Wijziging Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s in verband met de herziening van preventieregels voor evenhoevigen

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 26 september 2008, nr. TRCJZ/2008/2676, houdende wijziging van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s in verband met de herziening van preventieregels voor evenhoevigen

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op Richtlijn nr. 64/432/EEG van inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens, zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 97/12/EG van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1997 (Pb EG L 109); Richtlijn nr. 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (Pb EG L 46); Richtlijn nr. 90/425/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zootechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 224);

Gelet op artikelen 10, eerste en tweede lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, 17, 18, 77 en 81 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 19 van de Landbouwwet;

Besluit:

Artikel I

De Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen e, f, i, j en m vervallen.

2. Onderdeel y komt te luiden:

y. blokperiode: tijdseenheid, die begint vanaf het tijdstip van eerste verzameling, van:

1. ten hoogste 120 uur op een schapen- en geitenverzamelplaats;

2. ten hoogste 144 uur op een runderverzamelplaats, ingeval de runderen die worden verzameld fokrunderen zijn die zijn bestemd voor de afvoer naar een lidstaat;

3. ten hoogste 30 dagen op een runderverzamelplaats, in geval de runderen die worden verzameld fokrunderen zijn die zijn bestemd voor de afvoer naar een derde land;

4. ten hoogste 48 uur op een varkensverzamelplaats, in geval de varkens die worden verzameld slachtvarkens zijn;

5. ten hoogste 24 uur op een:

– varkensverzamelcentrum, in geval de varkens die worden verzameld geen slachtvarkens zijn,

– runderverzamelcentrum, ingeval de runderen die worden verzameld geen fokrunderen zijn.

z. slachtvarkens: varkens die kennelijk zijn bestemd voor de slacht;

aa. slachtrunderen: runderen die kennelijk zijn bestemd voor de slacht;

ab. slachtschapen: schapen die kennelijk zijn bestemd voor de slacht;

ac. slachtgeiten: geiten die kennelijk zijn bestemd voor de slacht;

3. De onderdelen z tot en met ac komen te luiden:

4. De onderdelen ad tot en met aj, al, en bh vervallen.

B

Titel 2 komt te luiden:

Titel 2

Preventie van besmettelijke dierziekten

Hoofdstuk 1

Algemene voorschriften

Artikel 16

Het is verboden om in strijd te handelen met de bepalingen van deze titel.

Artikel 17

1. Degene die ingevolge deze titel gegevens moet bijhouden of vermelden op daartoe bestemde bescheiden, doet dit volledig, juist en naar waarheid.

2. Het bijhouden of vermelden van de in het eerste lid bedoelde gegevens geschiedt onverwijld nadat de gegevens bekend zijn bij degene die zij ingevolge deze regeling moet bijhouden of vermelden.

Artikel 18

1. Indien een of meer evenhoevigen worden aangevoerd op een verzamelcentrum dient het verzamelcentrum te zijn erkend ingevolge artikel 21, eerste of vierde lid.

2. Indien een of meer evenhoevigen worden aangevoerd op een slachthuis dient deze te beschikken over een reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen die is erkend ingevolge artikel 26, eerste lid.

3. In afwijking van het tweede lid mogen een of meer evenhoevigen worden aangevoerd op een slachthuis met geringe capaciteit indien deze beschikt over een voorziening met voldoende capaciteit in relatie tot de werkzaamheden van het slachthuis, die zodanig is ingericht dat een deugdelijke en efficiënte reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen kan plaatsvinden ongeacht het type vervoermiddel en voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 9. De reiniging en ontsmetting wordt overeenkomstig een door de minister goedgekeurd protocol op zodanige wijze uitgevoerd dat de bioveiligheid niet in gevaar komt.

4. De eigenaar of exploitant van een slachthuis met geringe capaciteit als bedoeld in het derde lid, houdt een register bij met daarin de gegevens, bedoeld in artikel 28, tweede lid en bewaart dit overeenkomstig artikel 28, derde lid.

5. De eigenaar of exploitant van een slachthuis met geringe capaciteit als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s zoals deze luidde op het moment van inwerkingtreding van deze regeling, dient uiterlijk binnen drie maanden het protocol, bedoeld in het derde lid, ter goedkeuring in bij de VWA en werkt uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van deze regeling overeenkomstig het door de minister goedgekeurde protocol.

6. In afwijking van het tweede lid mogen een of meer evenhoevigen worden aangevoerd op een slachthuis met geringe capaciteit die bij inwerkingtreding van deze regeling over een vergunning beschikt die is afgegeven op grond van artikel 59, vijfde lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s deze zoals deze luidde op het moment van inwerkingtreding van deze regeling.

Artikel 19

De eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, van een plaats of een bedrijf waar evenhoevigen worden aangevoerd, verleent alle medewerking aan de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel waarmee de evenhoevigen naar zijn plaats of bedrijf zijn vervoerd.

Artikel 20

Een plaats of bedrijf waar tien of meer evenhoevigen worden gehouden dient te beschikken over een eenvoudige R&O-plaats die voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 9.

Hoofdstuk 2

Erkenningen

§ 2.1

Verzamelcentra

Artikel 21

1. Een varkensverzamelcentrum of een runderverzamelcentrum kan door de minister worden erkend indien:

a. het verzamelcentrum voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van richtlijn nr. 64/432/EEG;

b. het verzamelcentrum zodanig is gelegen, ontworpen en geconstrueerd en op zodanige wijze wordt geëxploiteerd dat de bioveiligheid groot genoeg is om te voorkomen dat er ernstige besmettelijke dierziekten naar andere bedrijven of tussen opeenvolgende partijen dieren die het verzamelcentrum passeren, verspreid worden;

c. op het verzamelcentrum een of meer reinigings- en ontsmettingsplaatsen die allen voldoen aan de eisen, genoemd in artikel 26, aanwezig zijn om vervoermiddelen te reinigen en ontsmetten.

2. Indien een runderverzamelcentrum bestaat uit meer epidemiologische bedrijfseenheden, voldoen al deze eenheden aan artikel 1, onderdeel u, en wordt het aantal eenheden vermeld in de erkenning.

3. Indien het varkensverzamelcentrum subsidie heeft ontvangen op grond van de Subsidieregeling sanering verzamelcentra varkens wordt het verzamelcentrum niet erkend.

4. Een schapen- en geitenverzamelcentrum wordt door de minister erkend indien:

a. het verzamelcentrum voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 8bis, eerste lid, onderdeel d, van richtlijn nr. 91/68/EEG;

b. het verzamelcentrum zodanig is gelegen, ontworpen en geconstrueerd en op zodanige wijze wordt geëxploiteerd dat de bioveiligheid groot genoeg is om te voorkomen dat er ernstige besmettelijke dierziekten naar andere bedrijven of tussen opeenvolgende partijen dieren die het verzamelcentrum passeren, verspreid worden;

c. op het verzamelcentrum een of meer reinigings- en ontsmettingsplaatsen die allen voldoen aan de eisen, genoemd in artikel 26, aanwezig zijn om vervoermiddelen te reinigen en ontsmetten.

5. Bij de verlening van de erkenning, bedoeld in het eerste en vierde lid, kan door de minister rekening gehouden worden met de antecedenten van de eigenaar of exploitant van het verzamelcentrum met betrekking de voorschriften, genoemd in artikel 23 of 24.

6. De wijze waarop een verzamelcentrum wordt geëxploiteerd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, onderdeel b, en de wijze van reiniging en ontsmetting worden vastgelegd in een protocol dat door de minister wordt goedgekeurd.

Artikel 22

1. Een aanvraag om een erkenning als bedoeld in artikel 21, eerste en vierde lid, wordt ingediend bij de VWA.

2. De aanvraag gaat vergezeld van een protocol als bedoeld in artikel 21, zesde lid.

3. Indien een runderverzamelcentrum bestaat uit meer epidemiologische bedrijfseenheden, wordt op de aanvraag het aantal eenheden vermeld.

Artikel 23

1. Een verzamelcentrum dat is erkend ingevolge artikel 21, eerste lid:

a. voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 11, eerste lid, onderdelen c en e, van richtlijn nr. 64/432/EEG;

b. voldoet aan de artikelen 9 en 17 van verordening (EG) nr. 1/2005, de artikelen 36 en 37 van de wet en de artikelen 3 en 4 van het Besluit welzijn productiedieren;

c. wordt geëxploiteerd conform het door de minister goedgekeurde protocol;

d. verleent de toezichthouder de medewerking die nodig is voor de uitoefening van zijn taken;

e. voldoet aan:

– de artikelen 36, 37, 38, 41 en 42, voor zover het een varkensverzamelcentrum betreft;

– de artikelen 36, 37, 38, 41 en 43 tot en met 45, voor zover het een runderverzamelcentrum betreft;

– de artikelen 30, eerste lid, 31, 32 en 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover het een varkensverzamelcentrum betreft;

– de artikelen 19 en 20, eerste lid, 21 en 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover het een runderverzamelcentrum betreft.

2. De eigenaar of exploitant van een verzamelcentrum dat is erkend ingevolge artikel 20, eerste lid, houdt een voor de toezichthouder toegankelijk register bij met daarin de gegevens, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG, en de gegevens, bedoeld in artikel 27, tweede lid.

3. Het register, bedoeld in het tweede lid, wordt minimaal drie jaren bewaard.

Artikel 24

1. Een verzamelcentrum dat is erkend ingevolge artikel 21, vierde lid:

a. voldoet aan de eisen genoemd in artikel 8bis, eerste lid, onderdeel c en e, van richtlijn nr. 91/68/EEG;

b. voldoet aan de artikelen 9 en 17 van verordening (EG) nr. 1/2005, de artikelen 36 en 37 van de wet en de artikelen 3 en 4 van het Besluit welzijn productiedieren;

c. wordt geëxploiteerd conform het door de minister goedgekeurde protocol;

d. verleent de toezichthouder de medewerking die nodig is voor de uitoefening van zijn taken;

e. voldoet aan:

– de artikelen 36, 37, 38, 41 en 46;

– de artikelen 34, zesde lid, 35, 36 en 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren.

2. De eigenaar of exploitant van een verzamelcentrum dat is erkend ingevolge artikel 21, vierde lid, houdt een voor de toezichthouder toegankelijk register bij met daarin de gegevens, bedoeld in artikel 8bis, tweede lid, van richtlijn nr. 91/68/EEG, en de gegevens, bedoeld in artikel 28, tweede lid.

3. In het register, bedoeld in het tweede lid, brengt de eigenaar of exploitant van het verzamelcentrum een administratieve koppeling aan tussen de volgnummers van de slachtmerken waarmee de op het verzamelcentrum aangevoerde schapen en geiten zijn gemerkt en het vervoermiddel waarmee de desbetreffende schapen en geiten zijn aangevoerd, zodat het bedrijf van herkomst van de schapen en geiten kan worden getraceerd. Bij export van schapen en geiten wordt in het register tevens het referentienummer van het gezondheidscertificaat vermeld.

4. Het register, bedoeld in het tweede lid, wordt minimaal drie jaren bewaard.

Artikel 25

1. Indien een verzamelcentrum niet of niet meer aan de eisen, bedoeld in artikel 21, eerste tot en met vierde en zesde lid, voldoet, of niet aan de verplichtingen opgenomen in artikel 23, respectievelijk 24 voldoet, kan de minister:

a. nadere voorschriften verbinden aan de erkenning;

b. de erkenning met onmiddellijke ingang schorsen of intrekken.

2. De minister kan de nadere voorschriften intrekken of een schorsing beëindigen indien ten genoegen van de minister is aangetoond dat het verzamelcentrum volledig aan alle eisen voldoet.

3. De minister kan bepalen dat aan een verzamelcentrum voor een bepaalde periode volgend op de intrekking van een erkenning, geen nieuwe erkenning wordt verleend.

§ 2.2

Reinigings- en ontsmettingsplaats

Artikel 26

1. Erkenning van een reinigings- en ontsmettingsplaats door de minister vindt plaats, indien:

a. de plaats zodanig is ingericht en wordt geëxploiteerd dat een deugdelijke en efficiënte reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen kan plaatsvinden ongeacht het type vervoermiddel en onder alle klimatologische omstandigheden. De reiniging en ontsmetting wordt zodanig uitgevoerd dat de bioveiligheid niet in gevaar komt.

2. De wijze van exploitatie en van reiniging en ontsmetting wordt vastgelegd in een protocol dat moet worden goedgekeurd door de minister.

3. Een reinigings- en ontsmettingsplaats die onderdeel uitmaakt van een ingevolge artikel 21, eerste of vierde lid, erkende verzamelplaats, wordt beschouwd als een ingevolge het eerste lid erkende reinigings- en ontsmettingsplaats.

