Vaststelling selectielijst neerslag handelingen Minister van Justitie beleidsterrein zorg voor de rechtspleging 1945–2002

28 februari 2008

Nr. C/S&A/08/359

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de Minister van Justitie,

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 januari 2008, bca-2008.04316/1);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister Justitie en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein zorg voor de rechtspleging over de periode 1945–2002’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Den Haag, 28 februari 2008.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de wnd. algemene rijksarchivaris, Paul Brood.De Minister van Justitie,
namens deze:
De projectdirecteurProject Wegwerken Archiefachterstanden PWAA, de heer A. van der Kooij.

BASISSELECTIEDOCUMENT Zorg voor Rechtspleging 1945–

Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdrager

Minister van Justitie

Project Wegwerken Archief Achterstanden (PWAA)

Versie SDU

Lijst van afkortingen

Ab: Archiefbesluit 1995

ARA: Algemeen Rijksarchief

Ab 1995: Archiefbesluit 1995

AO: Administratieve Organisatie

Aw 1995: Archiefwet 1995

Awb: Algemene wet bestuursrecht

BSD: Basis-Selectiedocument

CRvB: Centrale Raad van Beroep

DIV: Documentaire Informatie Voorziening

EU: Europese Unie

KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap

OCW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OM: Openbaar Ministerie

PC DIN: Permanente Commissie Documentaire Informatieverzorging

PIOFAH: Personeel, Informatie, Organisatie, Financiën, Automatisering en Huisvesting

PIVOT: Project invoering verkorting overbrengingstermijn

RAD: Rijksarchiefdienst

RAIO: Rechterlijk ambtenaar in opleiding

RIO: Rapport institutioneel onderzoek

RO: Rechterlijke organisatie

RvC: Raad voor Cultuur

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

ZM: Zittende Magistratuur (rechtsprekende instanties)

Verantwoording

Inleiding

Voor u ligt het Basis Selectiedocument ‘Zorg voor de Rechtspleging’. Dit document bevat selectielijsten met handelingen op het (deel)beleidsterrein Rechtspleging. Onderhavig BSD geldt voor actoren die onder de zorg van de Minister van Justitie vallen. Dit zijn: de minister van Justitie, de rechterlijke organisatie (1945–2002) en de verschillende commissies of raden.

Onder de term ‘rechterlijke organisatie’ vallen de afzonderlijke rechterlijke lichamen, zoals bijvoorbeeld gerechtshoven, arrondissementsrechtbanken en kantongerechten. Omdat de rechterlijke organisaties vanaf 1 januari 2002 zelf de archiefzorg hebben voor hun bedrijfsvoering in plaats van de Minister van Justitie, staan in dit BSD alleen handelingen die specifiek betrekking hebben op de bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie in de periode 1945–2002.

Onder de term ‘commissie of raad’ vallen adviesgevende commissies en raden. In bijlage 4 van RIO Rechtspleging en rechtshulp. De datageschiedenis van handelingen en organisatie-eenheden van de justitiële ministeriële organisatie van de rechtspleging en rechtshulp, 1945–1992 is een overzicht te vinden van deze actoren.

Doel en Werking van het Basis Selectiedocument

Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.

Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (financieel beleid, bijvoorbeeld) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.

Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

Definitie van het beleidsterrein

De overheid stelt zich tot doel een rechtvaardige en onafhankelijke rechtspraak te garanderen, waarbij het de taak is van de bedrijfsvoering, d.w.z. de ondersteunende dienst, om de gerelateerde processen zo goed en efficiënt mogelijk te faciliteren.

Het beleidsterrein zorg voor de rechtspleging omvat hoofdzakelijk de handelingen van de Minister van Justitie betreffende de organisatie van de rechterlijke macht. Het betreft de bemoeienis van de Minister met in eerste instantie de organisatie van de rechterlijke macht, gericht op een doelmatig en doeltreffend functioneren van de rechtspleging. Ook het anticiperen op ontwikkelingen die invloed zullen hebben op de rechterlijke macht maakt onderdeel uit van het beleidsterrein van de Minister van Justitie. Het beleidsterrein omvat de taken van de Minister op het gebied van omvang van de rechterlijke macht, formatie en opleiding van het personeel, huisvesting en materiële voorzieningen, inrichting en ondersteuning bij de administratie, etc.

Tot 2002 was het Ministerie van Justitie verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de rechterlijke colleges en gemeenschappelijke landelijke diensten (voortaan: de rechtspraak). In het kader van de vernieuwing van de rechtspraak is de rechterlijke macht vanaf 1 januari 2002 zelf verantwoordelijk geworden voor hun bedrijfsvoering, waaronder ook de documentaire informatievoorziening. Daarnaast is ter ondersteuning van de rechtspraak de Raad voor de rechtspraak opgericht.

Afbakening van het beleidsterrein

Door de rechtspraak is er voor gekozen om afzonderlijke selectielijsten op te stellen voor de primaire (zaaksgebonden) taken met betrekking tot de rechtspleging, en de secundaire (niet-zaaksgebonden) ondersteunende werkzaamheden. De voorliggende lijst heeft alleen betrekking op de niet-zaaksgebonden taken. Het BSD Rechterlijke Macht bestrijkt de zaaksgebonden taken van de rechtspraak. Dit BSD wordt door de rechtspraak toegepast op de archiefbescheiden die zijn gevormd voor 2002. Voor de neerslag van zaaksgebonden taken vanaf 2002 is nog geen BSD beschikbaar.

Ook is besloten om voor de niet-zaaksgebonden taken geen gebruik te maken van de voor de Minister van Justitie vastgestelde BSD’s voor de PIOFAH-taken, maar eigen handelingen op te stellen die specifiek op de rechtspraak gericht zijn. In principe zijn dus geen PIOFAH-handelingen opgenomen. Als een werkproces niet of slechts gedeeltelijk onder een van de handelingen uit de hierboven genoemde ‘horizontale’ BSD’s valt, dan is hierop een uitzondering gemaakt. Zo is er bijvoorbeeld nadrukkelijk voor gekozen om het aanstellen van rechtsprekende leden wel in dit BSD op te nemen; het gaat hier duidelijk om een uitzonderlijke positie.

In dit BSD staan de handelingen die specifiek betrekking hebben op de bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie in de periode 1945–2002. Vanaf 1 januari 2002 dragen rechterlijke organisaties zelf de verantwoording voor hun bedrijfsvoering in plaats van de Minister van Justitie. Voor de rechterlijke colleges en de gemeenschappelijke landelijke diensten is vanaf die datum het BSD Zittende Magistratuur van kracht.

Bij de opzet van dit document is ervoor gekozen om het zo nauw mogelijk aan te laten sluiten op het BSD Zittende Magistratuur vanaf 2002. Dit geldt zowel voor de opmaak en indeling als voor de gekozen waarderingen.

