De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
Gelet op artikel 33 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, op artikel 62, tweede lid, en 75, tweede lid, van
de Flora- en faunawet en op artikel 4, eerste lid, van het Besluit prepareren dieren;
Besluit:
TOELICHTING
De Regeling erkenning jachtexamen en preparateursexamen Flora- en faunawet is gewijzigd ter implementatie van de op 7 september
2005 vastgestelde Europese richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU 2005, L 255) voor
het gereglementeerde beroep van preparateur. De richtlijn heeft tot doel de grensoverschrijdende toegang tot gereglementeerde
beroepen in EU-lidstaten te vergemakkelijken door te waarborgen dat migrerende beroepsbeoefenaars die hun beroepskwalificaties
in een EU-lidstaat, de EER-staten IJsland, Noorwegen en Liechtenstein of Zwitserland hebben behaald toegang, hebben tot hetzelfde
gereglementeerde beroep in een andere lidstaat, genoemde EER-staten of Zwitserland en dit kunnen uitoefenen met dezelfde rechten
als de onderdanen van die lidstaat. In Nederland wordt een belangrijk deel van de richtlijn geïmplementeerd door middel van
de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties (Stb. 2007, 530, hierna: Algemene wet). Deze regeling geeft een nadere uitwerking van een aantal bepalingen van deze Algemene wet voor het
beroep van preparateur.
Onderhavige regeling is van toepassing op een zogenoemde migrerende beroepsbeoefenaar. Volgens de definitie in artikel 1 van
de Algemene wet is dit – kort gezegd – een onderdaan van een betrokken staat, een onderdaan van een derde land die houder
is van een door een lidstaat van de EU afgegeven verblijfsvergunning, of een familielid van een onderdaan van een betrokken
staat die onderdaan is van een derde land en gerechtigd is in een betrokken staat binnen te komen en te verblijven. Wie zich
in Nederland wil vestigen als preparateur en beschikt over in de betrokken staat behaalde beroepskwalificaties voor hetzelfde
beroep, valt voor de erkenning van deze beroepskwalificaties onder de Algemene wet. Uitgangspunt is dat Nederland de migrerende
beroepsbeoefenaar de toegang tot of uitoefening van het betrokken beroep niet wegens onvoldoende beroepskwalificaties mag
weigeren als de beroepsbeoefenaar in de betrokken staat van oorsprong of herkomst een gekwalificeerde preparateur is. Als
een preparateur tijdelijk en incidenteel in Nederland prepareerwerkzaamheden verricht, de zogenoemde ‘dienstverrichter’, stelt
de Algemene wet minder strenge regels.
De nieuwe artikelen 2a, 2b en 2c van deze regeling zien op de situatie dat een buitenlandse preparateur zich in Nederland
wil vestigen. Hij moet daartoe een aanvraag indienen voor de erkenning van beroepskwalificaties bij de minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV) (artikel I, onderdeel B, nieuw artikel 2a). De documenten die aan de minister van
LNV overlegd moeten worden, zijn limitatief opgesomd in artikel 13 van de Algemene wet. De documenten die een migrerende beroepsbeoefenaar
moet overleggen zijn een bewijs van nationaliteit, een kopie van de bekwaamheidsattesten of opleidingstitels waarop de migrerende
beroepsbeoefenaar zich beroept en in voorkomend geval een bewijs van de beroepservaring van de migrerende beroepsbeoefenaar.
Een aanvraag tot erkenning mag alleen worden afgewezen, indien uit de overgelegde documenten blijkt dat de kennis van diersoorten
die mogen worden geprepareerd, de kennis van wettelijke voorschriften ten aanzien van het prepareren van dieren, de destructie
van dieren en het gebruik van chemische stoffen, onvoldoende is (artikel I, onderdeel B, nieuw artikel 2c). De onderdelen
waarop getoetst wordt, zijn dezelfde als die in een Nederlands preparateursexamen worden getoetst. Nederlandse preparateurs
hebben een vergunning nodig om hun werk te mogen uitoefenen (artikel 62 Flora- en faunawet). Een vergunning wordt afhankelijk
gesteld van het met gunstig gevolg afleggen van een preparateursexamen. Zo’n examen moet door de Minister van LNV worden erkend.
Artikel 3 van het Besluit prepareren dieren bevat de onderdelen waaruit een dergelijk examen bestaat.
Indien tijdelijke of incidentele prepareerwerkzaamheden in Nederland worden uitgevoerd door een zogenoemde ‘dienstverrichter’,
geldt een flexibeler regime (Artikel I, onderdeel B, nieuw artikel 2d). Voorafgaand aan de eerste dienstverrichting mag de
minister van LNV de beroepskwalificaties van een preparateur controleren. Deze controle vooraf mag alleen worden uitgevoerd,
indien de dienst een gereglementeerd beroep betreft dat verband houdt met de volksgezondheid of de openbare veiligheid en
geplaatst is op de bijlage bij de Regeling vaststelling lijst gereglementeerde beroepen van de minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap (Stcrt. 2008, 21). Omdat preparateurs gebruik maken van chemische stoffen bij het prepareren van dieren, bestaat
mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. De controle vooraf die de minister van LNV mag uitoefenen ziet alleen op het gebruik
van chemische stoffen (artikel 2d, tweede lid). Als uit de documenten die worden overlegd blijkt dat de kennis over het gebruik
van chemische stoffen onvoldoende is, kan de minister de buitenlandse preparateur een proeve van bekwaamheid laten uitvoeren
(artikel 2d, derde lid). Zolang de minister niet heeft vastgesteld dat de dienstverrichter niet bekwaam is voor de uitoefening
van het beroep preparateur, geldt een vrijstelling van het verbod om dode dieren te prepareren zonder preparateursvergunning
(artikel 2d, vierde lid).
Artikel 2d, eerste lid, bepaalt welke documenten een buitenlandse dienstverrichter moet overleggen. Dit is een schriftelijke
verklaring met daarin gegevens betreffende verzekering of gelijksoortige bescherming tegen de financiële risico’s van beroepsaansprakelijkheid.
Tevens kan de minister vragen om een bewijs van nationaliteit, om een attest dat de dienstverrichter rechtmatig in een andere
staat dan Nederland is gevestigd om er de betrokken werkzaamheden uit te oefenen en dat de dienstverrichter op het moment
van afgifte van het attest geen permanent of tijdelijke beroepsverbod is opgelegd en om een bewijs van beroepskwalificaties.
Als het beroep van preparateur niet gereglementeerd is in de betrokken staat van vestiging kan de minister vragen aan de migrerende
beroepsbeoefenaar aan te tonen dat hij tijdens de tien jaar voorafgaand aan de dienstverrichting in Nederland tenminste twee
jaar dat beroep heeft uitgeoefend in de betrokken staat van vestiging. Wanneer de dienstverrichter van plan is om gedurende
het opvolgende jaar weer zijn diensten in Nederland te verrichten, dient hij steeds na een jaar opnieuw de schriftelijke verklaring
af te geven (artikel 23, tweede lid van de Algemene wet en artikel 2d, vierde lid).
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Dit is een afwijking van de systematiek van de vaste verandermomenten voor regelgeving.1 Deze afwijking is noodzakelijk, omdat de Europese richtlijn dwingt tot een afwijkende inwerkingtredingsdatum. De implementatie
van de richtlijn had op 20 oktober 2007 voor alle beroepen voltooid moeten zijn.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg.