij de beoordeling van de aanvraag om een IRO wordt door UWV vastgesteld of een IRO het meest geschikte re-integratieinstrument is voor de cliënt. Als blijkt dat een ander re-integratieinstrument meer geschikt is voor de cliënt wordt de aanvraag om een IRO afgewezen. De cliënt wordt dan voor dat andere re-integratieinstrument in aanmerking gebracht.

Als een cliënt door UWV al bij een bedrijf is gemeld voor ondersteuning bij re-integratie, kan de cliënt niet meer in aanmerking komen voor een IRO.

2. Beoordeling re-integratiebedrijf

De cliënt dient voor de uitvoering van de IRO een re-integratiebedrijf in te schakelen. Het bedrijf moet aan een aantal voorwaarden (uitsluitingsgronden en kwaliteitseisen) voldoen om een IRO te mogen uitvoeren. Deze voorwaarden worden hierna vermeld. De vaststelling of een bedrijf voldoet aan de voorwaarden geschiedt op de volgende wijze.

De toetsing of een bedrijf voldoet aan de voorwaarden geschiedt in eerste instantie door middel van verklaringen van het bedrijf zelf dat geen van de uitsluitingsgronden van toepassing zijn.

UWV kan echter om onderbouwing, inclusief te overleggen bewijsstukken, vragen. Mocht blijken dat een bedrijf bewust een onjuiste verklaring heeft gegeven dan wordt het bedrijf voor onbepaalde tijd uitgesloten van de uitvoering van de IRO.

Na de controle van de uitsluitingsgronden start het auditproces waarin de kwaliteitseisen worden onderzocht, ten tijde van dit onderzoek mag het bedrijf al starten met de uitvoering van de IRO. Binnen uiterlijk 2 maanden is het auditproces volledig afgerond en moet aan alle voorwaarden zijn voldaan. UWV sluit dan met het bedrijf een zogenaamde Mantelovereenkomst. Bij nieuwe aanvragen voor een IRO hoeft het bedrijf niet opnieuw aan te tonen dat het aan de voorwaarden voldoet.

Elk jaar wordt opnieuw een audit uitgevoerd. Een audit kan eventueel schriftelijk plaatsvinden.

UWV behoudt zich het recht voor om vaker dan eens per jaar te toetsen of het bedrijf nog steeds aan de voorwaarden voldoet en/of de kwaliteit van de geleverde dienstverlening door UWV als voldoende wordt beschouwd.

Het bedrijf is verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Weigert het bedrijf mee te werken aan het onderzoek, dan mag het niet (langer) de IRO uitvoeren. UWV kan het bedrijf toestaan om de lopende trajecten af te ronden.

2.1. De uitsluitingsgronden

UWV wil uitsluitend contracten sluiten met re-integratiebedrijven die de beroepsethiek naleven en die aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. Daartoe dient in ieder geval géén van de hieronder genoemde uitsluitingsgronden (gebaseerd op artikel 45 van het Besluit Aanbestedingsregels voor Overheidsopdrachten; BAO) op het bedrijf van toepassing te zijn.

Door aanmelding én ondertekening van de voorgeschreven standaardverklaring verklaart het re-integratiebedrijf dat zowel op het moment van aanmelding als op het moment van aangaan van de Mantelovereenkomst, geen van de navolgende omstandigheden van toepassing zijn:

Uitgesloten worden bedrijven/ondernemers:

1. jegens wie bij een onherroepelijk vonnis of arrest een veroordeling is uitgesproken op grond van artikel 140, 177, 177a,178, 225, 226, 227, 227a, 227b of 323a, 328ter, tweede lid, 416, 417, 417bis, 420ter of 420quater van het Wetboek van Strafrecht;

2. en voorts wordt elk bedrijf/iedere ondernemer uitgesloten:

a. dat/die in staat van faillissement of van liquidatie verkeert, wiens werkzaamheden zijn gestaakt, jegens wie een surseance van betaling of een akkoord geldt of die in een andere vergelijkbare toestand verkeert ingevolge een soortgelijke procedure die voorkomt in de op hem van toepassing zijnde wet- of regelgeving van een lidstaat van de Europese Unie;

b. wiens faillissement of liquidatie is aangevraagd of tegen wie een procedure van surseance van betaling of akkoord dan wel een andere soortgelijke procedure voorkomt in de op hem van toepassing zijn wet- of regelgeving van een lidstaat van de Europese Unie, aanhangig is gemaakt;

c. jegens wie een rechterlijke uitspraak met kracht van gewijsde volgens de op hem van toepassing zijnde wet- of regelgeving van een lidstaat van de Europese Unie is gedaan, waarbij een delict is vastgesteld dat in strijd is met zijn beroepsgedragsregels;

d. die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op een grond die de aanbestedende dienst aannemelijk kan maken;

e. die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij is gevestigd of van Nederland;

f. die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van zijn belastingen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij is gevestigd of van Nederland;

g. die zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de inlichtingen die ingevolge de artikelen 45 tot en met 53 BAO kunnen worden verlang, of die inlichtingen niet heeft verstrekt.

h. die geen adequate aansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten, tegen een verzekerd bedrag van ten minste € 1.000.000 per jaar. Bij een adequate aansprakelijkheidsverzekering gaat het er om dat het bedrijf verzekerd is voor de aansprakelijkheid voor zaak- en personenschade door een verkeerde (be)⁠handeling, een nalaten of een beroepsfout. Het bedrijf dient een kopie van de polis en polisvoorwaarden te overleggen waaruit nadrukkelijk blijkt dat het bedrijf verzekerd is tegen beroepsrisico’s bij het uitoefenen van taken in het kader van (re)-integratie activiteiten;

i. die niet kan voldoen aan de wijze van factureren die door UWV is voorgeschreven;

j. die niet kan voldoen aan de wijze van rapporteren die door UWV is voorgeschreven.

