Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Commissariaat voor de MediaStaatscourant 2008, 51 pagina 29Besluiten van algemene strekking

Besluit ontheffing reclame-uitingen

Besluit van het Commissariaat voor de Media van 19 februari 2008 houdende ontheffing van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid van artikel 52 van de Mediawet in verband met de vermeldingen en vertoningen van (co)producenten, facilitaire bedrijven, auteursrechthebbenden, vacaturebanken, loterijen en locaties in programmaonderdelen (Besluit ontheffing reclame-uitingen)

Het Commissariaat voor de Media,

gelet op artikel 52, derde lid, van de Mediawet;

gelet op artikel 1 van het ministerieel besluit van 17 februari 1988 (Stcrt. 49);

besluit:

– definities –

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. (co)producent: de rechtspersoon die een programmaonderdeel (mede) heeft vervaardigd;

b. auteursrechthebbende: de rechthebbende op het auteursrecht zoals bedoeld in artikel 1 van de Auteurswet;

c. facilitair bedrijf: de onderneming die de technische realisatie van het programmaonderdeel (mede) heeft uitgevoerd;

d. locatie: de plaats waar opnamen voor een programmaonderdeel zijn of worden gemaakt;

e. loterijen: de permanente landelijke goede doelenloterijen inclusief de sporttotalisator en de Staatsloterij, die een vergunning hebben op grond van de Wet op de Kansspelen;

– (co)producent en facilitaire bedrijf –

Artikel 2

1. Aan instellingen die zendtijd hebben verkregen wordt ontheffing verleend, van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid van artikel 52 van de Mediawet, voor het vertonen in een programmaonderdeel van de naam van een (co)producent of facilitair bedrijf, onder de voorwaarden dat:

a. de vermelding of vertoning gebeurt op de aan- of aftitelrol of, voor zover het radio betreft, bij de aan- of afkondiging van het programmaonderdeel, en,

b. de vermelding of vertoning uit niet meer bestaat dan de naam en het logo van de producent of de naam van het facilitaire bedrijf.

– auteursrechthebbende –

Artikel 3

1. Aan instellingen die zendtijd hebben verkregen wordt, indien sprake is van een reclame-uiting, ontheffing verleend, van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid van artikel 52 van de Mediawet, voor het vermelden of tonen in een programmaonderdeel van de naam van een auteursrechthebbende op (een deel van) dat programmaonderdeel, onder de voorwaarden dat:

a. de vermelding of vertoning gebeurt op de aan- of aftitelrol of, voor zover het radio betreft, bij de aan- of afkondiging van het programmaonderdeel, en,

b. de vermelding of vertoning uit niet meer bestaat dan de naam van de auteursrechthebbende.

– vacaturebanken –

Artikel 4

1. Aan lokale en regionale instellingen die zendtijd hebben verkregen wordt ontheffing verleend, van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid van artikel 52 van de Mediawet, voor het vermelden of vertonen van bedrijfsnamen in combinatie met adressen, telefoonnummers of websites in een programmaonderdeel, onder de voorwaarden dat:

a. het programmaonderdeel uitsluitend bestaat uit het vermelden of vertonen van vacatures bij bedrijven of overheidsinstellingen; en

b. er niet direct of indirect wordt verwezen naar de namen van uitzendbureau’s; en

c. het betreffende bedrijf, dan wel de door dit bedrijf geëxploiteerde producten of diensten, neutraal worden getoond of vermeld.

– loterij –

Artikel 5

1. Aan instellingen die zendtijd hebben verkregen wordt ontheffing verleend, van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid van artikel 52 van de Mediawet, voor het vermelden of vertonen van naam of (beeld)merk van een loterij in een programmaonderdeel, onder de voorwaarden dat:

a. in het programmaonderdeel een trekking van een loterij bekend wordt gemaakt; en

b. de vermelding of vertoning van de naam betrekking heeft op de bekendmaking van de trekking.

– locatievermelding –

Artikel 6

1. Aan instellingen die zendtijd hebben verkregen wordt ontheffing verleend, van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid van artikel 52 van de Mediawet, voor het vermelden van de locatie, onder de voorwaarden dat:

a. de vermelding ten hoogste twee maal tijdens het programmaonderdeel wordt gedaan; en

b. de vermelding uit niet meer bestaat dan de naam en, indien dit noodzakelijk is voor de identificatie van de locatie, de plaatsnaam van de locatie.

2. Aan instellingen die zendtijd hebben verkregen wordt ontheffing verleend, van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid van artikel 52 van de Mediawet, voor het vermelden of tonen van de locatie tijdens een vooraankondiging van een programmaonderdeel waar het publiek (al dan niet tegen betaling) de opnamen kan bijwonen, onder de voorwaarde dat:

a. de vermelding of vertoning ten hoogste één maal tijdens de vooraankondiging wordt gedaan; en

b. de vermelding uit niet meer bestaat dan de naam en, indien dit noodzakelijk is voor de identificatie van de locatie, de plaatsnaam van de locatie.

Artikel 7

1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 maart 2008.

