Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik

Categorie: Opsporing, vervolging, executie, overige

Rechtskarakter: Aanwijzing i.d.z.v. art. 130 lid 4 Wet RO

Afzender: College van Procureurs-Generaal

Adressaat: Hoofden van parketten

Registratienummer: 2008A031

Datum vaststelling: 15-12-2008

Datum inwerkingtreding: 01-01-2009

Geldigheidsduur: 31-12-2012

Publicatie in Stcrt.: PM

Vervallen: Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (2005A001)

Relevante beleidsregels: Aanwijzing formulier risicoprofiel en executie-indicator (2008A014), Aanwijzing kinderpornografie (artikel 240b WvSr) (2007A020), Richtlijn voor strafvordering kinderpornografie (2007R003), Aanwijzing mensenhandel (2008A022), Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging (2007A017), Aanwijzing slachtofferzorg (2004A004), Aanwijzing spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring (2004A013)

Wetsbepalingen: Titel XIV, Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht

Jurisprudentie: –

Bijlage(n): 5

Achtergrond

Sinds de invoering van de richtlijn De Beaufort voor de bejegening van slachtoffers van seksuele misdrijven in 1986, is de wijze waarop slachtoffers worden behandeld door politie en Openbaar Ministerie veranderd. De achtergrond voor het invoeren van deze richtlijn was dat een seksueel geweldsmisdrijf een zodanig ernstige inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de bejegening door politie en justitie van slachtoffers van seksuele geweldsmisdrijven.

Eind jaren negentig ontstond bij het College van Procureurs-Generaal behoefte aan de actualisering van de richtlijn De Beaufort. Eén van de redenen hiervoor was de wens om, naast een professionele bejegening van slachtoffers van zedendelicten, meer nadruk dan voorheen te leggen op het algemeen belang van waarheidsvinding. Om deze twee doelstellingen te realiseren werden de aanwijzing ‘bejegening slachtoffers van zedenzaken’ en de aanwijzing ‘opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties’ ontwikkeld. Beide aanwijzingen zijn op 1 oktober 1999 in werking getreden.

De aanwijzingen hebben een positieve invloed gehad op de aandacht die politie en Openbaar Ministerie besteden aan de zedentaak. De twee aanwijzingen worden nu geïntegreerd tot één nieuwe aanwijzing, met als titel aanwijzing ‘opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik’. De samenvoeging gebeurt omdat onderwerpen als deskundigheidsbevordering, professionaliteit e.d. in elke zedenzaak noodzakelijk zijn en er een eenduidig document voor de aanpak van zedenzaken dient te zijn.

Met seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties worden die vormen van misbruik bedoeld waarbij handelingen plaatsvinden met een seksuele lading en waarbij het slachtoffer in een afhankelijkheidsrelatie staat of stond tot de dader. Daaronder zijn in ieder geval begrepen de gevallen van ontucht met misbruik van gezag die in art. 249 Wetboek van Strafrecht (WvSr) worden genoemd.

De aanwijzing maakt een onderscheid tussen acute situaties en situaties waarin bezinning nodig is/mogelijk is. Dat laatste zal in het algemeen het geval zijn in afhankelijkheidssituaties.

Samenvatting

Deze aanwijzing bevat regels met betrekking tot de opsporing en vervolging van seksueel misbruik in het algemeen én in afhankelijkheidsrelaties en regels voor de bejegening van slachtoffers van zedendelicten.

Randvoorwaarden

Deskundigheid

Politie

De bejegening van slachtoffers van zedenmisdrijven vergt deskundigheid. Binnen elk korps dienen daarom voldoende opsporingsambtenaren in staat te zijn een informatief gesprek met de melder/het slachtoffer te voeren en een aangifte van een zedenmisdrijf op te nemen. Deze opsporingsambtenaren dienen ervaren te zijn in de politiedienst en te beschikken over de sociale vaardigheden, de kennis van slachtofferproblematiek en het inzicht in het netwerk van hulpverleningsinstanties, die nodig zijn voor het behandelen van dergelijke zaken. De opsporing moet geschieden door een deskundig rechercheur, die tevens overwegend belast is met zedenzaken, dus tenminste voor 50% van een volledige werkweek. Gelet op de voorkeur van sommige slachtoffers om te worden gehoord door een vrouw, dient elke regio te beschikken over voldoende gespecialiseerde vrouwelijke rechercheurs zodat aan deze voorkeur ook gevolg kan worden gegeven. Opsporingsambtenaren die niet speciaal belast zijn met de behandeling van zedenzaken, laten zich niet verder in met de zaak dan strikt noodzakelijk. Zij zorgen ervoor dat iemand die een melding of aangifte wenst te doen van een zedenmisdrijf op zo kort mogelijke termijn in contact wordt gebracht met een collega die hiervoor is aangewezen.

De opleiding en vorming van de gespecialiseerde opsporingsambtenaren vinden plaats door het tenminste met goed gevolg hebben doorlopen van een opleiding, waarvan de competenties door de Minister van Binnenlandse Zaken (BZK) zijn vastgesteld. Diegene die voorafgaand aan deze aanwijzing reeds als voldoende gekwalificeerd door de korpsen werd aangemerkt, behoeft niet noodzakelijk alsnog deze opleiding te volgen.

Om het slachtoffer goed te kunnen verwijzen is een goede kennis van de hulpverlening en een goede relatie met de hulpverleningsinstanties noodzakelijk.

Openbaar Ministerie

Op elk parket wordt door de parketleiding een contactfunctionaris aangewezen. Deze zogenaamde zedenaanspreek-officier/advocaat-generaal heeft de competenties zoals die staan omschreven in de taakomschrijving (zie bijlage 5) en participeert in de lokale netwerken op het terrein van de zeden.

De zedenaanspreek-officier/advocaat-generaal moet op de hoogte zijn van het scenario ‘maatschappelijke onrust in zedenzaken’.1

Opsporing

De opsporing in deze aanwijzing wordt onderscheiden in:

  • A acute situaties die onverwijld optreden noodzakelijk maken (zoals heterdaad situaties) èn

  • B situaties waarin ‘bezinning’ over de positie van de aangever nodig is/mogelijk is (dat zal met name het geval zijn in afhankelijkheidsrelaties en bij zaken die aan de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ)2 moeten worden voorgelegd).