Door invulling van en ondertekening van de standaardverklaring geeft het bedrijf aan, op eerste verzoek van UWV binnen een daartoe te stellen, redelijke termijn de volgende documenten te overleggen:

1. Een verklaring van de griffier van de rechtbank als bedoeld in artikel 46 tweede lid BAO, die op grond van artikel 2 van de Faillissementswet bevoegd is tot het uitspreken van de faillietverklaring van het bedrijf of tot het op het bedrijf van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, of voor het land van herkomst van de onderneming daarvoor geldende documenten als bedoeld in artikel 46 vijfde lid BAO;

2. Een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG), als bedoeld in artikel 46 tweede lid BAO, gelezen in samenhang met artikel 30 van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke gegevens, waaruit blijkt dat het gedrag van het bedrijf geen bezwaar oplevert voor de uitoefening van de werkzaamheden waarvoor de verklaring is aangevraagd;

3. Een verklaring van de Inspecteur der Rijksbelastingen als bedoeld in artikel 46 derde en vierde lid BAO onder wie het bedrijf ressorteert voor de inning van de belastingen.

Wanneer in het land waarin het bedrijf is gevestigd niet een bewijsstuk of verklaring als bedoeld sub 1 tot en met 3 hiervoor wordt afgegeven, kan het bedrijf ingevolge het bepaalde bij artikel 46 vijfde lid BAO volstaan met een verklaring onder ede of een plechtige verklaring die door/namens het bedrijf ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of administratieve instantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst heeft afgelegd.

Bovengenoemde verklaringen dienen – op het moment van verstrekken – niet ouder te zijn dan 3 maanden.

Let op:

– Bovengenoemde verklaringen dienen – op het moment van verstrekken – niet ouder te zijn dan 3 maanden;

2.2. De kwaliteitseisen

2.2.1. Inschrijving bij de Kamer van Koophandel of het nationale beroeps-/handelsregister

Het re-integratiebedrijf dient, indien de wet van het land van herkomst deze verplichting oplegt, ter bevestiging van zijn identiteit aan te tonen ingeschreven te zijn bij de Kamer van Koophandel of het nationale beroeps-/handelsregister. Uit de inschrijving dient te blijken dat het re-integratiebedrijf als activiteit het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van (re)integratie tot doel heeft.

Re-integratie is gedefinieerd als die activiteiten die tot doel hebben de inzet en inzetbaarheid van de klanten te bevorderen én die zijn gericht op het verkrijgen van (duurzame) arbeid. Het gaat om klanten die vanuit een situatie van werkloosheid (weer) naar arbeid worden begeleid. UWV rekent tot re-integratie ook die activiteiten die zijn gericht op het behoud van werk van de klant al dan niet bij de eigen werkgever.

Indien het re-integratiebedrijf deel uitmaakt van een concern dient het een overzicht van het (de) betreffende concern(s) te overleggen bij aanmelding. UWV behoudt zich het recht voor om – als toelichting – nadere gegevens te vragen over de bestuurssituatie en de eigendomsverhoudingen.

Let op:

– Het bewijs van inschrijving in de Kamer van Koophandel of het nationale beroeps-/handelsregister mag niet ouder dan 2 maanden zijn op datum ondertekening.

2.2.2. Privacyreglement

UWV heeft een geheimhoudingsplicht met betrekking tot zijn klanten (artikel 74 Wet Suwi). Op de informatie over UWV-klanten is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing. Het re-integratiebedrijf beschikt – om de opdrachten te kunnen uitvoeren – over vertrouwelijke informatie van de klant. Dit betekent dat de geheimhoudingsplicht ook geldt voor de medewerkers van het re-integratiebedrijf die in dienst zijn als ook voor medewerkers die worden ingehuurd. Het re-integratiebedrijf dient daarom te beschikken over een privacyreglement.

Het re-integratiebedrijf dient zich te conformeren en te houden aan de volgende aspecten met betrekking tot privacy:

– dat de door UWV verstrekte gegevens over klanten persoonsgegevens zijn in de zin van de Wbp en dat deze gegevens worden behandeld met inachtneming van wat in deze wet en de Wet SUWI is bepaald;

– dat de door UWV verstrekte gegevens uitsluitend voor het doel bestemd zijn waarvoor ze zijn overgedragen;

– dat het re-integratiebedrijf alle informatie over klanten die het UWV overdraagt ten behoeve van de uitvoering van het afgesloten contract geheim houdt en dat het zorg draagt dat deze informatie niet aan derden bekend wordt;

– dat het verantwoordelijk is dat deze geheimhoudingsplicht door het personeel wordt nagekomen;

– dat het re-integratiebedrijf bij beëindiging van de met UWV gesloten overeenkomst alle tot de persoon van de klant te herleiden gegevens, data en/of resultaten 2 jaar na beëindiging van de dienstverlening aan de klant verwijdert. De gegevens die noodzakelijk zijn voor de wettelijke bewaarplicht dienen tien jaar bewaard te blijven.

– De wijze waarop het re-integratiebedrijf de klant ervan op de hoogte stelt dat het beschikt over een privacyreglement en op welke wijze de klant kennis kan nemen van de inhoud daarvan.

UWV zal na afsluiten van de Mantelovereenkomst monitoren of het re-integratiebedrijf de hiervoor vermelde privacyaspecten naleeft. Komt het re-integratiebedrijf deze privacyaspecten niet na, dan kan UWV zonder enige aanmaning of ingebrekestelling de Mantelovereenkomst ontbinden. UWV stelt het re-integratiebedrijf door middel van een aangetekend schrijven hiervan in kennis.

2.2.3. Klachtenmanagementsysteem of -⁠procedure

Het re-integratiebedrijf is een belangrijke schakel in het re-integratieproces van de klant. UWV hecht er aan dat het re-integratiebedrijf met de klanten op een correcte manier omgaat. Het re-integratiebedrijf dient daarom te beschikken over een klachtenmanagementsysteem of -procedure.

Het re-integratiebedrijf dient zich te conformeren en te houden aan de volgende aspecten met betrekking tot het klachtenmanagement:

– De indiener van de klacht krijgt binnen twee weken bericht van ontvangst van de klacht;

– Indien een klacht niet in behandeling wordt genomen, wordt de indiener van de klacht uiterlijk binnen vier weken na ontvangstdatum hiervan op de hoogte gesteld.

