Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2008, 239Adviezen Raad van State

Besluit van …, houdende de afwijking op een aantal onderdelen voor het personeel van de Kamers van Koophandel van de rechtspositieregels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries (Rechtspositiebesluit Kamers van Koophandel)

Ontwerpbesluit

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 juli 2008, nr. WJZ / 8083077;

Gelet op artikel 14, derde lid, van de Wet op de Kamers van Koophandel en fabrieken 1997;

De Raad van State gehoord (advies van …, nr. W…);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van …, nr. WJZ …;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. ARAR:

Algemeen Rijksambtenarenreglement;

b. BBRA:

Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;

c. kamer:

een kamer van koophandel en fabrieken.

Artikel 2

  • 1. Voor het personeel van een kamer wordt op de in de artikelen 2, tweede lid, tot en met 8 van dit besluit genoemde wijze afgeweken van de rechtspositieregels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij de ministeries.

  • 2. Daar waar in het ARAR, met uitzondering van artikel 110g, zesde lid, of het BBRA staat ‘van het Rijk’ of ‘uit ’s Rijks kas’ wordt telkens gelezen: van een kamer respectievelijk door de kamer waar betrokkene in dienst is. Daar waar in het ARAR staat ‘de rijksdienst’ of ‘de Rijksdienst’ wordt telkens gelezen: een kamer.

Artikel 3

De bepalingen met betrekking tot de Algemene Bestuursdienst, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van het ARAR zijn niet van toepassing op een kamer.

Artikel 4

  • 1. In afwijking van artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van het ARAR en artikel 2, onderdeel g, van het BBRA en de op het ARAR en het BBRA berustende bepalingen wordt verstaan onder volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 38 uur per week omvat.

  • 2. In afwijking van artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van het ARAR en artikel 2, onderdeel h van het BBRA en de op het ARAR en het BBRA berustende bepalingen wordt verstaan onder arbeidsduurfactor: een breuk, waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer uit het getal 38.

  • 3. In afwijking van artikel 21, tweede lid, van het ARAR bedraagt de arbeidsduur voor het personeel van een kamer gemiddeld ten hoogste 38 uur per week.

  • 4. In afwijking van artikel 21, derde lid, van het ARAR bedraagt het aantal te werken uren voor het personeel van een kamer per jaar: het aantal kalenderdagen per jaar, verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, genoemd in artikel 21, zevende lid, onder a, van het ARAR, in dat jaar, vermenigvuldigd met 7,6 en vervolgens vermenigvuldigd met de voor het desbetreffende personeelslid geldende arbeidsduurfactor.

  • 5. Voor de toepassing van artikel 21a, eerste lid, van het ARAR wordt voor ‘36 uur’ gelezen: 38 uur.

  • 6. Voor de toepassing van artikel 4 van de IKAP-regeling rijkspersoneel wordt voor ‘36 uur’ gelezen: 38 uur.

Artikel 5

  • 1. In afwijking van artikel 22, vierde lid, van het ARAR bedraagt de aanspraak op vakantie voor het personeel van een kamer met een volledige werktijd 174,8 uur en wordt onder volledige werktijd verstaan een werktijd welke gemiddeld 38 werkuren per week omvat.

  • 2. In afwijking van artikel 22, vijfde lid, van het ARAR bedragen de op grond van dat lid geldende aanspraken voor het personeel van een kamer: 7,6 uren, 15,2 uren, 22,8 uren respectievelijk 30,4 uren.

  • 3. Voor de toepassing van artikel 22, dertiende lid, van het ARAR wordt voor ‘144 uur’ gelezen: 152 uur.

  • 4. Voor de toepassing van artikel 22, zestiende lid, van het ARAR wordt voor ‘108’ uur gelezen: 114 uur.

  • 5. Voor de toepassing van artikel 23, tweede lid, van het ARAR wordt voor ‘108 uur’ respectievelijk ‘72 uur’ gelezen: 114 uur en 76 uur.

  • 6. Voor de toepassing van artikel 23, derde lid, van het ARAR wordt voor ‘57,6 uren’ gelezen: 60,8 uren.