Fasen in het opsporingsonderzoek

De opsporing van seksueel misbruik is onderverdeeld in verschillende fasen. Per fase is aangegeven met welke factoren rekening gehouden moet worden in de verschillende situaties, hoe de oordeelsvorming verantwoord kan worden en welke voorwaarden vervuld moeten zijn alvorens tot handelen over wordt gegaan.

1. Voorfase in het onderzoek naar seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties

De formele aanzet tot de opsporing, de aangifte, is van groot belang voor het verdere onderzoek in zaken van seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties. Daarom is zorgvuldigheid, controleerbaarheid en neutraliteit geboden. Gezien de complexiteit van misbruik in afhankelijkheidsrelaties is het wenselijk de aanloop tot een aangifte te omschrijven aan de hand van onderwerpen die aan de orde moeten komen in het informatieve gesprek (zie bijlagen 1 en 2). In dit gesprek worden mede de consequenties van het doen van een aangifte besproken. Het informatieve gesprek en de aangifte kunnen samenvallen.

Bij het informatieve gesprek moet de betrokkene zo goed als mogelijk de kans krijgen het gehele verhaal te vertellen. Onderbrekingen zijn geoorloofd om de draad van het verhaal te kunnen blijven volgen. De opsporingsambtenaar moet na dit gesprek in staat zijn om de betrokkene voor te lichten welke de consequenties zijn van het doen van aangifte. Dat betekent dat hij tenminste zicht moet hebben op welk strafbaar feit het eventueel betreft en hoe de kansen voor de opsporing liggen. (Zie verder bijlagen 1 en 2.)

Bij het bespreken van de consequenties van het doen van aangifte wordt de betrokkene geïnformeerd over het doen van een aangifte en over het feit dat de aangifte op geluidsband wordt opgenomen. Duidelijk moet worden gemaakt dat het doen van aangifte het startsein is voor de inzet van opsporing en vervolging.

Met betrekking tot de aanwezigheid van een vertrouwenspersoon bij het informatieve gesprek geldt hetzelfde als bij de aangifte, zie daarvoor paragraaf 2: De aangifte.

In verband met het mogelijke tijdsverloop tussen het informatieve gesprek en een aangifte dient er tenminste een schriftelijk verslag van het informatieve gesprek te worden gemaakt. In dat verslag moet in ieder geval worden aangegeven welke personen er bij het informatieve gesprek aanwezig zijn geweest.

Indien de betrokkene aangeeft geen aangifte te willen doen, maar er is wel sprake van een bewijsbaar strafbaar feit, dan wordt er zoveel mogelijk bewijs verzameld ten behoeve van een eventuele ambtshalve vervolging indien de geestelijke en/of lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig is/wordt bedreigd en het slachtoffer zich evident in een afhankelijkheidspositie bevindt.

2. De aangifte

Aangifte doen is geen vrijblijvende zaak. Een eenmaal gedane aangifte kan niet worden ingetrokken3 en is de start van een strafrechtelijk onderzoek.

Het is van het grootste belang dat een aangifte professioneel, adequaat en zorgvuldig wordt opgenomen. Het werken met verhoorkoppels draagt hieraan bij omdat opsporingsambtenaren elkaar aan kunnen vullen, het een kritische beschouwing vergemakkelijkt, het meer gelegenheid geeft tot observatie en het de kans op beïnvloeding door de verhoorder verkleint.

In de situatie onder B wordt de aangifte zo mogelijk opgenomen door dezelfde opsporingsambtenaar die het informatieve gesprek heeft gevoerd, met daarbij een collega.

In gecompliceerde zedenzaken verdient het aanbeveling dat een tijdlijn van de gebeurtenissen wordt opgemaakt. (Zo kan onder andere beter inzicht worden verkregen in de ontstaansgeschiedenis van de zaak en wordt het duidelijk welke informatie nog ontbreekt. Ook kan er in de tijdlijn opgenomen worden wie met wie spreekt en waarover.) Dit dient in ieder geval te gebeuren in zaken waarin de LEBZ wordt geconsulteerd.

Tevens moet men alert zijn op het aspect van verjaring.

Een slachtoffer tussen de 4 en 12 jaar of een ouder persoon bij wie sprake is van een achterstand in de ontwikkeling, dient te worden gehoord volgens het Protocol Studioverhoor (zie bijlage 4).

Het verhoor van mensen met een verstandelijke handicap wordt uitgevoerd door opsporingsambtenaren van de politie. Dit geldt zowel voor het horen van slachtoffers met een verstandelijk handicap als voor het verhoren van verdachten met een verstandelijk handicap. Gezien de complexiteit van een dergelijk verhoor hebben extern deskundigen die gespecialiseerd zijn in het horen van verstandelijk gehandicapten een belangrijke rol met betrekking tot de advisering. In de voorbereidende fase kunnen deze deskundigen bijvoorbeeld adviseren over de manier waarop met de desbetreffende persoon het beste gecommuniceerd kan worden en over het verhoorplan. Daarnaast kan de extern deskundige desgewenst vanuit de regiekamer adviseren, bijvoorbeeld via de zogenaamde ‘chatmethode’. In uitzonderlijke gevallen kan op verzoek van de opsporingsambtenaar en na toestemming van de Officier van justitie, een extern deskundige bij het verhoor aanwezig zijn. Hierbij kan gedacht worden aan het verhoor van mensen met een meervoudig verstandelijk handicap die nauwelijks of geen spraak hebben of verstandelijk gehandicapten die verhoord moeten worden aan de hand van pictogrammen. Als er verschil van inzicht is over de aanwezigheid van de extern deskundige bij het verhoor van een verstandelijk gehandicapte tussen de extern deskundige en de opsporingsambtenaar, neemt de Officier van Justitie hierover een beslissing.

