Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2008, 44 pagina 8Besluiten van algemene strekking

Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 28 februari 2008, nr. WJZ 8024254, houdende aanwijzing van categorieën productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2008 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008)

De Minister van Economische Zaken, na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Financiën,

Gelet op de artikelen 31, negende lid, en 77c van de Elektriciteitswet 1998 en 7, 8, 10, 11, eerste lid, 12, 15, derde lid, 25, 27, 28, eerste lid, 29 en 32, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en artikel 6, eerste lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie;

Besluit:

§ 1

Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. Minister: de Minister van Economische Zaken;

b. besluit: het Besluit stimulering duurzame energieproductie;

c. productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op land: een productie-installatie die niet is opgericht in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone, waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd met behulp van windenergie;

d. productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van afvalverbranding: een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit de warmte die uitsluitend of in hoofdzaak is geproduceerd door:

1°. de verbranding van afvalstoffen,

2°. een andere thermische behandeling van afvalstoffen dan bedoeld onder 1° ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand, of

3°. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling van afvalstoffen;

e. gewogen maandelijks rendement: het rendement, bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit;

f. productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met gebruik van stortgas of biogas uit afvalwater- of rioolwaterzuiveringsinstallaties: een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd:

1°. uit gas dat vrijkomt tengevolge van biologische afbraakreacties uit gestorte afvalstoffen, of

2°. uit gas dat vrijkomt tengevolge van biologische afbraakreacties bij de zuivering van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en afvloeiend hemelwater;

g. co-vergisting van dierlijke mest: de biologische afbraakreacties van in hoofdzaak verpompbare vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren en een of meer producten genoemd in de Meststoffenbeschikking 1977, bijlage I, hoofdstuk III, typeaanduiding ‘co-vergiste mest’ zoals deze luidde op 31 december 2007;

h. NTA 8003: de Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 1 december 2003;

i. vergisting van groente-, fruit- en tuinafval: de biologische afbraakreacties van biomassa als bedoeld in de nummers 601 tot en met 609 van de NTA 8003;

j. thermische conversie van vaste biomassa: de omzetting van biomassa als bedoeld in de NTA 8003, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 540 tot en met 548 van de NTA 8003, door middel van:

1°. verbranding,

2°. een andere thermische behandeling dan bedoeld onder 1° ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand, of

3°. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling;

k. productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas met gebruik van stortgas of biogas uit afvalwater- of rioolwaterzuiveringsinstallaties: een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd:

1°. uit gas dat vrijkomt tengevolge van biologische afbraakreacties uit gestorte afvalstoffen, of

2°. uit gas dat vrijkomt tengevolge van biologische afbraakreacties bij de zuivering van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en afvloeiend hemelwater.

§ 2

Hernieuwbare elektriciteit

§ 2.1

Algemeen

Artikel 2

Het subsidieplafond voor het in 2008 verlenen van subsidies voor de productie van hernieuwbare elektriciteit bedraagt € 1328 miljoen.

§ 2.2

Windenergie op land

Artikel 3

1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan producenten van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op land.

2. Aanvragen om subsidie als bedoeld in het eerste lid, worden ingediend in de periode van 1 april 2008 tot 1 december 2008.

Artikel 4

1. Het subsidieplafond voor het in de artikel 3, tweede lid, bedoelde periode verlenen van subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt € 796 miljoen.

2. De Minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 5

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

Artikel 6

Het maximaal aantal vollasturen voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op land bedraagt 1760 uren per jaar.

Artikel 7

Het basisbedrag, bedoeld in artikel 11 van het besluit, voor subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt € 0,110 per kWh.

Artikel 8

De basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12 van het besluit, voor subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt € 0,050 per kWh.

§ 2.3

Fotovoltaïsche zonnepanelen

Artikel 9

1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan producenten van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht met behulp van fotovoltaïsche zonnepanelen met een vermogen groter dan 0,6 kWp en kleiner of gelijk aan 3,5 kWp, welke zijn geplaatst op, aan of tegen een bouwwerk waarvoor een bouwvergunning als bedoeld in de Woningwet is verkregen.

2. Aanvragen om subsidie als bedoeld in het eerste lid, worden ingediend in de periode van 1 april 2008 tot 1 augustus 2008.

Artikel 10

1. Het subsidieplafond voor het in de artikel 9, tweede lid, bedoelde periode verlenen van subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, bedraagt € 46 miljoen.

2. De Minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 11

Subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

Artikel 12

Het maximaal aantal vollasturen voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht met behulp van fotovoltaïsche zonnepanelen met een vermogen groter dan 0,6 kWp en kleiner of gelijk aan 3,5 kWp, welke zijn geplaatst op, aan of tegen een bouwwerk waarvoor een bouwvergunning als bedoeld in de Woningwet is verkregen, bedraagt 850 uren per jaar.

Artikel 13

Het basisbedrag, bedoeld in artikel 11 van het besluit, voor subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, bedraagt € 0,564 per kWh.

Artikel 14

De basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12 van het besluit, voor subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, bedraagt € 0,205 per kWh.

§ 2.4

Afvalverbranding

Artikel 15

1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan producenten van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van afvalverbranding die voldoet aan de in de bijlage bij deze regeling opgenomen emissie-eisen.

2. Aanvragen om subsidie als bedoeld in het eerste lid, worden ingediend in de periode van 1 april 2008 tot 1 augustus 2008.

Artikel 16

Voor subsidie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, is de rapportageverplichting, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie niet van toepassing.

Artikel 17

1. Het subsidieplafond voor het in de artikel 15, tweede lid, bedoelde periode verlenen van subsidie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, bedraagt € 187 miljoen.

2. De Minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 18

Subsidie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

Artikel 19

Het maximaal aantal vollasturen voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van afvalverbranding bedraagt 3880 uren per jaar.