Bij het opstellen van deze lijst is gekozen om niet alle afzonderlijke colleges te benoemen, maar deze onder de actor Rechterlijke Organisatie te laten vallen. Deze algemene term is inwisselbaar voor de afzonderlijke rechterlijke organisaties zoals gerechtshoven, arrondissementsrechtbanken, kantongerechten, kweekkamers, belastingkamers, ondernemingskamers, grondkamers, pachtkamers, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en andere rechterlijke lichamen. Op deze manier blijft het selectiedocument overzichtelijk en is het breed toepasbaar binnen alle rechterlijke organen. De actor Minister van Justitie moet nog ruimer worden opgevat en omvat alle taken waarvoor de minister zelf (eind)verantwoordelijk is.

Doelstellingen van de overheid op het beleidsterrein1

De oorsprong van de huidige Nederlandse rechterlijke instellingen ligt in het revolutionaire Frankrijk. Ook na beëindiging van de Franse overheersing (1813) bleven de ingevoerde Franse wetten en rechterlijke organisatie behouden. Het Algemeen Bestuur vaardigde wel op 1 december 1813 een besluit uit waarbij de namen van rechterlijke instellingen werden veranderd. Op 11 december vaardigde koning Willem I nog een besluit uit, waarbij gedeeltelijk werd teruggegrepen op de wetgeving van het Koninkrijk Holland (1806–1810).

De nieuwe rechterlijke organisatie werd net als de nationale wetboeken op 1 oktober 1838 ingevoerd. De Hoge Raad der Nederlanden stond als hof van cassatie aan het hoofd hiervan. Daaronder stonden de provinciale gerechtshoven, die waren belast met het berechten van zware misdrijven (misdaden) en met het in hoger beroep behandelen van vonnissen van de rechtbanken van eerste aanleg. De laatstgenoemde rechtbanken behandelden de minder zware misdrijven (wanbedrijven). Kantonrechtbanken behandelden overtredingen van elk soort in hun kanton. In 1876 werd het aantal gerechtshoven teruggebracht van elf naar vijf, waarbij hun provinciale karakter verloren ging. In 1886 werden deze hoven de taak tot het berechten van ernstige strafzaken ontnomen.

In de 19e en 20e kromp de rechterlijke organisatie geleidelijk. Het aantal gerechtshoven was gereduceerd tot vijf; van de 34 rechtbanken waren er in 1933 nog negentien over; in 2001 waren van de 220 kantongerechten nog maar 59 over. Het aantal raadsheren en rechters groeide echter. In de tweede helft van de 20e eeuw werd zware kritiek geuit op de verouderde organisatie van de rechterlijke macht. De Staatscommissie herziening rechterlijke organisatie werd in 1976 ingesteld. De plannen van de commissie om de taken van de verscheidene rechterlijke organisaties duidelijker te scheiden, werden in 1989 door de regering overgenomen. De cassatierechtspraak werd toebedeeld aan de Hoge Raad, beroepszaken werden vooral door de gerechtshoven behandeld en de arrondissementsrechtbanken werden verantwoordelijk voor alle rechtspraak in eerste aanleg.

In 1992 werden administratieve kamers opgericht bij de rechtbanken. Deze kamers waren aanvankelijk alleen bevoegd om in eerste aanleg kennis te nemen van geschillen met betrekking tot de sociale verzekeringswetten en van besluiten over ambtenaren. In 1994 werd daaraan toegevoegd de bevoegdheid om de meeste bestuursgeschillen in eerste aanleg te behandelen, en later ook de geschillen met betrekking tot de studiefinanciering. Op 1 januari 2002 werden de kantongerechten opgeheven en geïntegreerd met de rechtbanken van eerste aanleg. De functie kantonrechter verdween echter niet.

Op dezelfde datum heeft het Ministerie van Justitie de beheers- en financiële taken overgedragen aan de Raad voor de Rechtspraak, waaronder de begroting en het toekennen van budgetten aan de gerechten, de bedrijfsvoering en kwaliteitsbevordering, en de advisering. De rechterlijke lichamen hebben nu een grotere bestuurlijke zelfstandigheid. De Hoge Raad en het Openbaar Ministerie vallen buiten deze regeling.

Totstandkoming BSD

In april 2000 is het ontwerp-BSD Zorg voor de Rechtspleging geschreven. Het driehoeksoverleg werd gestart. Zowel het Nationaal Archief als de zorgdrager de minister van Justitie gingen akkoord met het ontwerp. De Raad voor Cultuur (kenmerk arc-2000.1872/2) stemde in met de ontwerp-lijst en had slechts enkele opmerkingen. Desondanks is het BSD niet vastgesteld.

Het RIO Rechtspleging en rechtshulp. De datageschiedenis van handelingen en organisatie-eenheden van de justitiële ministeriële organisatie van de rechtspleging en rechtshulp, 1945–1992 (’s-Gravenhage, 1993), auteur drs. C.K. Berghuis, vormde de grondslag voor dit ontwerp-BSD uit 2000. Het rapport geeft een historische beschrijving van de beleidsterreinen rechtspleging en rechtshulp en de handelingen die de overheid hierop (heeft) verricht. Het onderzoek werd uitgevoerd in het kader van het convenant, dat door de Algemeen Rijksarchivaris en de secretaris-generaal van Justitie op 20 december 1991 gesloten is. In dit convenant zijn afspraken vastgelegd over de overdracht van de na 1940 gevormde archieven en het verrichten van het hiervoor noodzakelijk geachte onderzoek.

Het onderzoek naar de beleidsterreinen rechtspleging en rechtshulp is in de periode 1991–1992 verricht. Na de vaststelling op het ministerie van Justitie is het RIO in 1993 gepubliceerd in de PIVOT-reeks (nr. 10). Ten tijde van het onderzoek en de publicatie van het rapport was de methode van institutioneel onderzoek nog niet geheel uitgekristalliseerd. De handelingenparagrafen van het RIO betreffen lijsten van de taken van de verschillende organisatieonderdelen van het ministerie van Justitie op het terrein van de organisatie van de rechtspleging en de rechtshulp in de periode 1945–1992. Deze organisatietaken zijn evenwel geen handelingen in de tegenwoordige betekenis die door PIVOT daaraan wordt gehecht. De in het RIO opgesomde ‘handelingen’ beschrijven activiteiten en werkprocessen voor die organisatie-onderdelen (hebben) verricht(en). Voorts zijn de handelingen van het RIO ingedeeld volgens een thans niet meer gehanteerd patroon.

Ten behoeve van het vervolgtraject is het RIO in 1997 geanalyseerd. In gezamenlijk overleg tussen de betrokken vertegenwoordigers van het Nationaal Archief en het ministerie is vervolgens besloten om voor de beleidsterreinen rechtspleging en rechtshulp elk een afzonderlijk BSD tot stand te brengen.