  • 7. Voor de toepassing van de artikelen 4 en 5 van de IKAP-regeling rijkspersoneel wordt voor ‘80 uur’ respectievelijk ‘144 uur’ gelezen: 84,4 uur en 152 uur.

Artikel 6

  • 1. Een kamer kan in afwijking van artikel 71a, derde lid, van het ARAR haar eigen beoordelingsvoorschriften vaststellen.

  • 2. In afwijking van artikel 2, onderdeel b, van het BBRA wordt onder salaris per uur verstaan: 1/165 deel van het salaris bij een volledige werktijd.

  • 3. Voor de toepassing van hoofdstuk II van het BBRA geldt voor personeel van een kamer dat voor hen de minimum- en maximumsalarisbedragen van de salarisschalen van bijlage B bij het BBRA gelden, welke vermenigvuldigd worden met een factor 38/36. De treden tussen het minimum- en maximumsalaris kunnen worden ingevuld op de bij de kamers gebruikelijke wijze, mits deze tevoren kenbaar is gemaakt en de instemming heeft van het georganiseerd overleg van de kamers.

  • 4. In afwijking van artikel 7, vierde lid, van het BBRA kan een kamer een regeling vaststellen waarbij een salarisverhoging ingaat op een voor het gehele personeel gelijk moment.

  • 5. In afwijking van artikel 5, derde lid, van het BBRA mag een kamer gebruik maken van het functiewaarderingssysteem Universeel Systeem Berenschot. De als gevolg van de uitkomst van de functiewaardering toepasselijke salarisschaal van bijlage B bij het BBRA wordt bepaald aan de hand van de als bijlage bij dit besluit gevoegde Conversietabel Functiewaardering.

  • 6. In afwijking van de Regeling bezwarenprocedure functiewaardering BBRA 1984 kan het bevoegd gezag van een kamer, indien een personeelslid van die kamer bezwaar maakt tegen een vastgestelde waarderingsuitkomst, advies vragen aan een door een kamer aangewezen bezwarencommissie. Een kamer kan in afwijking van artikel 7 van de regeling een eigen regeling treffen met betrekking tot de samenstelling van deze commissie.

Artikel 7

In afwijking van artikel 51, derde lid, van het ARAR kan een kamer een eigen formulier vaststellen dat wordt gebruikt voor het afleggen van de eed of de belofte door het personeel van een kamer. Dit formulier behoeft de voorafgaande goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 8

  • 1. De bepalingen in het ARAR en de IKAP-regeling rijkspersoneel ten aanzien van de het meer of minder uren werken worden op het personeel van een kamer van toepassing op 1 januari 2010.

  • 2. Hoofdstuk VII van het ARAR is niet van toepassing op reorganisaties bij de kamers die zijn afgerond op uiterlijk 31 december 2010. In plaats hiervan geldt het per 1 maart 2007 in werking getreden Sociaal Statuut 2007. In afwijking van de eerste volzin blijft het Sociaal Statuut 2007 van toepassing op een reorganisatie die naar inschatting van een kamer nog niet volledig zal zijn afgerond op 31 december 2010, voor zover daarvoor voorafgaande toestemming is verleend door Onze Minister.

  • 3. Indien na 31 december 2008 bij of krachtens het ARAR of het BBRA regels worden gesteld inzake een aanspraak, een verplichting of een voorwaarde waaraan een arbeidsduur van 36 uur per week ten grondslag ligt, wordt deze steeds herleid tot een aanspraak, verplichting of voorwaarde waaraan een arbeidsduur van 38 uur per week ten grondslag ligt.

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.

Artikel 10

Dit besluit wordt aangehaald als: Rechtspositiebesluit Kamers van Koophandel.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Bijlage als bedoeld in artikel 6, vijfde lid

Conversietabel Functiewaardering

In de onderstaande tabel wordt de conversie van het Universeel Systeem Berenschot (USB) naar Fuwasys (BBRA-schalen) weergegeven.