Bij voorkeur is de vertrouwenspersoon niet aanwezig bij de aangifte. Indien de vertrouwenspersoon wel bij de aangifte aanwezig zal zijn, verdient het aanbeveling deze eerst als getuige te horen waarna dan pas de aangifte wordt opgenomen. In dat geval moet er altijd een bandopname van de aangifte worden gemaakt. Indien de vertrouwenspersoon bij het informatieve gesprek aanwezig was, is het horen als getuige van deze vertrouwenspersoon onwenselijk.

Met name bij het doen van aangifte van situatie A moet het slachtoffer worden gewezen op de mogelijkheid tot een HIV-onderzoek.4

2.1 Opname van aangifte

Voorzover de aangifte van seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties (B) door het slachtoffer gedaan wordt, dient de aangifte te worden opgenomen op geluidsband. Het maken van bandopnames kan weerstand oproepen bij de aangever. Om dit te voorkomen is het van belang dat duidelijk wordt gemaakt welke belangen gediend worden met de bandopnames.

Bij andere aangiften van zedendelicten (A) wordt een bandopname gemaakt indien dit in het belang van het onderzoek is.

De waarheidsvinding is, speciaal in het soort zaken waar deze aanwijzing op ziet, gediend met inzicht in het letterlijke gesprek van de aangifte. Tevens kan met een bandopname worden voorkomen dat de verdachte zich ten onrechte beroept op onrechtmatigheden tijdens het verhoor.

In het uiterste geval, wanneer een aangever ook na uiteenzetting van de dringende redenen, niet instemt met het maken van een bandopname, kan het opnemen van een proces-verbaal van aangifte niet geweigerd worden. De aangever wordt op de hoogte gebracht van mogelijke negatieve consequenties van het ontbreken van een bandopname van het aangifteverhoor. Tevens wordt er aantekening van gemaakt in het proces-verbaal van aangifte.

De bandopname wordt niet per definitie als processtuk aangemerkt. Wel brengen beginselen van behoorlijke procesorde met zich mee dat kennisneming van de bandopname niet aan de verdediging mag worden onthouden. De officier van justitie en de rechter-commissaris kunnen besluiten (een deel) van de opname in het strafdossier op te nemen, bijvoorbeeld als een deel van het proces-verbaal wordt betwist door de verdediging. De band wordt bewaard totdat de zaak in hoogste instantie onherroepelijk is afgedaan.

3. Verdere opsporing

Na de aangifte vangt de verdere opsporing aan. De leider van het politieteam overlegt met de officier van justitie hoe verder te gaan met de aangifte.

Bij het politiële onderzoek worden de anonimiteit van het slachtoffer en de verdachte zoveel mogelijk gewaarborgd.

Bij aanhouding buiten heterdaad dient de officier van justitie steeds af te wegen waar en wanneer tot aanhouding wordt overgegaan en met welke middelen. Indien de politie verzoekt om toestemming voor aanhouding van de verdachte buiten heterdaad, kan bedoelde toestemming slechts worden verleend nadat de officier van justitie zelf kennis heeft genomen van de inhoud van de aangifte. Steeds dient overwogen te worden of kan worden volstaan met een uitnodiging aan de verdachte om vrijwillig aan het bureau te verschijnen.

Indien tot confrontatie tussen slachtoffer en verdachte wordt overgegaan, zal het slachtoffer daarop zorgvuldig worden voorbereid.

Alvorens de officier van justitie een vervolgingsbeslissing neemt, wordt de verdachte gehoord. Alleen in zedenzaken waar 8 jaar of meer op staat èn bij zaken met betrekking tot misbruik in afhankelijkheidsrelaties moet het verhoor van verdachten in zedenzaken op geluidsband worden opgenomen.

Een onderzoek in een zaak naar seksueel misbruik in een afhankelijkheidsrelatie wordt in beginsel niet afgerond voordat er een gesprek heeft plaatsgevonden met degene tegen wie de aangifte is gericht over de inhoud van de aangifte. Indien deze persoon niet als verdachte kan worden aangemerkt, vindt dit gesprek op uitnodiging plaats op het bureau. Een weigering van degene tegen wie de aangifte gericht is om op een dergelijke uitnodiging in te gaan, is geen reden hem alsnog als verdachte aan te merken tenzij hij bij de motivering van zijn weigering informatie geeft die alsnog bijdraagt aan de onderbouwing van een redelijk vermoeden van schuld.

3.1 Inschakelen Expertisegroep

Indien een aangifte aspecten vertoont verbonden met

  • herinneringen van voor de derde verjaardag;

  • ritueel misbruik of;

  • hervonden herinneringen (evt. na langdurige (alternatieve) therapeutische behandeling) dient het LEBZ geconsulteerd te worden alvorens beslissingen in het opsporingsonderzoek worden genomen. Een dergelijke consultatie is in de bovenstaande gevallen dwingend voorgeschreven en dient te geschieden door de officier van justitie.

    Ook voor andere zedenzaken kan de LEBZ worden geconsulteerd. Zie bijlage 3.

3.2 Medisch onderzoek

De politie beschikt over een vaste relatie met een medische dienst of arts die geconsulteerd kan worden bij zedenmisdrijven. De behandelend opsporingsambtenaar adviseert het slachtoffer deze dienst of arts te consulteren. De vrijheid van artsenkeuze wordt evenwel gerespecteerd. Indien het slachtoffer geen toestemming geeft de medische gegevens te betrekken bij het onderzoek, dan wordt hiervan aantekening gemaakt in het proces-verbaal. Het slachtoffer wordt gewezen op de mogelijke consequenties van deze weigering. Indien het slachtoffer niet mee wenst te werken aan (medisch) onderzoek dat nodig is voor het bewijs van een zedenmisdrijf, dan zal geprobeerd worden het bewijs te verzamelen zonder bedoelde medewerking.

3.3 Voortgang onderzoek

Na de laatste onderzoekshandeling dient het proces-verbaal binnen 30 dagen aan het Openbaar Ministerie te worden toegezonden.

Vervolging

Binnen drie maanden na inschrijving van de zaak ten parkette of – in het geval van een gerechtelijk vooronderzoek of instructie – drie maanden na de laatste onderzoekshandeling moet ten parkette een beslissing over al dan niet vervolgen worden genomen.