Artikel 20

Het basisbedrag, bedoeld in artikel 11 van het besluit, voor subsidie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, bedraagt:

a. bij een gewogen maandelijks rendement groter dan 22% en kleiner of gelijk aan 23%, € 0,115 per kWh;

b. bij een gewogen maandelijks rendement groter dan 23% en kleiner of gelijk aan 24%, € 0,115 per kWh;

c. bij een gewogen maandelijks rendement groter dan 24% en kleiner of gelijk aan 25%, € 0,117 per kWh;

d. bij een gewogen maandelijks rendement groter dan 25% en kleiner of gelijk aan 26%, € 0.117 per kWh;

e. bij een gewogen maandelijks rendement groter dan 26% en kleiner of gelijk aan 27%, € 0,119 per kWh;

f. bij een gewogen maandelijks rendement groter dan 27% en kleiner of gelijk aan 28%, € 0,121 per kWh;

g. bij een gewogen maandelijks rendement groter dan 28% en kleiner of gelijk aan 29%, € 0,125 per kWh;

h. bij een gewogen maandelijks rendement groter dan 29% en kleiner of gelijk aan 30%, € 0,130 per kWh;

i. bij een gewogen maandelijks rendement groter dan 30% en kleiner of gelijk aan 31%, € 0,133 per kWh;

j. bij een gewogen maandelijks rendement groter dan 31%, € 0,137 per kWh.

Artikel 21

De basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12 van het besluit, voor subsidie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, bedraagt € 0,093 per kWh.

§ 2.5

Stortgas of biogas uit afvalwater- of rioolwaterzuiveringsinstallaties

Artikel 22

1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan producenten van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met gebruik van stortgas of biogas uit afvalwater- of rioolwaterzuiveringsinstallaties die voldoet aan de in de bijlage bij deze regeling opgenomen emissie-eisen.

2. Aanvragen om subsidie als bedoeld in het eerste lid, worden ingediend in de periode van 1 april 2008 tot 1 augustus 2008.

Artikel 23

Voor subsidie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, is de rapportageverplichting, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie niet van toepassing.

Artikel 24

1. Het subsidieplafond voor het in de artikel 22, tweede lid, bedoelde periode verlenen van subsidie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, bedraagt € 10 miljoen.

2. De Minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 25

Subsidie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

Artikel 26

Het maximaal aantal vollasturen voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met gebruik van stortgas of biogas uit afvalwater- of rioolwaterzuiveringsinstallaties bedraagt 8000 uren per jaar.

Artikel 27

Het basisbedrag, bedoeld in artikel 11 van het besluit, voor subsidie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, bedraagt € 0,058 per kWh.

Artikel 28

De basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12 van het besluit, voor subsidie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, bedraagt € 0,045 per kWh.

§ 2.6

Biomassa

Artikel 29

1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan producenten van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door:

a. verbranding van het biogas uit co-vergisting van dierlijke mest,

b. verbranding van het biogas uit vergisting van groente-, fruit- en tuinafval, of

c. inzet van warmte verkregen uit thermische conversie van vaste biomassa met een nominaal elektrisch vermogen kleiner of gelijk aan 50 MW,

die voldoet aan de in de bijlage bij deze regeling opgenomen emissie-eisen.

2. Aanvragen om subsidie als bedoeld in het eerste lid, worden ingediend in de periode van 1 april 2008 tot 1 augustus 2008.

Artikel 30

1. Het subsidieplafond voor het in de artikel 29, tweede lid, bedoelde periode verlenen van subsidie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, bedraagt € 289 miljoen.

2. De Minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 31

Subsidie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

Artikel 32

Het maximaal aantal vollasturen voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door:

a. verbranding van het biogas uit co-vergisting van dierlijke mest,

b. verbranding van het biogas uit vergisting van groente-, fruit- en tuinafval, of

c. inzet van warmte verkregen uit thermische conversie van vaste biomassa met een nominaal elektrisch vermogen kleiner of gelijk aan 50 MW,

bedraagt 8000 uren per jaar.

Artikel 33

Het basisbedrag, bedoeld in artikel 11 van het besluit, voor subsidie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, bedraagt € 0,120 per kWh.

Artikel 34

De basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12 van het besluit, voor subsidie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, bedraagt € 0,045 per kWh.

§ 3

Hernieuwbaar gas

§ 3.1

Algemeen

Artikel 35

Het subsidieplafond voor het in 2008 verlenen van subsidies voor de productie van hernieuwbaar gas bedraagt € 16 miljoen.

§ 3.2

Stortgas of biogas uit afvalwater- of rioolwaterzuiveringsinstallaties

Artikel 36

1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan producenten van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas met gebruik van stortgas of biogas uit afvalwater- of rioolwaterzuiveringsinstallaties die voldoet aan de in de bijlage bij deze regeling opgenomen emissie-eisen.

2. Aanvragen om subsidie als bedoeld in het eerste lid, worden ingediend in de periode van 1 april 2008 tot 1 augustus 2008.

Artikel 37

Voor subsidie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, is de rapportageverplichting, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie niet van toepassing.

Artikel 38

1. Het subsidieplafond voor het in de artikel 36, tweede lid, bedoelde periode verlenen van subsidie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, bedraagt € 16 miljoen.

2. De Minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 39

Subsidie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

Artikel 40

Het maximaal aantal vollasturen voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas met gebruik van stortgas of biogas uit afvalwater- of rioolwaterzuiveringsinstallaties bedraagt 8000 uren per jaar.

Artikel 41

Het basisbedrag, bedoeld in artikel 28 van het besluit, voor subsidie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, bedraagt € 0,277 per Nm3.

Artikel 42

De basisgasprijs, bedoeld in artikel 29 van het besluit, voor subsidie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, bedraagt € 0,140 per Nm3.

§ 4

Wijzigingen in andere regelgeving

Artikel 43

In de artikelen 1, vijfde lid, 1b, aanhef, 2, eerste lid, 2a, eerste lid, en 5, vijfde lid, van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit wordt na ‘artikel 72m van de wet’ ingevoegd: of artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie.

§ 5

Slotbepalingen

Artikel 44

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit stimulering duurzame energieproductie in werking treedt.

Artikel 45

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 28 februari 2008.
De Minister van Economische Zaken, M.J.A. van der Hoeven.

Bijlage

De emissie-eisen voor productie-installaties waarbij in de artikelen 15, eerste lid, 22, eerste lid, 29, eerste lid en 36, eerste lid, van de regeling wordt verwezen naar deze bijlage, luiden als volgt.

a. Uitstoot van maximaal 200 milligram zwaveldioxide per m3 rookgas, herleid naar een temperatuur van 273 K en een druk van 101,3 kPa, na aftrek van het volume van het erin aanwezige water, berekend als waterdamp.

b. Uitstoot van maximaal 5 milligram fijn stof per m3 rookgas, herleid naar een temperatuur van 273 K en een druk van 101,3 kPa, na aftrek van het volume van het erin aanwezige water, berekend als waterdamp.

c. Uitstoot van maximaal 1200 milligram gasvormige en vluchtige organische stoffen uitgedrukt in totaal organische koolstof per m3 rookgas, herleid naar een temperatuur van 273 K en een druk van 101,3 kPa, na aftrek van het volume van het erin aanwezige water, berekend als waterdamp.

d. Uitstoot van maximaal 40 gram stikstofoxiden per GJ verbrandingswarmte.