In 2000 is het ontwerp-BSD Zorg voor de Rechtspleging opgesteld. Op basis van de eerder uitgevoerde analyse was reeds geconcludeerd dat het verrichten van een nieuw institutioneel onderzoek niet noodzakelijk was. De organisatiebesluiten die ten grondslag lagen aan de geformuleerde handelingen in het RIO werden echter opnieuw bestudeerd. Voorts werd de belangrijkste wet- en regelgeving (voornamelijk de Wet RO en uitvoeringsregelingen) geraadpleegd. Hieruit werd duidelijk in welk functioneel kader de in het RIO opgesomde organisatietaken dienden te worden begrepen. Met behulp van deze kennis werden nieuwe handelingen geformuleerd. Deze hebben veelal betrekking op één of meerdere activiteiten of werkprocessen die in het RIO vermeld staan.

Daarnaast werd in 2007 het ontwerp-BSD Bedrijfsvoering van de Rechterlijke Organisatie opgesteld. In overleg met het Nationaal Archief en het ministerie van Justitie is besloten om de twee selectiedocumenten samen te voegen.

Dit huidige ontwerp-BSD verenigt dan ook beide eerder opgestelde BSD’s. Uit Zorg voor de Rechtspleging zijn alle handelingen onder de actor ‘Minister van Justitie’ en uit Bedrijfsvoering van de Rechterlijke Organisatie alle handelingen onder de actor ‘Rechterlijke Organisatie’ opgenomen. Bovendien werden ontbrekende handelingen van de actor ‘Minister van Justitie’ uit het ontwerp-BSD Bedrijfsvoering van de Rechterlijke Organisatie verwerkt in onderliggend BSD. Verder zijn onderdelen uit handelingen uit Bedrijfsvoering van de Rechterlijke Organisatie, die overlap hadden met handelingen uit Rechtspleging, opgenomen in de samenvallende handelingen. Ook enkele algemene handelingen, bijvoorbeeld met betrekking tot onderzoek, zijn toegevoegd.

Handeling 15 uit het BSD Bedrijfsvoering van de Rechterlijke Organisatie maakt melding van de Nationale Ombudsman. Deze handeling is gedeeltelijk opgenomen in dit ontwerp-BSD, in handeling 7. Het gedeelte over de Nationale Ombudsman is echter niet toegevoegd; dit wordt voldoende afgedekt door handeling 154 in het BSD Nationale Ombudsman (voor alle vakministers vastgesteld in 2007). De adviezen van de Raad voor Cultuur, uit februari 2001, zijn verwerkt in onderhavig BSD.

Omdat de rechterlijke organisaties vanaf 1 januari 2002 zelf de verantwoording dragen voor hun bedrijfsvoering in plaats van de Minister van Justitie, staan in dit BSD alleen handelingen die specifiek betrekking hebben op de bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie in de periode 1945–2002.

Bovendien zijn sommige handelingen van de Minister van Justitie beperkt tot 2002. Deze handelingen worden vanaf 1-1-2002 uitgevoerd door de rechterlijke organisaties zelf.

Selectiedoelstelling

In de productbeschrijving BSD van maart 2004 is de selectiedoelstelling van het Nationaal Archief als volgt verwoord. ‘De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.’

Selectiecriteria

Selecteren is het aanmerken van de neerslag van een handeling voor bewaren of vernietigen.

Als de neerslag aangewezen wordt ter bewaring, wil dat zeggen dat deze neerslag, ongeacht de vorm waaruit zij bestaat, voor eeuwig bewaard moet worden. De bewaarplaats waar deze neerslag na het verlopen van de wettelijke overbrengingstermijn van twintig jaar moet worden overgebracht, is het Nationaal Archief. Bij de handeling in dit BSD staat in dit geval bij waardering een B (van bewaren).

Als de neerslag van een handeling wordt aangewezen ter vernietiging, wil dat zeggen dat deze neerslag, ongeacht de vorm waaruit zij bestaat, na verloop van de in het BSD vastgestelde termijn kan worden vernietigd. De vernietigingstermijn is een minimum eis: stukken mogen niet eerder dan na het verstrijken van die termijn worden vernietigd door de voor het beheer verantwoordelijke dienst. De duur van de vernietigingstermijn wordt bepaald door de administratieve belangen en de belangen van de burgers, enerzijds ten behoeve van het adequaat uitvoeren van de overheidsadministratie en de verantwoordingsplicht van de overheid en anderzijds voor de recht- en bewijszoekende burger. Bij de handeling in dit BSD staat in dit geval bij waardering een V (van vernietigen).

Het aanwijzen van handelingen waarvan de neerslag bewaard moet blijven gebeurt op grond van criteria die tot stand zijn gekomen in overleg tussen zorgdrager en het Nationaal Archief.

De gehanteerde algemene selectiecriteria zijn:

ALGEMENE SELECTIECRITERIA

Handelingen die worden gewaardeerd met B (Bewaren)

1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6. Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

Naast de algemene criteria kunnen er in een BSD, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, in overleg met het NA, beleidsterreinspecifieke criteria worden geformuleerd. Deze criteria worden doorlopend genummerd, waarbij wordt aangesloten bij de zes algemene criteria (dus vanaf 7). In dit BSD is geen aanvullend selectiecriterium toegekend.

Actoren

Actoren onder de zorg van de minister van Justitie

– Minister van Justitie

– Rechterlijke Organisatie

– Commissie of Raad

Minister van Justitie

De voornaamste actor op het betreffende beleidsterrein is de Minister van Justitie. Het betreft de bemoeienis van de Minister met in eerste instantie de organisatie van de rechterlijke macht, gericht op een doelmatig en doeltreffend functioneren van de rechtspleging. Ook het anticiperen op ontwikkelingen die invloed zullen hebben op de rechterlijke macht maakt onderdeel uit van het beleidsterrein van de Minister van Justitie. Het beleidsterrein omvat de taken van de Minister op het gebied van omvang van de rechterlijke macht, formatie en opleiding van het personeel, huisvesting en materiële voorzieningen, inrichting en ondersteuning bij de administratie, etc.

Rechterlijke Organisatie

Onder deze term vallen de afzonderlijke rechterlijke organisaties zoals bijvoorbeeld gerechtshoven, arrondissementsrechtbanken, kantongerechten, kweekkamers, belastingkamers, ondernemingskamers, grondkamers, pachtkamers, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en andere rechterlijke lichamen.

Commissie of Raad

De Minister van Justitie kan zich ten aanzien van het door hem gevoerde beleid laten adviseren door commissies en/of raden. Er bestaan en bestonden diverse commissies en raden die behoren tot het onderdeel rechtspleging. Voor een overzicht en beschrijving van deze actoren verwijzen wij naar bijlage 4 in RIO Rechtspleging en rechtshulp. De datageschiedenis van handelingen en organisatie-eenheden van de justitiële ministeriële organisatie van de rechtspleging en rechtshulp, 1945–1992

Vaststellingsprocedure

In juli 2007 is het ontwerp-BSD door de minister van Justitie aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC).

Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd.

Vanaf 3 december 2007 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief. Tevens is de selectielijst beschikbaar gesteld via de website van het Nationaal Archief en de website van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 30 januari 2008 bracht de RvC advies uit (bca-2008.04316/1), hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijzigingen in de ontwerp-selectielijst.

Daarop werd het BSD op 28 februari 2008 door de wnd. algemene rijksarchivaris, namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Projectdirecteur Project Wegwerken Archiefachterstanden (conform het convenant d.d. 30 mei 2006) namens de minister van Justitie (C/S&A/08/359) vastgesteld.

Leeswijzer

De selectielijst is primair ingedeeld naar actoren. De secundaire indeling is de volgorde van de handelingen.

Handelingenblokken

De handelingen zijn verwerkt in uniek genummerde gegevensblokken die als volgt zijn opgebouwd:

(nummer): Het nummer van het handelingenblok.

Handeling: Een complex van activiteiten, dat verricht wordt door één of meer actoren en dat veelal een product naar de omgeving oplevert.

Periode: Hier worden de jaren weergegeven waarin de handeling werd verricht.

Grondslag/Bron: Dit is de (wettelijke) basis van de handeling. De aanduiding bron wordt gebruikt indien een handeling geen duidelijke wettelijke basis heeft, maar de handeling is geformuleerd op basis van interviews, literatuur of andere bronnen.

Product: Dit is de weergave van het juridisch-bestuurlijk niveau van het eindproduct van de handeling. Indien niet duidelijk is in welke soort documentaire neerslag een handeling heeft geresulteerd of als uit de beschrijving van de handeling al duidelijk is welk product de handeling oplevert, ontbreekt dit item.

Opmerkingen: Hier worden eventuele bijzonderheden over bovengenoemde items weergegeven.

Waardering: Hier wordt aangegeven of de neerslag van een handeling bewaard moet worden of dat deze op termijn vernietigd kan worden.

De ‘B’ staat voor bewaren, ofwel: het na afloop van de overbrengingstermijn krachtens de Archiefwet 1995 overdragen aan het Nationaal Archief. De ‘V’ staat voor vernietigen na afloop van de aangegeven termijn. Achter de ‘B’ of ‘V’ is aangegeven welk selectiecriterium, zoals geformuleerd in de inleiding, is toegepast.

Selectielijsten

Actoren onder de zorg van de minister van Justitie

Actor: Minister van Justitie

1 Beleidsontwikkeling en algemene zaken

1

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, evalueren en coördineren van het strategische en het operationele beleid met betrekking tot (elementen van) de organisatie van de rechtspleging en de bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 6, 8, 9, 16, 17, 18, 22, 24, 25, 27, 51, 57, 69, 71 en 74. Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Opmerking: De handeling betreft de vormgeving op lange en middellange termijn van enerzijds de beheersmatige inbedding van de RO (apparaatszorg) en anderzijds de inwendige structuur van de RO (bijv. territoriale indeling, werkwijzen, formatie).

De handeling omvat zowel de algemene beleidsontwikkeling als het beleid ten aanzien van specifieke elementen (bijv. materieel beheer, automatisering, personeelszaken) dat binnen het algemene kader wordt ontwikkeld.

Product: Notities, nota’s, rapporten, evaluaties

Waardering: B 1 + 2

4

Handeling: Het (periodiek) doorlichten, op basis van enquêtes of anderszins verzameld statistisch materiaal, van het functioneren van de (administratieve diensten van) de gerechten

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 37, 39, 60, 67, 73.

Opmerking: De neerslag van de handeling wordt veelal verwerkt in (periodieke) verslagen. Zie handeling 6.

Waardering: V, 10 jaar

5

Handeling: Het adviseren en ondersteunen van de hoofden van dienst van (de administratieve diensten bij) de gerechten inzake de uitvoering van de onderdelen van het beleid waarmee zij zijn belast en het ondersteunen van de Rechterlijke Organisaties bij de implementatie van beleid inzake de bedrijfsvoering

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 11, 15, 21, 23 en 49. Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20),

Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Opmerking: Betreft bijv. kwesties van algemeen management, maar ook specifieke aangelegenheden, zoals inrichting en beheer van gerechtsbibliotheken, de automatisering, personeelsbeleid. Deze handeling kan geschieden in het kader van projecten. Betreft ook coördinatie, afstemming en advisering inzake het bewaken en verbeteren van de kwaliteit, uniformiteit en het doelmatig functioneren van de rechterlijke macht als geheel.

Waardering: V, 10 jaar

6

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen omtrent ontwikkelingen met betrekking tot de organisatie van de rechtspleging en de (uitvoering van) bedrijfsvoering van de rechterlijke macht

Periode: 1945–2002

Opmerking: De handeling betreft veelal (deels) een presentatie en analyse van verzamelde statistieken, uitkomsten van gehouden enquêtes of managementrapportages (zie handeling 4).

Product: (Jaar)verslag

Waardering: B 3: één exemplaar van het eindproduct

V: overige neerslag

7

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal inzake aangelegenheden met betrekking tot de organisatie van de rechtspleging en de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht

Periode: 1945–2002

Opmerking: Betreft bijv. ook het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot het onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten-Generaal.

Waardering: B 2,3

8

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen met betrekking tot de organisatie van de rechtspleging en de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht

Periode: 1945–2002

Waardering: V 2 jaar

9

Handeling: Het ontwikkelen en verspreiden van voorlichtingsmateriaal met betrekking tot de organisatie van de rechtspleging en de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie.

Product: Brochures, artikelen, films, enz.

Waardering: B 5: één exemplaar van het eindproduct

V 5 jaar: overige stukken

10

Handeling: Het instellen van commissies of raden en het vaststellen van hun taken betreffende de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht en op het terrein van de rechterlijke organisatie

Periode: 1945–

Bron: Wet- en regelgeving (bijv. Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren, Stb. 1985, 555, art. 17 e.v.: RAIO-selectiecommissie); vgl. RIO handelingen 32, 101; RIO Bijlage 4: deze betreft echter veel ambtelijke of gemengde commissies en werkgroepen, die hier niet zijn bedoeld).

Waardering: B 4

11

Handeling: Het benoemen van de leden van commissies of raden op het terrein van de (advisering over het beleid en wet- en regelgeving betreffende de) rechterlijke organisatie en de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht en het voorzien in administratieve ondersteuning en financieel beheer

Periode: 1945–

Grondslag: Wet- en regelgeving (bijv. Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren, Stb. 1985, 555, art. 17 e.v.: RAIO-selectiecommissie); RIO handelingen 102.

Waardering: V, 7 jaar na einde benoeming

13

Handeling: Het administratief ondersteunen en/of financieel beheren van instellingen die actief zijn op het gebied van de organisatie van de rechtspleging

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen 32, 101.

Opmerking: Betreft bijv. het Studiecentrum Rechtspleging.