Artikel 27

1. De aanvraag om een erkenning als bedoeld in artikel 26, eerste lid, wordt schriftelijk ingediend bij de VWA.

2. De aanvraag gaat vergezeld van het protocol, bedoeld in artikel 26, tweede lid.

3. De minister houdt een register bij van erkende reinigings- en ontsmettingsplaatsen dat ter inzage ligt bij de VWA.

Artikel 28

1. De eigenaar of exploitant van een ingevolge artikel 26 erkende reinigings- en ontsmettingsplaats:

a. draagt er zorg voor dat de exploitatie en de reiniging en ontsmetting van de vervoermiddelen geschiedt overeenkomstig het door de minister goedgekeurde protocol;

b. draagt er zorg voor dat elke reiniging en ontsmetting plaatsvindt onder zijn toezicht of onder toezicht van een vertegenwoordiger van de eigenaar of exploitant;

c. voorziet het register van de vervoerder, bedoeld in artikel 32, van een stempel en handtekening. Indien de reiniging en ontsmetting onder toezicht van een vertegenwoordiger wordt uitgevoerd als bedoeld in onderdeel b, voorziet deze het register van een stempel en een handtekening.

2. De eigenaar of exploitant van een reinigings- en ontsmettingsplaats die is erkend ingevolge artikel 26, eerste lid, houdt een register bij waarin ten aanzien van elke reiniging en ontsmetting van een vervoermiddel wordt vermeld:

a. de datum waarop de reiniging en ontsmetting heeft plaatsgevonden;

b. het kenteken van het desbetreffende vervoermiddel en bij gebreke daarvan de naam, het adres en de woonplaats van de vervoerder.

3. De eigenaar of exploitant van een reinigings- en ontsmettingsplaats bewaart de gegevens die zijn opgenomen in het register, bedoeld in het eerste lid, gedurende drie jaren.

Artikel 29

1. Indien een reinigings- en ontsmettingsplaats niet of niet meer aan de eisen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, voldoet, of niet aan de verplichtingen opgenomen in artikel 28 voldoet, kan de minister de erkenning met onmiddellijke ingang schorsen of intrekken.

2. De minister kan een schorsing beëindigen indien ten genoegen van de minister is aangetoond dat de reinigings- en ontsmettingsplaats volledig aan alle eisen voldoet.

Hoofdstuk 3

Voorschriften voor het vervoeren van evenhoevigen

§ 3.1

Algemeen

Artikel 30

1. Het is verboden om een ongeladen vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen zijn vervoerd, op de openbare weg te brengen, dan wel op een plaats of bedrijf waar evenhoevigen worden gehouden, op een slachthuis of op een verzamelcentrum voor evenhoevigen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het vervoermiddel is gereinigd en ontsmet overeenkomstig de artikelen 31, 34 of 35.

3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het vervoer, bedoeld in artikel 31, tweede tot en met vierde lid.

Artikel 31

1. De vervoerder is verplicht een vervoerseenheid, met inbegrip van de daarbij behorende voorwerpen, waarmee een of meer evenhoevigen zijn vervoerd terstond na de lossing, in ieder geval voordat de vervoerseenheid op de openbare weg wordt gebracht, op de plaats van lossing te reinigen en te ontsmetten met een toegelaten ontsmettingsmiddel op zodanige wijze dat de bioveiligheid niet in gevaar komt.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van evenhoevigen, niet zijnde varkens, die rechtstreeks van de stal of de weide naar een andere weide van hetzelfde bedrijf worden vervoerd met een vervoermiddel, voor zover het vervoermiddel zo spoedig mogelijk na dit vervoer wordt gereinigd en ontsmet.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van evenhoevigen, niet zijnde varkens, die rechtstreeks van een bedrijf naar een weide van ander bedrijf worden vervoerd met een vervoermiddel, voor zover het vervoermiddel zo spoedig mogelijk na dit vervoer wordt gereinigd en ontsmet.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van een vervoermiddel over de openbare weg vanaf een slachtplaats met geringe capaciteit, waarvan de eigenaar of exploitant beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 18, zesde lid, indien het vervoermiddel direct na lossing op de slachtplaats rechtstreeks, langs de kortste weg naar de in de vergunning aangewezen reinings- en ontsmettingsplaats rijdt om aldaar gereinigd en ontsmet te worden.

Artikel 32

1. De vervoerder van een vervoermiddel waarmee evenhoevigen worden vervoerd, houdt een register bij met daarin de volgende gegevens:

a. aantekening van elke reiniging en ontsmetting die plaatsvindt ingevolge artikel 31, 34 of 35;

b. voor zover de reiniging en ontsmetting heeft plaatsgevonden op een erkende reinigings- en ontsmettingsplaats als bedoeld in artikel 26, is de aantekening, bedoeld in onderdeel a, voorzien van het stempel van de eigenaar of exploitant van de plaats, alsmede van een de handtekening van de eigenaar of exploitant of zijn vertegenwoordiger;

c. in het geval het vervoer van runderen of varkens betreft, de gegevens, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG;

d. in het geval het vervoer van schapen of geiten betreft de gegevens, bedoeld in artikel 8 quater, tweede lid, van richtlijn nr. 91/68/EEG.

2. Uit het register, bedoeld in het eerste lid, blijkt op welk vervoermiddel het register betrekking heeft.

3. De vervoerder draagt er zorg voor dat de gegevens met betrekking tot de reiniging en ontsmetting die laatstelijk heeft plaatsgevonden op het desbetreffende vervoermiddel aanwezig zijn.

4. De vervoerder bewaart de gegevens die zijn opgenomen in het register, bedoeld in het eerste lid, gedurende drie jaren.

Artikel 33

1. Een vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen worden vervoerd, wordt na aankomst op de plaats van bestemming geheel gelost.

2. Indien een vervoermiddel bestaat uit twee of meer vervoerseenheden, mogen de vervoerseenheden in afwijking van het eerste lid op verschillende plaatsen worden gelost, mits iedere vervoerseenheid in één keer geheel wordt gelost.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid, mag een vervoersmiddel, onderscheidenlijk een vervoerseenheid op twee verschillende plaatsen worden gelost, indien de vervoerder deelneemt aan een ingevolge artikel 56 erkend kwaliteitssysteem.

§ 3.2

Veewagens afkomstig uit het buitenland

Artikel 34

1. Een vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen in Nederland worden gebracht, afkomstig uit een lidstaat of een derde land, en dat wordt gelost op een plaats die niet beschikt over een ingevolge artikel 26, eerste lid, erkende reinigings- en ontsmettingsplaats, wordt na reiniging en ontsmetting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onmiddellijk vervoerd naar een ingevolge artikel 26, eerste lid, erkende reinigings- en ontsmettingsplaats, om aldaar te worden gereinigd en ontsmet.

2. Indien het vervoermiddel, bedoeld in het eerste lid, afkomstig is vanuit een lidstaat waar een uitbraak van een besmettelijke dierziekte als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, b, c, d, l, s, t, u, v, x, y, z, is bevestigd, overlegt de vervoerder binnen 24 uur na binnenkomst in Nederland aan de VWA een bewijs van de reiniging en ontsmetting op een ingevolge artikel 26, eerste lid, erkende reiniging- en ontsmettingsplaats.

Artikel 35

Een vervoermiddel dat kennelijk is gebruikt voor het vervoeren van evenhoevigen in derde landen, alsmede in lidstaten waar een uitbraak van een besmettelijke dierziekte als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, b, c, d, l, s, t, u, v, x, y, z, is bevestigd, en vanuit deze derde landen of lidstaten, anders dan in doorvoer leeg in Nederland wordt gebracht, wordt onmiddellijk gereinigd en ontsmet op een ingevolge artikel 26, eerste lid, erkende reiniging- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen. De vervoerder overlegt binnen 24 uur na binnenkomst in Nederland aan de VWA een bewijs van de reiniging en ontsmetting.

Hoofdstuk 4

Voorschriften voor het bijeenbrengen van evenhoevigen

§ 4.1

Bijeenbrengen van evenhoevigen

Artikel 36

1. Het is verboden evenhoevigen afkomstig van verschillende plaatsen bijeen te brengen.

2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien het bijeenbrengen betreft van diersoorten en diercategorieën genoemd in de artikelen 37 tot en met 52 en deze dieren worden aangevoerd, vervoerd en afgevoerd overeenkomstig die artikelen en wordt voldaan aan de verplichtingen opgenomen in die artikelen.

3. Het is verboden evenhoevigen aan te voeren die in strijd met de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen zijn bijeengebracht, afgevoerd of vervoerd.

Artikel 37

1. Evenhoevigen afkomstig van verschillende plaatsen mogen bijeen worden gebracht op:

a. een vervoerseenheid of vervoermiddel;

b. een slachthuis;

c. een bedrijf of elke andere plaats, niet zijnde een plaats als bedoeld in de onderdelen b, d of e;

d. een ingevolge artikel 21 voor de desbetreffende diersoort erkend verzamelcentrum, of

e. een tentoonstelling of een keuring.

2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op varkens, niet zijnde slachtvarkens.

3. Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op runderen, niet zijnde fokrunderen, slachtrunderen of runderen jonger dan 12 maanden en op schapen en geiten, niet zijnde slachtschapen of slachtgeiten.

4. Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing op varkens.

Artikel 38

1. Op een verzamelcentrum worden niet tegelijkertijd verschillende diersoorten, diercategorieën of evenhoevigen met een verschillende gezondheidsstatus bijeen gebracht.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op slachtschapen en slachtgeiten met dezelfde gezondheidsstatus.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op het tegelijkertijd bijeenbrengen op een runderverzamelcentrum van fokrunderen met een verschillende gezondheidsstatus, mits de fokrunderen met een verschillende gezondheidsstatus in afzonderlijke epidemiologische eenheden afgescheiden van elkaar worden gehouden.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op het tegelijkertijd bijeenbrengen op een runderverzamelcentrum van fokrunderen met een verschillende gezondheidsstatus en runderen, jonger dan 12 weken, mits de fokrunderen met een verschillende gezondheidsstatus en de runderen, jonger dan 12 weken, in afzonderlijke epidemiologische eenheden afgescheiden van elkaar worden gehouden en er gedurende de blokperiode van de laatstgenoemde dieren geen fokrunderen worden aan- of afgevoerd.

5. Het eerste lid is niet van toepassing op het tegelijkertijd bijeenbrengen van runderen, schapen en geiten op een tentoonstelling of een keuring, mits deze zodanig is ingericht dat de verschillende diersoorten niet met elkaar in contact kunnen komen.

§ 4.2

Bijeenbrengen van evenhoevigen op een slachthuis

Artikel 39

1. Indien evenhoevigen bijeen worden gebracht op een slachthuis, worden de evenhoevigen niet van het slachthuis afgevoerd.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een besluit is genomen als bedoeld in bijlage I, sectie II, Hoofdstuk III, onderdeel 8, van verordening (EG) nr. 854/2004.

§ 4.3

Bijeenbrengen van evenhoevigen op een bedrijf of plaats

Artikel 40

1. Indien evenhoevigen, met uitzondering van varkens, bijeen worden gebracht op een bedrijf of plaats, als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c, verblijven die evenhoevigen ten minste 21 dagen op het bedrijf of de plaats alvorens zij worden afgevoerd.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op evenhoevigen die na afloop van een tentoonstelling of keuring worden aangevoerd op een bedrijf of plaats en weer van dat bedrijf of die plaats worden afgevoerd ten behoeve van een tentoonstelling of keuring.

§ 4.4

Bijeenbrengen van evenhoevigen op een erkend verzamelcentrum

§ 4.4.1

Algemeen

Artikel 41

1. De aanbieder meldt de aanvang en het einde van een blokperiode uiterlijk om 7.00 uur op de werkdag voorafgaande aan de blokperiode aan de VWA.

§ 4.4.2

Varkens

Artikel 42

Varkens worden van een ingevolge artikel 21 erkend varkensverzamelcentrum rechtstreeks afgevoerd naar:

a. een in Nederland gelegen slachthuis;

b. ingeval de varkens fok- en gebruiksvarkens zijn en afkomstig zijn uit een andere lidstaat, naar een in Nederland gelegen bedrijf;

c. naar een of meer bestemmingen buiten Nederland onder de volgende voorwaarden,

ingeval de varkens afkomstig zijn:

– uit Nederland gaan deze vergezeld van een of meer bewijsstukken als bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de wet;

– uit een lidstaat gaan deze vergezeld van de gezondheidscertificaten, bedoeld in artikel 5, eerste en vijfde lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG.

§ 4.4.3

Runderen

Artikel 43

1. Fokrunderen worden van een ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum rechtstreeks afgevoerd naar één of meer niet in Nederland gelegen bedrijven.

2. In afwijking van het eerste lid, worden de runderen, indien aan het einde van een blokperiode de fokrunderen niet zijn afgevoerd, na voorafgaande kennisgeving aan de VWA met gebruikmaking van een daartoe ter beschikking gesteld formulier:

a. door de aanbieder rechtstreeks afgevoerd naar een slachthuis;

b. op het verzamelcentrum voor een periode van 21 dagen in een epidemiologische bedrijfseenheid gescheiden gehouden van andere fokrunderen waarna de fokrunderen rechtstreeks worden vervoerd naar een in Nederland gelegen bedrijf.