– Een klacht dient binnen zes weken na de ontvangstdatum te zijn afgehandeld.

– De klacht moet worden behandeld door een onafhankelijke medewerker, die zelf niet bij de klacht betrokken is.

– Het bestaan van het klachtenmanagementsysteem wordt aantoonbaar bekend gemaakt aan de klant en aan de (eigen) medewerkers.

– De organisatie dient in staat te zijn om inzicht te geven in de achtergronden, doorlooptijden en uitkomsten van de behandelde klachten.

– Het re-integratiebedrijf dient ten aanzien van bij hem aangemelde UWV-klanten, te allen tijde, doch minimaal eens per kwartaal, te (kunnen) rapporteren over:

• Het totale aantal ingediende klachten;

• Het aantal ingediende klachten, dat niet in behandeling is genomen

• Het aantal ingediende klachten dat niet in behandeling is genomen en binnen de termijn is afgehandeld.

• Het aantal ingediende klachten dat in behandeling is genomen.

• Het aantal ingediende klachten dat in behandeling is genomen en binnen de termijn is afgehandeld.

UWV zal na afsluiten van de Mantelovereenkomst monitoren of het bedrijf de hiervoor vermelde aspecten m.b.t. het klachtenmanagement naleeft.

2.2.4. Onderaanneming

Het bedrijf is gerechtigd om het traject of delen van het traject in onderaanneming te laten uitvoeren. Het bedrijf is als hoofdaannemer te allen tijde verantwoordelijk voor de uitvoering van het traject en het resultaat daarvan.

De hoofdaannemer is tevens verantwoordelijk voor het correct en rechtmatig uitvoeren van de in het re-integratietraject opgenomen activiteiten en resultaten.

UWV spreekt de hoofdaannemer gedurende de gehele contractperiode aan op de status van de cliënt. UWV rekent de hoofdaannemer af op het resultaat van het contract.

De hoofdaannemer maakt inzichtelijk met welke rechtspersonen in onderaanneming wordt gewerkt. Mocht de hoofdaannemer gedurende de looptijd van de afgesloten Mantelovereenkomst met een nieuwe partner gaan samenwerken, dan maakt hij hiervan melding.

De hoofdaannemer overlegt een bewijs van inschrijving in het beroeps-/handelsregister van zijn samenwerkingspartner(s).

2.2.5. Klanttevredenheidsonderzoek

UWV hecht grote waarde aan de tevredenheid van cliënten. De in te kopen dienstverlening dient maatwerk te bieden aan de cliënt. Om deze reden worden bedrijven getoetst op basis van de waardering die door cliënten aan het bedrijf wordt gegeven. UWV sluit hierbij aan bij de resultaten van het tevredenheidsonderzoek dat de Stichting Blik op Werk uitvoert. De klanttevredenheid meet de ervaringen met en tevredenheid over de dienstverlening vanuit cliëntperspectief.

De uitkomst van het onderzoek publiceert de Stichting Blik op Werk op zijn site en is via de Keuzegids te benaderen. De Stichting Blik op Werk meet de klanttevredenheid periodiek.

2.2.5.1. Verplichting tot deelname aan klanttevredenheidsonderzoek Stichting Blik op Werk

Naar analogie aan de cyclus zoals deze binnen het Keurmerk gehanteerd wordt, is deelname aan het tevredenheidsonderzoek verplicht voor alle bedrijven waarmee UWV een Mantelovereenkomst sluit. Conform de genoemde cyclus, dient vervolgens eens per twee jaar medewerking te worden verleend aan het tevredenheidsonderzoek.

De kosten van deelname zijn voor rekening van het deelnemende bedrijf en bedragen ongeveer € 800,–1 per uitgevoerd tevredenheidsonderzoek. Deze verplichting geldt niet voor een bedrijf dat door de Stichting Blik op Werk is ontheven van deelname aan het tevredenheidsonderzoek omdat het bedrijf dit in eigen beheer uitvoert. Dit bedrijf dient bij aanmelding een kopie van deze ontheffing mee te zenden.

Voor bedrijven die zich in 2009 en latere jaren bij UWV nieuw aanmelden voor het uitvoeren van IRO’s geldt dat zij in het jaar van aanmelding verplicht zijn om deel te nemen aan het Tevredenheidsonderzoek. Na dat jaar gaat ook voor deze bedrijven de cyclus van deelname eens in de twee jaar in.

2.2.5.2. Bedrijven die in 2006 hebben meegewerkt aan het tevredenheidsonderzoek van Stichting Blik op Werk

UWV sluit een Mantelovereenkomst met bedrijven die al verplicht meewerken aan het klanttevredenheidsonderzoek van de Stichting Blik op Werk én die op klanttevredenheid bij de laatste gepubliceerde cijfers minimaal een 6,0 hebben gescoord. Als startmoment voor de gemeten klanttevredenheid wordt deelname aan en de behaalde resultaten met het Tevredenheidsonderzoek 2007 gehanteerd.

De eis m.b.t. een behaalde score van minimaal een 6,0 geldt ook voor bedrijven die, met toestemming van de Stichting Blik op Werk, een tevredenheidsonderzoek in eigen beheer hebben uitgevoerd én waarvan de cijfers gepubliceerd zijn op de website van Blik op Werk.

Deze eis geldt niet voor:

– bedrijven aan wie (éénmalig) vrijstelling is verleend van publicatie van de tevredenheidscijfers. Een kopie van deze vrijstelling dient te worden bijgevoegd.

– bedrijven, waarvoor geldt dat het door omstandigheden, gelegen buiten de schuld van het bedrijf, niet mogelijk is gebleken om tot een publicabel rapportcijfer te komen.

UWV behoudt zich het recht voor om indien hiertoe aanleiding is, de minimaal te behalen score op het tevredenheidsonderzoek te verhogen. Te denken valt bijv. aan ontwikkelingen m.b.t. het verhogen van de score a.g.v. een besluit van het Bestuur van de Stichting Blik op Werk. Indien aan de orde, dan zal UWV dit tijdig kenbaar maken op www.uwv.nl/zakelijk/re-integratiedienstverlening.

