Wijziging Besluit vrijstelling loodsplicht Scheldereglement

Besluit van de Vlaamse Minister van Institutionele Hervormingen, Havens, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid en van de Nederlandse Minister van Verkeer en Waterstaat houdende wijziging van het Besluit vrijstelling loodsplicht Scheldereglement

18 september 2008

De Vlaamse Minister van Institutionele Hervormingen, Havens, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid en de Nederlandse Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 9, tweede lid, onder a, van het Scheldereglement;

Besluiten:

Artikel I

Artikel 1 van het Besluit vrijstelling loodsplicht Scheldereglement wordt als volgt gewijzigd:

1. Punt 1 wordt vervangen door wat volgt: ‘lengte over alles: de lengte over alles volgens Lloyd’s Register of Ships;’

2. Onder punt 3 wordt het volgende punt toegevoegd:

‘4. Gross Tonnage: Gross Tonnage volgens Lloyd’s Register of Ships.’

Artikel II

Artikel 2 van hetzelfde besluit wordt als volgt gewijzigd:

1. Punt 4 wordt vervangen door wat volgt: ‘zeeschepen die ten anker liggen, met uitzondering van zeeschepen met een Gross Tonnage van 60.000 of meer of met een diepgang van 130 decimeter of meer als zij zich niet zeewaarts Vlissingen Rede bevinden;’

2. Onder punt 9 worden de volgende punten toegevoegd:

‘10. schepen die een loodstraject in de territoriale zee bevaren, zonder dat dit geschiedt ten behoeve van het aanlopen of verlaten van een Scheldehaven;

11. schepen die een loodstraject in de territoriale zee bevaren van of naar de plaats waar het loodsen eindigt of aanvangt;

12. schepen die een verplaatsing maken langs dezelfde kade, dan wel een soortgelijke korte verplaatsing maken binnen een scheepvaartweg.’

3. De laatste volzin wordt vervangen door wat volgt: ‘De vrijstelling geldt niet voor zeeschepen, gebouwd of geschikt gemaakt en gebezigd voor het vervoer van minerale olie, gas of chemicaliën in bulk, en geheel of gedeeltelijk daarmee geladen, dan wel leeg maar nog niet ontgast of ontdaan van hun gevaarlijke residuen, met uitzondering van:

a. schepen die ten anker liggen zeewaarts Vlissingen Rede;

b. schepen met een Gross Tonnage van minder dan 60.000 of met een diepgang van minder dan 130 decimeter die ten anker liggen op of opwaarts Vlissingen Rede.’

Artikel III

Artikel 2bis van hetzelfde besluit wordt als volgt gewijzigd:

1. De voorlaatste volzin wordt opgeheven;

2. De laatste volzin wordt vervangen door wat volgt:

‘De vrijstelling geldt niet voor zeeschepen, gebouwd of geschikt gemaakt en gebezigd voor het vervoer van minerale olie, gas of chemicaliën in bulk, en geheel of gedeeltelijk daarmee geladen, dan wel leeg maar nog niet ontgast of ontdaan van hun gevaarlijke residuen, met uitzondering van:

a. schepen die ten anker liggen zeewaarts Vlissingen Rede;

b. schepen met een Gross Tonnage van minder dan 60.000 of met een diepgang van minder dan 130 decimeter die ten anker liggen op of opwaarts Vlissingen Rede.’

Artikel IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum waarop het op 21 december 2005 te Middelburg totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied in werking treedt. Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en de Nederlandse Staatscourant.

Brussel, 18 september 2008.
De Vlaamse Minister, K. Peeters.Den Haag, 18 september 2008.
De Nederlandse Minister, C.M.P.S. Eurlings.

Toelichting

Algemeen

Inleiding

Dit besluit dient tot wijziging van het Besluit vrijstelling loodsplicht Scheldereglement. De wijziging vloeit voort uit de verdragsrechtelijk tussen Vlaanderen en Nederland vastgelegde wens om te komen tot één loodsplichtregime voor het gehele Scheldegebied, onafhankelijk van de bestemmings- of vertrekhaven van een schip in het Scheldegebied.