De concentratie-eisen betreffen de daggemiddelde waarden met uitzondering van de stikstofoxide -emissie-eis voor de AVI’s. Daarvoor gelden de maandgemiddelde waarden. Bij het bepalen van de maand- en daggemiddelden dient te worden uitgegaan van de aantal dagen en uren die een installatie in werking is. Voor de berekening van de uitstoot van een installatie wordt de massaconcentratie aan zwaveldioxide , gasvormige en vluchtige organische stoffen uitgedrukt in totaal organische koolstof en totaal stof in het rookgas herleid op een rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van:

– 6 procent, indien het een installatie betreft voor vaste brandstof;

– 3 procent, indien het een installaties betreft anders dan vaste brandstof.

Toelichting

1. Doel en aanleiding

Met het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: Besluit SDE) is een voorziening gecreëerd voor stimulering van de productie van hernieuwbare elektriciteit, de productie van hernieuwbaar gas en de productie van elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling (hierna: WKK). Het Besluit SDE komt in de plaats van de subsidie voor de milieukwaliteit elektriciteitsproductie (hierna: MEP) en draagt bij aan het halen van de doelstellingen voor duurzame energie en reductie van broeikasgasemissies. De basis van het Besluit SDE wordt gevormd door artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies.

In deze regeling wordt de mogelijkheid tot stimulering van de productie van hernieuwbare elektriciteit en de productie van hernieuwbaar gas ingevuld voor het jaar 2008. De mogelijkheid tot stimulering van de productie van elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling is in de onderhavige regeling niet ingevuld.

In het Besluit SDE is bepaald dat een aantal onderdelen bij Ministeriële regeling wordt vastgesteld. In deze regeling wordt voor het jaar 2008 een aantal, voor de subsidieverlening bepalende factoren vastgesteld. Het gaat daarbij met name om de volgende aspecten.

a. De categorieën productie-installaties die in aanmerking komen voor subsidie.

b. Het basisbedrag per kWh of per Nm3 aardgasequivalent.

c. De basiselektriciteitsprijs ingeval van hernieuwbare elektriciteit en de basisgasprijs ingeval van hernieuwbaar gas.

d. De subsidieplafonds voor de verschillende categorieën productie-installaties.

e. De looptijd of de subsidieperiode van de subsidiebeschikking.

f. Het maximaal aantal vollasturen waarover jaarlijks subsidie wordt uitgekeerd voor de verschillende categorieën productie-installaties.

g. De wijze van verdeling van het beschikbare subsidiebedrag voor de verschillende categorieën productie-installaties.

2. Uitgangspunten basisbedragen en categorie-indeling

Een belangrijk onderdeel van de onderhavige regeling betreft het vaststellen van de basisbedragen per kWh of Nm3 aardgasequivalent. De basisbedragen worden zodanig gekozen dat zij maximaal de gemiddelde kosten per energie-eenheid van een productie-installatie reflecteren.

Naast de basisbedragen zijn ook de jaarlijks vast te stellen correctiebedragen en de basiselektriciteitsprijs of basisgasprijs (zie hierna) relevant voor de berekening van het daadwerkelijke jaarlijks subsidietarief. Voor een toelichting op de berekeningssystematiek wordt verwezen naar paragraaf 2.5 van de nota van toelichting bij het Besluit SDE.

Er zijn verschillende wijzen van productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbaar gas, met onderlinge verschillen in de gemiddelde kosten per energie-eenheid. Daarom zijn in deze regeling verschillende categorieën productie-installaties onderscheiden. Het gaat om:

a. productie-installaties voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op land;

b. productie-installaties voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht met behulp van fotovoltaïsche zonnepanelen met een vermogen groter dan 0,6 kWp tot en met 3,5 kWp;

c. productie-installaties voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit met behulp van afvalverbranding met een rendement groter dan 22%;

d. productie-installaties voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit met gebruik van stortgas of biogas uit afvalwater- en rioolwaterzuiveringsinstallaties;

e. productie-installaties voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit met behulp van thermische conversie van vaste biomassa met een nominaal elektrisch vermogen van ten hoogste 50 MW, co-vergisting van dierlijke mest en vergisting van groente-, fruit- en tuinafval;

f. productie-installaties voor de opwekking van hernieuwbaar gas met gebruik van stortgas of biogas uit afvalwater- en rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Bij bovenstaande categorie-indeling hebben de volgende factoren een rol gespeeld.

In de eerste plaats is een onderscheid gemaakt naar de gebruikte duurzame energiebronnen. Dit zijn: wind, zon en biomassa. Binnen deze energiebronnen is gezocht naar categorieën installaties met vergelijkbare gemiddelde kostprijs per geproduceerde energie-eenheid. Daarbij is gebruik gemaakt van de door ECN en KEMA uitgevoerde berekeningen van de basisbedragen voor de diverse categorieën productie-installaties, zoals opgenomen in het rapport ‘Technisch-economische parameters van duurzame elektriciteitsopties in 2008–2009; eindadvies basisbedragen voor de SDE-regeling’, ECN-E--08-003 (zie http://www.ecn.nl/nl/ps/onderzoeksprogramma/hernieuwbare-energie/sde/). Er is voor gekozen de bandbreedte van de gemiddelde kosten per energie-eenheid binnen een categorie zo klein mogelijk te houden, met inachtneming van het generieke karakter van deze subsidieregeling. Dit is een voorwaarde om het basisbedrag zo nauwkeurig mogelijk aan te laten sluiten bij de daadwerkelijk gemiddelde kosten per geproduceerde energie-eenheid.

Verder is gekeken naar de kosteneffectiviteit van de verschillende categorieën productie-installaties in relatie tot het toekomstig mogelijke potentieel en te realiseren kostendalingen van deze categorieën. Daarbij is geconcludeerd dat de inzet van biomassa in een aantal gevallen te kostbaar is in relatie tot de genoemde aspecten om een volledige afdekking van de kosten via deze regeling te rechtvaardigen. Op grond van deze afweging is het basisbedrag voor de inzet van biomassa voor energieproductie in deze regeling gemaximeerd op € 0,12 per kWh en € 0,44 per Nm3 aardgasequivalent.