2. De generieke ontheffingen van 31 augustus 1988, 30 november 1990, 26 oktober 1992, 1 maart 1993 en 4 december 1995 worden ingetrokken.

3. Dit besluit wordt aangehaald als Besluit ontheffing reclame-uitingen.

4. Dit besluit wordt bekendgemaakt door kennisgeving ervan in de Staatscourant en op de internetsite van het Commissariaat voor de Media (www.cvdm.nl).

Commissariaat voor de Media I. Brakman, Voorzitter
J. van Cuilenburg, Commissaris

Toelichting

Het Commissariaat voor de Media ziet toe op naleving van het bepaalde in artikel 52, tweede lid, van de Mediawet en de artikelen 28 en 29 van het Mediabesluit. Het is gebruikelijk dat op de aan- of aftitelrol de namen van (co)producenten en facilitaire bedrijven worden vermeld, als ook de auteursrechthebben. Op grond van artikel 29 van het Mediabesluit zijn deze uitingen al grotendeels toegestaan bij informatieve en educatieve programma, mits aan de voorwaarden van dit artikel wordt voldaan. Bij andere programma’s is het echter niet toegestaan namen van bedrijven te vermelden. Op grond van artikel 52, derde lid, van de Mediawet kan de Minister in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 52, tweede lid, eerste volzin van de Mediawet en deze bevoegdheid delegeren aan het Commissariaat. Bij ministerieel besluit van 17 februari 1988 (Stcrt. 49) is deze bevoegdheid gedelegeerd aan het Commissariaat. Dit besluit dient om de hiervoor genoemde vermeldingen mogelijk te maken.

Behalve vermeldingen van bovengenoemde bedrijven en auteursrechthebbenden moet het naar het oordeel van het Commissariaat mogelijk zijn om bij programma’s waarin een trekking van een loterij bekend wordt gemaakt de loterij te vermelden. Ook moet het mogelijk zijn om de locatie van waaruit opnames worden gemaakt te vermelden. Ook voor deze vermeldingen geldt dat dit bij informatieve en educatieve programma’s op grond van artikel 29 van het Mediabesluit reeds mogelijk is, mits aan de voorwaarden van dit artikel wordt voldaan. De praktijk leert echter dat er juist andersoortige programma’s rondom loterijen worden gemaakt. Voor de vermelding van de naam en het beeldmerk van de loterij en voor de vermelding van de locatie wordt met dit besluit derhalve ontheffing verleend.

Tenslotte regelt het Commissariaat met dit besluit de mogelijkheid voor regionale omroepen om programma’s rondom vacaturebanken te maken.

De brieven en ontheffingsbesluiten van het Commissariaat die reeds betrekking hadden op bovengenoemde onderwerpen worden met dit besluit ingetrokken en vervangen door de generieke ontheffingen zoals geformuleerd in dit besluit. Dit betekent dat de volgende brieven en ontheffingsbesluiten vervallen:

– brief van 31 augustus 1988 waarmee op grond van artikel 52, derde lid, van de Mediawet een generieke ontheffing verleend van het bepaalde van artikel 52, tweede lid, van de Mediawet voor het vermelden op de aftitelrol van auteursrechthebbenden, (co) producenten en bedrijven die de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de technische realisatie voor hun rekening hebben genomen;

– brief van 30 november 1990 waarmee generieke ontheffing is verleend met betrekking tot de vermelding van de auteursrechthebbenden;

– publicatie van beleid met betrekking tot vertoningen en vermeldingen in het kader van vacaturebanken In de Comedia van mei 1991;

– brieven van 26 oktober 1992 en 1 maart 1993 waarmee ontheffing is verleend van het bepaalde in artikel 52, tweede lid, van de Mediawet met betrekking tot reclame-uitingen in programmaonderdelen die een relatie hebben met een loterij die daartoe de vereiste vergunning van het Ministerie van Justitie had verkregen.

– brief van 4 december 1995 waarmee ontheffing is verleend voor het vermelden van locaties waar opnamen voor een programma zijn gemaakt dan wel van waaruit een programmaonderdeel wordt uitgezonden.

Artikel 2 (co)producent en facilitaire bedrijf

De generieke ontheffing met betrekking tot vermelding van producenten en facilitaire bedrijven stamt uit 1988. Ten opzichte van de ontheffing uit 1988 is het nu ook toegestaan, met het oog op de jarenlange praktijk dienaangaande, dat niet alleen de naam, maar ook het logo van de producent, mag worden getoond.

Artikel 3 (auteursrechthebbende)

Voor invulling van het begrip rechthebbende wordt aansluiting gezocht bij de Auteurswet. Iedere maker heeft met betrekking tot een filmwerk het recht zijn naam op de daarvoor gebruikelijke plaats in het filmwerk te doen vermelden met vermelding van zijn hoedanigheid of zijn bijdrage aan het filmwerk. De gebruikelijke plaats om naamsvermeldingen te doen in een televisie- of radioprogrammaonderdeel is aan het begin of einde daarvan. Gelet op het voorgaande is ervoor gekozen ontheffing te verlenen van het bepaalde van artikel 52, tweede lid, van de Mediawet met betrekking tot vermeldingen of vertoningen van auteursrechthebbenden aan het begin of einde van het programmaonderdeel.

Onder naam wordt verstaan: de eigennaam of, in geval het een rechtspersoon betreft, de statutaire of handelsnaam van de auteursrechthebbende.

Aangezien de producent meestal (mede) auteursrechthebbende is op het programmaonderdeel zal deze ook uit dien hoofde vermeld kunnen worden.

Verder zijn alle vermeldingen die op grond van de Auteurswet zijn vereist, zoals bijvoorbeeld bij overname ‘door de pers uit de pers’ zoals ondermeer bedoeld in artikel 15 van de Auteurswet, en op grond van de Wet naburige rechten, toegestaan mits niet overdreven of overdadig vormgegeven.

Artikel 4 (vacaturebanken)

Vacaturebanken, uitgezonden door de lokale en regionale omroepinstellingen, zijn onder voorwaarden toegestaan. De naam, het adres en het telefoonnummer van een bedrijf waar een vacature bestaat, mogen worden genoemd. Dit zijn immers essentiële gegevens bij het werven van personeel.

Het is niet toegestaan om de namen van uitzendbureau’s te noemen in vacaturebanken of anderszins naar deze bemiddelaars te verwijzen. Het aanbieden van (tijdelijke) banen is een vorm van dienstverlening waaraan uitzendbureaus hun bestaansrecht ontlenen en waarmee zij hun omzet verkrijgen. Indien een uitzendbureau als bemiddelaar fungeert en niet als zodanig wordt genoemd, maar de bemiddeling via de omroepinstelling loopt, is dit in strijd met het dienstbaarheidsverbod.

De ontheffing is beperkt tot vacaturebanken, uitgezonden door lokale en regionale omroepinstellingen, omdat reclame-uitingen uitgezonden in landelijke vacaturebanken een dermate wervend effect voor de betreffende bedrijven hebben dat een ontheffing niet wenselijk wordt geacht. Daarnaast komen landelijke vacaturebanken, vanwege het grote verzorgingsgebied, in de praktijk nauwelijks voor.

De betreffende bedrijven, dan wel de door deze bedrijven geëxploiteerde producten of diensten, mogen slechts neutraal worden getoond of vermeld. Op grond van deze ontheffing is het derhalve niet mogelijk om de in de vacaturebank vermelde of getoonde bedrijven, of de door hen geëxploiteerde producten of diensten, aan te prijzen of anderszins wervend te tonen of te vermelden.

Artikel 5 (loterij)

Een loterij wordt niet aangemerkt als een instelling zoals bedoeld in artikel 3 van de Mediawet aangezien zij niet als een instelling met een liefdadig karakter kan worden gekwalificeerd. Dat de loterijen die een vergunning op grond van artikel 3 van de Wet op de kansspelen (Wok) hebben verkregen een minimumpercentage van hun omzet aan goede doelen dienen af te dragen, doet hier niet aan af.

De ontheffing heeft betrekking op programmaonderdelen waarin een trekking plaatsvindt van de, op grond van de Wok toegestane, landelijke kansspelen, met uitzondering van de casinospelen.

Deze ontheffing is een verscherping van het tot nu toe gehanteerde beleid in die zin dat de ontheffing niet langer geldt voor het gebruik van de naam van de loterij in de titel van het programmaonderdeel. Loterijenprogramma’s zijn tegenwoordig zo talrijk en algemeen van aard dat er geen grond meer is voor een dergelijk ruime ontheffing.

Het organiseren van een loterij kan niet worden aangemerkt als een toegestane nevenactiviteit in de zin van artikel 57a van de Mediawet.

Aangezien het (verkapt) oproepen tot het kopen van loten moet worden aangemerkt als een reclameboodschap in de zin van de Mediawet, kan voor dergelijke oproepen geen ontheffing worden verleend en zijn deze dan ook niet toegestaan. Oproepen in een programmaonderdeel om deel te nemen aan belspelletjes die alleen toegankelijk zijn voor kijkers die een lot hebben gekocht, worden aangemerkt als een reclameboodschap.

De ontheffing heeft betrekking op bekendmakingen van trekkingen van een loterij. Een uitreiking van een prijs wordt niet als een trekking aangemerkt.

Artikel 6 (locatie)

Deze ontheffing heeft betrekking op het vermelden van de naam van de locatie tijdens het programmaonderdeel inclusief de voor- en afkondiging. Vermelding van de locatie in de titel van het programmaonderdeel is dus niet toegestaan.

Vertoningen van de locatie worden getoetst aan de mediarechtelijke bepalingen terzake, zoals artikel 52b, derde lid, van de Mediawet en de artikelen 28 en 29 van het Mediabesluit. Op grond van deze laatstgenoemde artikelen uit het Mediabesluit is het in ieder geval niet toegestaan om op de gevel van een locatie in- of uit te zoomen, deze (vrijwel) beeldvullend of anderszins op overdreven of overdadige wijze te tonen dan wel de locatie of de daar aangeboden producten of diensten aan te prijzen.