2.2.5.3. Bedrijven die in gebreke zijn gebleven in relatie tot hun verplichting tot deelname aan het tevredenheidsonderzoek 2007 van Stichting Blik op Werk

UWV sluit bedrijven van een Mantelovereenkomst uit die – a.g.v. een eerder met UWV gesloten contract – verplicht waren mee te werken aan het laatst gehouden tevredenheidsonderzoek Blik op Werk, maar zich niet aan deze verplichting hebben gehouden.

Deze bedrijven zijn er begin januari 2008 schriftelijk van op de hoogte gesteld dat zij in het kalenderjaar 2008 geen nieuwe IRO’s mogen uitvoeren. Vanaf 2009 kunnen deze bedrijven zich weer aanmelden voor het uitvoeren van IRO’s. Door middel van een audit zal vervolgens beoordeeld worden of deze bedrijven voldoen aan de vereisten van het dan geldende Beoordelingskader IRO.

2.2.5.4. Bedrijven die nog géén verplichting hebben tot deelname aan tevredenheidsonderzoek Stichting Blik op Werk

Voor bedrijven op welke – als gevolg van in het verleden afgesloten overeenkomsten met UWV – nog geen (contractuele) verplichting rust tot deelname aan het tevredenheidsonderzoek Blik op Werk, geldt dat de onder 2.2.5.2. genoemde eis niet van toepassing is. UWV zal de resultaten tijdens de Mantelovereenkomst monitoren en deze bedrijven in de toekomst hierop afrekenen. Voldoet een bedrijf niet aan zijn verplichting tot deelname aan het klanttevredenheidsonderzoek dan wel voldoet het niet aan het minimaal te behalen cijfer, dan beëindigt UWV de Mantelovereenkomst.

2.2.6. Aantoonbare resultaten

2.2.6.1 Aantal geplaatste cliënten

Doel van de IRO is om de cliënt zo snel mogelijk aan het werk te helpen. De Mantelovereenkomst IRO wordt alleen voortgezet als het bedrijf voldoende cliënten aan het werk helpt.

Hiervoor heeft UWV de volgende normen vastgesteld, waarbij aansluiting is gezocht bij de normen die in het kader van het keurmerk van stichting Blik op Werk worden gehanteerd.

1. Een bedrijf voldoet aan de norm als 20% van de beëindigde trajecten van cliënten die tot de populatie zeer moeilijk plaatsbaar behoren heeft geleid tot een plaatsing;

en/of

2. Een bedrijf voldoet aan de norm als 50% van de beëindigde trajecten van overige cliënten heeft geleid tot een plaatsing.

Deze eis gaat in op 1 april 2009.

2.2.6.2. Beschikbaar te stellen organisatie

Het bedrijf dient bij het aangaan van de Mantelovereenkomst bekwaam personeel beschikbaar te stellen. Deze medewerkers zijn in staat om goede en kwalitatief hoogwaardige dienstverlening te leveren. Het bedrijf dient om deze reden inzicht te geven in de (vak)bekwaamheid van de medewerkers die de dienstverlening verzorgen. Het gaat daarbij om de volgende gegevens:

– de naam van de medewerker(s);

– de gevolgde opleiding;

– de onderbouwing waarom de gevolgde opleiding relevant is voor het uitvoeren van de dienstverlening van de opdracht waarop het zich inschrijft;

– het aantal jaren dat de medewerker(s) in een soortgelijke functie werkzaam is(zijn) geweest.

2.2.7. Vacatureverwerving/kennis regionale arbeidsmarkt

UWV verplicht het re-integratiebedrijf om de cliënt – die naar loondienst wordt re-integreerd – voldoende op hem/haar afgestemde vacatures aan te bieden. Het bedrijf beschikt daartoe over een aantoonbaar en actief werkgeversnetwerk en maakt daar onderdeel van uit. Het bedrijf moet in staat zijn om aan te tonen hoe vacatures worden geworven en aan de cliënt worden aangeboden.

Deze bepaling is niet van toepassing als het re-integratiebedrijf aantoonbaar gespecialiseerd is in het re-integreren van cliënten naar zelfstandige arbeid.

UWV hecht een groot belang aan een gedegen kennis van de regionale en lokale arbeidsmarkt en aan een ruime diversiteit aan werkplekken. De werkplek dient zo goed mogelijk aan te sluiten op de mogelijkheden van de cliënt. Het bedrijf dient daarom inzicht te geven op welke wijze hij kan voldoen aan het eindresultaat, de plaatsing van de cliënt in arbeid.

Om deze reden is het bedrijf verplicht een opgave te doen van het netwerk van bedrijven en sectoren in de regio waarbinnen het bedrijf de werkzaamheden uitvoert. Daarbij geeft het inzicht in welke soorten functies en binnen welke branches het (gesubsidieerde) werkplekken aanbiedt.

Het bedrijf doet een opgave van ten minste vijf actieve netwerkcontacten.

Deze opgave bevat de volgende informatie:

– de aard en inhoud van het contact;

– de concrete plaatsingsmogelijkheden die dit contact oplevert (aantal, soort functies, branche);

– of hier al cliënten door het bedrijf zijn geplaatst, zo ja om hoeveel cliënten gaat het en om welke soorten functies;

– de te verwachte concrete plaatsingsmogelijkheden binnen één jaar vanaf datum afsluiten van de Mantelovereenkomst (aantal, soort functies);

– de naam van een contactpersoon van het netwerkcontact inclusief en telefoonnummer ter verificatie.

2.2.8. Financieel-economische draagkracht

Bij de beoordeling van de bedrijfseconomische stabiliteit gaat het om de vraag of het UWV het vertrouwen heeft dat het bedrijf de kwaliteit van de dienstverlening tot en met datum einde van de Mantelovereenkomst kan borgen.

Om dit inzicht in te verkrijgen dient het bedrijf de volgende gegevens te leveren:

2.2.8.1. het bedrijf dient te beschikken over een adequate aansprakelijkheidsverzekering

Bij een adequate aansprakelijkheidsverzekering gaat het er om dat het bedrijf verzekerd is voor de aansprakelijkheid voor zaak- en personenschade door een verkeerde (be)handeling, een nalaten of een beroepsfout.