USB punten

Niveau (BBRA-schaal)

 

1

10–35

2

35–60

3

60–85

4

85–110

5

110–135

6

135–160

7

160–185

8

185–210

9

210–240

10

240–270

11

270–305

12

305–350

13

350–400

14

400–450

15

450–500

16

500–570

17

570+

18

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

De Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 (hierna: de wet) is gewijzigd bij wet van 18 oktober 2007 (Stb. 2007, 459). Voor een groot gedeelte is deze wijzigingswet in werking getreden met ingang van 1 januari 2008. Het gewijzigde artikel 14 treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. In dit artikel is bepaald dat op het personeel van de kamers van koophandel (hierna: de kamers) de rechtspositieregels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, van overeenkomstige toepassing zijn. Dit betekent dat op het personeel van de kamers het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) en het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (hierna: BBRA) en de daarop gebaseerde regelingen van overeenkomstige toepassing zijn, met uitzondering van die regelingen die zich specifiek op departementen richten. Onder personeel verstaat de wet de directeuren en overig personeel. In het derde lid van artikel 14 is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur gedeeltelijk kan worden afgeweken van de rechtspositieregels voor ambtenaren. Met het onderhavige besluit wordt uitvoering gegeven aan artikel 14, derde lid, van de wet.

Artikel 14 is in de wet opgenomen naar analogie met de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. Deze kaderwet is nog niet van toepassing verklaard op de kamers. De gedachte achter de bepalingen van artikel 14 en de kaderwet is dat het mogelijk moet zijn om in specifieke situaties, bij voorbeeld uit arbeidsmarktoverwegingen op een enkel onderdeel af te wijken. De bedrijfsvoering van de kamers is door de aard van het werk meer gericht op het bedrijfsleven. Het doel is om de rechtspositie van de kamers in lijn te brengen met die van andere zelfstandige bestuursorganen en verdere transparantie te bewerkstelligen.

Bij het opstellen van dit besluit is ook rekening gehouden met de overgangsbepaling van artikel VII van de wet van 18 oktober 2007 (hierboven genoemd) dat op de datum van de inwerkingtreding van artikel 14 van de wet voor de personeelsleden van een kamer de van toepassing zijnde rechtspositie als geheel tenminste gelijkwaardig is aan de rechtspositie die voor elk van hen gold op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding. Daarnaast maken de kamers hiertoe in verband met de neerslag hiervan in de aanstellingen c.q. arbeidsvoorwaarden van de op 31 december 2008 zittende personeelsleden ook gezamenlijk afspraken met de vakbonden, alsmede voor zaken die alleen lokaal spelen met de OR. In bijzondere gevallen (‘hardheidsclausule’) kunnen ook afspraken met individuele werknemers worden gemaakt.

Dit besluit heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten voor ondernemers.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 3

De kamers worden niet onder de Algemene Bestuursdienst gebracht. Hierdoor wordt, binnen de grenzen van het BBRA, meer vrijheid gegeven om voor medewerkers in hogere schalen in het bedrijfsleven te werven. Voor deze medewerkers blijft overigens gelden dat de maxima van de salarisschalen van Bijlage B van het BBRA onverkort van toepassing blijven. Deze medewerkers hoeven ook niet verplicht een andere baan te gaan zoeken na een bepaald aantal jaren. Deze bepaling heeft eveneens tot gevolg, dat ambtenaren die onderdeel zijn van de Algemene Bestuursdienst ook niet in dat verband bij een kamer geplaatst kunnen worden.

Artikelen 4, 5 en 6, tweede en derde lid

De arbeidsduur bij de kamers is momenteel gemiddeld 38 uur. Hier is de huidige bedrijfsvoering op ingericht. Wanneer de arbeidsduur conform ARAR zou worden teruggebracht naar 36 uur zou dit leiden tot de noodzaak om meer mensen in dienst te nemen. Tijdens de vaste openingsuren zouden dan om klanten te kunnen blijven ontvangen meer mensen moeten worden ingezet. Om deze reden is in artikel 4, eerste lid, in afwijking van het daaromtrent in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van het ARAR en artikel 2, onderdeel g, van het BBRA bepaalde, geregeld dat de volledige arbeidsduur voor personeel van een kamer gemiddeld 38 uur per week is. Dit werkt door in diverse artikelen van ARAR en BBRA, alsmede in de IKAP-regeling rijkspersoneel en de levensloopregeling (artikel 4, tweede tot en met zesde lid). Het aantal vakantie- en verlofuren (artikel 5) alsmede de hoogte van het salaris (artikel 6, tweede en derde lid) is ook hieraan aangepast. Voor de bepaling van het gewijzigde aantal vakantie- en verlofuren is voor alle berekeningen uitgegaan van een werkdag van 7,6 uur in plaats van 7,2 uur.

