Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2008, 40 pagina 18Overig

Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008

Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 februari 2008, nr. P&O/2007/53275, houdende vaststelling van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008 (Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht;

Gehoord de departementale ondernemingsraad;

Besluit:

Artikel 1

Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Ministerie: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

b. bewindspersoon: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of een Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

c. Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

d. Staatssecretaris: Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

e. secretaris-generaal: secretaris-generaal van het Ministerie,

f. plaatsvervangend secretaris-generaal: plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie,

g. directeur-generaal: directeur-generaal van het Ministerie,

h. hoofd van een inspectie: de inspecteur-generaal van het onderwijs of het hoofd van de Erfgoedinspectie,

i. hoofd van het agentschap: hoofddirecteur van het agentschap Centrale Financiën Instellingen of directeur van het agentschap Rijksarchiefdienst, zijnde het Nationaal Archief,

j. directeur: degene die aan het hoofd staat van een beleidsdirectie, een ondersteunende directie, of een ondersteunend bureau als bedoeld in de bijlage bij dit besluit,

k. budgethouder: functionaris die verantwoordelijk is voor een rechtmatig en doelmatig financieel beheer van de aan hem toegewezen budgetten,

l. budget: aan een budgethouder toegewezen verplichtingen- en kasbedrag(en) alsmede de te realiseren ontvangsten ter uitvoering van een deel van de begroting,

m. bestedingsplan ter uitvoering van de begroting, opgesteld ten behoeve van het aangaan van verplichtingen anders dan:

– in het kader van de reguliere of aanvullende bekostiging,

– in het kader van het aangaan van verplichtingen uit hoofde van de cultuurnota,

– subsidies op grond van artikel 34 van de Monumentenwet 1988,

n. managementafspraak: afspraak omtrent de vertaling van beleidsdoelen in de begroting en de doelstellingen voor de interne bedrijfsvoering naar concrete acties en activiteiten, benodigde middelen en bevoegdheden of de prestatie- en kwaliteitsnormen ten aanzien van de te leveren producten of diensten, dan wel beide, met inbegrip van het bestedingsplan,

o. personele besluiten: besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van personele aangelegenheden.

Artikel 2

Mandaat, volmacht en machtiging

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van:

a. volmacht om in naam van een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, en

b. machtiging om in naam van een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

Artikel 3

Organisatie van het Ministerie

1. Het Ministerie bestaat uit:

a. de ondersteuningskolom waaronder de ondersteunende directies vallen,

b. drie beleidskolommen (directoraten-generaal) waaronder de beleidsdirecties vallen,

c. de inspecties,

d. de agentschappen, en

e. de ondersteunende bureaus.

2. De organisatie van het Ministerie wordt nader vastgesteld door middel van de bij dit besluit behorende bijlage.

3. Wijziging van de bijlage geschiedt door de secretaris-generaal.

4. De directeur Concernondersteuning draagt zorg voor bekendmaking van de bijlage door openbare ter inzage legging op het Ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.

Artikel 4

Voorbehouden aan bewindspersonen

1. Aan de bewindspersoon is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken:

a. gericht aan de Koningin,

b. gericht aan de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers en de daaruit gevormde colleges,

c. gericht aan Ministers en Staatssecretarissen,

d. gericht aan autoriteiten in binnen- en buitenland, gelijk of hoger in rang dan een Minister of Staatssecretaris,

e. gericht aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van de uit die Kamers gevormde commissies,

f. gericht aan de Raad van State van het Koninkrijk en de Raad van State,

g. gericht aan de Algemene Rekenkamer,

h. houdende beslissingen op een beroepschrift,

i. betreffende het nemen van beloningsbesluiten ten aanzien van ambtenaren waarbij de secretaris-generaal als direct-leidinggevende optreedt, en

j. houdende algemeen verbindende voorschriften.

2. Aan de Minister is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken:

a. houdende het sluiten van huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten voor een bedrag van meer dan € 2.500.000 voor de duur van de overeenkomst, en

b. de goedkeuring van het departementale bestedingsplan.

3. De secretaris-generaal kan de stukken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met h, afdoen en ondertekenen indien daarover afspraken zijn gemaakt tussen een bewindspersoon en de secretaris-generaal. De directeur Bestuursondersteuning en Advies draagt zorg voor bekendmaking van de afspraken, door openbare ter inzage legging op het Ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.

Artikel 5

Mandaat aan SG en PSG

1. De secretaris-generaal heeft mandaat voor al hetgeen het Ministerie betreft met inachtneming van de managementafspraak tussen de Minister en de secretaris-generaal.

2. De secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal, en de hoofden van de volgens de bijlage onder hem ressorterende dienstonderdelen.

3. De plaatsvervangend secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de hoofden van de volgens de bijlage onder hem ressorterende dienstonderdelen.

4. De plaatsvervangend secretaris-generaal vervangt de secretaris-generaal bij diens afwezigheid of verhindering en in de gevallen daartoe door de secretaris-generaal aangewezen. Hij treedt alsdan in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de secretaris-generaal.

5. Voor zover de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal rechtstreeks leiding geeft aan de hoofden van de volgens de bijlage onder hem ressorterende dienstonderdelen, zijn de voorschriften die van toepassing zijn op directeuren-generaal, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6

Mandaat aan DG’s

1. De directeuren-generaal hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden op het terrein van hun directoraat-generaal.

2. De directeuren-generaal geven rechtstreeks leiding aan de hoofden van volgens de bijlage onder hen ressorterende dienstonderdelen.

3. De directeuren-generaal zijn budgethouder voor de hen door de secretaris-generaal toegewezen budgetten. De directeuren-generaal kennen aan de volgens de bijlage onder hen ressorterende hoofden de budgetten toe waarover zij kunnen beschikken.

Artikel 7

Mandaat aan hoofden van de inspecties

1. De inspecteur-generaal van het onderwijs heeft, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, met inachtneming van de Wet op het onderwijstoezicht en binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.

2. De directeur van de Erfgoedinspectie heeft, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.

3. De hoofden van de inspecties, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn budgethouder voor de hun door de secretaris-generaal toegewezen budgetten.

Artikel 8

Mandaat aan hoofden van de agentschappen

1. De hoofden van de agentschappen hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal en de directeuren-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.

2. De hoofden van de agentschappen zijn budgethouder voor de hun door de secretaris-generaal toegewezen budgetten.

Artikel 9

Mandaat aan directeuren

1. De directeuren hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal en de directeuren-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van de aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.

2. De directeuren zijn budgethouder voor de hun door de directeur-generaal toegewezen budgetten.

3. Voor zover het betreft personele besluiten hebben de directeuren mandaat onverminderd artikel 4, artikel 12, artikel 13 en artikel 14.

4. Het verlenen van ondermandaat van de in het derde lid bedoelde bevoegdheden is niet mogelijk, tenzij het betreft besluiten met betrekking tot:

a. opname van vakantie en compensatieverlof, en

b. vergoedingen in het kader van dienstreizen.

Artikel 10

Managementafspraken

1. De secretaris-generaal maakt managementafspraken met de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de volgens de bijlage onder hem ressorterende hoofden van de in de bijlage opgenomen organisatieonderdelen.

2. De plaatsvervangend secretaris-generaal en de directeuren-generaal maken managementafspraken met de volgens de bijlage onder hen ressorterende hoofden van de in de bijlage opgenomen organisatieonderdelen.