Per 1 oktober 2002 is het klachtvereiste bij zedenmisdrijven vervallen. Wel dient het Openbaar Ministerie de minderjarige die twaalf jaren of ouder is zo mogelijk in gelegenheid te stellen zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken. De officier van justitie kan het horen van het slachtoffer delegeren aan de politie.

In het geval van verdenking van seksueel misbruik dient er in beginsel een voorlichtingsrapportage over de verdachte opgevraagd te worden.

In beginsel heeft verdachte recht op het horen van getuige(n) (onder wie ook het slachtoffer). Er moet echter altijd een belangenafweging worden gemaakt tussen de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de veiligheid en gezondheid van het slachtoffer en het recht van de verdachte om het slachtoffer te (doen) ondervragen5.

Verzoeken met betrekking tot het horen van minderjarige slachtoffers als getuige op zitting moeten beoordeeld worden aan de hand van het bovenstaande, waarbij ook gelet moet worden op de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer. Het Openbaar Ministerie kan voorstellen het slachtoffer te horen buiten aanwezigheid van de verdachte.

De positie van het slachtoffer als getuige ter zitting is een penibele. Het Openbaar Ministerie hoeft niet het initiatief te nemen tot het ondervragingsrecht van de verdediging. Als de verdediging de getuigenverklaring van een minderjarig zedenslachtoffer betwist, kan de officier zich ertegen verzetten dat het slachtoffer alsnog op zitting moet worden gehoord. Als de getuige niet gehoord dient te worden moet er wel compensatie worden geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot (rechtstreekse) ondervraging. Hierbij kan gedacht worden aan het ter terechtzitting afspelen van de videoband die is gemaakt van het afleggen van de belastende verklaringen van het slachtoffer tegenover de politie, het gelasten van een onderzoek door een deskundige van het aldus vastgelegde verhoor6 of het horen van de verbalisanten die het verhoor hebben afgenomen.

De Hoge Raad7 oordeelt dat wanneer de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad de persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, en de verdediging van mening is dat de verklaringen van het slachtoffer ten onrechte tot het bewijs zijn gebezigd, art. 6 EVRM8 aan het gebruik tot het bewijs van het proces verbaal met een dergelijke verklaring niet in de weg staat als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en voorts dat dit steunbewijs dan betrekking zal moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist.

Executie

De executie-indicator9 met betrekking tot zedendelinquenten moet juist gehanteerd worden. Ten aanzien van de terugkeer van zedendelinquenten in de maatschappij dienen de parketten bij voorkeur een handleiding ‘Informeren van slachtoffers over invrijheidsstelling van de dader’ en een ‘terugkeer-scenario’ te hanteren.10

Slachtoffers

Bejegening

Uitgangspunt is de aanwijzing ‘slachtofferzorg’. Gelet op de bijzondere positie van het slachtoffer dient in zedenzaken uiterste zorgvuldigheid in acht te worden genomen.

Het slachtoffer wordt gewezen op

  • de mogelijkheid om door tussenkomst van de behandelend opsporingsambtenaar of het Openbaar Ministerie op de hoogte te worden gehouden van het verloop van het onderzoek en het verdere verloop van het strafproces tot en met de executie;

  • de verschillende fasen in de procesgang en de positie van het slachtoffer daarin; hem wordt een brochure dienaangaande overhandigd;

  • de mogelijkheid om voor praktische, emotionele of juridische ondersteuning een beroep te doen op het Bureau Slachtofferhulp;

  • de mogelijkheid om, al dan niet in het kader van een strafzaak, schadevergoeding te vorderen; en

  • de mogelijkheid om afstand te doen van inbeslaggenomen eigendommen.

Slachtoffers moeten geïnformeerd worden over alle belangrijke beslissingen in het onderzoek, met name in de voorlopige hechtenis fase is het van belang het slachtoffer zo spoedig mogelijk te informeren indien de verdachte vrij is gelaten/of is geschorst.

Slachtoffers moeten gewezen worden op de mogelijkheid tot het voeren van een gesprek met de officier van justitie/advocaat-generaal.

Indien aan de daarvoor gestelde criteria is voldaan, moet het slachtoffer tevens de mogelijkheid worden geboden gebruik te maken van een schriftelijke slachtofferverklaring.

Op 1 januari 2005 is de wet aangaande het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden in werking getreden.11 Deze wet regelt het recht van slachtoffers en nabestaanden om op de openbare terechtzitting te kennen te geven welke gevolgen het ten laste gelegde feit bij hen te weeg heeft gebracht.

Artikel 302 Sv bepaalt:

  • 1. Het slachtoffer of diens nabestaande kan op de terechtzitting een verklaring afleggen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde feit, bedoeld in het tweede lid, bij hem te weeg heeft gebracht.

  • 2. Het spreekrecht kan worden uitgeoefend indien het tenlastegelegde feit een misdrijf betreft, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, dan wel een van de misdrijven genoemd in de artikelen 240b, 247, 248a, 249, 250, 250a12, 285, 285b, 300, tweede en derde lid, 301, tweede en derde lid, 306 tot en met 308 en 318 Wetboek van Strafrecht en artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Hulpverlening

Van de politie wordt verwacht dat zij participeert in regionale hulpverleningsnetwerken en goede operationele contacten onderhoudt met hulpverleningsinstellingen. Het is de zorg van de behandelend opsporingsambtenaar om te bewerkstelligen dat hulpverlening aansluit op het politiële traject. Nagegaan wordt of het slachtoffer in de eigen omgeving kan worden opgevangen. Zo nodig wordt contact gelegd met een hulpverleningsinstelling. Elk regiokorps dient te beschikken over een protocol met betrekking tot de opvang en doorverwijzing van slachtoffers van zedenmisdrijven.

Overige

Verstandelijk gehandicapten

Verstandelijk gehandicapten vallen, voorzover het een afhankelijkheidsrelatie betreft, reeds onder art. 249 WvSr. Daarbuiten kan een ander regiem van bejegening van toepassing zijn (bijv. art. 247 WvSr). Apart van de LEBZ is er een poule van begeleiders en deskundigen ter advisering in situaties van seksueel misbruik van verstandelijk gehandicapten.