Voor de productie van hernieuwbare elektriciteit zijn de biomassa-categorieën welke op basis van het ECN-advies een basisbedrag rond of boven de genoemde € 0,12 per kWh nodig hebben samengevoegd tot één categorie. Deze categorie is hierboven opgenomen onder punt e. Er is namelijk geen reden om de duurdere categorieën volledig uit te sluiten. Het is aan de markt om te bezien of men binnen deze categorie projecten kan realiseren bij een basisbedrag van € 0,12 per kWh.

Voor de productie van hernieuwbaar gas komen in 2008 alleen installaties die gebruik maken van stortgas of biogas uit afvalwater- en rioolwaterzuiveringsinstallaties in aanmerking voor subsidie. Voor deze categorie wordt het door ECN geadviseerde basisbedrag van € 0,277 per Nm3 in deze regeling overgenomen. De overige opties zijn dermate kostbaar in relatie tot de genoemde bovengrens van € 0,44 per Nm3 aardgasequivalent, dat er naar verwachting geen initiatieven van de grond zullen komen. Op grond daarvan wordt er geen categorie voor deze overige hernieuwbaar gas-opties opengesteld.

Alhoewel wind op zee een techniek is die in aanmerking kan komen voor stimulering vanuit de SDE, is er voor gekozen om deze categorie in 2008 niet open te stellen, omdat het aantal in dit jaar te verwachten aanvragen voor deze categorie te gering is.

Verder is bij de categorie-indeling voor 2008 ook rekening gehouden met de risico’s ten aanzien van de duurzaamheid van de in te zetten biomassa met betrekking tot onder andere de broeikasgasbalans, biodiversiteit, landgebruik en concurrentie met voedsel. Op basis van dit aspect zal in 2008 geen subsidie worden verstrekt voor grootschalige biomassa mee- en bijstookinstallaties en voor installaties die geheel of gedeeltelijk gebruik maken van vloeibare oliën of vetten. Voor de bepaling van de duurzaamheid van biomassa kan in deze regeling geen gebruik worden gemaakt van certificering en berekeningen ten aanzien van de broeikasgasbalans. In principe kunnen door middel van certificaten en broeikasgasberekeningen met grote mate van zekerheid de duurzame stromen onderscheiden worden van de niet-duurzame stromen. Echter, deze certificeringsystemen zijn nog onvoldoende voorhanden voor veel van de biomassastromen. Voor sommige biomassastromen is dit in ontwikkeling, maar bij andere stromen moet dit nog ontwikkeld worden. De certificeringsystemen en de daaraan gekoppelde productiestandaard moeten vervolgens worden getoetst aan de duurzaamheidcriteria uit het ‘Toetsingskader duurzame biomassa’ om vast te kunnen stellen of deze systemen voldoende waarborg bieden voor duurzame productie. Daarnaast is de broeikasgasberekeningsmethodiek die ontwikkeld wordt, nog niet betrouwbaar genoeg om hiervan in het kader van deze regeling gebruik te kunnen maken. In 2008 zal de methodiek aan de hand van de rapportage voor het eerst in de praktijk gebruikt worden. Aan de hand van deze resultaten zal de methodiek verder ontwikkeld worden, waarbij rekening gehouden zal worden met ontwikkelingen binnen de EU op dit gebied. Teneinde ook in 2008 zoveel mogelijk te voorkomen dat inzet van biomassa met risico’s ten aanzien van de duurzaamheid via de SDE worden gestimuleerd, zijn installaties die geheel of gedeeltelijk gebruik maken van vloeibare oliën of vetten binnen deze regeling uitgesloten.

Tot besluit is bij thermische conversie van biomassa een grens gesteld aan het maximale vermogen van een installatie. De facto wordt daarmee grootschalige biomassa mee- en bijstook in kolen- en gascentrales uitgesloten. Bij de optie van bij- en meestook dient subsidie bijna uitsluitend als compensatie voor de hogere brandstofkosten. De inzet van deze brandstoffen heeft echter geen structureel karakter, omdat afhankelijk van de met de biomassaprijs variërende rentabiliteit van de optie, een producent kan wisselen tussen de inzet van biomassa en fossiel. Bij de vanuit de MEP gesubsidieerde installaties heeft dit effect zich in de praktijk voorgedaan. De rentabiliteit van biomassa-inzet kan sterk wisselen door schommelingen in de biomassaprijs. Zolang er geen goede en betrouwbare prijsindices voor biomassa zijn, is het niet goed mogelijk om met subsidietarieven te corrigeren voor deze schommelingen. Het is in eerste instantie aan de sector om een oplossing te zoeken voor het ontbreken van de genoemde prijsindices. Daarnaast zal worden bezien of verdere intensivering van de stimulering van de bij- en meestook van biomassa wenselijk is en welke rol de SDE daarbij dient te spelen.

3. Normen voor de emissie van zwaveldioxide, totale koolwaterstoffen (als C), fijn stof en stikstofoxiden

Voor de in paragraaf 2, onder c, d, e en f genoemde categorieën worden maximumnormen gesteld ten aanzien van de emissie van zwaveldioxide, totale koolwaterstoffen (als C), fijn stof en stikstofoxiden. Met deze normen worden de duurzaamheidsaspecten met betrekking tot de luchtemissies gewaarborgd. Uit oogpunt van uniformiteit is steeds dezelfde norm gehanteerd voor de bovengenoemde installaties. Dit is voor stikstofoxiden de prestatienorm (PSR) in het kader van de NOx-emissiehandel en voor zwaveldioxide, fijn stof en totale koolwaterstoffen is aangesloten op de voorgenomen emissiegrenswaarden van de herziening van BEES-B. Installaties dienen te voldoen aan de uit de wet- en regelgeving voortvloeiende verplichtingen, zoals uit het BvA, BEES-B en de IPPC-richtlijn. De aanvullende eisen dienen om lacunes te vullen, waar de prestatie-eisen nog niet overeenkomen met duurzaamheidseisen. In een aantal gevallen, met name bij de afvalverbranding, gaan de eisen in het kader van de milieuregelgeving verder dan de aanvullende eisen die zijn opgenomen in de bijlage. Ter wille van eenduidigheid zijn echter ook voor die installaties eisen gesteld in deze regeling. In de praktijk hebben deze eisen evenwel geen betekenis voor deze productie-installaties.