Waardering: V, 10 jaar

2 Regelgeving en juridische zaken

14

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging of intrekking van wet- en regelgeving met betrekking tot de organisatie van de rechtspleging en de bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 4, 14, 20, 48a, 53, en 55. Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Opmerking: Voor een overzicht van wetten zie RIO, Bijlage 3. De handeling betreft voorts de daarop gebaseerde amvb's en ministeriële regelingen.

Product: Notities, nota’s, rapporten, wetten, regelingen, reglementen

Waardering: B 1

15

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging of intrekking van administratieve en organisatorische (uitvoerings)voorschriften en richtlijnen met betrekking tot de organisatie van de rechtspleging

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie;

RIO handelingen nr. 4, 20, 43, 46, 48, (48a), 50, 56 en 98.

Opmerking: De handeling betreft voorschriften en richtlijnen betreffende de administratieve organisatie, het materiële beheer, de werving en selectie van personeel, het archiefbeheer, etc.

Waardering: B 5

16

Handeling: Het behandelen van bezwaar- en beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen met betrekking tot de organisatie van de rechtspleging alsmede het voeren van verweer voor rechterlijke instanties in beroepsprocedures ter zake

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handeling nr. 7.

Waardering: V, 10 jaar.

17

Handeling: Het geven van voorlichting en advies omtrent de juridische interpretatie en toepassing van wet- en regelgeving met betrekking tot de organisatie van de rechtspleging

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie.

Opmerking: Onder andere in landelijk overleg

Waardering: B 5: één exemplaar van het eindproduct

V 5 jaar: overige neerslag

58

Handeling: Het adviseren van de regering, de Staten-Generaal en de rechtspraak in andere landen betreffende het beleidsterrein rechtspleging

Periode: 1945–2002

Bron: Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Opmerking: Betreft adviezen over:

– het te voeren beleid, voornamelijk inzake strategie en toekomstvisie

– wet- en regelgeving inzake de rechtspraak

– wet- en regelgeving die niet direct gerelateerd is aan de rechtspraak, maar waarvan de uitvoering wel gevolgen heeft voor de rechtspraak

Wat betreft de (vertegenwoordigers van) de rechtspraak in andere landen betreft het naast de overzeese gebiedsdelen en Suriname ook bijvoorbeeld het –op verzoek van de EU- adviseren van andere landen

Waardering: B 1 + 5

3 Personeel

18

Handeling: Het (jaarlijks) vaststellen van de kwantitatieve en kwalitatieve (rechtsgeleerde) personeelsformatie bij de burgerlijke gerechten

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 54 en 97.

Waardering: V, 10 jaar

19

Handeling: Het systematisch vastleggen van de personeelsgegevens met betrekking tot de burgerlijke gerechten

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handeling nr. 20.

Waardering: V, 70 jaar of 1 jaar na aftreden

20

Handeling: Het voorbereiden van de KB's met betrekking tot de personele bezetting van de zittende magistratuur

Periode: 1945–

Grondslag: Wet RO, passim; organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 1 en 84. Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet Bestuursrechtspraak Bedrijfsorganisatie (1954-) (Stb. 1954, 416),

Beroepswet (1955–) (Stb. 1955, 47), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463), Wet op de Raad van State (Stb. 1994, 2), Wet voltooiing 1e fase Herziening Rechterlijke Organisatie (Stb. 1993, 650)

Opmerking: Betreft benoeming, ontslagverlening, onbetaald buitengewoon verlof, deeltijdaanstelling, etc. Tot de zittende magistratuur behoren naast de rechtsprekende rechterlijke ambtenaren ook de (senior)gerechtsauditeurs in vaste dienst. Bijvoorbeeld: de leden van enkelvoudige en meervoudige kamers voor het behandelen en beslissen van bestuurs-, civiel- en strafrechtelijke zaken, de belasting- , ondernemings- , grond- en pachtkamers, de kamer voor het kwekersrecht etc., de verkeersschouten en hun vervangers. Hieronder vallen ook de Hoge Raad, de Colleges van Beroep, de Centrale Raad van Beroep en de Raad van State.

Product: Koninklijk Besluit, benoeming

Waardering: V, 70 jaar of 1 jaar na aftreden

21

Handeling: Het voorbereiden van de KB's met betrekking tot de personele bezetting van posten in rechterlijke colleges, bestemd voor niet tot de rechterlijke macht behorende deskundigen

Periode: 1970–

Grondslag: Wet RO, art. 72 en 73; organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 1 en 84.

Opmerking: Betreft benoeming, herbenoeming, ontslag, etc. van de deskundigen die als (plaatsvervangende) raden zitting hebben in de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam en de bijzondere kamer van het gerechtshof te Arnhem.

Waardering: V, 70 jaar of 1 jaar na aftreden

22

Handeling: Het nemen van besluiten met betrekking tot de verdere personele bezetting van de zittende magistratuur

Periode: 1950–2002

Grondslag: Wet RO passim; organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 1, 10 en 84.

Opmerking: Betreft benoeming, ontslag, etc. van gerechtsauditeurs in tijdelijke dienst, alsmede de aanwijzing van magistraten in waarnemende functies.

Waardering: V, 70 jaar of 1 jaar na aftreden

23

Handeling: Het voorbereiden van de KB's met betrekking tot de personele bezetting van het Openbaar Ministerie

Periode: 1945–

Grondslag: Wet RO passim; organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 1, 10 en 84.

Opmerking: Betreft benoeming, ontslagverlening, onbetaald buitengewoon verlof, deeltijdaanstelling, aanstelling in buitengewone dienst, etc.

Waardering: V, 70 jaar of 1 jaar na aftreden

24

Handeling: Het nemen van besluiten met betrekking tot de verdere personele bezetting van het Openbaar Ministerie

Periode: 1950–

Grondslag: Wet RO passim; organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 1, 10 en 84.

Opmerking: Betreft benoeming, ontslag, etc. van plaatsvervangende officieren van justitie en parketsecretarissen, alsmede de aanwijzing van leden van het OM in waarnemende functies.

Waardering: V, 70 jaar of 1 jaar na aftreden

25

Handeling: Het voorbereiden van de KB's met betrekking tot de rechtsgeleerde personele bezetting van de griffies van de burgerlijke gerechten

Periode: 1945–2002

Grondslag: Wet RO passim; organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 1 en 84.

Opmerking: Betreft benoeming, ontslag, etc. van griffiers en substituut-griffiers.

Waardering: V, 70 jaar of 1 jaar na aftreden

26

Handeling: Het nemen van besluiten met betrekking tot de rechtsgeleerde personele bezetting van de griffies van de burgerlijke gerechten

Periode: 1970–2002

Grondslag: Wet RO passim; organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 1, 10 en 84.