Het bedrijf dient een kopie van de polis en polisvoorwaarden te overleggen. Hieruit dient nadrukkelijk te blijken dat het bedrijf verzekerd is tegen beroepsrisico’s bij het uitoefenen van taken in het kader van (re)-integratie activiteiten. Dit minimaal tot een bedrag van € 1.000.000, – per jaar. Het bedrijf dient daarbij de betreffende passages in de relevante paragrafen in de polis te markeren.

2.2.8.2. Concernverklaring

Maakt het bedrijf onderdeel uit van een concern, dan geeft de moedermaatschappij een concernverklaring af. Er is sprake van een concern indien bij de Kamer van Koophandel een ander bedrijf (bijvoorbeeld een holding) staat aangeven als eigenaar. Indien meerdere bedrijven een aanmerkelijk belang hebben in het bedrijf dat inschrijft, dienen al deze bedrijven een concernverklaring af te geven.

Met de concernverklaring geeft de moedermaatschappij aan de verplichtingen voortvloeiend uit het opdracht waarop wordt ingeschreven, te zullen overnemen indien de dochter in gebreke blijft.

Deelnemende partijen voor welke een concernverklaring is afgegeven moeten de financiële gegevens van de moedermaatschappij(en) aanleveren.

2.2.8.3.Minimale omzeteis

Als bewijs van voldoende financieel economische draagkracht moet het bedrijf aantonen dat het over het meest recent verstreken boekjaar gemiddeld genomen een totale omzet van € 20.000,– heeft behaald met het uitvoeren van re-integratietrajecten.

Dat het bedrijf aan de hiervoor gestelde eis voldoet, dient te worden aangetoond door een daartoe strekkende, schriftelijke en ondertekende verklaring van een accountant. In deze verklaring moet expliciet worden vermeld dat de gevraagde omzet is behaald. UWV heeft het recht om van het bedrijf te verlangen dat de verklaring met de onderliggende financiële gegevens wordt toegelicht.

Desgewenst kan het bedrijf in plaats van het overleggen van een separate accountantsverklaring ook volstaan met het overleggen van de door de accountant goedgekeurde jaarstukken over het gevraagde boekjaar. In dat geval dient de omzet duidelijk uit die jaarstukken te blijken.

2.2.8.4 Nieuwe bedrijven

Een bedrijf dat – in verband met het feit dat het nog kort bestaat – niet kan voldoen aan de minimale omzeteis, kan een bankgarantie overleggen. Met deze bankgarantie verklaart het bedrijf te voldoen aan de minimale omzeteis. Indien aan de orde dan dient het bedrijf contact op te nemen met UWV.

3. Het Re-integratieplan

1. De cliënt dient, daarbij eventueel ondersteund door het bedrijf of een arbeidsadviseur, een re-integratieplan op te stellen. UWV heeft een format voor dit re-integratieplan ontwikkeld welke verplicht gebruikt moet worden. Dit format voor het re-integratieplan is te downloaden vanaf www.uwv.nl. Het re-integratieplan moet volledig zijn naar uit te voeren activiteiten en daarmee gepaard gaande kosten. In het re-integratieplan mogen geen open posten opgenomen worden die later ingevuld worden.

2. De cliënt moet er mee instemmen dat het re-integratieplan aan UWV wordt voorgelegd. Het re-integratieplan vormt een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking. Deze beschikking en de Melding beschikking aan het bedrijf vormen de documenten waarin de afspraken tussen cliënt, bedrijf en UWV zijn vastgelegd.

3. Het re-integratieplan moet samen met het aanvraagformulier IRO zijn ingediend binnen 35 kalenderdagen nadat de cliënt aan UWV heeft meegedeeld voor een Individuele Re-integratieovereenkomst in aanmerking te willen komen. Indien de cliënt niet in staat is om binnen deze termijn een re-integratieplan in te dienen, kan de cliënt om verlenging van de termijn verzoeken. De termijn van verlenging bedraagt maximaal 21 kalenderdagen. Als het re-integratieplan te laat wordt ingediend, wordt de aanvraag om een IRO afgewezen.

4. Wijze van betaling

1. Op grond van artikel 4.2 derde lid van het Besluit-Suwi dient UWV het maximale bedrag voor uitvoering van een IRO vast te stellen. Dit bedrag is door UWV vastgesteld op € 5.000 exclusief BTW. De eventuele kosten van scholing zijn van dit bedrag uitgezonderd aangezien een scholing door de scholingsmakelaar wordt ingekocht en betaald. Dit laat onverlet dat UWV, ook als het maximumbedrag niet wordt overschreden, steeds zal toetsen of de voorgestelde re-integratieactiviteiten de slimste weg naar werk vormen. Het bedrijf dient daartoe een gespecificeerde offerte in te dienen.

2. Indien wordt aangetoond dat een hoger bedrag noodzakelijk is om de cliënt te re-integreren, bijvoorbeeld omdat de cliënt behoort tot de groep ‘zeer moeilijk plaatsbaren’ kan de cliënt UWV verzoeken om een hoger bedrag beschikbaar te stellen voor uitvoering van de IRO. In het re-integratieplan dient gemotiveerd te worden waarom een hoger bedrag noodzakelijk is.

5. Scholing

Scholing wordt alleen door UWV vergoed als de scholing noodzakelijk is voor de cliënt om weer aan het werk te komen. Indien op basis van het scholingsprotocol is vastgesteld dat scholing noodzakelijk is, dan dient de scholing via de scholingsmakelaar ingekocht worden. De aanmelding bij de scholingsmakelaar wordt door UWV gedaan. Ook de betaling en facturatie van de scholing verloopt via de scholingsmakelaar en niet via het bedrijf. Voor meer informatie over het scholingsprotocol en de scholingsmakelaar zie www.uwv.nl.

6. De Mantelovereenkomst

Als de cliënt voor een IRO in aanmerking komt, sluit UWV een Mantelovereenkomst met het bedrijf (of heeft deze reeds eerder gesloten). De Mantelovereenkomst bevat de juridische basis voor de afspraken tussen het bedrijf en UWV.