4. Berekeningswijze basisbedragen

Voor het vaststellen van de basisbedragen voor 2008 is gebruik gemaakt van de eerder genoemde, door ECN en KEMA uitgevoerde berekeningen van de basisbedragen voor de diverse categorieën productie-installaties.

Het basisbedrag voor de inzet van biomassa voor energieproductie in deze regeling is gemaximeerd op € 0,12 per kWh en een aantal biomassa-categorieën zijn samengevoegd tot één categorie. Voor deze samengevoegde categorieën wordt dus niet het door ECN geadviseerde basisbedrag gehanteerd, maar het eerder genoemde basisbedrag van € 0,12 per kWh.

Bij wind op land is het basisbedrag door ECN berekend bij realisatie van gemiddeld 2200 vollasturen per jaar gedurende de looptijd van de beschikking (15 jaar). Windenergie heeft echter als kenmerk dat de opbrengst in extreme situaties in enig kalenderjaar tot wel 20% kan afwijken van het verwachte gemiddelde. Voor de opbrengst aan elektriciteitsinkomsten over de totale looptijd van de beschikking maakt dit niet uit, aangezien een slecht jaar gemiddeld gecompenseerd zal worden door een goed jaar. Dit geeft ook gelijk een prikkel aan de exploitant om te streven naar maximale efficiency, goede locaties en zo hoog mogelijke beschikbaarheid voor de windmolen vanwege de extra elektriciteitsinkomsten. Voor de subsidie ligt dit anders. In deze regeling wordt het maximaal aantal vollasturen vastgesteld waarover per jaar subsidie kan worden uitgekeerd. Het ligt in de rede om dat aantal vast te stellen op het aantal dat ECN heeft gebruikt voor de berekening van het basisbedrag. Voor wind op land zou dit neerkomen op een maximum van 2200 vollasturen. Dit maximum zou echter met zich meebrengen dat een windmolenexploitant in een slecht windjaar (bijvoorbeeld een jaar met 2000 vollasturen) minder subsidie krijgt, terwijl dit niet kan worden gecompenseerd in een goed wind jaar (bijvoorbeeld een jaar met 2400 vollasturen), omdat de subsidie is gemaximeerd op genoemde 2200 vollasturen per jaar. Over de totale looptijd van de beschikking krijgt de exploitant dan minder subsidie dan gewenst wordt geacht. Om dit te voorkomen, wordt de subsidie uitgekeerd over maximaal 80% van het veronderstelde gemiddelde aantal vollasturen (i.c. 80% x 2200 vollasturen = 1760). De verwachting is gerechtvaardigd dat dit aantal vollasturen ook in zeer windarme jaren gerealiseerd zal kunnen worden. Het basisbedrag is echter zoals gezegd door ECN berekend bij een gemiddelde realisatie van 2200 vollasturen. Om er voor te zorgen dat exploitanten bij dit bijgestelde maximum van 1760 vollasturen geen lager subsidiebedrag ontvangen, wordt het basisbedrag gedeeld door de genoemde factor van 80%, ofwel vermenigvuldigd met een factor 1,25. Dezelfde correctie wordt ook toegepast bij het vaststellen van de basiselektriciteitsprijs en bij het jaarlijks vast te stellen correctiebedrag. Het basisbedrag voor wind op land is dus gelijk aan het advies van ECN, maar dan vermenigvuldigd met een factor 1,25 en het aantal vollasturen wordt beperkt tot 80% van 2200 wat gelijk is aan 1760. Ook in de komende subsidiejaren zal de factor van 80% aangehouden worden voor de categorie wind op land.

Bij de categorie afvalverbrandingsinstallaties is de primaire taak van een afvalverbrandingsinstallatie – het verbranden van afval – als uitgangspunt genomen. Afval bestaat gemiddeld voor 48% uit biogene fractie. De warmte die vrij komt bij het verbranden van dit deels biogene afval dient nuttig te worden aangewend in de vorm van elektriciteit of warmte. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de duurzame energiedoelstelling. Vanwege de genoemde primaire taak is subsidiëring van een standaard-afvalverbrandingsinstallatie vanuit het energiebeleid niet nodig. Om voor subsidie in aanmerking te komen, dienen afvalverbrandingsinstallaties meer energie te produceren uit het gedeeltelijk biogene afval, waarmee zij een extra bijdrage leveren aan het behalen van de duurzame-energiedoelstelling. Dit komt tot uiting in hogere rendementen dan bij standaardinstallaties.

Gelet op de duurzame energiedoelstelling, de doelstellingen van het afvalbeleid in Nederland en de huidige stand van de techniek, is het minimum rendement dat een afvalverbrandingsinstallatie moet behalen om voor subsidiëring onder deze regeling in aanmerking te komen 22% (de standaard rendementsnorm van een gemiddelde afvalverbrandingsinstallatie). Om deze reden komen installaties met een rendement van 22% of lager niet in aanmerking voor subsidie. Dit is ook in overeenstemming met het afvalbeleid, zoals geformuleerd in het Landelijk afvalbeheerplan 2002–2012 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Kamerstukken II 2002/03, 28 600 XI, nr. 93).

Om tot een hoger rendement te komen zijn additionele investeringen vereist ten opzichte van een afvalverbrandingsinstallatie die de rendementsnorm van 22% haalt. Deze additionele investeringen worden meegerekend bij het berekenen van de basisbedragen. Bij deze berekeningen is rekening gehouden met de volgende uitgangspunten.

a. Er wordt niet uitgegaan van de gemiddelde kosten van de gehele installatie, maar uitsluitend van de kosten van de delen van de afvalverbrandingsinstallatie die nodig zijn om elektriciteit op te wekken en in te voeden op het net. De berekeningen hebben daarom betrekking op het energiebedrijf van de afvalverbrandingsinstallatie. Bij de investeringsbeslissing om meer duurzame energie met een hoog rendement op te wekken, zijn immers alleen de kosten van de energieopwekking bepalend.

b. Voor het bepalen van de hoogte van het basisbedrag zijn uitsluitend de additionele investeringskosten en bedrijfsvoeringkosten ten opzichte van een standaard afvalverbrandingsinstallatie met een energetisch rendement van 22% bepalend.

c. De meerkosten van de energieopwekking zullen toenemen naarmate het rendement toeneemt. Daarom is het basisbedrag bij afvalverbrandingsinstallaties afhankelijk gemaakt van de hoogte van het rendement. Dit komt tot uiting in een per procentpunt rendementstoename oplopend basisbedrag (de zogenaamde staffel; zie hieronder).