Opmerking: Betreft benoeming, ontslag, etc. van waarnemend griffiers en gerechtssecretarissen

Waardering: V, 70 jaar of 1 jaar na aftreden

27

Handeling: Het nemen van besluiten met betrekking tot de personele bezetting van de administratieve diensten van (de griffies van) de burgerlijke gerechten

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 3, 10 en 81.

Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag (in navolging van het BSD P-direct met betrekking tot personeelszaken)

28

Handeling: Het ontwikkelen van plannen en programma's betreffende de werving, selectie en opleiding van personen met het oog de vervulling van functies in de magistratuur of kaderfuncties in de administratieve diensten bij de gerechten

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van justitie; RIO handeling 45.

Waardering: B 5

29

Handeling: Het ontwikkelen van plannen en programma's betreffende de werving, selectie en opleiding van personen met het oog de vervulling van lagere functies in de administratieve diensten bij de gerechten

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van justitie; RIO handeling 42.

Waardering: B 5

30

Handeling: Het (doen) organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten en wervingsacties gericht op (juridische) studenten, alsmede het (doen) geven van voorlichting op scholen en aan individuele gegadigden over een loopbaan of beroep bij de burgerlijke gerechten

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 86, 89, 98, 103 en 104.

Waardering: V, 10 jaar

31

Handeling: Het besluiten omtrent toelating van personen tot opleidingen voor het vervullen van een functie in de magistratuur of kaderfuncties in de administratieve diensten bij de gerechten

Periode: 1945–2002

Grondslag: Wet- en regelgeving (bijv. Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren, Stb. 1985, 555).

Waardering: V, 15 jaar

32

Handeling: Het plaatsen van stagiaire(s) en het aanstellen (in tijdelijke, resp. vaste dienst) van personen in opleiding voor het vervullen van een functie in de magistratuur of kaderfunctie in de administratieve diensten bij de gerechten

Periode: 1945–2002

Grondslag: Wet- en regelgeving (bijv. Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren, Stb. 1985, 555);

Bron: organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 13, 31 en 89.

Waardering: V, 5 jaar

33

Handeling: Het (doen) beoordelen (door tentamens, examens, ambtsberichten, etc.) van personen in opleiding voor het vervullen van een functie in de magistratuur of kaderfunctie in de administratieve diensten bij de gerechten en het eventueel besluiten tot tussentijdse beëindiging

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 13 en 89.

Waardering: V, 10 jaar

34

Handeling: Het besluiten omtrent dispensatieverzoeken, programmawijzigingen en rechtspositionele aangelegenheden met betrekking tot stagiaire(s) en (overige) personen in opleiding voor het vervullen van een functie in de magistratuur of kaderfunctie in de administratieve diensten bij de gerechten

Periode: 1945–2002

Grondslag: Wet- en regelgeving (bijv. Besluit opleiding verkeersschouten, Stb. 1974, 44).

Opmerking: De handeling betreft dispensatieverzoeken

Waardering: V, 5 jaar

35

Handeling: Het besluiten of personen hun opleiding voor het vervullen van een functie in de magistratuur of kaderfunctie in de administratieve diensten bij de gerechten met goed gevolg hebben voltooid

Periode: 1945–2002

Grondslag: Wet- en regelgeving (bijv. Opleidingsreglement verkeersschouten, Stcrt. 1974, 249).

Waardering: V, 5 jaar

36

Handeling: Het instellen en medebesturen van de Stichting opleiding rechterlijke ambtenaren

Periode: 1985–

Bron: Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren (Stb. 1985, 555) art. 9 en 10

Waardering: B 4

Opmerking: De stichting is het instituut voor de RAIO-opleiding en wordt door Justitie gefinancierd. Het bestuur bestaat grotendeels uit personen aangewezen door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.

37

Handeling: Het al dan niet accorderen van besluiten van de Stichting opleiding rechterlijke ambtenaren inzake het opleidingsreglement en de samenstelling van het personele kader van de opleiding

Periode: 1985–2002

Grondslag: Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren (Stb. 1985, 555) art. 11 en 12.

Waardering: B 5

38

Handeling: Het uitvoeren van de praktische organisatie van opleidingen voor functies bij de burgerlijke gerechten

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 86, 89 en 100.

Opmerking: Zie opsomming van activiteiten bij RIO handeling nr. 100

Waardering: V, 10 jaar

39

Handeling: Het verzorgen van cursussen, studie- en vormingsbijeenkomsten in het kader van opleidingen tot griffier en kaderfuncties bij de administratieve diensten van de burgerlijke gerechten

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handeling 99.

Waardering: V, 10 jaar

40

Handeling: Het voorbereiden van de KB's waarbij wordt uitgemaakt of een bepaalde openbare nevenfunctie toelaatbaar is voor een voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaar

Periode: 1945–

Grondslag: Wet RO art. 8, lid 3.

Opmerking: Deze handeling geschiedt alleen in bijzondere twijfelgevallen.

Waardering: B 5

41

Handeling: Het doen van voorstellen in verband met de toekenning van koninklijke onderscheidingen aan rechterlijke ambtenaren

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handeling nr. 2.

Waardering: V, 70 jaar of 1 jaar na aftreden

4 Organisatie

42

Handeling: Het voorbereiden van de KB's ter goedkeuring van (wijzigingen van) de reglementen van de gerechten

Periode: 1945–

Bron: Reglement I (Stb. 1838, 36), zoals sindsdien gewijzigd.

Waardering: B 1

43

Handeling: Het bevorderen van de unificatie van formulieren, registers, handleidingen en overige administratieve bescheiden van (de administratieve diensten bij) de gerechten

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handeling nr. 44.

Waardering: V, 10 jaar

44

Handeling: Het ontwerpen en doorvoeren van (nieuwe) taakverdelingspatronen, werkprocedures en -methoden, alsmede administratievormen bij de griffies en parketten

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 47 en 98.

Waardering: B 5

45

Handeling: Het toezien op de naleving van voorschriften en de administratieve gang van zaken bij de griffies van en de parketten bij de gerechten

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 72 en 75.

Opmerking: De handeling betreft in voorkomende gevallen mede het beslissen inzake de werkwijze van gerechten als bedoeld in art. 63a, 63b en 73 van Reglement I.

Waardering: B 5

59

Handeling: Het vaststellen en verdelen van het rechtsgebied en de zetels der Rechterlijke Organisaties

Periode: 1945–

Bron: Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Opmerking: Bijvoorbeeld: in arrondissementen en kantons.

Waardering: B 1 + 4

60

Handeling: Het vormen van enkelvoudige en meervoudige kamers voor het behandelen en beslissen van zaken

Periode: 1945–2002

Bron: Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet Bestuursrechtspraak Bedrijfsorganisatie (1954-) (Stb. 1954, 416), Beroepswet (1955–) (Stb. 1955, 47), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Opmerking: Onder andere bestuurs-, civiel- en strafrechterlijke zaken of zaken aangaande belasting

Waardering: B 1 + 4

61

Handeling: Het verdelen van de behandeling van rechtzaken over hoofd-, nevenvestiging- en nevenzittingsplaatsen

Periode: 1945–2002

Bron: Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Opmerking: Betreft reguliere werkverdeling binnen een arrondissement.