Harmonisatie van de loodsplicht in het Scheldegebied

Artikel 2, vierde lid, van het op 21 december 2005 te Middelburg totstandgekomen Verdrag inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied (hierna GNB verdrag genoemd) stelt dat het gemeenschappelijk nautisch beheer tot doel heeft om, vanuit een havenneutrale benadering, een uniform nautisch regime voor het gehele Scheldegebied in te stellen. De Verdragsluitende Partijen oordelen immers dat het Scheldegebied als één beheersgebied moet worden beschouwd en dat het daarom niet wenselijk is dat schepen afhankelijk van hun bestemming in het Scheldegebied of van het territorium waarop ze zich bevinden, aan andere regels worden onderworpen. Dit houdt o.m. in dat bij het opleggen van de loodsplicht in beginsel geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen zogenaamde Scheldevaarders en wetschepen en dat schepen die van dezelfde scheepvaartwegen in het Scheldegebied gebruik maken, aan dezelfde regels onderworpen zijn. Tot op heden zijn er, wat de loodsplicht in het Scheldegebied betreft, twee wettelijke regimes van toepassing:

– het Scheldereglement en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten, indien een schip een Vlaamse Scheldehaven als bestemming of vertrekpunt heeft (i.e. Scheldevaarders als bedoeld in artikel 1 van het Scheldereglement);

– de Nederlandse Scheepvaartverkeerswet en het daarop gebaseerde Loodsplichtbesluit 1995, indien een schip een Nederlandse haven als bestemming of vertrekpunt heeft (voor zover het betreft andere schepen dan Scheldevaarders als bedoeld in artikel 1 van het Scheldereglement; in de praktijk meestal aangeduid als wetschepen).

Om de loodsplicht in het Scheldegebied zo veel mogelijk gemeenschappelijk te regelen omvat artikel 14 van het GNB verdrag de nodige wijzigingen van het Scheldereglement om de loodsplicht voor wetschepen met een Nederlandse Scheldehaven als bestemming of vertrekpunt ook te baseren op het Scheldereglement. Ten behoeve van de implementatie van het GNB verdrag zorgt een wijziging van de Nederlandse Scheepvaartverkeerswet ervoor dat er geen op de Nederlandse wetgeving gebaseerde loodsplicht meer geldt voor de scheepvaartwegen die onder het Scheldereglement vallen. Aldus kan de beoogde harmonisatie van de loodsplicht in het Scheldegebied worden bereikt.

De Nederlandse havens, havenbekkens, steigers en aanlegplaatsen vallen niet onder het geografische toepassingsgebied van het GNB verdrag en het Scheldereglement. De loodsplicht in die havens, havenbekkens, steigers en aanlegplaatsen blijft gebaseerd op de Scheepvaartverkeerswet en het Loodsplichtbesluit 1995. Om in de Schelderegio tot een volledige eenduidigheid van de loodsplicht te komen, is het noodzakelijk dat er een harmonisatie plaatsvindt tussen enerzijds de loodsplicht in die havens, havenbekkens, steigers en aanlegplaatsen en anderzijds de loodsplicht op de scheepvaartwegen in het Scheldegebied. Daartoe worden de betreffende uitvoeringsbesluiten op grond van het Scheldereglement en de besluiten op grond van de Scheepvaartverkeerswet zodanig op elkaar afgestemd dat de onderlinge verschillen worden weggewerkt.

Al sinds de inwerkingtreding van het herziene Scheldereglement op 1 oktober 2002 wordt, op vraag van alle bij de verkeersafwikkeling betrokken partijen, gewerkt aan het zoveel mogelijk verkleinen van de bestaande verschillen tussen het loodsplichtregime van de Nederlandse wetgeving en het loodsplichtregime van het Scheldereglement. Zo werd het ontheffingenstelsel zo veel mogelijk gelijkgemaakt door:

– de vaststelling van het Besluit ontheffing loodsplicht Scheldereglement 2003 (Stcrt. 2003, 121; Belgisch Staatsblad, 17 juli 2003); en

– de uniforme vaststelling van de Nadere eisen ontheffingverlening loodsplicht Scheldereglement (Stcrt. 2003, 121; B.S., 17 juli 2003) en de Beleidsregels ontheffingverlening loodsplicht Scheldemonden (Stcrt. 2003, 136).

Ook het vrijstellingenstelsel werd al in grote mate geharmoniseerd door het Besluit houdende wijziging van het Besluit vrijstelling loodsplicht Scheldereglement (Stcrt. 2004, 13; B.S., 30 januari 2004). Het doel van deze wijziging was o.m.: het voor de Scheldevaarders introduceren van een vrijstelling op de binnengaatse trajecten voor kleine zeeschepen die in het (Nederlandse) Register loodsplicht kleine zeeschepen zijn ingeschreven, zoals dit ook voor wetschepen in het Loodsplichtbesluit 1995 is geregeld.

Door de vroeger reeds uitgevoerde uniformisering blijven de nu nog resterende en weg te werken verschillen tussen de uitvoeringsbesluiten op grond van het Scheldereglement en de uitvoeringsbesluiten op grond van de Nederlandse wetgeving (Loodsplichtbesluit 1995 en Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet) beperkt.

Kort samengevat worden de betreffende uitvoeringsbesluiten van het Scheldereglement op de volgende punten aangepast.

– In het Besluit vrijstelling loodsplicht Scheldereglement, het Besluit verklaringen van vrijstelling Scheldereglement en het Besluit ontheffing loodsplicht Scheldereglement 2003 is de definitie van gevaarlijke lading gelijkluidend gemaakt aan de definitie van gevaarlijke lading in artikel 1, eerste lid, onder g, van het Loodsplichtbesluit 1995.

– In het Besluit vrijstelling loodsplicht Scheldereglement wordt de categorale vrijstelling van ankerliggers beperkt conform de bestaande praktijk.

– In het Besluit vrijstelling loodsplicht Scheldereglement worden de volgende vrijstellingsgronden toegevoegd:

1. vrijstelling voor schepen die de territoriale zee bevaren, zonder dat dit geschiedt ten behoeve van het aanlopen of verlaten van een haven (conform artikel 4, vijfde lid, onder a, van het Loodsplichtbesluit 1995);

2. vrijstelling voor schepen die de territoriale zee bevaren van of naar de plaats waar het loodsen eindigt of aanvangt (conform artikel 4, vijfde lid, onder b, van het Loodsplichtbesluit 1995);

3. vrijstelling voor zogenaamde verhaalreizen: verplaatsingen langs dezelfde kade of bij een soortgelijke korte verplaatsing binnen een scheepvaartweg (conform artikel 7, onder a, van het Loodsplichtbesluit 1995).

– In het Besluit verklaringen van vrijstelling Scheldereglement is als overgangsregeling een erkenning opgenomen van de verklaring van vrijstelling op grond van de Nederlandse wetgeving afgegeven door de Rijkshavenmeester Westerschelde voor de Nederlandse scheepvaartwegen in het Scheldegebied.

– In het Besluit ontheffing loodsplicht Scheldereglement 2003 wordt de ontheffingsgrond voor verhaalreizen geschrapt, gelet op het invoeren van een vrijstellingsgrond voor verhaalreizen in het Besluit vrijstelling loodsplicht Scheldereglement. Verder vervalt ook de mogelijkheid om ontheffing van de loodsplicht te verkrijgen als niet daadwerkelijk binnen een redelijke termijn in het geven van adviezen vanaf de wal (loodsen op afstand) kan worden voorzien. Dit leidt tot overeenstemming met het Loodsplichtbesluit 1995 waarin dergelijke ontheffingsmogelijkheid niet is opgenomen.

– In de Nadere eisen ontheffingverlening loodsplicht Scheldereglement wordt voor gelijktijdige aanvragen die betrekking hebben op een scheepvaartweg in het Scheldegebied en op een Nederlandse Scheldehaven, een coördinatieregeling opgenomen voor de behandeling van de aanvragen door de respectievelijk bevoegde autoriteiten.

De Nederlandse wetgeving wordt, kort samengevat, op de volgende punten aangepast.

– In het Loodsplichtbesluit 1995 wordt het criterium lengte over alles geïntroduceerd ter vervanging van het criterium Londonlengte voor het bepalen van mogelijke vrijstelling of ontheffing van de loodsplicht. Ook in het Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet komt lengte over alles in de plaats van Londonlengte. Aldus wordt hetzelfde lengtecriterium gehanteerd als in de uitvoeringsbesluiten van het Scheldereglement.

– De categorale vrijstelling voor vissersschepen in het Loodsplichtbesluit 1995 vervalt. De loodsplicht van een vissersschip wordt daardoor, zoals voor overige zeeschepen, afhankelijk van de lengte over alles zoals aangegeven in artikel 4, tweede lid, van het Loodsplichtbesluit 1995. Dit leidt tot overeenstemming met het Besluit vrijstelling loodsplicht Scheldereglement waarin geen categorale vrijstelling voor vissersschepen is opgenomen.

– In het Loodsplichtbesluit 1995 wordt de erkenning geregeld van een verklaring van vrijstelling verleend op grond van het Scheldereglement. In het Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet wordt bepaald dat op het moment dat het GNB verdrag in werking treedt, de op dat moment afgegeven en nog geldige verklaringen van vrijstelling voor de scheepvaartwegen in het Scheldegebied hun geldigheid behouden tot hun expiratiedatum.

De voormelde beperkte aanpassingen in het kader van de harmonisatie van de loodsplicht zullen geen negatieve impact hebben op de veiligheid en vlotheid van het scheepvaartverkeer.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Door het op 1 februari 2004 in werking getreden Besluit houdende wijziging van het Besluit vrijstelling loodsplicht Scheldereglement (Stcrt. 2004, 13; B.S., 30 januari 2004) is naast lengte over alles het begrip Londonlengte in het besluit geïntroduceerd. Dit als gevolg van de getroffen regeling om schepen die een lengte over alles hebben van meer dan 80 meter maar een Londonlengte van minder dan 75 meter en die als wetschip zijn vrijgesteld van de loodsplicht, ook als Scheldevaarder vrij te stellen.