3. De periode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, vangt aan nadat het laatste fokrund aan de epidemiologische eenheid is toegevoegd.

Artikel 44

1. Slachtrunderen worden van een ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum rechtstreeks afgevoerd naar een, al dan niet in Nederland gelegen slachthuis.

2. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om slachtrunderen, alvorens deze worden afgevoerd naar het slachthuis, te vervoeren van een ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum naar een ander ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum, indien de betrokken vervoerder alsmede de betrokken eigenaren of exploitanten van de runderverzamelcentra deelnemen aan een ingevolge artikel 56 erkend kwaliteitssysteem.

3. Indien op het andere runderverzamelcentrum, bedoeld in het tweede lid, slachtrunderen afkomstig van meer verzamelcentra of andere plaatsen tegelijkertijd in een blokperiode worden bijeen gebracht, worden alle in die blokperiode bijeengebrachte slachtrunderen afgevoerd naar een slachthuis.

Artikel 45

1. Runderen, jonger dan 12 maanden, worden van een ingevolge artikel 21 erkend verzamelcentrum rechtstreeks afgevoerd naar:

a. één of meer niet in Nederland gelegen bedrijven;

b. een in Nederland gelegen mesterij, onder de voorwaarde dat deze mesterij uitsluitend:

1. runderen rechtstreeks afvoert naar een slachthuis, of

2. runderen afvoert naar een andere in Nederland gelegen mesterij, die uitsluitend runderen houdt bestemd voor de afvoer naar de slacht;

2. Indien runderen, bedoeld in het eerste lid, niet binnen de blokperiode kunnen worden afgevoerd naar een bestemming genoemd in het eerste lid, onderdelen a of b, worden de runderen rechtstreeks afgevoerd naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis.

3. De runderen, bedoeld in het eerste lid, die zijn aangevoerd op een mesterij als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, worden vanaf die mesterij uitsluitend rechtstreeks naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis afgevoerd.

4. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om runderen, jonger dan 12 weken, alvorens deze worden afgevoerd naar de bestemmingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, te vervoeren van een ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum naar een ander ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum indien de betrokken vervoerder alsmede de betrokken eigenaar of exploitant van het runderverzamelcentrum deelnemen aan een ingevolge artikel 56 erkend kwaliteitssysteem.

Artikel 46

1. Weiderunderen worden van een ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum rechtstreeks afgevoerd naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis.

2. In afwijking van het eerste lid, mogen weiderunderen van een ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum, worden afgevoerd naar een in Nederland gelegen vetweiderijbedrijf dat uitsluitend runderen rechtstreeks afvoert naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis indien de betrokken vervoerder, de eigenaar of exploitant van het verzamelcentrum en de eigenaar of exploitant van het vetweiderijbedrijf deelnemen aan een ingevolge artikel 56 erkend kwaliteitssysteem.

3. Weiderunderen worden van een vetweiderijbedrijf rechtstreeks afgevoerd naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis.

§ 4.4.4

Schapen en geiten

Artikel 47

1. Slachtschapen of slachtgeiten worden van een ingevolge artikel 21 erkend schapen- en geitenverzamelcentrum afgevoerd naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis.

2. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om slachtschapen en slachtgeiten, alvorens deze worden afgevoerd naar het slachthuis, te vervoeren van een ingevolge artikel 21 erkend schapen- en geitenverzamelcentrum naar een ander ingevolge artikel 21 erkend schapen- en geitenverzamelcentrum, indien de betrokken vervoerder alsmede de betrokken eigenaren of exploitanten van de schapen- en geitenverzamelcentra deelnemen aan een ingevolge artikel 56 erkend kwaliteitssysteem.

3. Ingeval van afvoer, bedoeld in het tweede lid, wordt er voldaan aan artikel 4 quater, derde lid, onderdeel a, van richtlijn 91/68/EEG.

4. Indien op het schapen- en geitenverzamelcentrum, bedoeld in het tweede lid, schapen of geiten afkomstig van meer verzamelcentra of andere plaatsen tegelijkertijd in een blokperiode worden bijeen gebracht, worden alle in die blokperiode bijeengebrachte schapen en geiten afgevoerd overeenkomstig de voorwaarden genoemd in het derde lid.

Artikel 48

Artikel 34, zesde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren is niet van toepassing op slachtschapen en slachtgeiten die op een schapen- en geitenverzamelcentrum worden aangevoerd en afkomstig zijn van een ander schapen- en geitenverzamelcentrum.

§ 4.5

Bijeenbrengen van evenhoevigen, met uitzondering van varkens, op tentoonstellingen en keuringen

Artikel 49

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. organisator: organisator van een tentoonstelling of keuring;

b. plaats: plaats waar tentoonstelling of keuring wordt gehouden;

c. schapen of geiten: schapen of geiten, die individueel geregistreerd staan bij het Individuele Dier Registratiesysteem van de Gezondheidsdienst voor Dieren.

Artikel 50

1. De organisator stelt ten minste 30 dagen voorafgaand aan de datum waarop de tentoonstelling of keuring zal plaatsvinden de VWA schriftelijk in kennis van naam, adres en telefoonnummer van de organisator van de tentoonstelling of keuring, de datum en plaats, alsmede het UBN van de plaats, en het aantal runderen, schapen of geiten dat wordt tentoongesteld of gekeurd.

2. De houder of eigenaar van de tentoon te stellen of te keuren runderen, schapen of geiten laat deze binnen vijf dagen voorafgaand aan de tentoonstelling of keuring door een dierenarts klinisch onderzoeken.

3. Van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt door de dierenarts en de houder of eigenaar van de runderen, schapen of geiten een verklaring opgesteld volgens het model in bijlage 8.

4. De organisator stelt voor aanvang van de tentoonstelling of keuring zeker dat de schapen of geiten individueel geregistreerd staan bij de Gezondheidsdienst voor Dieren en laat runderen, schapen of geiten toe tot de plaats indien zij vergezeld gaan van de door de dierenarts en de houder of eigenaar ondertekende verklaring, bedoeld in het derde lid.

5. De tentoon te stellen of te keuren runderen, schapen of geiten worden uitsluitend op de plaats aangevoerd en van de plaats afgevoerd met vervoermiddelen waarvoor krachtens de Wegenverkeerswet 1994 een kentekenbewijs of registratiebewijs is afgegeven.

6. Runderen, schapen of geiten worden zo spoedig mogelijk na afloop van de tentoonstelling of keuring rechtstreeks vervoerd naar:

a. een in Nederland gelegen slachthuis, of

b. het bedrijf van herkomst.

Artikel 51

1. Eenieder, die het deel van de plaats, waar runderen, schapen of geiten verblijven, betreedt of verlaat, ontsmet zijn schoeisel door middel van voorzieningen, die duidelijk zichtbaar aanwezig zijn bij elke in- en uitgang van voornoemd deel van de plaats.

2. Op de plaats zijn voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen, waarmee evenhoevigen worden vervoerd, één of meer installaties aanwezig die water leveren van voldoende druk voor een deugdelijke en efficiënte reiniging en ontsmetting.

3. Artikel 31, eerste lid, is niet van toepassing bij het uitladen van evenhoevigen op een plaats, onder de voorwaarde dat het vervoermiddel na het uitladen op de plaats aanwezig blijft en met dezelfde evenhoevigen wordt geladen.

4. Voordat een vervoermiddel, dat geladen is met runderen, schapen of geiten, de plaats verlaat, reinigt en ontsmet de bestuurder de wielen en wielkasten van dat vervoermiddel met een toegelaten ontsmettingsmiddel op zodanige wijze dat de bioveiligheid niet in gevaar komt.

Artikel 52

1. De organisator houdt een administratie bij overeenkomstig de artikelen 19, 35 en 36, eerste lid, onderdeel c, tweede en derde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren en van de originele gezondheidsverklaringen, bedoeld in artikel 50, derde lid, en de kentekens van de vervoermiddelen waarmee runderen zijn aan- en afgevoerd.

2. Onverminderd artikel 19, vijfde lid, en 36, vierde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren bewaart de organisator de administratie, bedoeld in het eerste lid, tot ten minste drie maanden na afloop van de tentoonstelling of keuring.

3. De organisator houdt de administratie zodanig bij dat de ambtenaren als bedoeld in artikel 114 van de wet op basis hiervan alle aan- en afgevoerde dieren en de gebruikte vervoermiddelen eenvoudig kunnen traceren.

Hoofdstuk 5

Bijeenbrengen van pluimvee, loopvogels en postduiven

Artikel 53

1. Markten waarop pluimvee, loopvogels of postduiven worden verhandeld zijn verboden.

2. Het tijdelijk verzamelen op één plaats van pluimvee, loopvogels of postduiven die afkomstig zijn van verschillende plaatsen en vervolgens naar verschillende plaatsen, niet zijnde slachterijen, worden afgevoerd, is verboden.

3. Het organiseren van wedvluchten met postduiven is verboden.

Artikel 54

1. De verboden, bedoeld in artikel 53, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing op een keuring of tentoonstelling van sierpluimvee, loopvogels of postduiven of op een wedvlucht van postduiven indien wordt voldaan aan het tweede of derde lid.

2. Op de tentoonstelling of keuring worden slechts pluimvee, loopvogels of postduiven toegelaten en tot de wedvlucht worden slechts postduiven toegelaten, die vergezeld gaan van een op hen betrekking hebbende, volledig ingevulde en ondertekende verklaring van enting tegen Newcastle Disease.

3. Uit de in het tweede lid bedoelde verklaring, waarvan het model als bijlage 6 en bijlage 7 bij deze regeling is gevoegd, blijkt dat:

a. de hoenderachtigen en loopvogels van de desbetreffende houder, voorzover de dieren ouder zijn dan 30 dagen, ten minste twee weken en ten hoogste vijf maanden voor het begin van de tentoonstelling of de keuring op de in bijlage 6 omschreven wijze zijn geënt tegen Newcastle Disease;

b. de postduiven van de betreffende houder ten minste twee weken voor het begin van de tentoonstelling, keuring of wedvlucht op de in bijlage 7 omschreven wijze zijn geënt tegen Newcastle Disease overeenkomstig de bij de registratie van de entstof gegeven voorschriften betreffende het entschema en de dosering.

Artikel 55

1. Onverminderd de artikelen 53 en 54 is het tijdelijk op één plaats bijeenbrengen van pluimvee, loopvogels of postduiven afkomstig van verschillende plaatsen toegestaan, indien is voldaan aan het tweede of derde lid.

2. Degene, die voornemens is pluimvee, loopvogels of postduiven afkomstig van verschillende plaatsen tijdelijk op één plaats te bijeen te brengen, is gehouden:

a. van dit voornemen ten minste acht dagen van tevoren kennis te gegeven aan de VWA;

b. de dieren, alvorens deze toe te laten, bij de plaats van aanvoer op zijn kosten te laten onderzoeken door één of meer dierenartsen.

3. In afwijking van het tweede lid is degene die voornemens is postduiven voor een wedvlucht bijeen te brengen gehouden van dit voornemen jaarlijks een overzicht aan de VWA te doen toekomen. De minister kan besluiten de postduiven, alvorens deze bij de wedvlucht worden toegelaten, bij de plaats van aanvoer te laten onderzoeken door één of meer dierenartsen, op kosten van degene die de postduiven voor de wedvlucht heeft bijeengebracht.

Hoofdstuk 6

Kwaliteitssystemen preventie

Artikel 56

Een kwaliteitssysteem kan door de minister worden erkend indien door een rechtspersoon als bedoeld in artikel 59, eerste lid, wordt aangetoond dat:

a. het beheer en de inrichting in handen is van een rechtspersoon die voldoet aan de voorschriften, bedoeld in de artikelen 59 en 62;

b. voldaan wordt aan de voorschriften, bedoeld in de artikelen 60 en 61;

c. voldaan wordt aan de eisen, bedoeld in artikel 63.

Artikel 57

1. De erkenning van een kwaliteitssysteem geschiedt op aanvraag van de in artikel 59, eerste lid, bedoelde rechtspersoon.

2. De aanvraag wordt schriftelijk bij de VWA ingediend.

3. Op de aanvraag wordt binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag een besluit genomen.

4. Bij de aanvraag worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

a. de naam en het adres van de rechtspersoon;

b. de naam en het adres van de in artikel 60, vierde lid, bedoelde instanties;

c. een opgave van de namen en adressen van de deelnemende personen, rechtspersonen en samenwerkingsverbanden;

d. een overzicht van:

1. de wijze waarop de controles, bedoeld in artikel 60, eerste lid, worden uitgevoerd;

2. de wijze waarop en welke sancties, bedoeld in artikel 61, eerste lid, worden opgelegd;

3. de wijze waarop de geïnde boetes, bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdeel a, zullen worden besteed;

4. de wijze waarop wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 63.