3. De directeur Concernondersteuning draagt zorg voor bekendmaking van de managementafspraken voor zover het betreft daarin opgenomen beperkingen of uitbreidingen van een mandaat dat op grond van dit besluit is verleend, door openbare ter inzage legging op het Ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.

Artikel 11

Ondermandaat en mandaatregister

1. Ondermandaat van de in dit besluit gemandateerde bevoegdheden is mogelijk, tenzij in dit besluit anders is bepaald. Bij het verlenen van ondermandaat wordt aangegeven in hoeverre het verlenen van verder ondermandaat mogelijk is.

2. Voor het verlenen van ondermandaat door een directeur is de goedkeuring vereist door de desbetreffende leidinggevende functionaris. Voor machtiging om op treden in gerechtelijke procedures en ondermandaat inzake het passeren van notariële akten is de goedkeuring niet vereist.

3. De directeur Concernondersteuning draagt zorg voor bekendmaking van krachtens dit besluit verleende algemene ondermandaten door openbare ter inzage legging op het Ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie. De hoofden van inspecties en de hoofden van de agentschappen dragen zorg voor bekendmaking van de krachtens dit besluit door hen verleende ondermandaten door openbare ter inzage legging op het Ministerie en plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.

4. De directeur Concernondersteuning houdt een register bij van de handtekeningen van de krachtens dit besluit gemandateerden.

Artikel 12

Voorbehouden aan secretaris-generaal

1. De secretaris-generaal is met uitsluiting van anderen gemandateerd met betrekking tot:

a. koninklijke onderscheidingen,

b. voorstellen voor het vergezellen van een bewindspersoon bij buitenlandse dienstreizen,

c. stukken gericht aan de Nationale ombudsman,

d. de afwijzing van een verzoek om informatie ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur,

e. het nemen van personele besluiten ten aanzien van leidinggevende ambtenaren en ambtenaren in schaal 17 en hoger voor zover het betreft:

1. aanstellings- en benoemingsbesluiten en daaraan voorafgaande besluiten die daarop betrekking hebben,

2. toekenning van een salarisschaal en functiewaardering,

3. beloningsbesluiten met uitzondering van het toekennen van periodieke verhogingen en incidentele beloningsbesluiten op grond van respectievelijk artikel 7, eerste lid en artikel 22a, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984,

4. besluiten inhoudende erkenning van aansprakelijkheid ten aanzien van beroepsziekte, dienstongeval en beroepsincident en daaruit voortvloeiende besluiten met betrekking tot vergoeding van schade en besluiten met betrekking tot vergoedingen als bedoeld in de artikelen 47, 48, 66, 69 en 73 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, en

5. ontslagbesluiten.

f. besluiten inhoudende reorganisatieontslag, ontslag als bedoeld in artikel 99 van het algemeen Rijksambtenarenreglement, voorwaardelijk en onvoorwaardelijk strafontslag,

g. het vaststellen van de OCW-formatie en de verdeling van de personeelscapaciteit van de OCW-formatie,

h. het verlenen van mandaat inzake een bevoegdheid, bedoeld in artikel 13,

i. het nemen van besluiten die voor alle ambtenaren van het Ministerie gelden

j. het openstellen van externe vacatures,

k. het bepalen van een standpunt inzake een gemeld vermoeden van een misstand,

l. voorstellen tot verzelfstandiging van een organisatieonderdeel,

m. de opstelling van het departementale bestedingsplan, waaronder inbegrepen het doen van voorstellen aan de Minister met betrekking tot verschuiven van delen van budgetten tussen directeuren-generaal, hoofden van inspecties en hoofden van agentschappen,

n. de verlening van voorschotten als bedoeld in de Regeling verlening voorschotten 2004, voortvloeiend uit verplichtingen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel h, van bedragen die hoger zijn dan € 5.000.000,

o. de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden, het kwijtschelden van vorderingen op derden, het deelnemen in een NV of BV met een financieel belang en het sluiten van huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten, een en ander voor een bedrag van meer dan € 500.000 voor de duur van de overeenkomst,

p. het beslissen op bezwaren, voor zover die betrekking hebben op handelingen of besluiten waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is, en

q. het beslissen op bezwaren die behandeld zijn overeenkomstig artikel 6 van de Regeling behandeling bezwaarschriften OCW.

2. Het verlenen van ondermandaat van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, is niet mogelijk.

Artikel 13

Voorbehouden aan DG, hoofden inspecties en hoofden agentschappen

1. De directeuren-generaal, de hoofden van inspecties en de hoofden van de agentschappen zijn met uitsluiting van anderen, met uitzondering van de secretaris-generaal, gemandateerd met betrekking tot:

a. het instellen van bezwaar en beroep tegen besluiten van andere bestuursorganen,

b. goedkeuring van het voorbereiden van een reorganisatie door een directeur,

c. vaststelling of wijziging van het organisatie- en capaciteitsplan van een onder hem ressorterend dienstonderdeel,

d. het nemen van personele besluiten, onverminderd artikel 4, artikel 12 en artikel 14, voor zover het betreft:

1. disciplinaire straffen, met uitzondering van voorwaardelijk en onvoorwaardelijk strafontslag,

2. incidentele beloningsbesluiten op grond van artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 na goedkeuring van de directeur CO,

e. opstellen van het bestedingsplan voor zijn directoraat-generaal, inspectie of agentschap op basis van de bestedingsplannen van de onder hem ressorterende organisatieonderdelen,

f. de verdeling van de hen toegekende personeelscapaciteit over de onder hen ressorterende organisatieonderdelen,

g. het aangaan van verplichtingen op basis van het door de Minister goedgekeurde departementale bestedingsplan die hoger zijn dan het met betrekking tot Europese aanbestedingen geldende drempelbedrag, voor zover die niet herkenbaar zijn opgenomen in een goedgekeurd bestedingsplan of niet passen binnen het beschikbare budget,

h. de verlening van voorschotten als bedoeld in de Regeling verlening voorschotten 2004, voortvloeiend uit verplichtingen als bedoeld in onderdeel h, van bedragen die lager zijn dan € 5.000.000, en

i. de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden, het kwijtschelden van vorderingen op derden, het deelnemen in een NV of BV met een financieel belang en het sluiten van huur-, huurkoop- en leaseovereenkomsten, een en ander voor een bedrag tot € 500.000 voor de duur van de overeenkomst.

2. Voor het inhuren van externe professionals en uitzendkrachten door een directeur is voorafgaande goedkeuring van de directeur-generaal vereist voor zover het betreft bedragen boven € 60 per uur.

3. Het verlenen van ondermandaat van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, is niet mogelijk.

4. De hoofddirecteur van CFI is gemandateerd met betrekking tot het nemen van beslissingen op bezwaarschriften onverminderd artikel 12, eerste lid, onderdelen p en q.