Naast het bepaalde in artikel 4.1 Besluit-Suwi worden in de Mantelovereenkomst in ieder geval onderstaande aspecten geregeld.

1. Het bedrijf dient gegevens te overleggen aan UWV op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de dienstbetrekking is aangegaan voor ten minste zes maanden of de cliënt arbeid heeft verricht en met die arbeid gedurende ten minste zes maanden inkomsten heeft verworven.

2. Het bedrijf dient, gelijktijdig met het indienen van een factuur, te rapporteren over de voortgang van het re-integratietraject. Zie voor de factuur- en rapportagemomenten Bijlage A bij het Beoordelingskader. In de rapportage is een beschrijving opgenomen van de werkzaamheden die zijn verricht ten behoeve van de inschakeling in het arbeidsproces van de cliënt. Bij het einde van het traject zonder dat een plaatsing is gerealiseerd moet een eindrapportage worden geleverd aan UWV. Deze eindrapportage dient minimaal de navolgende elementen te bevatten:

a. De reden waarom het traject niet tot een werkhervatting heeft geleid;

b. De houding van de cliënt;

c. Een advies op welke wijze verder te gaan.

1°. In de voortgangsrapportage wordt een prognose voor de resterende periode van het traject beschreven en wordt verantwoording afgelegd over de voortgang van het traject tot op dat moment en ten opzichte van de planning in het re-integratieplan.

2°. De rapportages over de voortgang van het traject moeten door zowel het re-integratie-bedrijf als de cliënt worden ondertekend.

3°. Het bedrijf heeft een verantwoordings- en informatieplicht ten aanzien van feiten en omstandigheden die mogelijk kunnen leiden tot sanctionering. Voor de melding van dergelijke gedragingen dient het bedrijf het formulier handhaving te gebruiken.

4°. Dat de IRO door beide partijen slechts wegens gewichtige redenen tussentijds door opzegging kan worden beëindigd.

5°. De Mantelovereenkomst wordt in principe voor onbepaalde tijd aangegaan. Minimaal eens per jaar vindt toetsing plaats via een audit. Mocht de uitkomst van de audit zijn dat een bedrijf niet voldoet aan de voorwaarden zoals neergelegd in dit beoordelingskader en/of de kwaliteit van de geleverde dienstverlening door UWV als voldoende wordt beschouwd, behoudt UWV zich het recht voor om de overeenkomst éénzijdig te ontbinden.

1

Dit is het kostenniveau 2007

Bijlage A van het Beoordelingskader Individuele Re-integratieovereenkomst 2008

Rapportage- en factuurmomenten

Op te leveren informatie

Soort moment

Oplevering re-integratieplan = factuurmoment

Zie inhoud van het standaard re-integratieplan.

vast

Voortgangsrapportage op 6 maanden na akkoord re-integratieplan = factuurmoment

Een door de cliënt ondertekende voortgangsrapportage waarin de prognose voor de resterende periode van het traject aan de orde wordt gesteld, alsmede verantwoording wordt afgelegd over de voortgang van het traject tot op dat moment t.o.v. de planning in het re-integratieplan.

vast

Vermoedelijke datum werkhervatting

Heeft de cliënt op de vermoedelijke datum van werkhervatting het werk niet hervat zoals aangegeven in het re-integratieplan, dan dient het bedrijf met een door de cliënt ondertekende rapportage inzicht te geven in de reden hiervan en welke perspectieven en vervolgstappen er worden gezet om het werk te hervatten.

incidenteel

Einde traject zonder plaatsing = factuurmoment

Wordt het traject zonder dat de cliënt het werk hervat (tussentijds) beëindigd, dan dient het bedrijf – direct bij tussentijdse beëindiging en uiterlijk op einddatum van de maximale trajectduur – een gemotiveerde eindrapportage op te leveren die door de cliënt ondertekend is. In de rapportage dient onder meer naar voren te komen:

incidenteel

 

– de reden waarom het traject niet tot werkhervatting heeft geleid;

 
 

– de houding van de cliënt;

 
 

– een advies op welke wijze verder te gaan.

 

2 maanden na datum werkhervatting in een dienstverband van tenminste 6 maanden = factuurmoment

De plaatsing wordt geteld. Het bedrijf dient op dit moment de volgende documenten te overleggen:

– een door werkgever en werknemer (cliënt) getekende arbeidsovereenkomst voor ten minste 6 maanden of langer of een hiermee gelijkgestelde verklaring zoals is opgenomen onder Bewijslast plaatsingen

vast

 

– een door werkgever en cliënt getekende verklaring dat de cliënt na ommekomst van de overeengekomen proeftijd nog bij werkgever in dienst is en dat feitelijk 2 maanden is gewerkt.

 

Na ommekomst van 6 maanden indien gewerkt is overeenkomstig de plaatsingsdefinitie in uitzendwerk, kortdurende arbeid/zelfstandige = factuurmoment

De plaatsing wordt geteld. Het bedrijf dient op dit moment de volgende documenten te overleggen:

– door opdrachtgever(s) en cliënt getekende verklaring waaruit blijkt dat de cliënt voor ten minste 6 maanden arbeid heeft verricht die in omvang voldoet aan het gestelde onder Bewijslast plaatsingen

vast

Cliënt werkt tijdens het re-integratietraject niet (voldoende) mee

Het bedrijf overlegt een schriftelijke rapportage conform het UWV-meldingsformulier.

incidenteel

Toelichting op het Beoordelingskader Individuele Re-integratieovereenkomst UWV 2008

Algemene voorwaarden

In dit deel van het beoordelingskader is vermeld wie voor de IRO in aanmerking komt. Dit is in principe de cliënt die een uitkering ontvangt van UWV.

De cliënt moet een afstand tot de arbeidsmarkt hebben en daardoor zijn aangewezen op ondersteuning door inzet van re-integratieinstrumenten. Cliënten die geen of een geringe afstand tot de arbeidsmarkt hebben komen in principe niet voor een IRO in aanmerking.