Artikel 58

1. Indien een kwaliteitssysteem niet meer aan de eisen, bedoeld in artikel 56, voldoet kan de minister:

a. nadere voorwaarden verbinden aan de erkenning;

b. de erkenning met onmiddellijke ingang schorsen of intrekken.

2. De minister kan de nadere voorwaarden opheffen of een schorsing beëindigen indien ten genoegen van de minister is aangetoond dat het kwaliteitssysteem weer volledig aan alle eisen voldoet.

Artikel 59

1. Een kwaliteitssysteem wordt opgesteld en beheerd door een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:3 van het Burgerlijk Wetboek.

2. De wijze van de inrichting en het beheer en alle overige werkprocessen van de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon zijn overzichtelijk, duidelijk en volledig beschreven in één of meer schriftelijke stukken.

3. De inrichting en het beheer van het kwaliteitssysteem voldoen aan de criteria van ISO 9001 zoals die zijn gedeponeerd bij het Nederlands Normalisatie-instituut te Delft.

Artikel 60

1. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, eerste lid, verplicht de deelnemers om de eisen, bedoeld in artikel 63, en de daarop gebaseerde inhoudelijke normen, na te leven.

2. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, eerste lid, voorziet in een doeltreffend systeem van controle op de naleving van de in het kwaliteitssysteem vastgelegde verplichtingen.

3. Het controlesysteem zal in elk geval bestaan uit adequate controles op de eisen, bedoeld in artikel 63, en de daarop gebaseerde inhoudelijke normen van het kwaliteitssysteem.

4. De controles worden uitgevoerd door één of meer onafhankelijke, deskundige instanties.

5. Een instantie als bedoeld in het vierde lid, is geaccrediteerd door de Nederlandse Raad voor Accreditatie of door een gelijkwaardige buitenlandse instantie is verklaard dat de instantie voldoet aan de relevante criteria van ISO 17021 zoals die zijn gedeponeerd bij het Nederlands Normalisatie-instituut te Delft.

Artikel 61

1. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, eerste lid, voorziet in een doeltreffend systeem van oplegging van sancties bij niet-naleving van de eisen, bedoeld in artikel 63.

2. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, voorziet er in elk geval in dat de mogelijkheid bestaat om bij niet-naleving de volgende sancties op te leggen:

a. oplegging van een boete;

b. schorsing of uitsluiting van deelname het kwaliteitssysteem.

3. Gedurende de schorsing, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn de afwijkende voorschriften, bedoeld in artikel 33, derde lid, 44, tweede lid, 45, vierde lid, 46, tweede lid, en 47, tweede lid, niet van toepassing op de desbetreffende deelnemer.

Artikel 62

1. De instantie, bedoeld in artikel 60, vierde lid, verstrekt maandelijks een overzicht van de uitgevoerde controles als bedoeld in artikel 60, eerste lid, voor zover deze betrekking hebben op de eisen, bedoeld in artikel 63.

2. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, eerste lid, verstrekt maandelijks een overzicht van de opgelegde sancties, bedoeld in artikel 61, eerste lid, voor zover deze betrekking hebben op de eisen, bedoeld in artikel 63, waaronder de aanleiding en aard van de sanctie, aan de minister.

3. Indien als gevolg van een beëindiging van de deelname aan een kwaliteitssysteem met wederzijds goedvinden een deelnemer niet langer deelneemt aan dat kwaliteitssysteem, maakt de rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, eerste lid, daarvan onverwijld melding aan de minister.

4. Indien als gevolg van een sanctie als bedoeld in artikel 61, eerste lid, een deelnemer is geschorst of uitgesloten van deelname aan een kwaliteitssysteem, maakt de rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, eerste lid, daarvan onverwijld melding aan de minister.

5. Het kwaliteitssysteem dient te beschikken over een geautomatiseerd systeem waarmee de minister op ieder moment inzage kan hebben in de deelnemers aan de kwaliteitssysteem.

6. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, eerste lid, geeft wijzigingen van de gegevens, bedoeld in artikel 57, vierde lid, onverwijld door aan de minister.

Artikel 63

1. Het doel van een kwaliteitssysteem is:

a. de preventie van insleep en verspreiding van besmettelijke dierziekten;

b. het waarborgen van de gezondheid van te vervoeren evenhoevigen;

c. het waarborgen van het welzijn van de evenhoevigen.

2. Om het doel, bedoeld in het eerste lid, te bereiken dient het kwaliteitssysteem tenminste de volgende aspecten te omvatten:

a. de belading van vervoermiddelen;

b. de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen;

c. het bijhouden van registers van aantallen evenhoevigen en de identificatiegegevens van deze evenhoevigen;

d. welke maatregelen worden genomen indien het vermoeden bestaat van ziekte van te vervoeren evenhoevigen;

e. op welke wijze er wordt voldaan aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1/2005;

3. Voor zover het kwaliteitssysteem betrekking heeft op artikel 33, derde lid, dienen er minimaal 100 vervoerders deel te nemen.

4. Voor zover het kwaliteitssysteem betrekking heeft op de artikelen 44, tweede lid, 45, vierde lid, of 46, tweede lid, dienen er minimaal 10 personen, rechtspersonen of samenwerkingsverbanden bestaande uit vervoerders en eigenaren of exploitanten van verzamelcentra, deel te nemen.

C

Na artikel 115 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 115a

1. Een varkensverzamelcentrum, runderverzamelcentrum, schapenverzamelcentrum of geitenverzamelcentrum dat op het moment van inwerkingtreding van deze regeling, zoals die luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van de regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit houdende wijziging van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s in verband met de herziening van preventieregels voor evenhoevigen (TRCJZ/2008/2676), is erkend:

a. wordt geacht te zijn erkend ingevolge artikel 20, waarbij een verzamelcentrum met een erkenning voor een bepaalde categorie runderen wordt geacht te zijn erkend als runderverzamelcentrum, en een schapenverzamelcentrum of een geitenverzamelcentrum wordt geacht te zijn erkend als schapen- en geitenverzamelcentrum;

b. dient uiterlijk binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze regeling het protocol, bedoeld in artikel 20, zesde lid, in bij de VWA ter goedkeuring en werkt uiterlijk binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze regeling overeenkomstig het door de minister goedgekeurde protocol.

2. Een reinigings- en ontsmettingsplaats die op het moment van inwerkingtreding van deze regeling, zoals die luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van de regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit houdende wijziging van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s in verband met de herziening van preventieregels voor evenhoevigen (TRCJZ/2008/2676), is geregistreerd:

a. wordt geacht te zijn erkend ingevolge artikel 25;

b. dient uiterlijk binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze regeling het protocol, bedoeld in artikel 25, tweede lid, in bij de VWA ter goedkeuring en werkt uiterlijk binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze regeling overeenkomstig het door de minister goedgekeurde protocol.

D

De bijlagen 2 tot en met 5 komen te vervallen.

E

Het opschrift van bijlage 6 komt te luiden:

Bijlage 6

Model van verklaring van enting van hoenderachtige of loopvogels tegen Newcastle Disease als bedoeld in artikel 54, derde lid.

F

Het opschrift van Bijlage 7 komt te luiden:

Bijlage 7

Model van verklaring van enting van duiven tegen Newcastle Disease als bedoeld in artikel 54, derde lid.

G

Het opschrift van bijlage 8 komt te luiden:

Bijlage 8

Model van gezondheidsverklaring van ten toon te stellen of te keuren runderen, schapen of geiten als bedoeld in artikel 50, derde lid.

H

Bijlage 9 komt te luiden:

Bijlage 9

Eisen aan een eenvoudige R&O-plaats als bedoeld in artikel 20

1. Het bedrijf is voorzien van een verharde plaats waar de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen geschiedt, welke de gehele lengte van het vervoermiddel of vervoerseenheid beslaat.

2. De plaats is zodanig aangelegd dat water en eventueel andere vloeistoffen niet in het grond- of oppervlaktewater terecht kunnen komen. De plaats is voorzien van een zodanige afvoer dat water en eventueel andere vloeistoffen die bij de reiniging en ontsmetting worden gebruikt, niet in het grond- of oppervlaktewater terecht kunnen komen.

3. Het bedrijf kan voldoende water leveren voor de reiniging en ontsmetting van de vervoermiddelen die een of meer evenhoevigen op dat bedrijf lossen.

4. De verharde plaats kan op zodanige wijze worden verlicht dat de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen te allen tijde onbelemmerd en naar behoren kan plaatsvinden.

5. Op het bedrijf zijn voorzieningen aanwezig waarmee ontsmettingsmiddelen kunnen worden toegepast.

6. Op het bedrijf zijn reinigingsmiddelen aanwezig, alsmede ontsmettingsmiddelen die voor dat doel op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten, in voldoende mate om te kunnen voorzien in de reiniging en ontsmetting van de vervoermiddelen die op dat bedrijf een of meer evenhoevigen lossen.

7. Op het bedrijf is een voorziening aanwezig waar de chauffeurs van de vervoermiddelen die evenhoevigen op het bedrijf lossen hun handen kunnen wassen met warm water en zeep.

8. Op het bedrijf is een voorziening aanwezig voor het reinigen van de gebruikte laarzen of worden bedrijfseigen laarzen gebruikt en zijn bedrijfsoveralls beschikbaar.

I

De bijlagen 10 tot en met 13 komen te vervallen.

Artikel II

De Regeling handel levende dieren en levende producten2 wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 3.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.1a

De vervoerder van runderen voldoet aan artikel 12, eerste lid, onderdeel a, eerste gedachtestreepje, en derde lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG.

B

Artikel 3.13c wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

2. Runderen afkomstig uit derde landen mogen, behoudens wanneer de in het eerste lid bedoelde runderen bij aankomst op het bedrijf van bestemming terstond ten genoege van de officiële dierenarts op zodanige wijze afgezonderd worden gehouden van reeds op dat bedrijf aanwezige dieren zodat ieder contact tussen de betrokken runderen en de overige op dat bedrijf aanwezige dieren is uitgesloten, gedurende een periode van 30 dagen, te rekenen vanaf de dag waarop de in het eerste lid bedoelde runderen op het bedrijf van bestemming zijn binnengebracht, niet van het bedrijf worden afgevoerd, behoudens de rechtstreekse afvoer naar een in Nederland gelegen slachthuis.

2. Onder vernummering van het vierde tot het zesde lid, worden twee leden ingevoegd, luidende:

4. Runderen die binnen Nederland worden gebracht, worden per vervoerseenheid rechtstreeks vervoerd naar en afgeleverd op één bedrijf, één erkend verzamelcentrum of één slachthuis.

5. Het vierde lid is niet van toepassing ingeval runderen rechtstreeks worden vervoerd naar een lidstaat of derde land.

C

Na artikel 4.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

De vervoerder van varkens voldoet aan artikel 12, eerste lid, onderdeel a, eerste gedachtestreepje, en derde lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG.

D

Artikel 4.4a vervalt.

E

Na het vervallen artikel 4.7a worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

1. Indien varkens bijeen worden gebracht op een ingevolge artikel 21 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s erkend varkensverzamelcentrum dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. de aanbieder van de varkens stelt de VWA overeenkomstig artikel 41 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s voorafgaand aan de aanvoer op het varkensverzamelcentrum door middel van een daartoe verstrekt aanvraagformulier in kennis van de voorgenomen aanvoer;

b. de minister heeft de aanbieder niet schriftelijk in kennis gesteld tegen de aanvoer bezwaar te hebben.

2. Indien de varkens bijeen worden gebracht ten behoeve van de export dient tevens te worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. er is voldaan aan artikel 3, tweede lid, onderdelen b, c en d, en artikel 4 van richtlijn nr. 64/432/EEG, en

b. voorzover de varkens fok- en gebruiksvarkens zijn, hebben de varkens ten minste 30 dagen vóór aanvoer op het varkensverzamelcentrum, of, ingeval de varkens minder dan 30 dagen oud zijn, sinds de geboorte op het bedrijf van herkomst verbleven.

In afwijking van artikel 47, eerste lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s en van artikel 2.26, eerste lid, van de Regeling handel levende dieren en levende producten stelt de aanbieder van varkens afkomstig uit een andere lidstaat de VWA uiterlijk 24 uur voorafgaande aan de aanvoer op het varkensverzamelcentrum schriftelijk in kennis van de aanvoer van die varkens onder vermelding van de aanvoerdatum, de categorie varkens, het aantal varkens en het bestemmingsadres van de varkens.

E

Na artikel 7.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7.1

De vervoerder van schapen of geiten voldoet aan van artikel 8 quater, eerste lid, onderdeel a, eerste gedachtestreepje, en derde lid, van richtlijn nr. 91/68/EEG.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G. Verburg.