Afval bestaat gemiddeld voor 48% uit biogene fractie. Alleen energie-opwekking uit dit deel van het afval is te beschouwen als hernieuwbaar en komt op basis daarvan voor subsidie in aanmerking. In de praktijk betekent dit dat 48% van de totaal geproduceerde elektriciteit voor subsidie vanuit de SDE in aanmerking komt. De door ECN en KEMA berekende basisbedragen voor afvalverbrandingsinstallaties met een verschillend energetisch rendement die ten grondslag hebben gelegen aan de staffel, zijn echter berekend op basis van de volledige elektriciteitsproductie. Wanneer een op basis van deze bedragen berekend subsidiebedrag alleen wordt uitgekeerd over 48% van de productie, zijnde het biogene deel, dan is de subsidie niet voldoende om de kosten te dekken. De op basis van de ECN-berekeningen vastgestelde staffelbedragen moeten dus worden gedeeld door 48% om dit effect te compenseren. Dit leidt tot het volgende beeld:

Energetisch rendement van de AVI

Op basis van ECN-rapport vastgesteld basisbedrag

Basisbedrag in deze regeling = Basisbedrag op basis van ECN/0,48

22% t/m 23%

€ 0,055

€ 0,115

23% t/m 24%

€ 0,055

€ 0,115

24% t/m 25%

€ 0,056

€ 0,117

25% t/m 26%

€ 0,056

€ 0,117

26% t/m 27%

€ 0,057

€ 0,119

27% t/m 28%

€ 0,058

€ 0,121

28% t/m 29%

€ 0,060

€ 0,125

29% t/m 30%

€ 0,062

€ 0,130

30% t/m 31%

€ 0,064

€ 0,133

Meer dan 31%

€ 0,066

€ 0,137

Net als bij wind op land zal dezelfde correctiefactor ook worden toegepast bij het vaststellen van de basiselektriciteitsprijs en bij het jaarlijks vast te stellen correctiebedrag.

5. Vaststelling basiselektriciteitsprijs en basisgasprijs

Naast de basisbedragen zijn ook de jaarlijks vast te stellen correctiebedragen en de basiselektriciteitsprijs of basisgasprijs van belang voor de berekening van het daadwerkelijke jaarlijkse subsidiebedrag. De basiselektriciteitsprijs en basisgasprijs worden in deze regeling vastgesteld en hieronder toegelicht. De jaarlijkse correctiebedragen ten behoeve van de voorschotverlening en de jaarlijkse vaststelling van het voorschot worden in aparte Ministeriële regelingen vastgesteld.

De basiselektriciteitsprijs en de basisgasprijs vertegenwoordigen de laagste waarde van de elektriciteits- en gasprijs waarmee zal worden gecorrigeerd. Dit is de grens tot waar de elektriciteit- en gasprijs wordt aangevuld met subsidie tot het basisbedrag.

Met de vaststelling van de basiselektriciteitsprijs en de basisgasprijs wordt voorkomen dat het subsidietarief bij sterk dalende elektriciteit- en gasprijzen kan blijven oplopen. Tevens wordt voorkomen dat relatief grote budgettaire reserveringen zijn vereist. Dit zou ten koste gaan van het aantal beschikkingen dat kan worden afgegeven op basis van het Besluit SDE.

De basiselektriciteitsprijs en de basisgasprijs vertegenwoordigen een risico voor de producent. Indien de daadwerkelijke energieprijs lager is dan de basiselektriciteits- of gasprijs, zal het subsidietarief immers niet langer voldoende zijn om de gemiddelde kosten per kWh of Nm3 gas te dekken. Het is dus van belang om bij de vaststelling van de basiselektriciteitsprijs of de basisgasprijs de twee bovengeschetste belangen tegen elkaar af te wegen. In overleg met deskundigen en vertegenwoordigers van marktpartijen is ervoor gekozen om de basiselektriciteitsprijs en de basisgasprijs vast te stellen op 2/3 van de voor de lange termijn verwachte voor de betreffende categorie relevante energieprijs. Het risico van de producent is bij dit niveau relatief gering, terwijl de regeling budgettair beheersbaar blijft zonder noodzaak om onevenredig grote overreserveringen te hoeven aanhouden. Overigens is in de basisbedragen een premie opgenomen ter compensatie van het risico dat de producent loopt als gevolg van de basiselektriciteits en -⁠gasprijs.

In deze regeling worden de volgende lange termijn prijzen gebruikt:

a. elektriciteitsproductie baseload: € 0,067 per kWh;

b. elektriciteitsleveringstarief (kleinverbruikers): € 0,086 per kWh

c. gasprijs: € 0,21 per Nm3 gas.

Voor de categorie zon-pv met een vermogen groter dan 0,6 kWp tot en met 3,5 kWp wordt de basiselektriciteitsprijs gebaseerd op het afnemerstarief voor kleinverbruikers, omdat dit tarief de voor de betreffende categorie relevante energieprijs is. Het afnemerstarief bestaat slechts voor een deel uit elektriciteitskosten. Daarnaast bestaat dit tarief uit belastingen en transportkosten. De factor 2/3 wordt in onderstaande uitgewerkte berekening dan ook uitsluitend op bovengenoemd elektriciteitsleveringstarief toegepast. De belastingen en transportkosten worden in onderstaande berekening aangeduid als opslagen.

Voor de categorie wind op land worden de prijsbepalende elementen die in het jaarlijks vast te stellen correctiebedrag worden meegenomen, eveneens verwerkt in de basiselektriciteitprijs. Het gaat daarbij om onbalanskosten en profielkosten. Voor de vaststelling van de basiselektriciteitsprijs worden genoemde elementen voor de lange termijn geschat en vastgesteld in de onderhavige regeling. Voor wind op land wordt de correctiefactor in verband met onbalanskosten vastgesteld op 0,89 en de correctiefactor in verband met profielkosten op 1. Daarnaast wordt bij de vaststelling van de basiselektriciteitsprijs voor wind op land ook nog rekening gehouden met de in paragraaf 4 toegelichte factor van 1,25 i.v.m. de correctie op het maximale aantal vollasturen.