De cliënt moet uitzicht hebben op reguliere betaalde arbeid. Indien geen uitzicht bestaat op reguliere betaalde arbeid moet gekeken worden of andere instrumenten ingezet kunnen worden.

De cliënt moet ook onder de re-integratieverantwoordelijkheid vallen van UWV. Een werknemer die onder de re-integratieverantwoordelijkheid van de werkgever valt komt niet voor een IRO in aanmerking. Dit is het geval bij ziekte gedurende de eerste twee jaar en als de werkgever eigen risicodrager is.

Als een cliënt door UWV al bij een bedrijf is gemeld voor ondersteuning bij re-integratie, kan de cliënt niet meer in aanmerking komen voor een IRO.

Beoordeling bedrijf

Elk bedrijf dat een IRO voor een cliënt wil afsluiten moet aan een aantal voorwaarden voldoen. De voorwaarden bestaan enerzijds uit een aantal uitsluitingsgronden. Anderzijds wordt een aantal entree-eisen gesteld.

Ten aanzien van de uitsluitingsgronden zal in eerste instantie een verklaring worden gevraagd van het bedrijf dat de uitsluitingsgronden niet van toepassing zijn. UWV kan echter om nadere verklaring en onderbouwing vragen. Mocht blijken dat een bedrijf bewust een onjuiste verklaring heeft gegeven dan wordt het bedrijf uitgesloten van uitvoering van de IRO.

De verklaring is opgenomen op de achterzijde van het aanvraagformulier IRO. Het aanvraag-formulier IRO moet door de cliënt en bedrijf worden ingevuld. Het bedrijf moet aangeven of al eerder getoetst is of het bedrijf de IRO mag uitvoeren. Als dat niet het geval is, moet het bedrijf de verklaring op de achterzijde van formulier invullen. Na ontvangst van de aanvraag wordt het re-integratieplan beoordeeld en als dit akkoord is, mag het bedrijf starten met de uitvoering van de IRO. Ondertussen start UWV met de uitvoering van een audit om vast te stellen of het bedrijf ook voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. Het bedrijf wordt hiervoor benaderd door UWV.

Als blijkt dat het bedrijf ook voldoet aan alle entree-eisen krijgt het bedrijf hiervan schriftelijk bericht. Daarnaast wordt met het bedrijf een Mantelovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst is de juridische basis voor de samenwerking tussen het bedrijf en UWV. De overeenkomst heeft in principe een onbeperkte duur, maar elk jaar wordt getoetst of het bedrijf nog steeds aan alle voorwaarden voldoet.

De aanvraag IRO/het re-integratieplan

Indienen aanvraag

De cliënt moet de aanvraag met het re-integratieplan binnen 35 kalenderdagen indienen, nadat de cliënt aan UWV heeft meegedeeld dat hij voor een IRO in aanmerking wil komen. Als deze termijn te kort is om de aanvraag in te dienen, bijvoorbeeld omdat het opstellen van het re-integratieplan meer tijd vergt, kan de cliënt een verzoek om verlenging indienen. De aanvraagtermijn kan met maximaal 21 kalenderdagen worden verlengd. Als direct al duidelijk is dat de aanvraagtermijn van 35 kalenderdagen te kort is, kan direct om verlenging worden verzocht.

Het re-integratieplan

Het re-integratieplan moet aan een aantal voorwaarden voldoen, zodat UWV het re-integratieplan goed kan toetsen. Het UWV heeft hiervoor een format ontwikkeld welke verplicht gebruikt moet worden om het plan bij UWV in te dienen. Het format re-integratieplan is te vinden op de website van UWV www.uwv.nl.

Op basis van het re-integratieplan beoordeeld UWV de aanvraag voor een IRO. Beoordeeld wordt welke vorm van re-integratiedienstverlening aangewezen is en daarnaast of de in het re-integratieplan voorgestelde dienstverlening ook noodzakelijk is.

Voordat een aanvraag voor een IRO wordt ingediend is het verstandig dat de cliënt eerst met de re-integratiecoach van UWV overlegt of een IRO wel het voor de hand liggende re-integratie-instrument is, dan wel dat er andere mogelijkheden zijn.

Assessment

Het kan gebeuren dat eerst een bepaalde vorm van assessment nodig is alvorens de cliënt het re-integratieplan kan opstellen. Ook dit assessment kan door middel van de IRO worden vergoed. De cliënt kan het assessment ook bij een ander bedrijf laten uitvoeren. Dat re-integratiebedrijf dient dan als onderaannemer van het bedrijf dat het traject gaat uitvoeren op te treden. Het assessment dient in het re-integratieplan te worden vermeld, zodat ook vergoeding van de kosten van het assessment mogelijk is. Dat betekent dat de kosten van het assessment onderdeel moeten uitmaken van de totale kosten van het traject. Als alleen een assessment wordt uitgevoerd en geen re-integratieplan wordt opgesteld, worden de kosten van het assessment niet door UWV vergoed.

Het kan zijn dat de cliënt alleen aan het traject kan deelnemen nadat bepaalde voorzieningen zijn getroffen. In dat geval dient gelijktijdig met de aanvraag om een IRO, ook een aanvraag voor de voorziening te worden ingediend.

Scholing

Voordat scholing ingezet kan worden, dient eerst op basis van het scholingsprotocol te worden getoetst of de scholing ook noodzakelijk is voor cliënt om weer aan het werk te komen. Voor meer informatie over het scholingsprotocol, zie www.uwv.nl. Als scholing noodzakelijk is, kan dit door de scholingsmakelaar worden ingekocht; ook de betaling van de scholing verloopt via de scholingsmakelaar.

Duur van de IRO

De inzet van re-integratieinstrumenten is er op gericht om cliënten zo snel mogelijk aan het werk te helpen. De duur van een IRO moet dan ook zo kort mogelijk zijn. Bij de beoordeling van het re-integratieplan wordt dit ook getoetst. De maximale duur van een traject is twee jaar, maar dit is voorbehouden voor cliënten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

Wijziging re-integratieplan

Nadat het re-integratietraject is gestart kan het voorkomen dat geconstateerd wordt dat het re-integratieplan gewijzigd moet worden. Als de wijziging niet leidt tot een verhoging van de kosten dient de wijziging in de voortgangsrapportage gemeld te worden. Als de wijziging wel tot een verhoging van de kosten leidt, dient een aanvullende aanvraag ingediend te worden. Wordt in afwijking van het re-integratieplan bijvoorbeeld alsnog scholing ingezet, dan dient dit ook gemeld te worden omdat dit gevolgen voor de uitkering kan hebben.