Artikel 6, eerste en derde tot en met zesde lid

Een andere uitzondering die voor de kamers wordt gemaakt is dat de bestaande manier van beoordeling bij de individuele kamers in stand wordt gehouden (artikel 6, eerste lid). Het, op artikel 71a, derde lid, van het ARAR gebaseerde, Beoordelingsvoorschrift Burgerlijk Rijkspersoneel 1985 wijkt op punten af van het beoordelingssysteem van de verschillende kamers. Zo is binnen het ARAR prestatiebeloning zoals die bij de kamers gebruikelijk is (systematiek van percentages) niet mogelijk. Hiermee samenhangend blijven voor wat betreft de bezoldiging de minimum- en maximumbedragen van het BBRA van toepassing (vermenigvuldigd met een factor 38/36), maar kan de groei binnen de schalen geschieden volgens de eigen systematiek (artikel 6, derde lid). Door de uitzondering van het vierde lid wordt het voor de kamers mogelijk gemaakt om de bestaande praktijk te continueren dat de salarisverhogingen eenmaal per jaar, op een vast tijdstip, worden doorgevoerd. De salarisverhogingen bij de kamer zijn gebaseerd op het resultaat van de beoordeling. Op deze wijze blijven de prestatiegerichte beoordeling en beloning gekoppeld.

Het eigen functiewaarderingssysteem van de kamers, het Universeel Systeem Berenschot, wordt uit praktische overwegingen toegestaan (artikel 6, vijfde lid). Door het gebruik van de in de bijlage bij dit besluit opgenomen conversietabel valt de functiewaardering binnen de grenzen van het ARAR/BBRA. Onverkort vasthouden aan het bij het rijk voorgeschreven systeem Fuwasys vraagt om een grote ingreep in de bedrijfsvoering en zal met de voorziene toepassing van de conversietabel ook geen verdere toegevoegde waarde hebben. Mogelijke bezwaren tegen de functiewaardering worden het beste door een eigen commissie van de kamers afgehandeld. Deze is beter op de hoogte van de verschillende functies en van het gehanteerde functiewaarderingssysteem. Om deze reden bepaalt artikel 6, zesde lid, dat op dit punt wordt afgeweken van de Regeling bezwarenprocedure functiewaardering BBRA 1984.

Artikel 8

Tenslotte zijn in artikel 8 enkele overgangsbepalingen opgenomen.

De bepaling van het eerste lid hangt samen met het feit dat de kamers een gunstiger regeling hebben voor de aan- en verkoop van verlofuren dan de bij het rijk geldende IKAP-regeling (artikelen 4 en 5 IKAP-regeling rijkspersoneel). Vanuit de kamers is de wens naar voren gekomen hier geen tweedeling te laten ontstaan tussen personeelsleden die al in dienst waren op 31 december 2008 en nieuwe personeelsleden. Om deze reden is in het eerste lid bepaald dat voor een periode van een jaar na 1 januari 2009 de IKAP- regeling rijkspersoneel op dit punt nog niet van toepassing zal zijn. De kamers kunnen vervolgens zelf, in overleg met vakbonden en ondernemingsraden bezien in hoeverre zij in deze periode de bestaande regeling willen afbouwen.

Bij de kamers is recentelijk een Sociaal Statuut afgesloten. Dit is in 2007 van kracht geworden en heeft een looptijd tot en met 2010. De reorganisaties van de kamers die verband houdt met de recente wijziging van de wet en van de invoering van de Handelsregisterwet 2007 lopen volgens dit Sociaal Statuut. Het wijkt op onderdelen af van het ARAR en het Sociaal Flankerend beleid sector Rijk en is in overeenstemming met de vakbonden tot stand gekomen. Vanwege het feit dat er nu een akkoord ligt tussen werkgever en werknemer is het niet opportuun om de rijksvoorwaarden in dit (tijdelijke) geval op te gaan leggen. Als er met de inwerkingtreding van dit besluit andere voorwaarden zouden gaan gelden, dan zouden medewerkers in dezelfde reorganisatie verschillende rechten hebben, een onwenselijke situatie. Daarom is in het tweede lid bepaald dat het Sociaal Statuut blijft gelden voor alle reorganisaties die binnen haar looptijd zullen zijn afgerond. Voor het geval een reorganisatie voor het overgrote deel binnen de looptijd van het Sociaal Statuut zal plaatsvinden, maar daarbinnen naar verwachting niet kan worden afgerond, biedt de tweede volzin van het tweede lid een kamer de mogelijkheid om de Minister van Economische Zaken om toestemming te vragen toch het Sociaal Statuut van toepassing te laten zijn op die reorganisatie.