Voor de categorie afvalverbrandingsinstallaties wordt bij de vaststelling van de basiselektriciteitsprijs rekening gehouden met de in paragraaf 4 toegelichte factor van 0,48 i.v.m. het uitsluitend subsidiëren van het biogene deel van het afval.

Bovengenomde prijsbepalende elementen spelen geen rol voor alle andere categorieën productie-installaties die in deze regeling worden onderscheiden.

In concreto leidt het bovenstaande tot de volgende basiselektriciteits- en gasprijzen.

a. Wind op Land: basiselektriciteitsprijs = 2/3 * lange termijn elektriciteitsprijs (baseload) * factor i.v.m. profielkosten * factor i.v.m onbalanskosten * 1,25 = 2/3 * € 0,067 per kWh * 1 * 0,89 * 1,25 = € 0,050 per kWh.

b. Zon-PV met een vermogen groter dan 0,6 kWp tot en met 3,5 kWp: basiselektriciteitsprijs = 2/3 * lange termijn leveringstarief (kleinverbruikers) + opslagen = 2/3 * € 0,086 per kWh + € 0,148 = € 0,205 per kWh

c. Afvalverbrandingsinstallaties: basiselektriciteitsprijs = 2/3 * lange termijn elektriciteitsprijs (baseload)/0,48 = 2/3 * € 0,067/0,48 per kWh = € 0,093 per kWh

d. Alle overige categorieën: basiselektriciteitsprijs = 2/3 * lange termijn elektriciteitsprijs (baseload) = 2/3 * € 0,067 per kWh = € 0,045 per kWh en basisgasprijs = 2/3 * lange termijn gasprijs = 2/3 * € 0,21 per Nm3 = € 0,14 per Nm3

6. Vaststelling subsidieplafonds

In het Besluit SDE is voorzien dat er per categorie productie-installaties een subsidieplafond wordt vastgesteld. In deze regeling wordt hieraan invulling gegeven. Om de doelstellingen van het Kabinet op het gebied van duurzame energie binnen bereik te houden is het nu noodzakelijk om het beschikbare budget zo veel mogelijk in te zetten voor categorieën die relatief kosteneffectief zijn. Het gaat daarbij met name om wind op land. Het subsidieplafond voor deze categorie is op grond van bovengenoemde overweging zodanig vastgesteld, dat een groot deel van het voor 2008 beschikbare budget hiervoor beschikbaar is.

Zon-pv is op dit moment een relatief kostbare optie. Voor deze techniek is de verwachting dat zij in de verdere toekomst een krachtige en kosteneffectieve bijdrage kan leveren aan het bereiken van de doelstelling maar dat daarvoor eerst de marktontwikkeling op gang moet worden gebracht. Het subsidieplafond voor deze innovatieve optie is op een zodanig niveau vastgesteld dat daarmee voldoende potentieel kan worden gerealiseerd om deze marktontwikkeling op gang te brengen.

Voor de inzet van biomassa is bij de vaststelling van het subsidieplafond met name gekeken naar het verwachte potentieel van die opties die een gemiddelde kostprijs rond de eerdergenoemde € 0,12 per kWh hebben.

7. Subsidieperiode

In deze regeling wordt de subsidieperiode, de looptijd van de in 2008 af te geven beschikkingen, per categorie vastgesteld. De praktijk heeft uitgewezen dat indien de subsidieduur niet goed aansluit bij de levensduur van sommige productie-installaties, dit kan leiden tot ontmanteling van productie-installaties terwijl technisch gesproken de desbetreffende productie-installatie nog enkele jaren kan functioneren. Om dit te ondervangen is er voor gekozen om de subsidieduur in lijn te brengen met de verwachte gemiddelde technische levensduur van een categorie productie-installaties. Dit uitgangspunt is bij alle categorieën productie-installaties toegepast.

8. Maximaal aantal vollasturen waarover jaarlijks subsidie wordt uitgekeerd

In de subsidiebeschikking zal een maximumproductie per jaar worden vastgesteld waarvoor subsidie zal worden verstrekt. Voor de berekening van deze maximum productie is in deze regeling per categorie productie-installaties een maximum aantal vollasturen bepaald. Daarbij wordt voor alle categorieën, met uitzondering van wind op land en afvalverbrandingsinstallaties, het aantal vollasturen gehanteerd dat ECN heeft gebruikt voor de berekening van het basisbedrag. Bij wind op land wordt het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op 80% van het door ECN gebruikte aantal vollasturen (zie de toelichting in paragraaf 4). Bij afvalverbrandingsinstallaties wordt het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op 3880 uur. Dit is het afgeronde aantal vollasturen dat wordt verkregen wanneer het door ECN voor de standaard afvalverbrandingsinstallatie gehanteerde aantal vollasturen van 8080 uur wordt vermeningvuldigd met de in paragraaf 4 toegelichte factor van 48%. Er komt immers slechts 48% van de totale elektriciteitsproductie van een afvalverbrandingsinstallatie voor subsidie in aanmerking.

9. Vaststelling van het verdelingsmechanisme

Op grond van het Besluit SDE wordt bij Ministeriële regeling de verdelingswijze per categorie productie-installaties vastgesteld. Daarbij kan worden gekozen uit toepassing van volgorde van binnenkomst of toepassing van volgorde van rangschikking (tender). De onderhavige regeling geeft voor het jaar 2008 invulling aan deze keuze, waarbij voor alle in deze regeling genoemde categorieën voor toepassing van verdeling op volgorde van binnenkomst is gekozen. Hierbij hebben de volgende overwegingen een rol gespeeld.

Bij een tender worden aanvragers gestimuleerd om tegen een zo laag mogelijk tenderbedrag in te schrijven. Voorwaarde is dat er sprake is van een voldoende grote en competitieve markt. In andere EU-lidstaten is eerder gebruik gemaakt van tendering voor hernieuwbare energie, maar deze landen hebben de keuze voor het tender mechanisme inmiddels allemaal teruggedraaid. Er waren namelijk aanwijzingen dat een tender afbreuk deed aan de benodigde stabiliteit in het investeringsklimaat. De druk om zo laag mogelijk in te bieden bleek in de praktijk dermate groot dat het door investeerders uiteindelijk gehanteerde (lage) tenderbedrag wel tot committering van de betreffende projecten leidde, maar een daadwerkelijke realisatie daarvan in de weg stond. De winnende tenderbedragen bleken uiteindelijk onvoldoende te zijn om de projecten te kunnen realiseren. Doordat investeerders niet weten tegen welke tenderbedragen de concurrenten indienen kunnen zij zeer moeilijk een inschatting maken van de kans dat hun aanvraag gehonoreerd wordt. Dit heeft er toe geleid dat vooral de meer innovatieve en risicovolle projecten, waarvoor een lange en kostbare voorbereiding noodzakelijk is, sterk ontmoedigd werden. De genoemde onzekerheid heeft er in de praktijk toe geleid dat er minder projecten van de grond kwamen.