Voorlichting

Over gepleegde zedenmisdrijven wordt slechts met uiterste terughoudendheid mededeling gedaan aan de pers. De persoonlijke levenssfeer van slachtoffers, nabestaanden, getuigen en verdachten wordt zoveel mogelijk beschermd. In de regel betekent dit dat volstaan dient te worden met de vermelding van leeftijd, geslacht en woonplaats van het slachtoffer.

Voor het overige gelden de bepalingen van de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging.13

Overgangsrecht

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben onmiddellijke gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.

BIJLAGE 1. WAT ER AAN DE ORDE MOET KOMEN IN EEN INFORMATIEF GESPREK

AANWEZIGHEID van vertrouwenspersoon sluit uit dat die persoon later als getuige wordt gehoord.

WAT is er (globaal) gebeurd?

HOE is dat bekend geworden (bijvoorbeeld als het om een kind gaat)?

WAAR is het gebeurd?

WANNEER is het gebeurd?

WIE is/zijn slachtoffers?

WIE is/zijn verdachten?

Zijn er GETUIGEN?

Zijn er SPOREN?

Geeft men toestemming voor MEDISCH ONDERZOEK?

Is een THERAPEUT/HULPVERLENER ingeschakeld?

Is er toestemming voor INZAGE IN MEDISCHE DOSSIERS?

Is een DAGBOEK bijgehouden?

Zijn er FOTO-/VIDEO-opnamen gemaakt?

Is er met ANDEREN gesproken?

Heeft de melder zich GEÖRIENTEERD op het onderwerp?

Wat is het MOTIEF voor aangifte?

Is de OPVANG van het slachtoffer geregeld?

BIJLAGE 2. WAT AAN DE ORDE MOET KOMEN BIJ HET BESPREKEN VAN DE CONSEQUENTIES VAN EEN AANGIFTE

VERWACHTINGEN van een politieonderzoek bij de aangever

Uitleg over DOEL/STATUS van een aangifte

Uitleg over de PROCEDURE

  • juridische uitleg over verjaring, bewijzen, hoger beroep e.d.

WIJZEN op:

  • mogelijk kritische vragen en uitleg

  • opname van de aangifte op geluidsband; doelen van de opname vermelden

  • de mogelijkheid van verscheidene verhoren

  • kans op vervolging

  • RC-verhoor

  • openbaarheid van de zitting

  • bijstand vertrouwenspersoon

  • mogelijkheid medisch onderzoek

  • consequenties van een valse aangifte

Wijzen op de mogelijkheid dat het SLACHTOFFER moet worden GEHOORD en op de consequenties die dat voor een kind kan hebben; erop wijzen dat daarvoor TOESTEMMING nodig is van de wettelijk vertegenwoordiger.

STUDIOVERHOOR bij een kind tussen de 4 en 12 jaar

Mogelijkheid dat (andere) GETUIGEN worden gehoord

Aangeven van ALTERNATIEVEN (hulpverlening, civiele procedure)

Aanbod BEDENKTIJD

BIJLAGE 3. EXPERTISEGROEP

De impliciete doelstelling van de toenmalige aanwijzing opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties was te voorkomen dat personen die worden beschuldigd van seksueel misbruik al te lichtvaardig worden aangehouden. Hiertoe is destijds door het College van Procureurs-Generaal de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken in het leven geroepen.

De Expertisegroep bestaat uit deskundigen afkomstig uit drie verschillende disciplines:

  • 1) klinisch psychologen, psychiaters en pedagogen;

  • 2) psychologen die gespecialiseerd zijn in functieleer ;

  • 3) ervaren zedenrechercheurs.

Werkwijze:

De deskundigen moeten zich buigen over de geloofwaardigheid van aangiften in bepaalde operationele zedenzaken, vóórdat de officier van justitie eventueel de beslissing neemt de beschuldigde aan te houden. Zaken waarin consultatie van de Expertisegroep verplicht is, zijn zaken met aangiften die aspecten vertonen van

  • hervonden herinneringen;

  • ritueel misbruik (of);

  • herinneringen aan seksueel misbruik van voor de derde verjaardag.

  • Hervonden herinneringen: herinneringen die gedurende lange tijd afwezig zijn en daarna worden hervonden, bijvoorbeeld tijdens behandelingen door hulpverleners. Het (volledig) verdringen en hervinden van herinneringen is echter wetenschappelijk omstreden.

  • Ritueel misbruik: met rituelen omgeven en in groepsverband uitgevoerd seksueel sadisme jegens verscheidene kinderen in combinatie met extreme vormen van fysiek geweld en bedreiging. In de aanwijzing wordt gesproken over aspecten van ritueel misbruik. Het is dus voldoende wanneer in de aangifte sprake is van minstens een van de karakteristieke kenmerken van ritueel misbruik. Kanttekening hierbij is dat men noch in Nederland, noch elders ter wereld erin geslaagd is op overtuigende wijze vast te leggen dat de gebeurtenissen waarvan in de verhalen over ritueel misbruik sprake is, zich ook daadwerkelijk hebben voorgedaan.

  • Herinneringen aan seksueel misbruik van voor de derde verjaardag: misbruik dat zich afspeelde voor de derde verjaardag en dat de aangever zich als volwassene herinnert. Dergelijke herinneringen zijn wetenschappelijk omstreden. Het gaat hier uitdrukkelijk niet om misbruik van een kind tot drie jaar waarvan door anderen aangifte wordt gedaan.

Het rapport van de Expertisegroep is een adviserend rapport in de stand van het onderzoek van het moment van de aanvraag (en onderscheidt zich dus van rapportages van getuigen-deskundigen over het voltooide onderzoek).

Per zaak wordt een adviesgroep samengesteld die bestaat uit drie personen, waarbij de drie disciplines vertegenwoordigd zijn.