Het derde lid is opgenomen om er zeker van te zijn, dat, indien na de inwerkingtreding van dit besluit nieuwe regelgeving tot stand komt voor de medewerkers bij de ministeries, waarbij een werkweek van 36 uur uitgangspunt is, deze voor het personeel van de kamers automatisch wordt ‘herleid’ tot normen waarbij een werkweek van 38 uur uitgangspunt is.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Advies Raad van State

No.W10.08.0340/III

’s-Gravenhage, 14 augustus 2008

Bij Kabinetsmissive van 22 juli 2008, no.08.002191, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende de afwijking op een aantal onderdelen voor het personeel van de Kamers van Koophandel van de rechtspositieregels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries (Rechtspositiebesluit Kamers van Koophandel), met nota van toelichting.

Met ingang van 1 januari 2009 zijn op het personeel van de kamers van koophandel het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) en het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (hierna: BBRA) en de daarop gebaseerde regelingen van overeenkomstige toepassing. Het nu voorliggende ontwerpbesluit, dat wordt gebaseerd op artikel 14, derde lid, van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 (hierna: Wet KvK), voorziet in een aantal afwijkingen van het ARAR en het BBRA. Deze vloeien vooral voort uit het feit dat bij de kamers van koophandel (hierna: kamers) de gemiddelde volledige arbeidsduur 38 in plaats van 36 uur bedraagt.

  • 1. Het voorgestelde artikel 8, tweede lid, bepaalt dat hoofdstuk VII van het ARAR niet van toepassing is op reorganisaties bij de kamers die zijn afgerond op uiterlijk 31 december 2010. In plaats hiervan geldt het Sociaal Statuut 2007, zo stelt het tweede lid. Het Sociaal Statuut is een tussen werkgever en werknemers overeengekomen regeling. Artikel 8, tweede lid, laatste volzin, geeft de minister van Economische Zaken de bevoegdheid om toestemming te geven om af te wijken van de eerste volzin, in die zin dat hoofdstuk VII van het ARAR (ook) niet van toepassing is op reorganisaties die nog niet op 31 december 2010 zijn afgerond. De Raad merkt over het voorgestelde artikel 8, tweede lid, het volgende op.

    • a. Bepalend voor de toepassing van dit lid is of een reorganisatie op de peildatum is ‘afgerond’. Uit de toelichting blijkt niet welke betekenis de term ‘afgerond’ heeft. Ook hoofdstuk VII van het ARAR geeft daarin geen inzicht. Gelet op het belang van deze term voor het op een reorganisatie toepasselijk rechtsregime, mag er geen misverstand over bestaan op welk moment een reorganisatie is afgerond.

      De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de betekenis van de term ‘afgerond’ en deze zonodig te preciseren of te vervangen.

    • b. Het ontwerpbesluit wordt gebaseerd op artikel 14, derde lid, van de Wet KvK, dat met ingang van 1 januari 2009 luidt als volgt: ‘Bij algemene maatregel van bestuur kan gedeeltelijk worden afgeweken van het tweede lid.’ Dit tweede lid bepaalt kort gezegd dat de rechtspositieregels voor rijksambtenaren op het personeel van de kamers van overeenkomstige toepassing zijn. Naar het oordeel van de Raad brengt artikel 14, derde lid, met zich dat alle afwijkingen van de in artikel 14, tweede lid, neergelegde regel, namelijk dat de rechtspositieregelingen voor rijksambtenaren van overeenkomstige toepassing zijn, in een algemene maatregel van bestuur behoren te worden opgenomen. Hiermee verdraagt zich niet dat aan een minister de bevoegdheid wordt toegekend om verdere afwijking van die rechtspositieregelingen toe te staan.