Toelichting

1. Algemeen

Onderhavige regeling wijzigt de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s (hierna: de regeling). De wijziging heeft betrekking op de voorschriften voor evenhoevigen die zijn gesteld ter voorkoming van de insleep en de verspreiding van besmettelijke dierziekten zoals deze zijn opgenomen in Titel 2 van de regeling. Het gaat daarbij om de regels met betrekking tot het bijeenbrengen en het vervoer van evenhoevigen, de hygiënevoorschriften, waaronder de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen waarmee evenhoevigen worden vervoerd en de erkenning van verzamelcentra en reinigings- en ontsmettingsplaatsen. De preventieve voorschriften met betrekking tot pluimvee en andere vogels, alsmede de voorschriften met betrekking tot tentoonstellingen en keuringen van runderen, schapen en geiten blijven nagenoeg ongewijzigd.

2. Herziening preventiebeleid evenhoevigen

De aanleiding van de onderhavige wijziging is de herziening van het preventiebeleid voor evenhoevigen. Over het voornemen tot deze herziening is de Tweede Kamer meerdere malen door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geïnformeerd (onder meer bij brief van 6 april 2006, kenmerk lnv0600185 en bij brief van 3 december 2007 (Kamerstukken II 2007-08 29 683, nr. 15). In de laatstgenoemde brief is de aanleiding voor het herzieningsproces uiteengezet. Naar aanleiding van de uitbraken van varkenspest in 1997 en mond- en klauwzeer in 2001 zijn de preventieregels voor evenhoevigen aangescherpt. Daarbij zijn regels gesteld die in voorkomend geval strenger zijn dan de voorschriften die gelden voor de handel in evenhoevigen in het intracommunautaire handelsverkeer die zijn neergelegd in de verschillende handelsrichtlijnen1 . Voor varkens is het doel van de preventieve maatregelen het structureren en beperken van het aantal contacten tussen varkens en varkensbedrijven. Deze maatregelen zijn met name gericht op het voorkomen van varkenspest. Voor herkauwers bestaan de preventieregels uit 2 pijlers: de 21 dagen quarantainemaatregel2 en de regel dat het verzamelen van herkauwers alleen is toegestaan voor zover het slachtdieren, nuchtere kalveren en exportvee betreft waarbij voor deze herkauwers in principe een verzamelslag is toegestaan. Deze maatregelen zijn met name gericht op het voorkomen van mond- en klauwzeer.

Gebleken is dat het draagvlak voor zeer strikte preventieregels na afloop van de een dierziekteuitbraak snel afneemt. Vanuit de sector zijn regelmatig verzoeken gekomen om de maatregelen voor herkauwers op onderdelen te versoepelen. Mede naar aanleiding daarvan is een aantal versoepelingen doorgevoerd waarover met de Tweede Kamer is gecorrespondeerd (onder meer Kamerstukken II 2005–2006, 29 683, nrs. 3 en 7). Het betreft met name uitzonderingen op de 21 dagen quarantainemaatregel en het aantal toegestane verzamelslagen (tweede verzamelslag voor slachtschapen). Een en ander heeft geleid tot een gedetailleerd stelsel van regels, mede veroorzaakt door de genoemde uitzonderingen, met veel administratieve lasten. Het stelsel heeft een beperkt draagvlak bij het bedrijfsleven en wordt op onderdelen slecht nageleefd. Het voorgaande heeft consequenties voor de handhaafbaarheid en daarmee voor de effectiviteit van de regelgeving en de realisatie van de daaraan ten grondslag liggende beleidsdoelen. Gelet op het voorgaande is het preventiebeleid voor evenhoevigen integraal herzien. Aan deze herziening wordt door onderhavige wijzigingsregeling uitvoering gegeven.

3. Uitgangspunten herziening preventiebeleid en -regelgeving

Een belangrijk uitgangspunt bij de herziening – zoals dat ook is verwoord in de Nationale Agenda Diergezondheid – is dat de houder van dieren primair verantwoordelijk is voor de gezondheid van dat dier. Dit betekent dat in beginsel de houder preventieve maatregelen moet nemen om te voorkomen dat een dier ziek wordt. Gelet op het aan het individuele belang ontstijgende karakter van preventieve maatregelen kunnen overheidsmaatregelen echter niet achterwege blijven, maar meer dan voorheen wordt het bedrijfsleven aangesproken op haar verantwoordelijkheid ter zake. Zo zijn bepaalde voorschriften komen te vervallen omdat er van uitgegaan wordt dat daar nadrukkelijk een verantwoordelijkheid van de houder ligt. Voorts wordt waar mogelijk gewerkt met doelvoorschriften waarbij het aan de normadressaat is om daar op een (veterinair) verantwoorde wijze invulling aan te geven. Het stimuleren van private initiatieven is eveneens een van de uitgangspunten bij de herziening. De regeling biedt de mogelijkheid om af te wijken van de standaardnormen. Daar moet dan tegenover staan dat er extra veterinaire en welzijnstechnische waarborgen worden gegeven die zijn vastgelegd in een kwaliteitssysteem. In paragraaf 5 wordt nader ingegaan op de kwaliteitssystemen.

Een ander uitgangspunt dat is gehanteerd is dat op het nationale verkeer zoveel mogelijk de Europese handelsvoorschriften van toepassing zijn. In beginsel zijn alleen daar waar dat gelet op de specifieke Nederlandse situatie veterinair noodzakelijk is, maatregelen getroffen die verder gaan dan de Europese handelsvoorschriften. Er is bovendien gestreefd naar een vereenvoudiging van voorschriften met zo min mogelijk administratieve lasten.

Een en ander heeft geleid tot een veterinair verantwoord transparanter stelsel en een verbeterde handhaafbaarheid.

4. Voornaamste wijzigingen

De toepassing van voornoemde uitgangspunten heeft tot een aantal wijzigingen van het preventiebeleid geleid.

Primaire bedrijven

De voornaamste wijzigingen voor primaire bedrijven worden hieronder weergegeven.

De 21 dagen quarantainemaatregel voor primaire bedrijven waar evenhoevigen worden gehouden, is afgeschaft voor bedrijven waar runderen worden gehouden. Door de vele uitzonderingen die daarop zijn gemaakt, is het veterinaire effect van de maatregel zeer beperkt en is de maatregel moeilijk handhaafbaar. Met het vervallen van de 21 dagen quarantainemaatregel voor rundveehouderijen vervallen tevens een aantal registratieverplichtingen. Voor primaire schapen- en geitenbedrijven blijft de maatregel van kracht voor zover het gaat om de export omdat dit een verplichting is ingevolge de desbetreffende handelsrichtlijn.

De regels omtrent het laden, lossen en overladen van evenhoevigen zijn afgeschaft. Ook hiervoor geldt dat dit een eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven is. Overigens blijft de basisregel dat een vervoermiddel of vervoerseenheid op 1 locatie in zijn geheel wordt gelost bestaan. De hygiënemaatregelen voor primaire bedrijven zijn vervallen (artikelen 79 en 80 (oud)3 van de regeling). De veehouder zelf is verantwoordelijk voor het treffen van passende preventieve maatregelen.

De maatregelen met als doel het structureren en beperken van het aantal contacten tussen varkens en primaire varkensbedrijven, die voorheen waren opgenomen in de Regeling varkensleveringen, zijn thans opgenomen in de Verordening varkensleveringen van het Productschap voor Vee en Vlees. Ten aanzien van varkens gelden ingevolge onderhavige regeling hoofdzakelijk nog regels ten aanzien van het bijeenbrengen en afvoeren van varkens op, onderscheidenlijk van een verzamelcentrum en de erkenning van een dergelijk verzamelcentrum.

Overige schakels in de keten

De voornaamste wijzigingen voor de overige schakels in de keten worden hieronder weergegeven.

De administratie van de reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden wordt vereenvoudigd. Thans kan worden volstaan met het register waarin aantekening wordt gemaakt van gegevens met betrekking tot elke reiniging en ontsmetting, dat door de vervoerder eigenaar of exploitant van een erkende reinigings- en ontsmettingplaats moet worden bijgehouden. Een vervoerder hoeft minder gegevens te verstrekken dan voorheen (bijvoorbeeld artikel 74, zesde lid, (oud), van de regeling).

De erkenningsvoorwaarden voor verzamelcentra van varkens, runderen en schapen en geiten zijn vereenvoudigd. De verzamelcentra dienen aan de EU-voorschriften te voldoen. In plaats van de gedetailleerde nadere voorschriften die aan de inrichting en de werkwijze op de verzamelcentra waren gesteld, is thans een doelvoorschrift opgenomen. In een protocol dat door de minister moet worden goedgekeurd als onderdeel van de erkenning, moeten de verzamelcentra beschrijven hoe aan dit voorschrift invulling wordt gegeven.

In de regeling zijn voorts de verplichtingen waaraan een erkend verzamelcentrum moet voldoen uitgebreid. Om de erkenning te behouden moet een verzamelcentrum niet alleen (blijven) voldoen aan de erkenningsvoorwaarden en daarmee samenhangende verplichtingen, maar eveneens aan bepaalde andere veterinaire voorschriften en welzijnseisen. Dit moet leiden tot meer aangrijpingspunten voor een adequate handhaving van de preventieregels op verzamelcentra.

De gedetailleerde voorschriften voor de erkenning van reiniging- en ontsmettingsplaatsen en over de wijze van reiniging en ontsmetting zijn vervangen door doelvoorschriften. De invulling van deze voorschriften moet eveneens in een protocol worden opgenomen dat door de minister wordt goedgekeurd als onderdeel van de erkenning.

De voorschriften ten aanzien van het bijeen brengen van evenhoevigen afkomstig van verschillende plaatsen op een vervoermiddel zijn versoepeld. Slachtschapen- en slachtgeiten mogen tegelijkertijd bijeen worden gebracht. Veterinair gezien is er geen aanleiding om deze diersoorten gescheiden te houden, het veterinair risico is beperkt omdat dit slachtdieren betreft, en de Europese voorschriften die gelden voor het verzamelen van deze dieren en de verzamelcentra zijn gelijkluidend. Dit betekent dat voor het verzamelen van schapen en geiten thans nog maar één erkenning is vereist. In het verlengde daarvan is de blokperiode voor het verzamelen van slachtgeiten verruimd tot 120 uur, de blokperiode die geldt voor slachtschapen.

De afvoer van weiderunderen vanaf een verzamelcentrum naar een vetweiderijbedrijf (artikel 35 (oud) van de regeling) is niet meer toegestaan. Indien het bedrijfsleven deze vervoersstroom opneemt in een kwaliteitssysteem is het wel weer mogelijk om weiderunderen naar een vetweiderijbedrijf af te voeren. De kwaliteitssystemen worden in paragraaf 5 nader toegelicht.

De mogelijkheid tot het zogenoemde monocertificeren van varkens wordt afgeschaft om een diverse redenen. Gelet op het uitgangspunt om een systeem ten hanteren met zo min mogelijk uitzonderingen (dus 1 systeem van certificeren), de gebrekkige naleving van deze voorschriften en de hiermee gepaard gaande nadelige gevolgen voor het dierenwelzijn is er voor gekozen om de monocertificering af te schaffen. Voorts zijn de regels voor de aanvoer van varkens op een verzamelcentrum en de afvoer daarvan versoepeld in die zin dat het maximum aantal aanvoeradressen van 50 UBN’s in geval van de aanvoer is losgelaten. Het zogenoemde overliggen van varkens na afloop van een blokperiode is echter niet meer toegestaan zodat uiteindelijk niet de situatie kan ontstaan dat van een ontbeperkt aantal herkomstadressen varkens op het centrum aanwezig zijn. De eis dat op een vervoermiddel waarmee varkens van een verzamelcentrum worden afgevoerd, ten hoogste van 30 verschillende UBN’s afkomstige varkens aanwezig mogen zijn, is vervallen.

Voor een nadere toelichting op voornoemde wijzigingen wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting in paragraaf 9.

5. Private kwaliteitssystemen

In de regeling is een kapstok opgenomen voor kwaliteitssystemen. Het gaat om een door het bedrijfsleven opgezet systeem dat extra veterinaire en welzijnstechnische waarborgen creëert. Door het bedrijfsleven zelf extra waarborgen te laten creëren, kan de overheid aan de deelnemers van dit systeem bepaalde voordelen kunnen verschaffen. Het komt in dit geval neer op een andere set voorschriften voor het deel van het bedrijfsleven dat zelf extra verantwoordelijkheid neemt. De primaire verantwoordelijkheid voor preventie van dierziekten ligt overeenkomstig de Nationale Agenda Diergezondheid bij de houder en het bedrijfsleven. Kwaliteitssystemen sluiten hierbij aan.

Ten aanzien van vijf normen is het mogelijk om, indien men deelneemt aan een kwaliteitssysteem af te wijken van de standaardnorm Het betreft de volgende voorschriften:

1. het lossen op twee locaties in plaats van één locatie per vervoerseenheid;

2. een tweede verzamelslag4 voor slachtrunderen;

3. een tweede verzamelslag voor nuchtere kalveren;

4. een tweede verzamelslag voor slachtschapen en slachtgeiten;

5. het verzamelen van weiderunderen op een vetweiderijbedrijf.