Het advies van de Expertisegroep wordt uitgebracht op basis van het proces-verbaal en een volledige schriftelijke weergave van de aangifte die op een geluidsband is opgenomen. Formeel dient de officier van justitie schriftelijk de adviesaanvraag in bij het coördinatiepunt. De officier van justitie legt uit waarom de zaak wordt voorgelegd en waar de vraagstelling op gebaseerd is. Van tevoren telefonisch gepleegd overleg met de Expertisegroep wordt op prijs gesteld. Na ontvangst van alle stukken is het coördinatiepunt verantwoordelijk voor de afwikkeling van de adviesprocedure.

Het coördinatiepunt draagt zorg voor de verspreiding van de stukken. Na bestudering komen de deskundigen bij elkaar, wordt de zaak besproken en worden conclusies getrokken. Een gedragskundige van de dienst Nationale Recherche Informatie (dNRI) van het KLPD stelt een conceptrapport op. Na goedkeuring door de betrokken deskundigen wordt het rapport naar de officier van justitie gestuurd.

Vanaf het moment dat alle relevante stukken in het bezit zijn van het coördinatiepunt, neemt de adviesprocedure maximaal zes weken in beslag.

De verplichte consultatie van de Expertisegroep dient te gebeuren vóór de aanhouding van de verdachte, tenzij dit niet mogelijk is en een oordeel van de Expertisegroep van belang is voor het verdere verloop van het opsporingsonderzoek.

Wanneer de drie criteria voor het inschakelen van de Expertisegroep niet van toepassing zijn, kan de Expertisegroep toch geconsulteerd worden, bijvoorbeeld wanneer de officier van justitie toch behoefte heeft aan het oordeel van een deskundige. Dit wordt facultatieve consultatie genoemd. Voorbeelden van gevallen waarin facultatieve consultatie plaats kan hebben:

  • seksueel misbruik dat naar voren komt na een echtscheiding;

  • groepsverkrachtingen met onbekende dader(s);

  • misbruik langer dan 8 jaar geleden.

Wanneer een zaak facultatief aan de Expertisegroep wordt voorgelegd, behoeft de zaak niet altijd te worden besproken in vaste samenstelling met de drie verschillende deskundigen.

Voor overleg en vragen kunt u zich wenden tot het coördinatiepunt.

Het coördinatiepunt voor het indienen van adviesaanvragen ligt bij de dNRI van het Korps Landelijke Politie Diensten. In de huidige organisatie van de dNRI is dit de programmaleider Moord en Zeden, de heer mr. drs. P. van den Eshof. Telefonisch is hij bereikbaar op nummer 079-3459253.

BIJLAGE 4. TAAKOMSCHRIJVING ZEDENAANSPREEKOFFICIER

A. Organisatorische uitgangspunten

  • 1. De zedenzorg dient herkenbaar georganiseerd te zijn voor zowel interne als externe contacten.

  • 2. Iedere officier dient een eenvoudige zedenzaak te kunnen behandelen; ingewikkelde zaken dienen te worden behandeld door ervaren officieren.

  • 3. De parketleiding dient een duidelijke taakomschrijving op te stellen waarin wordt aangegeven welke taken zijn voorbehouden aan de zedenaanspreekofficier en welke taken door de andere officieren verricht kunnen worden in zedenzaken.

  • 4. De parketleiding dient voor voldoende ondersteuning – zowel beleidsmatig als zaakinhoudelijk – te zorgen.

  • 5. De zedenaanspreekofficier is (gedeeltelijk) vrijgesteld van overige zaken voor het vervullen van deze taken.

  • 6. Het verdient aanbeveling dat het onderwerp zedenzaken regelmatig aan de orde komt in het managementteam.

B. Specialisme

  • 1. De zedenaanspreekofficier is een gespecialiseerde officier, die

    • a. bij voorkeur minimaal drie jaar ervaring heeft.

    • b. affiniteit heeft met zedenzaken.

    • c. de cursus slachtofferzorg en zedelijkheidswetgeving heeft gevolgd of bereid is te volgen.

De Taakomschrijving.

Er is een aantal taakvelden te onderscheiden, te weten:

  • a. contacten met en aansturing van de politie.

  • b. beleid.

  • c. overlegvormen.

  • d. kwaliteitsbevordering.

Ad a:

  • regelmatig overleg met de politie, zowel inhoudelijk als beleidsmatig.

  • terugkoppeling van (rechterlijke) uitspraken naar de politie.

  • signaleren en bespreken van jurisprudentie en (landelijke) beleidswijzigingen.

  • aanspreekpunt voor complexe(re) zaken.

  • doorlooptijden

  • zonodig overleg met leidinggevenden bij de politie.

Ad b:

  • het in de organisatie en onder de aandacht brengen van nieuw landelijk beleid.

  • ontwikkelen en vormgeven van het beleid op regionaal niveau.

Ad c:

  • participeren in zedenoverleg op regionaal niveau, voorzover dat bestaat. Het is noodzakelijk dat de zedenaanspreekofficier tenminste beschikt over een inventarisatie van arrondissementelijke overlegstructuren.

  • deelname aan de vergaderingen van het Platform zedenaanspreekofficieren.

Ad d:

  • coaching van collega’s, onder andere met betrekking tot telasteleggingen, strafmaat, nieuwe ontwikkelingen en beleidsmatige aspecten, alsmede overleg over voorgenomen sepots.

  • bekendmaken van jurisprudentie en beleidswijzingen via de interne overlegstructuur.

  • controle op doorlooptijden.

  • sepotcontrole

  • procedurebewaking in slachtofferzorg

C. Opleiding

  • 1. de Officieren belast met zedenzaken nemen deel aan de cursus zeden op de Politieacademie.

  • 1. hij/zij moet bereid zijn zich te specialiseren door additionele training te volgen op dat terrein.

  • 2. in de algemene en speciale opleidingen dient zoveel mogelijk aandacht te worden besteed aan de bejegening van slachtoffers van zedenmisdrijven.

BIJLAGE 5. PROTOCOL STUDIOVERHOREN

1. DEFINITIES

1.1 Studio

De ruimte waarin een verhoor plaatsvindt dat vanuit een regieruimte rechtstreeks is te horen en te zien en van waaruit dat verhoor audiovisueel wordt vastgelegd.

