In het beleidsprogramma en het Belastingplan 2009 heeft het kabinet aangekondigd de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk
en de aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) te intensiveren. In 2009 vindt de eerste tranche plaats. Tegen deze achtergrond
zal het begrip ‘voor de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige technisch nieuwe programmatuur’ vanaf 1 januari
2009 ruimer worden uitgelegd.
Tot nu toe moesten de technische knelpunten waarmee een S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige geconfronteerd werd,
liggen op het niveau van de ontwikkeling van nieuwe informatietechnologische principes. Vanaf 1 januari 2009 is het voldoende
dat de technische knelpunten en oplossingsrichtingen liggen op het niveau van het integreren of met elkaar laten samenwerken
van bestaande programmatuurcomponenten. Op grond van de onderhavige beleidsregel kan onder technisch nieuwe programmatuur
ook nieuwe programmatuur worden verstaan die bestaande programmatuur(componenten) op een voor de S&O-inhoudingsplichtige of
S&O-belastingplichtige technisch nieuwe wijze integreert of laat samenwerken. De bredere toepassing van de WBSO speelt in
op de ontwikkeling in ondernemend Nederland dat steeds vaker wordt gestreefd naar innovatie in programmatuur waarbij gebruik
wordt gemaakt van bestaande programmatuur. Deze verruiming is onder andere van belang voor de ontwikkeling van innovatieve
diensten.
In 2009 en 2010 zal worden bekeken hoe de verruiming van de definitie uitwerkt in de praktijk. Daarbij zal ook scherp worden
gelet op de budgettaire gevolgen. Afhankelijk van de bevindingen zal worden bezien of en in hoeverre de WBSO op dit punt moet
worden aangepast. Vanaf 2011 is er mogelijk ruimte om de WBSO op dit terrein verder te verruimen.
Om binnen het beschikbare budget te blijven, wordt de uitbreiding gelimiteerd. In de Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk
1997 (Afbakeningsregeling) wordt hiertoe aangegeven dat de programmatuur waarop deze beleidsregel specifiek ziet, alleen dan
als speur- en ontwikkelingswerk wordt aangemerkt indien de bestaande programmatuur hoofdzakelijk in de onderneming van de
S&O-inhoudingsplichtige (of binnen de fiscale eenheid) of S&O-belastingplichtige is ontwikkeld en wordt toegepast.
Bij de beoordeling van een S&O-aanvraag voor de ontwikkeling van programmatuur wordt eerst bezien of hetgeen de S&O-inhoudingsplichtige
of S&O-belastingplichtige voornemens is te gaan doen, voldoet aan de wettelijke definitie van speur- en ontwikkelingswerk
van artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(Wva). Indien dat het geval is moet nog bezien worden in hoeverre het werkzaamheden betreft die op grond van de Afbakeningsregeling
speur- en ontwikkelingswerk 1997 niet tot speur- en ontwikkelingswerk worden gerekend, een en ander zoals bedoeld in artikel
1, vierde lid, van de Wva, welk artikel de wettelijke grondslag vormt voor de Afbakeningsregeling.
Voorbeelden van projecten die op grond van de verruiming van de WBSO wel in aanmerking zouden kunnen komen zijn:
– Het ontwikkelen van programmatuur aan de hand van een Service Oriented Architecture (SOA) die noodzakelijk is voor het aanbieden
van een bepaalde internetdienst.
– Het ontwikkelen van Application Programming Interface(s) (API) op basis waarvan een programma kan communiceren met een ander
programma of onderdeel hiervan (vaak in de vorm van bibliotheken).
– Het ontwikkelen van programmatuur ten behoeve van een overheidsdienst die zal worden toegepast als Software as a Service (SaaS).
Tot nu toe werden deze projecten wanneer zij in een aanvraag voor een S&O-verklaring waren opgenomen, afgewezen onder verwijzing
naar de tekst van artikel 1, sub n, van de Wva of op grond van de Afbakeningsregeling 1997. Vanaf 1 januari 2009 kunnen deze
projecten tot S&O worden gerekend als zij tevens aan de hiervoor genoemde beperkende voorwaarden voldoen.Voorbeelden van de
ontwikkeling van programmatuur die buiten de WBSO blijven vallen zijn:
– Sofwareprojecten die het schrijven van (standaard) protocollen betreffen.
– Het laten samenwerken van programmatuurcomponenten waarbij de interfaces (domeinen) van deze componenten bekend zijn.
– Het optimaliseren of inregelen van een gegevensbron.
– Het configureren, installeren of instellen van software.