Met het oog op de harmonisatie van de loodsplicht wordt in de Nederlandse wetgeving de term Londonlengte vervangen door de term lengte over alles. Daarmee wordt de definitie van Londonlengte in artikel 1 van het Besluit vrijstelling loodsplicht Scheldereglement (hierna besluit genoemd) overbodig. Wel is het wenselijk om een definitie van lengte over alles in het besluit op te nemen conform de betreffende definitie in het Loodsplichtbesluit 1995.

Artikel 2

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om in artikel 2, punt 4, van het besluit de categorale vrijstelling van ankerliggers in die zin te beperken dat schepen van 60.000 Gross Tonnage (GT) of meer of een diepgang van 130 dm of meer die ten anker liggen op of opwaarts Vlissingen Rede, wel een loods aan boord moeten hebben. Dit stemt overeen met de huidige praktijk die is afgesproken in de Schelde Directeuren Vergadering van 7 oktober 1994 om o.a. het op drift raken van ten anker liggende schepen te voorkomen.

Uiteraard blijft het mogelijk dat de bevoegde autoriteit voor de overige categorieën ankerliggers een ad hoc loodsplicht oplegt op grond van artikel 1 van het Besluit ad hoc loodsplicht Scheldereglement, indien de omstandigheden dit vereisen.

Verder worden in artikel 2 van het besluit drie in het Loodsplichtbesluit 1995 voorkomende vrijstellingsgronden toegevoegd:

– Volledigheidshalve is in het nieuwe punt 10 de vrijstelling van de loodsplicht geregeld voor de onschuldige doorvaart in de territoriale zee. Dit spoort met het recht van onschuldige doorvaart in de territoriale zee, bedoeld in de artikelen 17 tot en met 19 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Montego Bay, 10 december 1982). Het nieuwe punt 10 is overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, onder a, van het Loodsplichtbesluit 1995.

– Het nieuwe punt 11 behelst de vrijstelling van de loodsplicht voor de vaart in de territoriale zee naar en van de loodskruispost komende van of vertrekkende naar volle zee. Omdat in de praktijk een schip vanaf de grens van het loodsplichtige water tot de loodskruispost, of omgekeerd, moet varen, is het ter voorkoming van de overtreding van de loodsplicht noodzakelijk dat voor dergelijke vaart in een vrijstellingsgrond wordt voorzien, tot het moment dat de loodsreis een aanvang neemt respectievelijk eindigt. Het nieuwe punt 11 stemt overeen met artikel 4, vijfde lid, onder b, van het Loodsplichtbesluit 1995.

– Het nieuwe punt 12 regelt de vrijstelling van de zogenaamde verhaalreizen conform artikel 7, onder a, van het Loodsplichtbesluit 1995. Tot op heden kan een schip dat een verhaalreis maakt enkel een ontheffing van de loodsplicht verkrijgen na aanvraag aan de bevoegde autoriteit, op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit ontheffing loodsplicht Scheldereglement 2003.

In de laatste volzin van artikel 2 van het besluit wordt de omschrijving van zeeschepen met gevaarlijke lading overgenomen uit artikel 1, eerste lid, onder g, van het Loodsplichtbesluit 1995. Dit houdt in dat het besluit ook minerale olie als gevaarlijke lading beschouwt en dat schepen met minerale olie als bulklading onderworpen zijn aan de loodsplicht. In de praktijk zal dit nauwelijks of geen veranderingen veroorzaken: Scheldevaarders met minerale olie in bulk hebben meestal een lengte over alles van meer dan 80 meter en zijn in dit geval reeds onderworpen aan de loodsplicht. Indien er zich toch een schip met een lengte over alles van minder dan 80 meter en met minerale olie in bulk aanmeldt, vraagt het doorgaans op eigen initiatief een loods.

In de laatste volzin van artikel 2 is ook de uitzonderingsgrond voor ankerliggers aangepast aan de wijziging van artikel 2, punt 4.

Artikel 3

De voorlaatste volzin van artikel 2bis van het besluit is overbodig geworden, daar ook het Loodsplichtbesluit 1995 lengte over alles en dus niet langer Londonlengte als lengtecriterium voor de loodsplichtgrens hanteert.

In de laatste volzin wordt nogmaals de omschrijving van ‘zeeschepen met gevaarlijke lading’ overgenomen uit artikel 1, eerste lid, onder g, van het Loodsplichtbesluit 1995. Ook hier is de uitzonderingsgrond voor ankerliggers aangepast aan de wijziging van artikel 2, punt 4.

Naar boven