1.2 Studiobeheerder

De door een korpschef aangewezen coördinator, die verantwoordelijk is voor de planning van verhoren en voor het beheer van de studio.

1.3 Verhoorder

De politiefunctionaris die de getuige in een studio hoort, en die de cursus ‘Horen Jonge Getuigen’ van de Politieacademie te Apeldoorn heeft gevolgd, dan wel die cursus volgt en het verhoor onder begeleiding van een docent doet.

1.4 Regisseur

De functionaris die de audiovisuele vastlegging van het verhoor technisch verzorgt en die bij voorkeur de cursus ‘Horen Jonge Getuigen’ van de Politieacademie te Apeldoorn heeft gevolgd,

1.5 Extern deskundige

De door de officier van justitie en/of rechter-commissaris aangewezen persoon, niet zijnde politiefunctionaris, die de getuige in de studio hoort.

1.6 Docent

De functionaris die is verbonden aan de Politieacademie te Apeldoorn, en die de opleiding, training en begeleiding van de cursus ‘Horen Jonge Getuigen’ verzorgt.

1.7 Getuige

De minderjarige, verstandelijk gehandicapte, of bij een bijzondere reden een andere persoon, die in de studio gehoord wordt.

2. DE AANVRAAG

2.1 Algemeen

De aanvraag voor een verhoor van een getuige in een studio kan door ieder politiekorps worden gedaan bij een studiobeheerder binnen haar ressort.

2.2 Criteria en voorwaarden

Bij de aanvraag spreekt de studiobeheerder, of een onder verantwoordelijkheid van de studiobeheerder aangewezen functionaris, de wenselijkheid van het verhoor in de studio met de aanvrager door. Daarbij dienen de volgende criteria getoetst te worden:

er is sprake van (een vermoeden van) een ernstig misdrijf;

de getuige is persoonlijk betrokken bij dat misdrijf;

de leeftijd van de minderjarige getuige is in beginsel beneden 12 jaren, of er is bij een ouder persoon sprake van een achterstand in ontwikkeling;

de belangen van de getuige en die van het onderzoek zijn afgewogen;

of de wenselijkheid van audiovisuele vastlegging van het verhoor en de uitvoering daarvan door een verhoorder is bepaald;

één van de gezagsdragers van de getuige verleent schriftelijk toestemming, overeenkomstig bijgevoegd model (bijlage A), tot het audiovisueel vastleggen van het verhoor en het gebruik van die opname ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek, en het onderzoek ter terechtzitting;

indien de getuige 12 jaar of ouder is dient deze zelf eveneens een toestemmingsverklaring te ondertekenen.

2.3 Beslissing

De behandelend officier van justitie beslist of het verhoor plaatsvindt. Per arrondissement kunnen daarover afspraken worden gemaakt. Indien het verhoor plaatsvindt in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek geeft de rechter-commissaris opdracht tot het verhoor.

3. DE VOORBEREIDING

3.1 Planning

De studiobeheerder is verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van een verhoorder en een regisseur op de dag van het verhoor. Daartoe kan een beroep gedaan worden op:

alle opgeleide verhoorders die vermeld staan op de door het secretariaat van het landelijk overleg van studiobeheerders aangelegde en geactualiseerde lijst;

alle nog in opleiding zijnde verhoorders, na overleg met één van de docenten. In dit geval vindt het verhoor slechts plaats onder begeleiding – en in aanwezigheid van één van de docenten;

een door de officier van justitie toegestane extern deskundige;

een extern deskundige die daartoe tijdens een gerechtelijk vooronderzoek opdracht heeft gekregen van een rechter-commissaris.

3.2 Informatievoorziening

De gezagsdrager(s) dan wel begeleider(s) van de te verhoren getuige dient (dienen) over de gang van zaken voor, tijdens en na het verhoor te worden voorgelicht door het aanvragende korps.

Ook de getuige zelf dient te worden voorbereid op de datum, tijd, plaats en het doel van het verhoor.

De verhoorder dient voor het verhoor de noodzakelijke informatie te krijgen over de te verhoren getuige en de betreffende (vermoedens van) strafbare feiten. Relevante informatie bevat in ieder geval de naam, leeftijd en persoonlijke omstandigheden van de getuige, alsmede de beschikbare schriftelijke informatie zoals de aangifte en de voor het verhoor van belang zijnde overige verklaringen en informatie.

De studiobeheerder draagt zorg voor een tijdige bekendmaking van de naam van de verhoorder bij het aanvragende korps.

4. HET VERHOOR

4.1 Algemeen

Het aanvragende korps draagt zorg voor de aanwezigheid van de getuige in de studio op de afgesproken datum en tijd. Een behandelend politiefunctionaris van het aanvragende korps is aanwezig tijdens het verhoor in de regieruimte.

(Eén van) de gezagsdrager(s) of begeleider(s) vergezelt (vergezellen) de getuige naar de studiolocatie en draagt (dragen) zorg voor de opvang van de getuige na het verhoor.

4.2 Procedure

de gegevensdrager start met een titelrol inzake de auteursrechtelijke bepalingen overeenkomstig de tekst op het toestemmingsformulier;

de opname van het verhoor start na genoemde titelrol met een totaal overzicht van de verhoorruimte, waarna de verhoorder en de getuige de ruimte betreden;

gedurende de opname vertoont het beeld continu de datum en tijd;

in de verhoorruimte zijn slechts de verhoorder en getuige aanwezig. In uitzonderingsgevallen kan één van de gezagsdragers of begeleiders daarbij passief aanwezig zijn. Ten behoeve van vertaling kan tevens een tolk aanwezig zijn;

tijdens een korte onderbreking gedurende de opname is van de verhoorder en de getuige in beginsel tenminste één van hen in de verhoorruimte aanwezig;

in de regieruimte zijn aanwezig de regisseur en personen die ambtshalve bij het onderzoek betrokken zijn;

de opname wordt gestopt nadat de verhoorder en de getuige het verhoor hebben beëindigd en de verhoorruimte hebben verlaten.