Artikel 14

Voorbehouden aan de directeur CO

1. De directeur Concernondersteuning is met uitsluiting van anderen, met uitzondering van de secretaris-generaal, gemandateerd met betrekking tot het nemen van personele besluiten, onverminderd artikel 4, artikel 12 en artikel 13, voor zover het betreft:

a. aanstellings- en benoemingsbesluiten en daaraan voorafgaande besluiten die daarop betrekking hebben,

b. toekenning van een salarisschaal en functiewaardering,

c. beloningsbesluiten met uitzondering van het toekennen van periodieke verhogingen en incidentele beloningen op grond van artikel 7, eerste lid en artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en,

d. ontslagbesluiten, anders dan besluiten inhoudende reorganisatieontslag, ontslag als bedoeld in artikel 99 van het algemeen Rijksambtenarenreglement en voorwaardelijk en onvoorwaardelijk strafontslag,

e. besluiten inhoudende erkenning van aansprakelijkheid ten aanzien van beroepsziekte, dienstongeval en beroepsincident en daaruit voortvloeiende besluiten met betrekking tot vergoeding van schade en besluiten met betrekking tot vergoedingen als bedoeld in de artikelen 47, 48, 66, 69 en 73 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement,

f. besluiten inzake woon-werkverkeer,

g. besluiten inzake reintegratie bij ziekte,

h. het volgen van opleidingen,

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 11 lid 2 van dit besluit is ondermandaat van de in dit artikel opgenomen bevoegdheden mogelijk na instemming van de secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal.

Artikel 15

Afwezigheid of verhindering

1. De secretaris-generaal voorziet in de vervanging bij afwezigheid of verhindering van de plaatsvervangend secretaris-generaal of een directeur-generaal. Bij afwezigheid of verhindering van de plaatsvervangend secretaris-generaal of een directeur-generaal wordt voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door de plaatsvervanger en bij diens afwezigheid door de tweede plaatsvervanger, met dien verstande dat het mandaat van de eerste vervanger niet de bevoegdheid omvat tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat en dat het mandaat van de tweede plaatsvervanger is beperkt tot het ondertekenen van stukken.

2. De hoofden van de inspecties, de hoofden van de agentschappen en de directeuren voorzien in de vervanging bij hun afwezigheid of verhindering. Bij afwezigheid of verhindering wordt voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door de plaatsvervanger, met dien verstande dat het mandaat van de vervanger niet de bevoegdheid omvat tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat.

3. De directeur Bestuursondersteuning en Advies draagt zorg voor bekendmaking van de vervanging, bedoeld in het eerste lid, door openbare ter inzage legging op het Ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie. De hoofden van de inspecties, de hoofden van de agentschappen en de directeuren dragen zorg voor bekendmaking van de vervanging, bedoeld in het tweede lid, door openbare ter inzage legging op het Ministerie en plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.

Artikel 16

Wijze van ondertekening

1. De gemandateerde is gehouden in de ondertekening van stukken zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid tot uitdrukking te brengen door opneming van de formule:

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

namens deze,

functie van de gemandateerde,

handtekening van de gemandateerde,

naam van de gemandateerde.

2. Ondertekening bij afwezigheid met de aanduiding ‘b/a’ is uitsluitend mogelijk indien de ondertekenaar ook zelf bevoegd is tot ondertekenen. In dat geval wordt ook de naam van de ondertekenaar vermeld.

Artikel 17

Intrekking

1. Het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005 (Regeling van 2 juni 2005, Stcrt. 2005, nr. 113) wordt ingetrokken.

2. Tot 1 mei 2008 blijft het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005 van toepassing op besluiten door ambtenaren werkzaam bij Centrale Financiën Instellingen.

3. Mandaten die zijn verleend op grond van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005 en die gelden op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit, worden geacht te zijn verleend op grond van dit besluit met dien verstande dat beperkingen op grond van dit besluit ook gelden voor de verleende ondermandaten.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2008.

Artikel 19

Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.H.A. Plasterk.

Bijlage

Organisatie van het Ministerie van OCW

1. Bewindspersonen Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap:

– Minister, de heer dr. R.H.A. Plasterk

– Staatssecretaris, mevrouw J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

– Staatssecretaris, mevrouw S.A.M. Dijksma

2. Managementteam OCW

Secretaris-generaal (SG), plaatsvervangend secretaris-generaal (PSG), directeuren-generaal (DG)

De SG is ambtelijk verantwoordelijk voor het functioneren van het Ministerie en voor de voorbereiding en uitvoering van het beleid waarvoor de politieke leiding de politieke verantwoordelijkheid draagt. De SG heeft als hoogste ambtenaar tot taak te zorgen voor een goede onderlinge afstemming van de verschillende beleidsterreinen en voor de uitvoering en uitvoerbaarheid van het ontwikkelde beleid.

De SG wordt in de ambtelijke leiding van het departement bijgestaan door een vrijgestelde PSG. Deze vervangt hem bij zijn afwezigheid in al zijn taken en behartigt, namens de SG, de SG-taken op het gebied van het beheer van het departement.

Daarnaast wordt hij in zijn taak bijgestaan door de directeur-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs en Wetenschap (DGHBW), de directeur-generaal Primair en Voortgezet Onderwijs (DGPV) en de directeur-generaal Cultuur en Media (DGCM). Deze directeuren-generaal zijn ambtelijk verantwoordelijk voor de beleidsterreinen van de onder hen ressorterende directies en voor de samenhang tussen die beleidsterreinen. Zij zijn daarnaast ambtelijk verantwoordelijk voor één of meer specifieke beleidsonderwerpen of projecten, die niet zonder meer tot de hierboven genoemde beleidsterreinen kunnen worden gerekend.

3. Het Ministerie bestaat uit de volgende dienstonderdelen:

a. de hierna genoemde ondersteunende organisatieonderdelen die rechtstreeks ressorteren onder de secretaris-generaal (SG):

Ondersteunende directies:

– Bestuursondersteuning en Advies (BOA)

– Communicatie (COM)

– Internationaal Beleid (IB)

– Kennis (in oprichting)

Inspecties:

– Inspectie van het onderwijs (Ivho)

– Erfgoedinspectie

b. de hierna genoemde ondersteunende organisatieonderdelen die rechtstreeks ressorteren onder de plaatsvervangend secretaris-generaal (PSG):

Ondersteunende directies:

– Concernondersteuning (CO) (in oprichting), met daarin op te nemen:

– Informatiestrategie en -diensten (DI)

– Personeel & Organisatie (P&O)

– Facilitair Management (FM)

– Financieel-Economische Zaken (FEZ)

– Auditdienst (AD)

– Wetgeving en Juridische Zaken (WJZ)

Agentschap:

– Centrale Financiën Instellingen (CFI)

c. de hierna genoemde ondersteunende organisatieonderdelen die rechtstreeks ressorteren onder de directeur-generaal Primair en Voortgezet Onderwijs:

Beleidsdirecties gericht op het stelsel:

– Primair Onderwijs (PO)

– Voortgezet Onderwijs (VO)

Beleidsdirecties gericht op een thema:

– Voortijdig Schoolverlaten (VSV)

– Leraren

– Jeugd en Onderwijszorg

Ondersteunend bureau voor de:

– Onderwijsraad

d. de hierna genoemde ondersteunende organisatieonderdelen die rechtstreeks ressorteren onder de directeur-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs en Wetenschap:

Beleidsdirecties gericht op het stelsel:

– Hoger Onderwijs & Studiefinanciering (HO&S)

– Onderzoek en Wetenschapsbeleid (OWB)

– Beroeps- en Volwasseneneducatie BVE)

Beleidsdirecties gericht op een thema:

– Emancipatie

– Kennis en Innovatie (samen met het Ministerie van EZ)

– Leren en Werken (samen met het Ministerie van SZW)

Ondersteunend bureau voor de:

– Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT)

e. de hierna genoemde ondersteunende organisatieonderdelen die rechtstreeks ressorteren onder de directeur-generaal Cultuur en Media:

Beleidsdirecties gericht op het stelsel:

– Kunsten (DK)

– Cultureel Erfgoed (DCE)

– Media, Letteren en Bibliotheken (MLB)

Beleidsdirecties ingericht als buitendienst:

– Instituut Collectie Nederland (ICN)

– Rijksdienst voor archeologie, cultuurlandschap en monumenten (RACM)

Agentschap:

– Nationaal Archief

Ondersteunend bureau voor de:

– Raad van Cultuur (RvC)

4. De ondersteunende directies zijn belast met de volgende taken en verantwoordelijkheden:

Directie Bestuursondersteuning en Advies (BOA)

De directie BOA is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de sturing op de politiek- bestuurlijke en organisatorische samenhang van het departement zodat het verkeer tussen de politieke top en de ambtelijke organisatie goed verloopt. De directie is tevens verantwoordelijk voor de inhoudelijke, procesmatige, instrumentele en logistieke ondersteuning van de bewindslieden en de ambtelijke top. De directie is in het ook verantwoordelijk voor de behandeling van burgerbrieven, daarin zo nodig inhoudelijk bijgestaan door beleidsdirecties.

Directie Communicatie (COM)

De directie Communicatie is verantwoordelijk voor de interne en externe communicatie van het departement.

Directie Financieel-Economische Zaken (FEZ)

De directie FEZ is verantwoordelijk voor het begrotingsproces en bewaakt de uitkomsten daarvan. Tevens is de directie verantwoordelijk voor de interne planning & control cyclus van het Ministerie. Vanuit de financiële expertise ondersteunt zij bij alle aspecten van beleid en bedrijfsvoering. Dit gebeurt zowel op het niveau van de DG (DG control) als op het niveau van SG respectievelijk Minister (Concern control). De directie is belast met de algemene beleidsvorming en advisering over toezicht. De directie is tevens verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein arbeidszaken.

Directie Internationaal Beleid (IB)

De directie IB is verantwoordelijk voor de inbreng van Nederland overal waar onderwerpen op het terrein van OCW in internationale verbanden aan de orde zijn. Omgekeerd brengt de directie relevante informatie uit het buitenland op de tafel van betrokken directies binnen het Ministerie – en via hen – van relevante delen van het onderwijs-, onderzoek- en cultuurveld.

Directie Kennis (in oprichting)

De directie Kennis i.o. is verantwoordelijk voor het verbinden van beleidsvorming, wetenschap en praktijk. Daarmee wordt de kwaliteit van de beleidsvorming vergroot en wordt de relevantie van wetenschappelijk onderzoek op OCW-gebied versterkt. Door te werken aan het vergroten van het inzicht in de prestaties van de OCW-stelsels bij alle actoren, worden die actoren in staat gesteld de eigen prestaties te verhogen.

Directie Toezicht- en Handhavingsbeleid (T&H)

De directie T&H is verantwoordelijk voor:

– De controle op de toezichtketen, zowel de opzet als de werking hiervan;

– De kwaliteit van het handhavende optreden naar aanleiding van signalen en bevindingen;

– De kwaliteit van de regelgeving wat betreft toezicht- en handhaafbaarheidaspecten.

De directie T&H is verantwoordelijk voor de ontwikkeling (en het beheer) van de departementale expertisefunctie en voor het beleid en de instrumenten op het gebied van handhaving en toezicht.

Specifiek bestaat verantwoordelijkheid voor het houden van toezicht ex artikel 62 tot en met 64 van de Wet bescherming persoonsgegevens op departementale persoonsverwerkingen en de advisering op dit terrein.

Ten slotte is de directie verantwoordelijk voor het ondersteunen van de aansturing van de inspecties.

Auditdienst (AD)

De Auditdienst is verantwoordelijk voor het leveren van betrouwbare managementinformatie.

De Auditdienst kent drie strategische functies:

– De certificerende functie: de controle van de financiële verantwoording.

– De onderzoeksfunctie: (preventieve) toetsing van en advisering over beheersing en verbetering van bedrijfsvoeringprocessen, als tool of management voor het integraal verantwoordelijk lijnmanagement.

– Rekenschapsfunctie: certificerende taken en onderzoekstaken gericht op de bekostigde en gesubsidieerde instellingen van OCW.

De Auditdienst werkt primair voor en in opdracht van het verantwoordelijk management van OCW, maar neemt bij de taakuitoefening overeenkomstig de eigen beroepsethiek een onafhankelijke positie in.

Directie Concernondersteuning (in oprichting)

De directie Concernondersteuning zal onder andere bestaan uit de directies Facilitair Management, Personeel & Organisatie en Informatiestrategie en -⁠diensten. Daartoe wordt de samenvoeging van de directies voorbereid. Op geleidelijke wijze zullen reeds voor de formele samenvoeging taken van deze directies door de directie CO worden uitgevoerd. Tevens is het beheer van de OCW-formatie een verantwoordelijkheid van de directie CO.

Directie Informatiestrategie en -⁠diensten (DI)

De directie DI is verantwoordelijk voor de ondersteuning bij het realiseren van ambities en doelstellingen op het terrein van informatiestrategie, -beleid en het in stand houden van (geautomatiseerde) informatievoorziening.

Directie Facilitair Management (FM)

De directie Facilitair Management is verantwoordelijk voor de facilitaire dienstverlening aan het Bestuursdepartement. De dienstverlening reikt van locatiegebonden faciliteiten via organisatiegerichte services tot en met persoonsgebonden diensten.

Tevens is de directie Facilitair Management verantwoordelijk voor de totstandkoming van de departementale concernbrede visie, kaderstelling, advisering, toetsing en uitvoering ten aanzien van inkoop, veiligheid, huisvesting, milieu en energie.

Directie Personeel & Organisatie (P&O)

De directie P&O is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de departementale concernbrede visie, kaderstelling, advisering, toetsing en uitvoering op het gebied van personeel en organisatie. Zij ontwikkelt en onderhoudt daartoe beleid en instrumenten, ondersteunt bij de eenduidige toepassing daarvan en genereert managementinformatie.

Directie Wetgeving en Juridische Zaken (WJZ)

De directie WJZ is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de wet- en regelgeving van OCW. Voorts is de directie WJZ verantwoordelijk voor de advisering op het terrein van bestuurlijke en juridische aangelegenheden, voor de toetsing van internationale- en EU-regelgeving alsmede beleid en regels waarvan de totstandkoming tot de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de andere directies behoort.

5. De beleidsdirecties zijn belast met de volgende taken en verantwoordelijkheden:

A. Directoraat-generaal Primair en Voortgezet Onderwijs (DGPV)

Directie Primair Onderwijs (PO)

De directie PO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor het primair onderwijs. Tevens is zij verantwoordelijk voor het OCW-beleid t.a.v. burgerschap, het onderwijs in het buitenland en de departementale inbreng ten aanzien van het minderheden- en asielzoekersbeleid.

Het beleidsterrein van het primair onderwijs omvat de scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs, en voortgezet speciaal onderwijs.

Ten slotte is de directie belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van kinderopvang.

Directie Voortgezet Onderwijs (VO)

De directie Voortgezet Onderwijs is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor het voortgezet onderwijs. In samenhang daarmee ontwikkelt de directie beleidsvoorstellen op onderwijsinhoudelijk, financieel, bekostigingstechnisch, juridisch en personeels gebied. Tevens is zij verantwoordelijk voor de coördinatie van de inzet van het departement rond het jeugdbeleid voor de hele onderwijssector en meer in het bijzonder voor de operatie Jong en sport.