      De Raad adviseert het voorgestelde artikel 8, tweede lid, derde volzin, te schrappen.

  • 2. In het voorgestelde artikel 8, derde lid, wordt, kort gezegd, bepaald dat indien na 31 december 2008 bij of krachtens het ARAR of het BBRA regels worden gesteld die zijn gerelateerd aan een arbeidsduur van 36 uur per week, deze steeds worden herleid tot normen waarbij een werkweek van 38 uur het uitgangspunt is. Deze bepaling ziet op nieuwe regelgeving en beoogt te voorkomen dat het onderhavige besluit daaraan telkens moet worden aangepast. Naar het de Raad voorkomt, is artikel 8, derde lid, een praktische bepaling waarvan de werking niet beperkt zou hoeven te blijven tot nieuwe regelgeving. Ook ten aanzien van het ARAR en het BBRA zoals deze nu luiden geldt ingevolge het voorstel immers dat regels die zijn gerelateerd aan een arbeidsduur van 36 uur per week, voor toepassing op de kamers moeten worden herleid tot normen waarbij een werkweek van 38 uur het uitgangspunt is. Een aantal van de in de voorgestelde artikelen 4, 5 en 6 opgenomen gedetailleerde aanpassingen voorziet in deze omrekening. Een algemeen geformuleerde bepaling als artikel 8, derde lid, maar dan zonder vermelding van een peildatum, zou een groot aantal van de genoemde specifieke en zeer gedetailleerde aanpassingen overbodig maken, en bovendien voorkomen dat – in strijd met de Aanwijzingen voor de regelgeving – moet worden verwezen naar met name genoemde lagere regelingen.1 De Raad geeft in overweging de opzet van het ontwerpbesluit met inachtneming van het voorgaande opnieuw te bezien.

  • 3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen met betrekking tot het overgangsrecht. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

H.D. Tjeenk Willink.

Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W10.08.0340/III met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

  • In de aanhef van het ontwerpbesluit de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 correct aanhalen.

  • In het voorgestelde artikel 8, derde lid, de zinsnede ‘wordt deze steeds herleid’ vervangen door: worden deze voor toepassing op het personeel van een kamer steeds herleid.

Nader Rapport

’s-Gravenhage, 21 oktober 2008

WJZ / 8156570

Aan de Koningin

Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende de afwijking op een aantal onderdelen voor het personeel van de Kamers van Koophandel van de rechtspositieregels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries (Rechtspositiebesluit Kamers van Koophandel)

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 22 juli 2008, nr. 08.002191, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 14 augustus 2008, nr. W10.08.0340/III, bied ik U hierbij aan.

  • 1.

    • a Overeenkomstig het advies van de Raad is gezocht naar een duidelijker criterium voor het antwoord op de vraag wanneer het Sociaal Statuut 2007 nog van toepassing zal zijn op een reorganisatie. Hierbij is gekozen voor het op de peildatum genomen zijn van alle voorgenomen plaatsingsbesluiten. De tekst van artikel 8, tweede lid, en de toelichting zijn op dit punt aangepast.

  • 1.

    • b Overeenkomstig het advies van de Raad is de derde volzin van artikel 8, tweede lid, geschrapt. In verband hiermee is ook de toelichting aangepast.

  • 2. Bij het opstellen van het ontwerp-besluit is ervoor gekozen daar waar redelijkerwijs mogelijk zorgvuldigheid en kenbaarheid van wetgeving te betrachten. De bepaling van artikel 8, derde lid, is opgenomen om zeker te stellen dat voor de personeelsleden van de kamers steeds, ook bij tussentijdse wijziging van de relevante regelgeving voor ambtenaren op ministeries, een werkweek van 38 uur uitgangspunt is. Echter, het uitgangspunt van zorgvuldigheid en kenbaarheid van wetgeving is leidend en is de reden dat het advies van de Raad op dit punt niet is overgenomen.

De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn verwerkt.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

F. Heemskerk.


XNoot
1

Zie ook Aanwijzing 78, derde lid.