Waardering: V 1 jaar

62

Handeling: Het houden van bijzondere zittingen

Periode: 1945–2002

Opmerking: Onder andere het inplannen van de zittingen. Voor de behandeling van een bepaalde zaak kan, in verband met omstandigheden, afgeweken worden van de in het reglement opgenomen dagen, tijdstippen en plaatsen.

Waardering: V 5 jaar

63

Handeling: Het (inzake de aard of anderszins) overdragen van rechtzaken aan andere gerechten

Periode: 1945–2002

Grondslag: Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Opmerking: Een zaak kan worden overgedragen wanneer er sprake zou kunnen zijn van (schijn van) belangenverstrengeling. Ook bij megastrafzaken die naar verwachting 30 uur of meer in

beslag nemen, kan een afwijkende zittingsplaats worden aangewezen. De Minister van Justitie kan, na overleg met het gerechtsbestuur besluiten om een rechtszaak op een andere locatie plaats te laten vinden in verband met veiligheidsoverwegingen. Handeling is niet van toepassing op de CRvB.

Waardering: V 1 jaar

64

Handeling: Het (laten) onderhouden en beheren van gegevensbestanden met betrekking tot het behandelen en beslissen van rechtszaken

Periode: 1945–2002

Waardering: V 7 jaar

5 Financiën

– De handelingen in het (generieke) BSD Rijksbegroting zijn mede van toepassing op de financieel-economische aangelegenheden van de gerechten en hun administratieve diensten. Het onderhavige hoofdstuk dient slechts om de neerslag van handelingen die geacht kunnen worden specifiek te zijn gerelateerd aan het onderhavige beleidsterrein, te kunnen selecteren.

46

Handeling: Het ontwikkelen van systemen en procedures met betrekking tot het financieel-economisch beheer van de rechterlijke organisatie

Periode: 1980–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handeling nr. 26.

Opmerking: Betreft bijv. de planning- & controlsystematiek.

Waardering: V, 10 jaar

47

Handeling: Het ramen van de begrotingsgelden voor de onderscheidene soorten kosten van de rechterlijke organisatie en het daaruit samenstellen van een begroting voor de gehele sector

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 12, 28, 52 en 64.

Opmerking: Betreft mede de financieel-economische onderbouwing van beleidsplannen en -voornemens

Waardering: V, 7 jaar

48

Handeling: Het (al dan niet) toewijzen van kredieten en voorschotten aan de rekenplichtigen voor de (administratieve diensten bij) de gerechten

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 19, 109.

Waardering: V, 10 jaar

49

Handeling: Het toepassen van de voorschriften inzake gerechtskosten in straf- en burgerlijke zaken en overige sectorspecifieke financiële regelingen

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 83, 108 en 110.

Waardering: V, 10 jaar

50

Handeling: Het toezien op de besteding van de bij begroting toegewezen bedragen aan (de administratieve diensten bij) de gerechten en uitvoering van de formatie- en begrotingsbewaking

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 70, 76 en 80.

Opmerking: Betreft mede het aangeven van compensatievoorstellen bij dreigende overschrijding van de sectorale begroting.

Waardering: V, 10 jaar

51

Handeling: Het door middel van een planning- en controlesystematiek uitvoeren van het financieel-economisch beheer van de rechterlijke organisatie

Periode: 1992–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handeling nr. 35.

Waardering: V, 10 jaar

6 Documentatie en informatie

52

Handeling: Het toezien op het beheer en de overbrenging van de gerechtelijke en de burgerlijke stand-archieven, alsmede het zorgen voor de eventuele vervanging en de beveiliging van de burgerlijke stand-archieven

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 78 en 96.

Waardering: B 5

7 Huisvesting en materieel

– De handelingen in het (generieke) BSD Rijkshuisvesting zijn mede van toepassing op de huisvesting van de gerechten en hun administratieve diensten. Het onderhavige hoofdstuk dient slechts om de neerslag van handelingen die geacht kunnen worden specifiek te zijn gerelateerd aan het onderhavige beleidsterrein, te kunnen selecteren.

53

Handeling: Het (her)inrichten van gerechtsgebouwen

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handeling nr. 105.

Opmerking: Deze handeling geschiedt in samenwerking met de Rijks Gebouwen Dienst

Waardering: V, 7 jaar

54

Handeling: Het (doen) uitvoeren van de verhuizing van gerechten en hun administratieve diensten

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handeling nr. 91.

Waardering: V, 7 jaar

55

Handeling: Het treffen van materiële voorzieningen betreffende de huishoudelijke en de administratieve diensten der gerechten

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handeling nr. 85.

Waardering: V, 7 jaar

56

Handeling: Het zorgdragen voor de bewaking en het schoonhouden van de gerechtsgebouwen

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handeling nr. 92.

Opmerking: Betreft het afsluiten van contracten en toezicht op de naleving daarvan

Waardering: V, 7 jaar

57

Handeling: Het zorgdragen voor de bedrijfsvoering van de kantines in de gerechtsgebouwen

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handeling nr. 93.

Waardering: V, 7 jaar

8 Klachten

65

Handeling: Het ontwikkelen, vaststellen en wijzigen van een klachtenregeling betreffende de bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie

Periode: 1945–2002

Waardering: B 5: eindproduct

V 5 jaar: overige stukken

66

Handeling: Het behandelen van klachten van burgers over hun behandeling tijdens rechtszaken

Periode: 1945–2002

Opmerking: Betreft alle klachten die niet rechtstreeks betrekking hebben op een zaak, bijvoorbeeld klachten tegen bejegening door gerechtsambtenaren, niet tijdig beantwoorden van brieven, etc.

Waardering: V 10 jaar

9 Onderzoek

2

Handeling: Het vaststellen van een opdracht en resultaat van onderzoek naar het beleid en de organisatie van de rechtspleging en de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht

Periode: 1945–2002

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handelingen nr. 41, 59, 61, 63, 65, 66 en 68.

Opmerking: Het kan hierbij gaan om juridische studies, organisatie-onderzoeken, financieel-economische analyses, arbeidsmarktonderzoek, etc. vanuit een bijzondere vraagstelling. De vraag kan betrekking hebben op het rechterlijke functioneren, uniforme rechtstoepassing en (de kwaliteit van) de organisatie van de rechtspleging in het algemeen, of op een afzonderlijk element (informatievoorziening, beveiliging, loopbaanontwikkeling, etc.). Voor (periodieke) enquêtes en statistieken betreffende het functioneren van de gerechten en hun diensten zie handeling 4

Product: Offerte, brief, rapport, contract

Waardering: B 1

3

Handeling: Het (mede-)voorbereiden en begeleiden van (wetenschappelijke) studies en onderzoeken met betrekking tot de organisatie van de rechtspleging

Periode: 1945–

Bron: Organisatiebesluiten ministerie van Justitie; RIO handeling nr. 62 en 65.