De directie is ten slotte verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor de onderwijsondersteuning en coördineert dit beleid voor de directies PO, VO en BVE.

Het beleidsterrein van het voortgezet onderwijs omvat de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), praktijkonderwijs en de landelijke ondersteunende instellingen (landelijke pedagogische centra: APS, CPS en KPC-groep, alsmede CITO en SLO).

Directie Voortijdig schoolverlaten (VSV)

De directie VSV heeft als hoofddoel het coördineren van beleid om jongeren in de leeftijd tot 23 jaar met een startkwalificatie (mbo-2 diploma) van school te laten gaan.

Directie Leraren

De directie Leraren is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van leraren voor alle onderwijssectoren. In het bijzonder is de directie gericht op de kwaliteitsbevordering van leraren en de terugdringing van het lerarentekort.

Directie Jeugd en Onderwijszorg

De directie Jeugd en Onderwijszorg is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van Jeugd en Zorg, voor de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs, en beroepsonderwijs. De directie is in deze ook het aanspreekpunt voor de Minister voor Jeugd en Gezin.

B. Directoraat-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs en Wetenschapsbeleid (DGHBW)

Directie Beroeps- en Volwasseneneducatie (BVE)

De directie BVE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.

Directie Hoger Onderwijs & Studiefinanciering (HO&S)

De directie HO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het Hoger Onderwijs en de Academische Ziekenhuizen.

Directie Onderzoek en Wetenschapsbeleid (OWB)

De directie OWB is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling ten aanzien van het publiek gefinancierde onderzoeksbestel en het bestuur van de door OCW gefinancierde onderzoeksorganisaties, de interdepartementale aangelegenheden op het gebied van het wetenschapsbeleid (inclusief de OCW inbreng in het Innovatieplatform en de CWTI), en het internationale wetenschaps- en technologiebeleid voor zover de Minister van OCW daarvoor verantwoordelijk is. Ook is de directie beleidsmatig verantwoordelijk voor de Nederlandse Taal. De directie is tevens verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein veiligheid, voor alle sectoren van OCW.

Directie Emancipatie (DE)

De directie Emancipatie is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van emancipatie ter bevordering van de integratie van het emancipatiebeleid in het rijksbrede regeringsbeleid. De directie draagt tevens zorg voor de ondersteuning van het emancipatieproces in de samenleving (emancipatie subsidiebeleid).

Doel is de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen, meer vrouwen in topposities van overheid, onderwijs en bedrijfsleven, terugdringen van beloningsverschillen, maatschappelijke participatie van vrouwen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, meer meisjes in bèta, bestrijden van geweld tegen meisjes en vrouwen, actieve aanpak van homodiscriminatie, bevorderen combinatie arbeid en zorg tussen 7 en 7 en bijdragen aan verbetering van de positie van meisjes en vrouwen in de wereld.

Directie Kennis en Innovatie:

De directie Kennis en Innovatie is een samenwerkingsverband met het Ministerie van EZ, en valt onder de dagelijkse aansturing van dat departement. De directie is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van Kennis en Innovatie. Hoofddoel is de kennis te ontwikkelen ter bevordering van de Nederlandse economie en samenleving.

Directie Leren en Werken

De directie Leren en werken is een samenwerkingsverband met het Ministerie van SZW, en valt onder de dagelijkse aansturing van dat departement. Hoofddoel is om, in lijn met de Lissabondoelstellingen, te bereiken dat in verschillende leeftijdscategorieën meer Nederlanders een opleiding in het hoger onderwijs hebben afgerond. Tevens is het doel om het aantal werkenden en werkzoekenden met een startkwalificatie substantieel te verhogen.

C. Directoraat-generaal Cultuur en Media (DGCM)

Directie Cultureel Erfgoed (DCE)

DCE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het cultureel erfgoed verdeeld over de sectoren: archiefdocumenten, museale voorwerpen, archeologische voorwerpen en monumenten.

Instituut Collectie Nederland (ICN)

Het ICN beheert op basis van het KB 21, 1984 de Rijkscollectie voor zover niet ondergebracht bij rijksmusea. Tevens is ICN (mede)verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van het beleid voor roerend cultureel erfgoed en fungeert het op dat terrein als kenniscentrum.

Directie Kunsten (DK)

DK is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van kunsten.

Directie Media, Letteren en Bibliotheken (MLB)

De directie MLB is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van omroep, pers, nieuwe media, het boek en lezen (letteren, bibliotheken en leesbevordering). Doel is dat zoveel mogelijk burgers toegang hebben tot een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand media- en informatieaanbod.

Rijksdienst voor archeologie, cultuurlandschap en monumenten (RACM)

De RACM voert, namens de Minister, de Monumentenwet 1988 met uitzondering van de archeologische monumentenzorg, uit en fungeert als kenniscentrum voor de instandhouding van het gebouwde en cultuurlandschappelijke erfgoed van Nederland. De dienst is (mede) verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en het uitvoeren van het beleid m.b.t. de monumentenzorg.

Tevens voert de dienst namens de Minister, de Monumentenwet 1988 uit voor zover het betreft de archeologische monumentenzorg. De dienst fungeert als kennisinstituut voor de bescherming van waardevolle sporen van menselijke bewoning en is (mede)verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en de uitvoering van het beleid voor archeologische monumentenzorg.

6. Inspecties

Inspectie van het onderwijs (IvhO)

De Inspectie van het Onderwijs heeft de volgende taken:

– het beoordelen van de kwaliteit van het onderwijs door het uitvoeren van periodiek kwaliteitsonderzoek, waarbij gelet wordt op de in de wet vermelde kwaliteitsaspecten.

– via het toezicht stimuleren van de kwaliteit van het onderwijs en de eigen verantwoordelijkheid van scholen en instellingen.

– rapporteren over de ontwikkelingen in het onderwijs, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan, op instellings- en op stelselniveau.

– verrichten van overige bij of krachtens de wet aan de inspectie opgedragen taken.

Voor alle onderwijssectoren geldt dat de inspectie jaarlijks, op basis van artikel 23, lid 8 van de Grondwet, in het Onderwijsverslag rapporteert over de staat van het onderwijs.

Erfgoedinspectie

De Erfgoedinspectie ziet toe op de naleving van:

– wet- en regelgeving op het gebied van het behoud en beheer van de rijkscollectie en van beschermde cultuurgoederen;

– de Archiefwet en andere regelgeving op het gebied van het archiefbeheer door overheidsorganen;

– de Monumentenwet 1988 en andere regelgeving op het gebied van archeologische monumenten, opgravingen en vondsten;

– de Monumentenwet 1988 en Besluiten op het gebied van beheer en behoud van gebouwde monumenten en beschermde stads en dorpsgezichten.

Zij rapporteert via de secretaris-generaal aan de bewindspersoon over de bevindingen en doet daarbij aanbevelingen.