Aangezien het afwijkingen van algemeen verbindende voorschriften betreft, moet het kwaliteitssysteem door de minister erkend en zijn in de regeling erkenningsvoorwaarden opgenomen. Deze voorwaarden hebben betrekking op enerzijds de rechtspersoon die het kwaliteitssysteem beheert en anderzijds op de inhoud van het kwaliteitssysteem. Het kwaliteitssysteem heeft als doel het waarborgen van de gezondheid en het welzijn van de evenhoevigen en het voorkomen van de insleep en verspreiding van dierziekten. Door het toestaan van de afwijkingen ontstaan op die vlakken namelijk extra risico’s. Het kwaliteitssysteem moet die risico’s afdekken. Onderdeel van het kwaliteitssysteem moet voorts zijn een doeltreffend controle systeem (uitgevoerd door een geaccrediteerde controle-instantie) en een doeltreffend sanctiesysteem. Het is de bedoeling om de kwaliteitssystemen over twee jaar te evalueren om te bepalen of deze gecontinueerd worden. Verder zullen er kosten in rekening worden gebracht in de vorm van zogenoemde retributies. Deze zullen worden meegenomen in de wijziging van de Regeling retributies veterinaire en hygiënische aangelegenheden. Verder zal er na verloop van tijd een evaluatie van de kwaliteitssystemen volgen om te zien of de kwaliteitssystemen nuttig en voldoende veterinair verantwoord zijn. De kwaliteitssystemen worden nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting van artikelen 56 tot en met 63.

6. Handhaving

De voorschriften op het gebied van preventie worden in beginsel strafrechtelijk gehandhaafd op basis van de Wet op de economische delicten. De voorschriften met betrekking tot de erkenning van verzamelcentra en reinigings- en ontsmettingplaatsen worden bestuursrechtelijk gehandhaafd. Een van de doelstellingen van de herziening van het preventiebeleid is een verbeterde handhaving. De regeling biedt thans meer aangrijpingspunten voor een effectieve handhaving. Dit wordt hieronder nader toegelicht bij de artikelen 20 en verder van de regeling (voorschriften erkenning verzamelcentra).

7. Administratieve lasten

De onderhavige regeling leidt aan de ene kant tot een aanzienlijke vermindering van administratieve lasten, maar aan de andere kant zullen er ook nieuwe administratieve lasten ontstaan. Hieronder wordt dit toegelicht.

Lastenverlichting

Een groot deel van de administratieve voorschriften omtrent de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen is vervallen en heeft een administratieve lastenverlichting tot gevolg. Dit betreft met name de verplichting voor de veehouder om zaken omtrent de reiniging en ontsmetting op zijn bedrijf te administreren in zowel de eigen administratie als in de administratie van de vervoerder. Concreet gaat het om het vervallen van de volgende artikelen: de regels omtrent het overladen (artikel 18a, tweede lid, onderdeel d (oud) zijn vervallen. Zo ook de controle door veehouder R&O op lege veewagens (artikel 72, tweede lid (oud)), controle door veehouder op R&O na lossing en registratie van R&O-boekje vervoerder (artikel 74, tiende lid (oud)), controle van administratie van vervoerder door veehouder en verplichting om delen daarvan in eigen administratie over te nemen (artikel 77 (oud). Ten slotte is de meldingsplicht voor volle en lege veewagens afkomstig uit het buitenland aangepast. De meldingsplicht geldt voortaan alleen nog maar voor risicolanden (EU-lidstaten met een uitbraak van een besmettelijke dierziekten en derde landen).

Andere zaken die tot een verlichting van de administratieve lasten hebben geleid zijn de vervallen administratieve voorschriften omtrent het bijladen van varkens (artikel 20, tweede lid, onderdeel d (oud)) en de afschaffing van een tweetal beperkingen voor verzamelplaatshouders als het gaat om het maximum dat was gesteld aan het aantal herkomstbedrijven. Omdat dit maximum wordt losgelaten hoeft de waaghouder deze gegevens ook niet meer bij te houden in zijn register (artikel 23, eerste lid, onderdelen e en q (oud)). Het afschaffen van de mogelijkheid om weiderunderen te verzamelen heeft eveneens een verlichting tot gevolg (artikel 31, eerste lid, onderdelen p en q en artikel 36, vijfde lid (oud)). Verder is de mogelijkheid om slachtschapen tweemaal te verzamelen vervallen. Het gevolg hiervan is eveneens een administratieve lastenverlichting. De totale lastenverlichting die met onderhavige regeling wordt bewerkstelligd bedraagt € 5.327.210,–.

Lastenverzwaring

Onderhavige wijziging gaat ook gepaard met een administratieve lastenverzwaring. De aanvragen van erkenningen van verzamelcentra en reinigings- en ontsmettingsplaatsen moet voortaan vergezeld gaan van een uitgebreider protocol. Het gaat hier onder meer om het invullen van de norm dat uit het protocol moet blijken hoe de exploitatie van het verzamelcentrum plaatsvindt met het oog op de bioveiligheid. Dit protocol moet door de minister worden goedgekeurd. Het gaat om een lastenverzwaring van € 460.500,–.

Een ander punt dat een lastenverzwaring met zich meebrengt is de komst van de kwaliteitssystemen. Voor de erkenning van een kwaliteitssysteem is het noodzakelijk dat de organisatie en werkwijze van de rechtspersoon die het systeem beheert schriftelijk wordt vastgelegd en opgestuurd aan de VWA. Een totaal van € 60.000,– aan lasten is het gevolg. Onderhavige regeling gaat gepaard met een totale lastenverzwaring van € 520.500,–.

Het saldo van administratieve lastenverlichting dat met deze wijziging wordt bewerkstelligd bedraagt € 4.806.710,00. Onderhavige wijzigingen van de regelgeving zijn voorgelegd aan Actal.

8. Consultatie en adviezen bedrijfsleven

Bij de herziening van het preventiebeleid is het bedrijfsleven betrokken door middel van deelname aan per sector georganiseerde werkgroepen. Bij de vormgeving van het beleid is de inbreng van het bedrijfsleven in die werkgroepen betrokken. In november 2007 is de conceptregeling aan de meest betrokken organisaties gestuurd voor commentaar. De organisaties waar een reactie van is ontvangen zijn: Land- en Tuinbouworgansatie Nederland (LTO), Nederlandse Bond van Waaghouders van levend vee (NBW), Nederlandse Bond van Handelaren in Vee (NBHV), Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMW), Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE), Nederlandse Veeverbeteringsorganisatie, Condor Consultancy, Koninklijke Nederlandse Slagersorganisatie, Saveetra, Stichting Veehandelscentrum Noord-Nederland, Centraal Veterinair Instituut, Platform voor de Kleinschalige Schapen- en Geitenhouders, Centrale Organisatie voor de Vleessector, Denkavit Nederland BV, Veepro Holland, Nederlandse Vakbond Varkenshouders en Stichting Veemarkt Purmerend. Er is een aantal onderwerpen waarover de belangenorganisaties een andere visie voor ogen hadden dan in de voorschriften in de conceptregeling. Op een aantal punten zijn de adviezen van het bedrijfsleven overgenomenen op een aantal andere punten zijn de voorschriften ongewijzigd ten opzichte van de conceptregeling gebleven. LTO, NBHV, NBW, PVE, Stichting Veemarkt Noord-Nederland en Stichting Veemarkt Purmerend hebben aangegeven geen voorstander te zijn van het afschaffen van het verzamelen van weiderunderen. Naar aanleiding van de consultatie is er voor gekozen om toch een mogelijkheid te creëren opdat deze verzamelslag kan worden behouden. Indien er gebruik wordt gemaakt van een door de minister van LNV goedgekeurd kwaliteitssysteem is het toegestaan om weiderunderen van een verzamelcentrum af te voeren en voor afvoer naar het slachthuis eerst naar een vetweiderijbedrijf te laten gaan.

Een punt waar het bedrijfsleven grote waarde aan hecht is de verplichting van de zogenoemde eenvoudige wasplaats. In de conceptregeling die ter consultatie is rondgestuurd was deze verplichting niet meer opgenomen. Naar aanleiding van de adviezen van Saveetra, NBHV, NBW, COV, PVE en LTO heb ik besloten om de verplichting voor de veehouder om te beschikken over een eenvoudige wasplaats te continueren. De verplichting zal in verband met de handhaafbaarheid thans gelden voor alle veehouders en niet slechts van toepassing zijn indien een veehouder evenhoevigen aanvoert.

De monocertificering5 is voor NBW, NVV en LTO een vorm van certificering die behouden moet blijven. Toch heb ik ervoor gekozen om de monocertificering af te schaffen. Dit gelet op de gebrekkige naleving van de huidige regels omtrent monocertificering en de daarmee gepaard gaande negatieve effecten voor het welzijn van de varkens. De negatieve welzijnsaspecten worden met name veroorzaakt door het twee keer in zeer korte tijd op- en afladen van de varkens.

Met name voor vervoerders en handelaren waren de regels omtrent het bijladen en overladen een beperkende factor. De regels betreffende het laden, bijladen, overladen en lossen zijn geschrapt. Hiermee worden de ondernemers niet meer beknot in hun mogelijkheden, maar moeten zij verantwoordelijkheid nemen in het kader van preventie van dierziekten. Tevens kan hierbij opgemerkt worden dat de regel om op maximaal 1 adres te lossen per vervoermiddels of vervoerseenheid behouden blijft. Enkel indien gebruik wordt gemaakt van een kwaliteitssysteem kan er op twee locaties per vervoermiddel dan wel vervoerseenheid worden gelost.

9. Artikelsgewijs

In dit onderdeel worden de begripsomschrijvingen die zijn opgenomen in artikel 1 van de regeling aangepast aan de overige wijzigingen van de regeling. De overbodig geworden onderdelen zijn komen te vervallen. Zo is een aantal begripsomschrijvingen van bedrijfstypen en diercategorieën vervallen omdat diverse registratieverplichtingen zijn vervallen.

Onderdeel y is voorts aangepast omdat schapen en geiten tegelijkertijd verzameld mogen worden. De blokperiode voor het verzamelen van geiten wordt gelijk getrokken met die voor het verzamelen van schapen, te weten 120 uur. De blokperiode voor slachtvarkens is verruimd van 24 uur naar 48 uur. Het veterinaire risico is beperkt omdat het slachtdieren betreft en het geeft de ondernemer meer ruimte.

Artikel I, onderdeel B

Titel 2 van de regeling wordt geheel vervangen. Hieronder worden de nieuwe artikelen waar nodig nader toegelicht.

Artikel 18

Artikel 18 geeft de regels ten aanzien van de reinigings – en ontsmettingsvoorzieningen die op een verzamelcentrum of een slachthuis aanwezig moeten zijn indien evenhoevigen worden aangevoerd. In het geval het een verzamelcentrum betreft moet dat verzamelcentrum erkend zijn ingevolge artikel 20 van de regeling. Onderdeel van deze erkenning is dat op het verzamelcentrum een reinigings- en ontsmettingsplaats aanwezig moet zijn die voldoet aan de eisen uit artikel 25 van de regeling. In het geval van de aanvoer van evenhoevigen op een slachthuis geldt dat dit slachthuis moet beschikken over een erkende reinigings- en ontsmettingsplaats. De bestaande uitzondering die was opgenomen in artikel 59, derde en vierde lid, (oud) van de regeling voor slachthuizen met een geringe capaciteit is gehandhaafd waarbij thans via een doelvoorschrift is aangegeven aan welke eisen de voorziening moet voldoen. Deze slachthuizen dienen hun werkwijze voortaan neer te leggen in een door de minister goedgekeurd protocol. In dat protocol moet bijvoorbeeld worden opgenomen hoe wordt omgegaan met vorst. Aangezien een dergelijke eenvoudige reinigings- en ontsmettingsvoorziening over het algemeen geen overkapping heeft, zal reiniging en ontsmetting bij vorst in beginsel niet zonder gevaar voor de bioveiligheid plaats kunnen vinden, tenzij er specifieke voorzieningen worden getroffen. Die kunnen in het protocol worden beschreven. In het vijfde lid is een overgangsbepaling opgenomen die inhoudt dat het protocol binnen drie maanden bij de VWA moet zijn ingediend ter goedkeuring en dat bestaande slachthuizen met geringe capaciteit uiterlijk binnen zes maanden overeenkomstig een goedgekeurd protocol moeten gaan werken.

De slachthuizen met geringe capaciteit die ingevolge artikel 59, vijfde lid, (oud) van de regeling een vergunning hebben om vervoermiddelen te laten reinigen en ontsmetten op een andere locatie, mogen ingevolge het zesde lid van artikel 18 evenhoevigen blijven aanvoeren onder de bestaande voorwaarden. Nieuwe vergunningen worden niet meer verleend. Indien een nieuw slachthuis actief wil worden en evenhoevigen wil ontvangen, zal deze er derhalve zorg voor moeten dragen dat een reinigings- en ontsmettingsvoorziening aanwezig is die ofwel is erkend ingevolge artikel 25 van de regeling ofwel voldoet aan de eisen van artikel 18, derde lid.