De gezagsdrager(s) of begeleider(s) van de getuige wordt (worden) na afloop van het verhoor:

kort geïnformeerd over het verloop van het verhoor door de verhoorder, waarbij desgewenst gebruik wordt gemaakt van de gegevensdrager en waarbij het belang van de getuige gewaarborgd is;

inhoudelijk verder geïnformeerd door het aanvragende korps, waarbij desgewenst geadviseerd kan worden over de noodzaak of wenselijkheid van hulpverlening of begeleiding voor de getuige.

5. DE AFWERKING

5.1 Registratie

Van elk verhoor dat in een studio plaatsvindt worden in ieder geval de volgende gegevens geregistreerd:

de volledige personalia van de getuige;

het geslacht van de getuige;

de relatie tussen de getuige en de vermoedelijke verdachte;

de namen van de verhoorder en de regisseur;

de naam van de behandelend politiefunctionaris bij het aanvragende korps;

de naam van de toestemming- of opdrachtgevende officier van justitie of rechter-commissaris;

de datum van het verhoor;

het nummer van de gegevensdrager waarop het verhoor is vastgelegd.

5.2 Proces-verbaal

Van ieder verhoor wordt een proces-verbaal ‘beschrijving studioprocedure’ opgemaakt overeenkomstig bijgevoegd model (bijlage B). Hierin worden ook de naam en functie van alle tijdens het verhoor in de regiekamer aanwezige personen vermeld.

5.3 Uitwerking audiovisuele opname

Van elk verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt in de vorm van een samenvatting, al dan niet gecombineerd met een woordelijke uitwerking van gedeelten die relevant zijn voor het desbetreffende opsporingsonderzoek;

Op uitdrukkelijk verzoek van de officier van justitie of rechter-commissaris wordt het verhoor in het proces-verbaal geheel woordelijk uitgewerkt;

De extern deskundige die een verhoor heeft gedaan, maakt, indien daarom wordt verzocht door de officier van justitie of de rechter-commissaris, een afzonderlijk verslag op van diens indrukken en conclusies.

5.4 Verantwoordelijkheid en gebruik van de audiovisuele opname

De gegevensdrager met de opname van het verhoor wordt gewaarmerkt, tegen wissen beveiligd en bewaard in een afgesloten, brandwerende ruimte, onder verantwoordelijkheid van de studiobeheerder;

In beginsel wordt de gegevensdrager niet zonder toezicht afgegeven. Indien die toch wordt afgegeven, wordt de verantwoordelijkheid schriftelijk overgedragen (bijlage C);

De opname van het verhoor wordt niet nabewerkt of gemonteerd en er worden daarvan in beginsel geen kopieën vervaardigd;

De opname kan in het kader van het strafrechtelijk onderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting – bij voorkeur door de studiobeheerder – worden getoond aan:

de met het onderzoek belaste politiefunctionarissen;

de met het onderzoek belaste leden van het Openbaar Ministerie en de Zittende Magistratuur;

de door de officier van justitie of rechter-commissaris aangewezen personen;

de verdachte en/of diens advocaat, na verkregen toestemming van de officier van justitie of de rechter-commissaris;

derden, na uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie of rechter-commissaris, en van (één van) de gezagsdrager(s) van de getuige. Indien de getuige ouder is dan 12 jaar dient ook die toestemming te verlenen;

de docent of andere deskundige in het kader van opleiding en/of nascholing van verhoorders.

5.5 Vernietiging van de audiovisuele opname

Nadat een officier van justitie schriftelijk toestemming heeft verleend, vindt vernietiging van de audiovisuele opname plaats, als:

in het desbetreffende verhoor door de getuige geen informatie is verstrekt in relatie tot het vermeende strafbare feit;

of als in de betreffende strafzaak:

een vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;

niet tot vervolging is overgegaan en de wettelijke verjaringstermijn van het betreffende strafbare feit is verstreken;

De opname wordt vernietigd onder verantwoordelijkheid van de studiobeheerder. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.

Indien de verdachte onbekend blijft, bepaalt de officier van justitie hoe lang de opname bewaard blijft.

BIJLAGE A

verkleinde afbeelding van stcrt-2008-2738-001.png

BIJLAGE B

verkleinde afbeelding van stcrt-2008-2738-002.png

BIJLAGE C

verkleinde afbeelding van stcrt-2008-2738-003.png

XNoot
1

Er is geen landelijk model van een dergelijk scenario.

XNoot
2

Zie bijlage 3.

XNoot
3

Indien een slachtoffer in een later stadium aangeeft de aangifte te willen intrekken, moet worden uitgelegd dat dit juridisch niet mogelijk is, maar dat het slachtoffer wel een brief aan de officier van justitie kan schrijven met de eigen mening over de wenselijkheid van strafvervolging.

XNoot
4

Een wetsvoorstel is hierover in voorbereiding. Tot die tijd kan het slachtoffer via een kort geding op grond van een onrechtmatige raad om een HIV-onderzoek verzoeken.

XNoot
5

HR 20 mei 2003, LJN AF5704.

XNoot
6

EHRM 20 december 2001, NJ 2002, 435.

XNoot
7

HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827.

XNoot
8

Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

XNoot
9

De executie-indicator is de ‘aantekening’ van het Openbaar Ministerie bij een vonnis, waarmee het Openbaar Ministerie aangeeft dat het wil adviseren over te nemen besluiten inzake de te verlenen vrijheden aan een gedetineerde. De aanwijzing ‘formulier risicoprofiel en executie-indicator’ stelt dat de executie-indicator geplaatst moet worden a) in zedenzaken waarin naar verwachting gevangenisstraf wordt gevorderd en b) ten behoeve van de informatieverstrekking aan slachtoffers van een (zwaar) zedendelict.

XNoot
10

Hiervan bestaan geen landelijke modellen. Het verdient de voorkeur dat parketten zelf dergelijke modellen opstellen.

XNoot
11

Wet van 1 juli 2004 tot wijziging van enige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering (invoering van het spreekrecht voor nabestaanden). Zie ook de aanwijzing spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring (2004A013).

XNoot
12

De vet gedrukte artikelen betreffen de toepasselijke zedenartikelen voor spreekrecht.

XNoot
13

Registratienummer 2007A017, Stcrt. 2007, 202.

Naar boven