7. Agentschappen

Centrale Financiën Instellingen (CFI)

CFI is verantwoordelijk voor de bekostiging van onderwijsinstellingen, het informeren (verzamelen, beheren, bewerken en ontsluiten van gegevens waarvoor geen juridische beperkingen aan de openbaarheid gelden) van het bestuursdepartement, toezichthouders en instellingen en het in opdracht maken van informatieproducten om gegevens toegankelijk te maken. Tevens adviseert zij bij de beleidsontwikkeling van OCW conform de beleidswijzer en rapporteert zij over de bevindingen bij het uitvoeren van de bekostiging, bij beantwoording van vragen uit het veld en rapporteert zij over rechtmatigheidsignalen aan de inspectie van het onderwijs.

Nationaal Archief (NA)

Het NA voert de Archiefwet en het Archiefbesluit uit en functioneert als kenniscentrum op het gebied van digitalisering, conservering en beheer van archieven, als gedocumenteerde verschijningsvorm van het cultureel erfgoed.

8. Ondersteunende bureaus van adviesraden

– Onderwijsraad (OR)

– Raad voor Cultuur (RvC)

– Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT)

Toelichting

Algemeen

Op 15 oktober 2007 zijn met de medezeggenschap en bonden afspraken gemaakt over de inrichting van een OCW-formatie. Inherent aan het inrichten van een OCW-formatie is dat het beheer van die formatie centraal plaatsvindt. Om dit mogelijk te maken is besloten de personele bevoegdheden centraler te beleggen. Deels bij de SG maar tevens bij de directeur van de nieuwe directie Concernondersteuning. Tevens is op 22 oktober door het MT-OCW het nieuwe organigram voor OCW vastgesteld en de DOR heeft daarover in de overlegvergadering op 7 december 2007 een advies afgegeven. Vanwege deze ingrijpende ontwikkelingen is besloten het oude mandaat- en organisatiebesluit in te trekken en een nieuw besluit vast te stellen.

Met het voorliggende besluit is het besturingsmodel, het SG/DG-model, waarbij de nadruk ligt op centrale sturing, gehandhaafd. De secretaris-generaal (SG) is eindverantwoordelijk voor al het ambtelijk handelen. De directeuren-generaal (DG's) staan aan het hoofd van hun beleidskolom (het directoraat-generaal) en zijn daarvoor volledig verantwoordelijk. De SG en plaatsvervangend secretaris-generaal (PSG) zijn verantwoordelijk voor de ondersteuningskolom.

Evenals op grond van het OenM-besluit 2005 het geval was, hebben de PSG, de DG’s, de hoofden van inspecties, de hoofden van de agentschappen en de directeuren mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die behoren tot hun werkterrein (behoudens de in dit besluit geformuleerde voorbehouden). Die zijn omschreven in de bijlage. Hun taken en bevoegdheden worden in belangrijke mate bepaald door de managementafspraken. Intern worden deze taken en bevoegdheden ook bepaald door de interne procedures omtrent het uitoefenen van het mandaat.

De bevoegdheden van de verschillende functionarissen worden onveranderd rechtstreeks in de regeling zelf verstrekt. Omdat mandaat gekoppeld is aan de functie van voornoemde functionarissen, betekent dit dat bijvoorbeeld instelling van een nieuw organisatieonderdeel en daarmee het creëren van een nieuwe functie, pas tot uitoefening van volwaardig mandaat kan leiden na bekendmaking van een wijziging van de bijlage of specifieke mandaatverlening en bekendmaking daarvan via het register.

In het OenM-besluit 2008 is een gewijzigde indeling opgenomen van het Ministerie voortvloeiende uit het na overleg met het MT OCW vastgestelde nieuwe organogram. Om het tijdelijke karakter van een beleidsdirectie tot uiting te brengen is in de bijlage ten aanzien van de beleidsdirecties onderscheid gemaakt naar stelsel- en themadirecties.

Bij het OenM-besluit wordt aangesloten bij hetgeen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geregeld omtrent mandaat. Afdeling 10.1.1 van die wet bevat een regeling voor mandaat. Begrippen en regels die ingevolgde de Awb voor mandaat gelden, worden niet herhaald in dit besluit.

Zoals ook bij het OenM-besluit 2005 het geval was, is getracht om een sober besluit tot stand te brengen. Het besluit zelf en de bijlage – met de organisatie van OCW – is in beginsel beperkt tot de elementen die extern betekenis hebben. Er is naar gestreefd geen regels op te nemen die uitsluitend intern van betekenis zijn. Zuiver interne voorschriften zoals het zonder een vereist medeparaaf ondertekenen van een besluit, zijn voor de rechtsgeldigheid daarvan niet relevant. Wel is een aantal belangrijke interne, met name organisatorische en personele, bevoegdheden vastgelegd. Voorbeelden daarvan zijn de bevoegdheid om de omvang van de OCW-formatie vast te stellen, de personeelscapaciteiten toe te delen en de aanstelling van medewerkers.

Hoewel personele besluiten voornamelijk jegens OCW-personeelsleden genomen kunnen worden en in die zin intern van aard zijn, zijn die wel in het OenM-besluit 2008 opgenomen.

Mandaatverlening geschiedt altijd met inachtneming van ter zake geldende algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en andere van toepassing zijnde regelingen, circulaires en instructies. In dit verband valt te denken aan de Comptabiliteitswet 2001 en het Besluit taak FEZ, die met name van belang zijn voor de verantwoordelijkheid van directeur FEZ. Volgens dat besluit dienen alle voorstellen die financiële gevolgen hebben of kunnen hebben, voor medeparaaf te worden voorgelegd aan de directeur FEZ. Binnen het SG/DG-model leidt dit tot een bepaalde routing van stukken. Verder kunnen in dat kader het Besluit taak DAD en interne regels zoals de Regeling procedure bij reorganisaties OCW 2005 en de inrichting van de medezeggenschap worden vermeld.

Het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging kan uiteraard alleen betrekking hebben op aangelegenheden ten aanzien waarvan de Minister bevoegd is. Zo is de Minister niet bevoegd bij personeelsaangelegenheden ten aanzien van medewerkers die onderdeel uitmaken van de Topmanagementgroep (TMG-functionarissen). Ook is het OenM-besluit niet van toepassing wanneer bijvoorbeeld de inspectie van het onderwijs op grond van wettelijke voorschriften moet worden aangemerkt als bestuursorgaan. De taken en verantwoordelijkheden van de inspecties vloeien in een aantal gevallen immers voort uit wettelijke voorschriften. Zo heeft de Inspectie van het onderwijs geattribueerde taken en bevoegdheden op grond van onder meer de Wet op het onderwijstoezicht en zo zijn op grond van artikel 25a van de Archiefwet 1995 de door de Minister aangewezen hoofdinspecteur en inspecteurs aangewezen als toezichthouders op de naleving van het in de Archiefwet 1995 bepaalde ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden (de inspecties op het terrein van het cultureel erfgoed zijn ondergebracht in één Erfgoedinspectie). Dergelijke wettelijke voorschriften gaan altijd voor de voorschriften uit dit besluit.