Artikel 19

De vervoerder is ingevolge artikel 32 verantwoordelijk voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen waarmee evenhoevigen zijn vervoerd. Artikel 19 legt op eigenaar of exploitant van een bedrijf of een plaats waar evenhoevigen worden afgeleverd de verplichting op medewerking te verlenen aan de reiniging en ontsmetting (artikel 67, tweede lid (oud) van de regeling). De medewerking houdt in dat de veehouder de vervoerder zoveel mogelijk faciliteert.

Artikel 20

Evenals in de oude regeling blijft de zogenoemde eenvoudige wasplaats in bestaan. De verplichting geldt voor houders van 10 of meer evenhoevigen. In de oude regeling gold deze verplichting slechts indien er evenhoevigen op het bedrijf werden aangevoerd. Ten behoeve van de controleerbaarheid is het voorschrift op dit punt aangepast en dienen voortaan alle houders van 10 of meer evenhoevigen over een dergelijke voorziening te beschikken. De grens van 10 evenhoevigen is gekozen met het oog op hobbymatige houders van dieren. Voor deze groep geldt na lossing van een vervoermiddel de medewerkingsplicht, maar zij dienen daarvoor niet noodzakelijk te beschikken over een eenvoudige R&O-plaats. Voor de vervoerders blijft de hoofdverplichting gelden om na lossing, in ieder geval voordat het vervoersmiddel op de openbare weg wordt gebracht, het vervoermiddel te reinigen en te ontsmetten. Zie hiervoor ook artikelen 30 e.v.

Artikelen 21 tot en met 25

In de artikelen 21 tot en met 25 zijn de voorschriften opgenomen met betrekking tot de erkenning van verzamelcentra voor varkens, runderen en schapen en geiten.

Artikel 21 geeft aan aan welke voorwaarden een verzamelcentrum moet voldoen om te kunnen worden erkend. Dit betreffen allereerst de meer algemene inrichtingseisen die in artikel 11, eerste lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG (varkens en runderen) en artikel 8bis, eerste lid, van richtlijn nr. 91/68/EEG (schapen en geiten). In plaats van de zeer gedetailleerde nadere inrichtings- en exploitatievoorschriften die waren opgenomen in de bijlagen 2 tot en met 5 (oud) van de regeling, zijn thans in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, doelvoorschriften opgenomen. Met deze doelvoorschriften wordt hetzelfde veterinaire beschermingsniveau gegarandeerd als door de oude voorschriften. De exploitanten hebben nu echter de ruimte om zelf te bekijken met welke maatregelen of werkwijze dit niveau het best bereikt kan worden gelet op hun specifieke situatie. Met name voor de varkensverzamelcentra betekent dit een vereenvoudiging omdat daar een uitgebreid systeem bestond voor de aanvoer van varkens (varkensverzamelcentrum (aanvoerstal, selectieruimte, afvoerstal en overligstal). Concreet houdt dit verder bijvoorbeeld in dat de verplichtingen dat een verzamelcentrum niet over eigen vee mocht beschikken en dat het centrum minimaal 100 meter van een veehouderijbedrijf of andere bedrijven moest zijn gelegen, als zodanig zijn komen te vervallen. Echter, om het verzamelcentrum veterinair verantwoord te kunnen exploiteren zodat aan de gestelde bioveiligheidseisen wordt voldaan, zal dit in de praktijk met zich brengen dat een verzamelcentrum geen eigen vee heeft en dat er een bepaalde afstand is tussen het centrum en andere bedrijven met een veterinair relevante activiteit. Een verzamelcentrum moet de wijze van exploitatie, waaronder de wijze van reiniging en ontsmetting, opnemen in een protocol dat door de minister moet worden goedgekeurd. Het protocol moet bij de aanvraag voor erkenning worden gevoegd die wordt ingediend bij de VWA (artikel 22). Op het verzamelcentrum moet ingevolge artikel 21, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel c, van de regeling ten minste een reinigings- en ontsmettingsplaats aanwezig zijn die aan de eisen van een erkende plaats voldoet. Dit maakt daarmee onderdeel uit van de erkenning van de verzamelplaats en er is derhalve geen afzonderlijke erkenning (voorheen registratie) meer voor nodig. Een andere wijziging is opgenomen in artikel 21, vierde lid. Ingevolge dit artikellid kan er bij het besluit tot verlening van een erkenning rekening worden gehouden met de antecedenten van de eigenaar of exploitant van een verzamelcentrum. Het gaat dan om antecedenten met betrekking tot de voorschriften uit artikelen 23 en 24. Met betrekking tot de epidemiologische eenheden blijft de verplichting gelden dat op de aanvraag het aantal eenheden wordt vermeld. De andere eisen waar een epidemiologische eenheid aan moet voldoen volgen uit de definitie (artikel 1, eerste lid, onderdeel u) en de reguliere vereisten aan een verzamelcentrum van artikel 21.

In de artikelen 23 en 24 zijn de verplichtingen opgenomen waar een verzamelcentrum dat ingevolge artikel 21 is erkend aan moet voldoen. Artikel 25 geeft de maatregelen die kunnen worden getroffen indien een verzamelcentrum niet (meer) voldoet aan de voorwaarden of aan de verplichtingen.

De verplichtingen betreffen allereerst de Europese verplichtingen opgenomen artikel 11, eerste en tweede lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG (varkens en runderen) en artikel 8bis, eerste en tweede lid, van richtlijn nr. 91/68/EEG (schapen en geiten). Ingevolge voornoemde richtlijnen moeten de verzamelcentrum onder meer een register bijhouden. Dit betreft voor een deel dezelfde gegevens als die in het kader van de I&R-regelgeving moeten worden bijgehouden. Er hoeven niet twee registers te worden bijgehouden, zolang in het register van het verzamelcentrum alle wettelijk voorgeschreven gegevens zijn opgenomen. In het register moeten ook de gegevens van de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen worden vermeld. Voorts dient het verzamelcentrum overeenkomstig het goedgekeurde protocol te werken en zich te houden aan de voorschriften die ten aanzien van het bijeenbrengen van dieren gelden, die in hoofdstuk 4 van titel 2 van de regeling zijn opgenomen.

Een nieuw element is dat aan de erkenning verplichtingen gekoppeld zijn die niet direct samenhangen met de inrichting en exploitatie van het verzamelcentrum. Er is een koppeling gemaakt met algemene welzijnsbepalingen, de op het centrum betrekking hebbende I&R-voorschriften en een algemene medewerkingsplicht voor de centra. Dit heeft tot gevolg dat indien een verzamelcentrum niet (meer) voldoet aan de erkenningsvoorwaarden of niet voldoet aan een of meer van de in artikelen 23 en 24 genoemde verplichtingen, de erkenning kan worden geschorst of ingetrokken of kunnen nadere (beperkende) voorschriften aan de erkenning worden verbonden (artikel 25). Voornoemde richtlijnen bieden hiertoe nadrukkelijk de ruimte. De richtlijnen bieden de minimumvoorschriften voor de erkenning van verzamelcentra en bepalen voorts dat de bevoegde autoriteit de erkenning kan schorsen of intrekken indien niet aan andere veterinairrechtelijke bepalingen of welzijnseisen wordt voldaan (artikel 11, vierde lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG en artikel 8bis, vierde lid, van richtlijn nr. 91/68/EEG).

Artikelen 26, 27, 28 en 29

De artikelen 26, 27 en 28 geven de voorschriften met betrekking tot de erkenning van reinigings- en ontsmettingsplaatsen. Voorheen werd dit een registratie genoemd. Materieel betreft het echter een erkenning en derhalve is de formulering aangepast.

De zeer gedetailleerde inrichtings- en exploitatievoorschriften die waren opgenomen in bijlagen 9, onderdeel B, en 10 (oud) van de regeling, zijn vervangen door het in artikel 26, eerste lid, opgenomen doelvoorschrift. Met dit doelvoorschrift wordt hetzelfde veterinaire beschermingsniveau gegarandeerd als door de oude voorschriften. De exploitanten hebben nu echter de ruimte om zelf te bekijken met welke maatregelen of werkwijze dit niveau het best bereikt kan worden gelet op hun specifieke situatie. Een reinigings- en ontsmettingsplaats moet de wijze van exploitatie en de wijze van reiniging en ontsmetting opnemen in een protocol dat door de minister moet worden goedgekeurd. Dit protocol moet bij de aanvraag voor erkenning worden gevoegd die wordt ingediend bij de VWA (artikel 27).

In artikel 28 zijn de verplichtingen die gelden voor een erkende reinigings- en ontsmettingsplaats opgenomen. De reinigings- en ontsmettingsplaats moet worden geëxploiteerd zoals in het goedgekeurde protocol is vastgelegd. De exploitant moet een register bijhouden waarin gegevens over elke reiniging en ontsmettingen die op zijn plaats hebben plaatsgevonden worden opgenomen. Voorts dient elke reiniging en ontsmetting plaats te vinden onder toezicht van de exploitant of een vertegenwoordiger van de exploitant. Dit laatste is bepaald omdat niet van de exploitant kan worden verwacht dat hij persoonlijk bij alle werkzaamheden aanwezig is. Hij kan daarbij worden vertegenwoordig bijvoorbeeld door zijn personeel. Hierbij moet worden opgemerkt dat de vertegenwoordiger in elk geval niet de vervoerder mag zijn gelet op het feit dat het anders zou gaan om toezicht op eigen handelen. Voorts dient de exploitant of zijn vertegenwoordiger de gegevens in het register van de vervoerder met betrekking tot de reiniging en ontsmettingen die op zijn plaats hebben plaatsgevonden te valideren. Wordt niet (meer) voldaan aan de erkenningsvoorwaarden of aan de verplichtingen, dan kan de erkenning worden geschorst of ingetrokken (artikel 29).

Artikel 30

Met dit artikel wordt bewerkstelligd dat zich enkel gereinigde en ontsmette vervoermiddelen op de openbare weg en op andere veterinair relevante locaties bevinden. Het voorschrift richt zich tot ongeladen vervoermiddelen waarmee evenhoevigen zijn vervoerd. Een vergelijkbaar voorschrift was opgenomen in artikel 64 (oud) van de regeling.

Artikelen 31 en 32

In deze artikelen zijn de algemene voorschriften opgenomen met betrekking tot de vervoerder van evenhoevigen die grotendeels volgen uit de Europese richtlijnen ter zake.

Artikel 31 legt de verplichting op de vervoerder om na elke lossing het vervoermiddel onmiddellijk te reinigen en ontsmetten waarbij de eisen ten aanzien van de bioveiligheid in acht worden genomen. De exploitant van de plaats of het bedrijf waar wordt gelost, moet ingevolge het eerder toegelichte artikel 19 hierbij alle medewerking verlenen. Voorts kan niet in alle gevallen onmiddellijk gereinigd en ontsmet worden. Voor die gevallen zijn in het tweede, derde en vierde lid uitzonderingen op de hoofdregel opgenomen.

De vervoerder moet een register bijhouden met daarin de in artikel 32 voorgeschreven gegevens. Een en ander is onder punt 5 al toegelicht.

Artikel 33

Hoofdregel is dat een vervoermiddel op de plaats van bestemming geheel wordt gelost (artikel 67, eerste lid (oud) van de regeling). Dit voorkomt dat een vervoermiddel verschillende plaatsen van bestemming aandoet met alle veterinaire risico’s van dien. Dit risico is beperkter indien een vervoermiddel uit meerdere vervoerseenheden bestaat en deze afzonderlijk – maar wel geheel – op verschillende bestemmingen worden gelost. Gelet daarop is dit in het tweede lid thans toegestaan. Het derde lid maakt het mogelijk dat, indien een vervoerder deelneemt aan een privaat kwaliteitssysteem, op twee locaties per vervoersmiddel dan wel vervoerseenheid gelost mag worden. De specifieke voorwaarden die hieraan zijn verbonden zijn opgenomen in artikel 56 tot en met 63.

Artikel 34

De hoofdregel zoals opgenomen in artikel 31, eerste lid, van de regeling is dat vervoermiddelen direct na lossing ter plekke moeten worden gereinigd en ontsmet. Uit de handelsrichtlijnen volgt dat ten aanzien van transporten in het kader van het handelsverkeer deze reiniging en ontsmetting moet plaatsvinden op een erkende reinings- en ontsmettingsplaats. Voor transporten vanuit derde landen en lidstaten is dit in artikel 34 verplicht gesteld (artikel 70, tweede lid, oud). Voor nationale transporten is de reiniging en ontsmetting zoals voorgeschreven in artikel 31, eerste lid, afdoende.