De wijze van betalen

De kosten van het individuele re-integratietraject worden tot een bedrag van maximaal € 5.000 exclusief BTW vergoed. Als wordt aangetoond dat dit bedrag onvoldoende is om aan het werk te komen, kan de cliënt voor een hoger bedrag in aanmerking komen. Inkoop en facturering van scholing verloopt via de scholingsmakelaar en vallen dus buiten het maximumbedrag van € 5.000. Kosten van eventuele (vaardigheids)trainingen die niet als scholing zijn aan te merken maken deel uit van het re-integratietraject en dienen uit het maximale bedrag van € 5.000 vergoed te worden.

Bedrijven dienen, ook als zij binnen het maximum van € 5.000 blijven, een gespecificeerde factuur in te dienen. De kosten van de IRO moeten per dienst/product worden gespecificeerd.

De kosten zijn inclusief de reiskosten van de cliënt. Het bedrijf vergoedt de volledige reiskosten aan de cliënt op basis van kosten openbaar vervoer (2e klas).

De reiskosten worden door het bedrijf rechtstreeks aan de cliënt vergoed. Uitsluitend in het geval er sprake is van een medische indicatie voor vervoer per (rolstoel) taxi, dan dient het bedrijf contact op te nemen met de re-integratiecoach van UWV. Deze kosten worden – indien aangewezen – niet uit de trajectkosten betaald.

De betaling van de kosten aan het bedrijf vindt plaats op basis van zogenaamde resultaatfinanciering. Dit houdt in dat 50% van de kosten van het traject worden vergoed op basis van inspanning en 50% op basis van resultaat. Als de cliënt op basis van het protocol ‘zeer moeilijk plaatsbaren’ als zeer moeilijk plaatsbaar wordt aangemerkt geldt een resultaatfinanciering in de verhouding 80/20.

Bewijslast plaatsingen

Als bewijs dat voldaan is aan een plaatsing overlegd het bedrijf op het moment waarop de plaatsing geteld kan worden:

– Voor plaatsing op een arbeidsovereenkomst voor ten minste 6 maanden:

• een door werkgever en werknemer (cliënt) getekende verklaring waaruit zowel de omvang als de duur van het dienstverband is af te leiden én

• dat de cliënt na ommekomst van de overeengekomen proeftijd nog bij werkgever in dienst is én

• dat door de cliënt feitelijk 2 maanden is gewerkt.

– Voor plaatsingen als zelfstandige, uitzendwerk of kortdurende arbeid:

• Eén of meerdere getekende verklaringen door opdrachtgever(s) én cliënt waaruit blijkt dat de cliënt voor ten minste 6 maanden arbeid heeft verricht die in omvang voldoet aan het aantal uren zoals opgenomen in de plaatsingsdefinitie voor de werkzoekende met een arbeidshandicap of de ontslagwerkloze.

In het geval het bedrijf niet in staat blijkt aan de bewijslast te voldoen, dan is het mogelijk om in overleg met UWV andere documenten te overleggen waaruit de plaatsing valt af te leiden. Hiertoe behoort het overleggen van:

– minimaal twee loonstroken indien het om een plaatsing op een arbeidsovereenkomst voor ten minste 6 maanden gaat;

– loonstroken over de periode waarin is gewerkt voor plaatsingen als zelfstandige, uitzendwerk of kortdurende arbeid;

óf

– indien voorgaande bewijsstukken evenmin zijn te overleggen, dan dient uit de plaatsingrapportage de plaatsing te blijken door het opnemen van relevante gegevens over de werkhervatting. ( Zoals de vermelding van de naam van de werkgever; de ingangsdatum van het dienstverband; het aantal uren dat gewerkt wordt evenals de duur dienstverband).

Het bedrijf kan de plaatsing als resultaat (in zijn systeem) registreren als UWV een plaatsingsbrief heeft verstuurd. UWV stuurt de plaatsingsbrief veelal binnen vijf kalenderdagen na ontvangst van de gegevens van het bedrijf. In deze brief bevestigt UWV de plaatsing.

Wordt de plaatsing (nog) niet geaccepteerd, dan ontvangt het bedrijf binnen 10 kalenderdagen hierover een brief. UWV neemt, voorafgaand aan verzending van deze brief, contact op met het bedrijf.

Toelichting

Voor de uitvoering van de Individuele Re-integratieovereenkomst (IRO) dient UWV een beoordelingskader op te stellen. Met het Besluit beoordelingskader individuele re-integratieovereenkomst worden de voorwaarden vastgelegd waaronder UWV een IRO toekent aan een cliënt.

In het beoordelingskader is een aantal voorwaarden opgenomen die getoetst moeten worden als een IRO wordt aangevraagd. Er gelden voorwaarden aan het re-integratiebedrijf. Er worden voorwaarden gesteld ten aanzien van de liquiditeit en solvabiliteit van het bedrijf en er geldt een aantal kwaliteitseisen. Deze eisen komen voor een deel overeen met de eisen die gesteld worden in het kader van het keurmerk Blik op Werk. Daarnaast wordt een aantal voorwaarden gesteld aan het re-integratieplan. Deze voorwaarden zijn in artikel 4.8 van de Regeling Suwi opgenomen en komen overeen met de reguliere eisen die UWV stelt aan re-integratieplannen.

Het in 2006 gepubliceerde Besluit beoordelingskader individuele reïntegratieovereenkomst (Stcrt. 2006, nr. 5) wordt vervangen door dit besluit. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het beoordelingskader 2006 zijn de aangescherpte eisen waar een re-integratiebedrijf aan moet voldoen.

J.M. Linthorst, Voorzitter Raad van bestuur UWV

Naar boven