In dit besluit zijn geen uitgangspunten geformuleerd die evident voor alle ambtenaren gelden, zoals eisen met betrekking tot integriteit en loyaliteit (uitoefening van door ambtenaren verrichte taken behoort altijd te geschieden in het licht van de politieke verantwoordelijkheid van de Minister) en het uitgangspunt dat ieder die mandaat heeft, aanspreekbaar is op de gemaakte afwegingen bij het uitoefenen van mandaat. Iedere gemandateerde zal steeds moeten beoordelen in hoeverre afstemming met anderen nodig is en zich steeds moet afvragen of een bepaald onderwerp moet worden voorgelegd aan een andere directeur of aan DG, PSG, SG of bewindslieden. Belangrijk uitgangspunt blijft ook dat van mandaat en ondermandaat slechts gebruik wordt gemaakt voor zover de betreffende aangelegenheid naar aard of inhoud niet een zodanig gewicht heeft dat deze behoort te worden afgedaan door de mandaatgever zelf.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Onder directeur wordt verstaan het hoofd van een ondersteunende- of beleidsdirectie of het hoofd van een ondersteunend bureau als bedoeld in de bijlage. De hoofden/directeuren van de Rijksdienst voor archeologie, cultureel erfgoed en monumenten (RACM) en het Instituut Collectie Nederland (ICN) zijn ook directeur in de zin van het OenM-besluit.

Onder het begrip directeur valt niet de directeur van de Erfgoedinspectie.

Uit de formulering van ‘bestedingsplan’ blijkt dat het bestedingsplan geen betrekking heeft op verplichtingen in het kader van de reguliere of aanvullende bekostiging van instellingen voor onderwijs of onderzoek (bijvoorbeeld van universiteiten op grond van de WHW of van TNO op grond van de TNO-wet) of in het kader van het aangaan van verplichtingen uit hoofde van de cultuurnota.

Artikel 3

Er is om praktische redenen voor gekozen om de organisatie van het Ministerie op te nemen in een bijlage en niet in dit besluit zelf. In de praktijk is nogal eens sprake van verandering in taken van directies en veranderingen in de organisatie. Daarom is bepaald dat de SG bevoegd is tot wijziging van de bijlage en dat deze bijlage wordt bekend gemaakt door ter inzage legging op het Ministerie van OCW en plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.

Met dit besluit zijn diverse organisatieveranderingen geformaliseerd. Zo wordt geen onderscheid meer gemaakt naar programmadirecties en projecten. Tijdelijke organisatieonderdelen zijn in de bijlage opgenomen als themadirectie onder de beleidsdirecties. Beleidsdirecties met een structurele taak zijn opgenomen als stelseldirectie.

Artikel 4

Aan de bewindspersoon is het afdoen en ondertekenen van een aantal stukken voorbehouden. Dit betreft zowel besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als brieven e.d. die geen besluit inhouden. Het voorbehoud betreft de formele stukkenwisseling. Het voorschrift sluit niet uit dat op ambtelijk niveau stukken worden gestuurd aan bijvoorbeeld de Raad van State of de Algemene Rekenkamer.

Artikel 5

Omdat de SG mandaat heeft ten aanzien van al hetgeen het Ministerie betreft is hij formeel verantwoordelijk en bevoegd voor het aanstellen, verplaatsen, ontslaan, belonen en inschalen van alle medewerkers in de OCW-formatie. De bevoegdheden die zijn opgenomen in artikel 12 zijn aan hem voorbehouden, waarbij ondermandaat niet mogelijk is.

Artikel 6

De DG’s hebben mandaat op het gehele terrein van hun directoraat-generaal, uiteraard onverminderd het mandaat van de SG en het mandaat van de directeur CO wat betreft personele besluiten. De DG’s zijn budgethouder (de SG is dat ook voor de onder hem ressorterende directies) en kennen aan de directeuren via de managementafspraken de budgetten toe waarover die kunnen beschikken. De bevoegdheden die zijn opgenomen in artikel 13 zijn aan hen voorbehouden, waarbij ondermandaat niet mogelijk is.

Artikel 7

Gelet op de bijzondere positie van de hoofden van inspecties is het mandaat in een afzonderlijk voorschrift opgenomen.

Artikel 8

De hoofden van de agentschappen zijn budgethouder voor de hun door de secretaris-generaal toegewezen budgetten.

Artikel 9

De directeuren hebben financiële en personele bevoegdheden en zij zijn verantwoordelijk voor de dagelijkse aansturing. Besluiten die structureel van invloed zijn op de rechtspositie van de medewerker zijn met de inrichting van de OCW-formatie een bevoegdheid van de SG respectievelijk de directeur CO. Voorgaande laat onverlet dat de directeuren verantwoordelijk zijn voor de inhoudelijke voorbereiding van besluiten en het nemen van initiatief in het besluitvormingsproces.

Wat betreft het aangaan van verplichtingen is de directeur bevoegd voor zover die past binnen het toegekende budget. De directeur is echter niet bevoegd een verplichting aan te gaan die uitgaat boven het grensbedrag dat geldt voor Europese aanbestedingen, tenzij die verplichting herkenbaar is opgenomen in het goedgekeurde bestedingsplan. Daarboven is het de DG die de juridische verplichting aangaat door het ondertekenen van de verplichtingenbrief. Voor uitgaven in het kader van de reguliere of aanvullende bekostiging of de cultuurnota is de directeur ook bij hogere uitgaven bevoegd, tenzij door de DG anders is bepaald.

Het mandaat van de directeur neemt overigens niet weg dat de hiërarchisch hogere functionaris altijd ook zelf de gemandateerde bevoegdheid kan uitoefenen of instructies kan geven over de uitoefening van mandaat.

Artikel 11

Voor ondermandaat en het bepalen in hoeverre het verlenen van verder ondermandaat mogelijk is, door een directeur die ressorteert onder de SG, PSG of een DG, is de goedkeuring door de SG, PSG onderscheidenlijk een DG vereist omdat die op de hoogte moet kunnen zijn van hetgeen onder zijn verantwoordelijkheid gebeurt. Deze goedkeuring kan blijken uit medeondertekening van het ondermandaatbesluit. Aan de eis van goedkeuring kan ook worden voldaan door in de managementafspraak afspraken te maken over ondermandatering. In het ondermandaatbesluit kan naar die afspraken worden verwezen. Deze goedkeuringseis houdt een beperking van het mandaat in. Wanneer de goedkeuring niet is verleend, is betrokkene niet bevoegd.

In enkele gevallen is ondermandaat niet mogelijk (vergelijk de artikelen 9, vierde lid, 12, tweede lid, en 13, derde lid). Dit betreft alleen het nemen of niet nemen van besluiten als bedoeld in die artikelen. Het sluit voorbereidings- en uitvoeringshandelingen door anderen niet uit. Zo kan degene aan wie het mandaat is voorbehouden, wel een ander machtigen om op te treden in gerechtelijke procedures.

Directeur CO, de hoofden van inspecties en de hoofden van de agentschappen dragen zorg voor bekendmaking van verleende algemene ondermandaten. Algemene mandaten moeten immers op grond van de Awb schriftelijk worden verleend en bekendgemaakt. Het register van CFI en de onderwijsinspectie zal worden geplaatst op de sites van CFI respectievelijk de onderwijsinspectie (omdat CFI en de inspectie onderdelen van het Ministerie zijn, kunnen ook die sites worden aangemerkt als internetsite van het Ministerie). Omdat de SG, PSG, DG’s, de hoofden van inspecties, de hoofden van de agentschappen en directeuren op grond van het OenM-besluit uit hoofde van hun functie mandaat en volmacht hebben, is opname in een ondermandaatregister voor hen niet nodig. Wel is opname in het handtekeningenregister vereist en worden in het register bij voorkeur ook de namen van de functionarissen vermeld.