Artikel 35

Voor vervoermiddelen die leeg afkomstig zijn uit derde landen of lidstaten waar sprake is van een bevestigde uitbraak van een besmettelijke dierziekte, is de in artikel 31, eerste lid, opgenomen reiniging en ontsmetting niet afdoende. De lege vervoermiddelen dienen bij aankomst in Nederland ingevolge het eerste lid direct te worden gereinigd en ontsmet op een erkende reinigings- en ontsmettingsplaats. De geladen vervoermiddelen worden eerst gelost waarna ter plekke een eerste reiniging en ontsmetting plaatsvindt, waarna dit nogmaals gebeurt op een erkende reinigings- en ontsmettingsplaats (tweede lid).

Deze verplichting was opgenomen in artikel 69 (oud) maar is nu zo geformuleerd dat de regeling niet telkens moet worden aangepast als zich een uitbraak voordoet. Voorts zijn de dierziekten waar het om gaat benoemd door een verwijzing naar artikel 2 van de regeling.

Artikelen 36 tot en met 48

Gelet op het veterinaire risico dat het bijeenbrengen van dieren die afkomstig zijn van verschillende plaatsen met zich brengt, is regulering daarvan noodzakelijk. De artikelen 36 tot en met 48 van de regeling bevatten de voorschriften die gelden voor het bijeenbrengen van evenhoevigen.

De artikelen 36, 37 en 38 bevatten de algemene bepalingen voor het bijeenbrengen van evenhoevigen. Vervolgens zijn in afzonderlijke paragrafen de specifieke voorschriften opgenomen, gegroepeerd naar de plaats waar de evenhoevigen bijeen worden gebracht, die genoemd zijn in artikel 37. De voorschriften, die verspreid waren opgenomen in de artikelen 19 tot en met 43 (oud) van de regeling, zijn waar mogelijk vereenvoudigd.

Artikel 36 regelt dat evenhoevigen afkomstig van verschillende plaatsen slechts bijeen mogen worden gebracht indien dit bijeenbrengen overeenkomstig de overige artikelen van hoofdstuk 4 plaatsvindt. In het derde lid wordt het aanvoeren van evenhoevigen die in strijd met dit hoofdstuk bijeen zijn gebracht verboden, zodat ook bedrijven die deze dieren ontvangen kunnen worden aangesproken.

In artikel 37 zijn de locaties opgenomen waar evenhoevigen bijeen mogen worden gebracht. In het tweede, derde en vierde lid zijn de uitzonderingen opgenomen. Dit betekent dat de in die leden genoemde diersoorten of diercategorieën niet op de desbetreffende locaties bijeengebracht mogen worden, voor zover deze dieren afkomstig zijn van verschillende plaatsen, omdat dit veterinair onverantwoord is.

Artikel 38 regelt dat verschillende diersoorten en diercategorieën en evenhoevigen met een verschillende gezondheidsstatus niet tegelijkertijd bijeen mogen worden gebracht. In het tweede lid is de eerdergenoemde uitzondering opgenomen voor slachtschapen en slachtgeiten met een zelfde gezondheidsstatus. In artikel 38, derde en vierde lid, zijn de bestaande uitzonderingen voor fokrunderen en nuchtere kalveren opgenomen uit artikel 31 (oud) van de regeling.

Slachthuis

Indien evenhoevigen op een slachthuis bijeen worden gebracht, geldt ingevolge artikel 39, eerste lid, als enig voorschrift dat deze dieren niet meer levend worden afgevoerd van het slachthuis. De enige uitzondering op die regel is opgenomen in het tweede lid, die inhoudt dat wanneer dat noodzakelijk is de officiële dierenarts kan toestaan dat slachtdieren naar een ander slachthuis worden gebracht.

Bedrijf of plaats

Artikel 40 behelst het voorschrift dat evenhoevigen, met uitzondering van varkens, minimaal 21 dagen op het bedrijf moeten verblijven alvorens zij worden afgevoerd. Dit voorschrift was eerder opgenomen in de artikelen 29, eerste lid, en 39, eerste lid, (oud) van de regeling).

Verzamelcentrum

In artikel 47 is de melding van de aanvang en einde van een blokperiode aan de VWA geregeld. De artikelen 48, 49 en 50 geven de voorschriften voor de aanvoer op en afvoer van een varkensverzamelcentrum. Deze voorschriften zijn vereenvoudigd in het verlengde van de vereenvoudiging van de voorschriften die gelden voor de inrichting van een varkensverzamelcentrum (vervallen aanvoerstal, selectieruimte, afvoerstal en overligstal) en als gevolg van het vervallen van de beperking van het aantal aanvoer adressen.

Ingevolge artikel 39, eerste en derde lid, van de regeling mogen op een runderverzamelcentrum alleen fokrunderen, slachtrunderen en runderen, jonger dan 12 maanden, bijeen worden gebracht, zij het niet tegelijkertijd) In de artikelen 43, 44 en 45 zijn de voorwaarden opgenomen die gelden bij de afvoer van deze dieren vanaf het verzamelcentrum (artikelen 32, 33 en 34 (oud) van de regeling). Deze voorwaarden zijn nagenoeg hetzelfde als onder de oude regeling. De voorwaarden voor de afvoer van runderen, jonger dan 12 maanden, zijn vereenvoudigd in die zin dat de registratie van de zogenoemde startersbedrijven is komen te vervallen (artikel 34, eerste lid, onderdeel d, (oud), van de regeling). De voorwaarden voor die afvoer zijn materieel niet gewijzigd.

De afvoer van weiderunderen naar een vetweiderijbedrijf is in beginsel niet meer toegestaan (artikel 35 (oud) van de regeling), zoals eveneens hierboven in punt 4 al is toegelicht. De mogelijkheid om weidevee af te voeren van een verzamelcentrum is echter wel mogelijk indien in een privaat kwaliteitssysteem wordt geborgd dat deze afvoer veterinair en qua dierenwelzijn verantwoord gebeurt.

Artikel 46 regelt de afvoer van slachtschapen en slachtgeiten vanaf een verzamelcentrum en komt overeen met artikel 42 (oud) van de regeling.

In afwijking van de norm kunnen deelnemers aan een kwaliteitssysteem, slachtrunderen, runderen jonger dan 12 weken, slachtschapen en slachtgeiten (artikel 33, derde lid, 44, tweede lid, 45, vierde lid, en 47, tweede lid) na afvoer van een verzamelcentrum, via een ander verzamelcentrum, naar de plaats van bestemming af te voeren. Voorwaarde hierbij is dat de betrokken partijen deelnemen aan een kwaliteitssysteem. De specifieke voorwaarden die hieraan zijn verbonden zijn opgenomen in artikel 56 tot en met 63.

Tentoonstelling of keuring

De artikelen 49 tot en met 52 waarin de voorschriften ten aanzien van het bijeenbrengen van evenhoevigen op keuringen en tentoonstellingen zijn opgenomen, zijn in lijn gebracht met overige artikelen ten aanzien van het bijeenbrengen van evenhoevigen (artikelen 47 tot en met 51 (oud) van de regeling). Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd.

Artikelen 53, 54 en 55

De voorschriften ten aanzien van het bijeenbrengen van pluimvee, loopvogels en postduiven zijn inhoudelijk niet gewijzigd en behoeven geen nadere toelichting (artikelen 44, 45 en 46 (oud) van de regeling).

Artikelen 56 tot en met 63

Met deze wijziging van de regeling preventie doen, zoals reeds aangegeven in paragraaf 5, de zogenoemde kwaliteitssystemen hun intrede. Hoofdstuk 6 ziet in zijn geheel op het juridische kader en de inhoudelijke eisen waar deze kwaliteitssystemen aan moeten voldoen. Het kader en de eisen betreffen zaken als de erkenning door de minister, de interne controles en sanctionering binnen het kwaliteitssysteem, alsmede de gegevensverstrekking aan de minister.

Artikel 56 is het basisartikel voor de kwaliteitssystemen. Hieruit volgen de voorwaarden om erkend te worden. Het beheer en de inrichting van het kwaliteitssysteem is in handen van een rechtspersoon. Deze rechtspersoon is ook verantwoordelijk voor de aanvraag van de erkenning (artikel 57). Indien een kwaliteitssysteem niet meer aan de eisen voldoet kan de minister nadere voorwaarden aan de erkenning verbinden. Verder kan de minister de erkenning ook schorsen of intrekken (artikel 58). De inrichting en het beheer van de rechtspersoon dienen te voldoen aan de ISO 9001-voorwaarden. Hiermee wordt een bepaald niveau geborgd. Verder dient er controle op de naleving te zijn. Deze controles dienen uitgevoerd te worden door onafhankelijke en deskundige instanties die zijn geaccrediteerd (artikel 60). Bij geconstateerde niet-naleving van de voorschriften van het kwaliteitssysteem kunnen er door de rechtspersoon bepaalde sancties opgelegd worden (artikel 61). In artikel 62 zijn alle verplichtingen opgenomen die gelden voor de rechtspersoon, de controlerende instanties en deelnemers om informatie te verschaffen aan de overheid. In artikel 63 zijn de specifieke inhoudelijke voorschriften voor kwaliteitssystemen opgenomen. Dit zijn de punten die in het kwaliteitssysteem nader ingevuld moeten worden.

Artikel I, onderdeel C

In artikel 115a zijn overgangsbepalingen opgenomen voor verzamelcentra die bij inwerkingtreding van de regeling beschikken over een erkenning en voor reinigings- en ontsmettingsplaatsen die op dat moment waren geregistreerd. Deze worden geacht te zijn erkend ingevolge de gewijzigde regeling. Ingevolge het eerste lid beschikken ten tijde van de inwerkingtreding van deze regeling erkende schapenverzamelcentra en geitenverzamelcentra voortaan over een erkenning als schapen- en geitenverzamelcentrum. Een verzamelcentrum dat beschikte over een erkenning voor een bepaalde categorie varkens, beschikt voortaan over een erkenning voor het verzamelen van alle soorten varkens.

Voorts zijn termijnen opgenomen waarbinnen de voorgeschreven protocollen moeten zijn ingediend bij de VWA en waarbinnen de verzamelcentra en reinigings- en ontsmettingplaatsen dienen te werken overeenkomstig een goedgekeurd protocol, te weten uiterlijk binnen drie maanden na inwerkingtreding van de onderhavige regeling, respectievelijk 6 maanden.

Artikel I, onderdelen D tot en met G

In deze artikelen worden de wijzigingen van de bijlagen bij de regeling doorgevoerd. De bijlagen 2 tot en met 5 (voorschriften verzamelcentra) en de bijlagen 10 tot en met 13 (reingings- en ontsmettingeisen) komen te vervallen in verband met de daarvoor in de plaats gekomen doelvoorschriften. In de opschriften van de bijlagen 6, 7 en 8 zijn de verwijzingen naar de artikelen waarin deze bijlage worden genoemd aangepast. In bijlage 9 zijn de eisen opgenomen voor de eenvoudige R&O-plaats. Deze komen grotendeels overeen met de eisen die in de oude regeling stonden.

Artikel II

Dit artikel wijzigt de Regeling handel levende dieren en levende producten.

Onderdelen A, C en E

In deze onderdelen worden artikel 3.1a, 4.1a en 7.1a ingevoegd. Deze artikelen bepalen dat de vervoerder dient te voldoen aan de Europese voorschriften die zijn neergelegd in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, onder i, en derde lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG (varkens en runderen) en artikel 8quater, eerste lid, onderdeel a, eerste gedachtestreepje, en derde lid, van richtlijn nr. 91/68/EEG (schapen en geiten). Deze voorschriften houden in dat voor het vervoer van evenhoevigen vervoermiddelen moeten worden gebruikt die zo zijn geconstrueerd dat uitwerpselen, strooisel of voeder van de dieren niet uit het voertuig kunnen lekken of vallen. Voorts dat de partij te vervoeren evenhoevigen niet in aanraking mogen komen met dieren die een andere gezondheidsstatus hebben. Eerder waren deze voorschriften opgenomen in de regeling, maar gelet op de materie passen deze voorschriften beter in de Regeling handel levende dieren en levende producten. Deze laatste regeling ziet immers op de voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in evenhoevigen, terwijl de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s voornamelijk ziet op het nationale handelsverkeer.

Onderdeel B

Deze bepaling was voorheen opgenomen in artikel 17 (oud) van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s maar past gelet op de inhoud van dat artikel, namelijk intracommunautair handelsverkeer, beter in de Regeling handel levende dieren en levende producten.

Onderdeel D

Artikel 4.4a van de Regeling handel levende dieren en levende producten komt te vervallen. In dit artikel was de mogelijkheid tot de zogenoemde monocertificering van varkens opgenomen, hetgeen in punt 4 al is toegelicht.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

  • 1

    Stcrt. 2005, 120; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 11 juli 2008 (Stcrt. 139).

  • 2

    Stcrt. 1994, 250; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 14 juli 2008 (Stcrt. 145).

Naar boven