Product: Notitie, notulen, brief

Waardering: B 5: één exemplaar van het eindproduct

V: overige neerslag

67

Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de organisatie van de rechtspleging en de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht

Periode: 1945–

Waardering: V 5 jaar

68

Handeling: Het financieren van (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de organisatie van de rechtspleging en de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht

Periode: 1945–

Product: Rekening, declaratie

Waardering: V 7 jaar

69

Handeling: Het (doen) uitvoeren van onderzoeken betreffende efficiëntie, effectiviteit en kwaliteit van de eigen bedrijfsvoering

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar

10 Overleg

70

Handeling: Het deelnemen aan advies- of overlegcommissies en werkgroepen inzake de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht waarvan het secretariaat bij het ministerie berust

Periode: 1945–2002

Waardering: B 5

71

Handeling: Het deelnemen aan advies- of overlegcommissies en werkgroepen inzake de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht waarvan het secretariaat niet bij het ministerie berust

Periode: 1945–2002

Waardering: V 5 jaar

Actor: Rechterlijke Organisatie

1 Beleid

72

Handeling: Het (adviseren inzake) voorbereiden, vaststellen en evalueren van het beleid betreffende de bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie

Periode: 1945–2002

Bron: Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Product: Notities, nota’s, rapporten, evaluaties

Waardering: B 1 + 2

2 Advies

73

Handeling: Het adviseren over (verbetering van) de wijze waarop recht wordt toegepast

Periode: 1945–2002

Bron: Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Waardering: B 1 + 5

Opmerking: Onder andere in landelijk overleg

74

Handeling: Het adviseren van de minister van Justitie betreffende het beleidsterrein rechtspleging

Periode: 1945–2002

Bron: Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Waardering: B 1 + 5

Opmerking: Betreft adviezen over:

– het te voeren beleid, voornamelijk inzake strategie en toekomstvisie

– wet- en regelgeving inzake de rechtspraak

– wet- en regelgeving die niet direct gerelateerd is aan de rechtspraak, maar waarvan de uitvoering wel gevolgen heeft voor de rechtspraak

3 Organisatie

75

Handeling: Het vormen van enkelvoudige en meervoudige kamers voor het behandelen en beslissen van zaken

Periode: 1945–2002

Bron: Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet Bestuursrechtspraak Bedrijfsorganisatie (1954-) (Stb. 1954, 416), Beroepswet (1955–) (Stb. 1955, 47), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Waardering: B 1 + 4

Opmerking: Onder andere bestuurs-, civiel- en strafrechtelijke zaken of zaken aangaande belasting

76

Handeling: Het verdelen van de behandeling van rechtzaken over hoofd-, nevenvestiging- en nevenzittingsplaatsen

Periode: 1945–2002

Bron: Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Waardering: V 1 jaar

Opmerking: Betreft reguliere werkverdeling binnen een arrondissement

77

Handeling: Het inplannen van bijzondere zittingen

Periode: 1945–2002

Waardering: V 5 jaar

Opmerking: Voor de behandeling van een bepaalde zaak kan, in verband met omstandigheden, afgeweken worden van de in het reglement opgenomen dagen, tijdstippen en plaatsen

78

Handeling: Het (inzake de aard of anderszins) overdragen van rechtzaken aan andere gerechten

Periode: 1945–2002

Bron: Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie (1838–1972) (Stb. 1827, 20), Wet op de Rechterlijke Organisatie (1972–) (Stb. 1972, 463)

Waardering: V 1 jaar

Opmerking: Een zaak kan worden overgedragen wanneer er sprake zou kunnen zijn van (schijn van) belangenverstrengeling. Ook bij megastrafzaken die naar verwachting 30 uur of meer in beslag nemen, kan een afwijkende zittingsplaats worden aangewezen. De Minister van Justitie kan, na overleg met het gerechtsbestuur besluiten om een rechtszaak op een andere locatie plaats te laten vinden in verband met veiligheidsoverwegingen. Handeling is niet van toepassing op de CRvB.

12

Handeling: Het (laten) onderhouden en beheren van gegevensbestanden met betrekking tot het behandelen en beslissen van rechtszaken

Periode: 1945–2002

Waardering: V 7 jaar

4 Verantwoording en voorlichting

79

Handeling: Het opstellen van verslagen betreffende het beleid inzake de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht en de uitvoering daarvan

Periode: 1945–2002

Product: (Jaar)verslag

Waardering: B 3

80

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen betreffende de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht

Periode: 1945–2002

Waardering: V 2 jaar

81

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht (brochures, artikelen, films, enz.)

Periode: 1945–2002

Waardering: B 5: één exemplaar van het eindproduct

V 5 jaar: overige neerslag

5 Klachten

82

Handeling: Het ontwikkelen, vaststellen en wijzigen van een klachtenregeling betreffende de bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie

Periode: 1945–2002

Waardering: B 5: één exemplaar van het eindproduct

V 5 jaar: overige neerslag

83

Handeling: Het behandelen van klachten van burgers over hun behandeling tijdens rechtszaken

Periode: 1945–2002

Waardering: V 10 jaar

Opmerking: Betreft alle klachten die niet rechtstreeks betrekking hebben op een zaak, bijv. klachten tegen bejegening door gerechtsambtenaren, niet tijdig beantwoorden van brieven, etc.

6 Onderzoek

84

Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van een intern of extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht

Periode: 1945–2002

Waardering: B 1

85

Handeling: Het (laten) uitvoeren van onderzoeken naar de kwaliteit van de rechterlijke organisatie, het rechterlijke functioneren en uniforme rechtstoepassing

Periode: 1945–2002

Waardering: B 5

86

Handeling: Het (doen) uitvoeren van onderzoeken betreffende de efficiëntie, effectiviteit en kwaliteit van de eigen bedrijfsvoering

Periode: 1945–2002

Waardering: B 2

7 Overleg

87

Handeling: Het deelnemen aan advies- of overlegcommissies en werkgroepen inzake de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht waarvan het secretariaat bij de eigen organisatie berust

Periode: 1945–2002

Waardering: B 5

88

Handeling: Het deelnemen aan advies- of overlegcommissies en werkgroepen inzake de bedrijfsvoering van de rechterlijke macht waarvan het secretariaat niet bij de eigen organisatie berust

Periode: 1945–2002

Waardering: V 5 jaar

Actor: Commissie of Raad

89

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie inzake de rechterlijke organisatie

Periode: 1945–

Grondslag: Wet- en regelgeving (bijv. Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren, Stb. 1985, 555, art. 17 e.v.: RAIO-selectiecommissie); RIO handelingen 102.

Waardering: B 1

1

Bron: www.rechtspraak.nl en ‘Rechtspraak: Productiviteit in perspectief’ (SCP, april 2007).

Naar boven