Voor ondermandaat is een apart besluit noodzakelijk. Het is belangrijk dat expliciet duidelijk is of en in hoeverre een medewerker mandaat heeft. Wanneer sprake is van een algemeen mandaat, moet dit overeenkomstig artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk worden verleend. Het verdient aanbeveling om ook in die gevallen het ondermandaat zo mogelijk te relateren aan de functie en niet aan de persoon (dus geen mandaatverlening aan de heer x, hoofd van de afdeling y, maar aan het hoofd van de afdeling y).

Artikelen 12 en 13

Een aantal bevoegdheden zijn exclusief belegd bij de SG, PSG, DG’s en hoofden van inspecties en hoofden van agentschappen als manager van de onder hen ressorterende organisatieonderdelen dan wel als manager van hun inspectie of agentschap.

Voor de personeelsinzet heeft het MT-OCW in 2006 het SG-DG-model gekozen: de SG bepaalt de kaders voor het personeelsbeleid en verdeelt de capaciteit van de OCW-formatie over de vijf kolommen. De kolomhouders kunnen in dit model de hen toegewezen capaciteit verdelen over de directies en diensten binnen hun kolom, vast te leggen binnen de planning en control-cyclus. Waar dat noodzakelijk is kunnen zij deze capaciteit ook tijdelijk daar inzetten waar dat politiek of maatschappelijk noodzakelijk is.

Met uitsluiting van anderen is de SG bevoegd om een aantal bijzondere personele besluiten te nemen met betrekking tot leidinggevende functies en functies waaraan schaal 17 of hoger is verbonden. De directeuren-generaal, de hoofden van inspecties en de hoofden van agentschappen zijn als gevolg van het SG-DG-model verantwoordelijk voor de feitelijke inzet van de medewerkers, en in termen van het OenM-besluit voor bewust belonen en disciplinaire straffen. Zo worden managementbenoemingen beoordeeld in het overleg inzake management development (MD-beraad). Besluiten die structureel van invloed zijn op de rechtspositie van de medewerker en daarmede van invloed zijn op de samenstelling van de OCW-formatie zijn formeel een bevoegdheid van de SG respectievelijk de directeur CO.

Er zijn scherpe grenzen gesteld aan de financiële bevoegdheden. Deze zijn afgeleid van de comptabele wet- en regelgeving. Ten aanzien van het aangaan van verplichtingen is aangesloten op de grensbedragen met betrekking tot de Europese aanbestedingsverplichtingen. Het aangaan van verplichtingen boven dat grensbedrag en/of indien die verplichtingen niet passen binnen het beschikbare budget is voorbehouden aan de vermelde functionarissen. Dit is slechts anders indien het aangaan van de verplichting herkenbaar is opgenomen in een goedgekeurd bestedingsplan. Voorgaande sluit niet uit dat bijvoorbeeld de directeur van de directie arbeidsvoorwaardenbeleid wel mandaat heeft om onderhandelingen te voeren.

Voor zover hij daarbij toezeggingen doet, is dit echter alleen mogelijk indien de DG voorafgaande toestemming heeft verleend. Overigens zij opgemerkt dat bij het aangaan van verplichtingen uiteraard altijd de voor OCW algemeen geldende inkoop- en aanbestedingsvoorschriften gevolgd moeten worden. Het goedgekeurde departementale bestedingsplan is altijd de basis voor het aangaan van verplichtingen voor zover die niet voortvloeien uit bekostigingswet- en regelgeving.

De overige in dit besluit genoemde grensbedragen voor rechtshandelingen met financiële gevolgen zijn afkomstig uit de comptabele regelgeving. Bij het overschrijden van deze grensbedragen is expliciet de instemming van de Minister van Financiën vereist. In onderstaande tabel is een en ander schematisch weergegeven waarbij tevens de bevoegdheden van het lijnmanagement volgens dit OenM-besluit zijn opgenomen.

Bevoegdheid –>

Handeling:

M.FIN

Directeur

DG

SG

M

      

Aangaan van verplichtingen uit bestedingsplan

 

< grensbedrag Europese aanbesteding

> grensbedrag Europese aanbesteding

  

Deelnemen in NV of BV

> 500.000

 

< 500.000

> 500.000

 

Kwijtschelden vordering

> 500.000

 

< 500.000

> 500.000

 

Huur-, huurkoop- en lease-overeenkomst

> 2.500.000

 

< 500.000

> 500.000

< 2.500.000

> 2.500.000

Voorlopige buiteninvordering-stelling

> 500.000

 

< 500.000

> 500.000

 

Verlening van voorschotten

> 5.000.000

 

< 5.000.000

> 5.000.000

 

De SG stelt het departementale bestedingsplan op. Dat is de consolidatie van de bestedingsplannen van de DG’s, de hoofden van de inspecties en de hoofden van de inspecties. Op basis van eigen inzichten kan de SG daar wijziging in aanbrengen.

Op grond van artikel 13, tweede lid, is voor het inhuren van externe professionals en uitzendkrachten, voor zover het betreft bedragen boven € 60 per uur, voorafgaande goedkeuring van de directeur-generaal vereist. Bij professionals moet worden gedacht aan interims, ICT-ers, projectleiders, e.d. Deze vereiste goedkeuring is (door de definitie van directeur) overigens niet relevant voor de agentschappen en de inspecties.

Op grond van artikel 13, derde lid, is ondermandaat van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden niet mogelijk. Dit geldt zowel voor de DG’s als voor de hoofden van de inspecties en hoofden van de agentschappen.

Artikel 14

De directeur CO is als beheerder van de OCW-formatie met uitsluiting van anderen bevoegd ten aanzien van de vermelde personele besluiten. Het betreft besluiten die structureel van invloed zijn op de rechtspositie van de medewerker en daarmede van invloed zijn op de samenstelling van de OCW-formatie. Ondermandaat is vanuit praktisch oogpunt wel mogelijk na instemming van de secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal. De secretaris-generaal blijft tevens bevoegd tot het nemen van de vermelde besluiten. Zo kan de directeur CO besluiten ten aanzien van ambtenaren in een hiërarchisch gelijke positie aan de SG overlaten. Het ligt in de rede dat te doen indien met die ambtenaar een verschil van mening bestaat over de inhoud van het te nemen besluit.

Artikel 15

Alle functionarissen die via het OenM-besluit 2008 mandaat hebben moeten voorzien in hun vervanging. De vervanger heeft geen bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat maar treedt voor het overige volledig in de plaats van de functionaris die hij vervangt. De vervanging moet kenbaar zijn en daarom bekend worden gemaakt. De plaatsvervanging van de SG door de PSG is afwijkend geregeld in artikel 5 lid 4 van dit besluit.

Artikel 16

Mandaat is de bevoegdheid om een besluit te nemen. Dit impliceert ook de bevoegdheid om het besluit te ondertekenen (tekenbevoegdheid). Ook voor het afdoen van stukken wanneer de ondertekeningbevoegde persoon afwezig is, is dus altijd mandaat nodig (tenzij sprake is van een waarnemer, een interim of een plaatsvervanger, die wordt immers benoemd in die hoedanigheid en heeft als zodanig mandaat). Ondertekening ‘bij afwezigheid’ is onder voorwaarden mogelijk.

Artikel 17

De op grond van het OenM-besluit 2005 geldende mandaten blijven na inwerkingtreding van het OenM-besluit 2008 van kracht met dien verstande dat beperkingen op grond van dit besluit ook gelden voor verleende ondermandaten.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.H.A. Plasterk