Vertaald naar de Nederlandse situatie kan het bovenstaande betekenen dat leereffecten worden geremd en dat een minder groot deel van het potentieel aan opties tot ontwikkeling zal komen. Dit kan er dan weer toe leiden dat kostendalingen minder snel worden gerealiseerd en dit gaat weer ten koste van de kosteneffectiviteit van de regeling.

Bij een tender worden ondernemers gedwongen om zich een beeld te vormen van de rentabiliteit van hun installatie bij verschillende tenderbedragen, terwijl ondernemers in het geval van volgorde van binnenkomst zich alleen hoeven te concentreren op de rentabiliteit van het project bij het vastgestelde basisbedrag. Het vormen van voornoemd beeld brengt hogere kosten met zich mee. Deze kosten zullen relatief zwaarder wegen naarmate het om kleinere projecten gaat.

Naar verwachting zal voor wind op land en alle biomassacategorieën in 2008 de voorwaarde van de aanwezigheid van een voldoende competitieve markt niet gerealiseerd worden. Daarnaast speelt specifiek ten aanzien van zon-pv dat het daarbij gaat om een innovatieve markt met relatief kleinschalige projecten, waarvoor de genoemde nadelen van een tender relatief zwaar wegen.

10. Administratieve lasten

10.1 Algemeen

Op basis van het Besluit SDE zullen subsidieaanvragen worden ingediend voor in complexiteit en investeringsbedrag zeer uiteenlopende projecten. Het bepalen van de administratieve lasten verbonden aan dit Besluit is alleen mogelijk door van in omvang gemiddelde projecten uit te gaan.

Kenmerkend voor het Besluit SDE is dat er voor een lange periode subsidie wordt verleend. Een producent doet eenmaal een subsidieaanvraag en ontvangt vervolgens voor vele jaren subsidie. De administratieve lasten zullen zich daarom concentreren in het jaar van aanvraag van de subsidie. De jaren erop dient men slechts (voor het betreffende jaar) een subsidievoorschot aan te vragen en indien relevant te rapporteren over de duurzaamheid van de gebruikte biomassa. In die jaren zullen de administratieve lasten daarom beperkt zijn.

Omdat zon-pv projecten qua investeringskosten en administratieve lasten over het algemeen sterk zullen afwijken van projecten uit de andere categorieën, worden voor zon-pv projecten de administratieve lasten afzonderlijk bepaald.

De administratieve lasten voor deze regeling zijn slechts in samenhang te zien met de bepalingen uit de overige regelingen die voortvloeien uit het Besluit SDE. In de Algemene uitvoeringsregeling SDE zijn de administratieve lasten per € 100 miljoen opengesteld subsidiebudget berekend waarbij rekening is gehouden met alle administratieve lasten die samenhangen met de onderliggende regelgeving van het Besluit SDE. Bij de bepaling van de hoogte van de administratieve lasten is onderscheid gemaakt tussen zon-pv en alle andere categorieën.

10.2 Administratieve lasten per € 100 miljoen opengesteld subsidiebudget

Voor alle categorieën, met uitzondering van zon-pv zullen de totale administratieve lasten per 100 miljoen euro subsidiebudget € 189.520,– bedragen, waarvan € 11.760,– voor de afgewezen aanvragen. Uitgedrukt in een percentage per € 100 miljoen subsidiebudget zijn de administratieve lasten van de regeling, exclusief de categorie zon-pv, indicatief berekend maximaal ca. 0,19%.

Voor de categorie zon-pv zullen de totale administratieve lasten per € 100 miljoen euro die wordt uitgekeerd aan niet-particulieren € 3.508.000,– bedragen, waarvan € 48.000,– voor de afgewezen aanvragen. Uitgedrukt in een percentage per € 100 miljoen subsidiebudget zijn de administratieve lasten van de regeling voor de categorie zon-pv voor niet-particulieren indicatief berekend maximaal ca. 3,5%.

Voor particulieren zijn de administratieve lasten per € 100 miljoen euro subsidiebudget dat aan hen wordt uitgekeerd 279.200 uur. Per project zijn hier over de volledige periode van 15 jaar 16,5 uur aan administratieve lasten gemoeid.

10.3 Administratieve lasten openstelling 2008

De totale administratieve lasten voor deze openstelling kunnen eenvoudig berekend worden via een omrekening op basis van evenredigheid uitgaande van de lasten bij een subsidiebudget van € 100 miljoen. Deze lasten per € 100 miljoen subsidiebudget zijn bovenstaand berekend. In totaal wordt in deze regeling € 1.328 miljoen subsidiebudget opengesteld. Dit is verdeeld in € 46 miljoen voor zon-pv en € 1.282 miljoen voor de overige categorieën.

De administratieve lasten voor de categorie zon-pv kunnen voor deze openstelling volledig worden toegerekend aan particuliere indieners en zijn: opengesteld subsidiebudget / € 100 miljoen euro * administratieve lasten (in uren) per € 100 miljoen subsidiebudget, te weten: € 46 miljoen / € 100 miljoen * 279.200 (uur) = 128.432 uur. Per project zijn hier over de volledige periode van 15 jaar 16,5 uur aan administratieve lasten gemoeid.

De administratieve lasten voor de overige categorieën zijn voor deze openstelling: opengesteld subsidiebudget / € 100 miljoen euro * administratieve lasten per € 100 miljoen subsidiebudget, te weten: € 1.282 miljoen/€ 100 miljoen * € 189.520,– = € 2.429.646,40. Het percentage administratieve lasten is ca. 0,19%.

Voor deze openstelling zijn de totale administratieve lasten derhalve € 2.429.646,40 plus.128.432 uur. Het percentage administratieve lasten is: 0,19%.

Deze regeling is ter toetsing aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten voorgelegd, die hier een positief advies over heeft uitgebracht.

De Minister van Economische Zaken,

M.J.A. van der Hoeven