Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Raad voor de RechtspraakStaatscourant 2008, 242Besluiten van algemene strekking

Klachtenregeling Raad voor de rechtspraak

2 maart 2005

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder

a. de Raad:

de Raad voor de rechtspraak, bedoeld in artikel 84 van de Wet op de rechterlijke organisatie;

b. personen, werkzaam bij de Raad:

de voorzitter en de andere leden van de Raad, de tot het bureau van de Raad behorende ambtenaren en de overige voor de Raad werkzame personen.

Artikel 2

  • 1. Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop de Raad zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen, bij de Raad een klacht in te dienen.

  • 2. Een gedraging van een persoon, werkzaam bij de Raad, wordt aangemerkt als een gedraging van de Raad, voor zover deze gedraging aan de Raad kan worden toegerekend.

  • 3. Klachten kunnen uitsluitend schriftelijk worden ingediend.

Artikel 3

  • 1. Een klaagschrift moet worden ondertekend en ten minste bevatten:

    • a. de naam en het adres van de indiener;

    • b. de dagtekening;

    • c. een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht is gericht en het tijdstip van de gedraging.

  • 2. Klaagschriften, die niet gedagtekend zijn, worden geacht gedagtekend te zijn op de dag van ontvangst.

  • 3. Indien het klaagschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van de klacht noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling.

  • 4. Indien de klager minderjarig is, respectievelijk onder curatele is gesteld, moet de klacht worden ondertekend door de met het gezag beklede ouder of voogd, respectievelijk de curator.

Artikel 4

  • 1. In iedere fase van de klachtbehandeling kan de Raad nagaan of de klager door middel van een informele afhandeling van zijn klacht tevreden gesteld kan worden.

  • 2. Zodra de Raad naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen, vervalt de verplichting tot het verder toepassen van deze regeling.

Artikel 5

  • 1. Een klager en de persoon wiens gedraging ingevolge artikel 2, tweede lid, wordt aangemerkt als een gedraging van de Raad kunnen zich door een gemachtigde laten bijstaan of laten vertegenwoordigen.

  • 2. De Raad kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

  • 3. De Raad kan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon, tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren.

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten en procureurs.

Artikel 6

  • 1. Indien niet binnen zes werkdagen inhoudelijk op het klaagschrift kan worden gereageerd, bevestigt de Raad de ontvangst van het klaagschrift schriftelijk onder mededeling van de datum van ontvangst van het klaagschrift en onder toezending van een afschrift van deze regeling.

  • 2. De Raad zendt een klaagschrift tot behandeling waarvan kennelijk een andere instantie bevoegd is, onverwijld naar die instantie door onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de indiener.

  • 3. De Raad bestuur zendt een klaagschrift dat niet voor hem bestemd is en dat ook niet wordt doorgezonden, zo spoedig mogelijk terug naar de indiener.

  • 4. De Raad kan besluiten het klaagschrift dat niet aan artikel 3, eerste, derde lid of vierde lid voldoet, niet te behandelen, mits de indiener in de gelegenheid is gesteld het klaagschrift binnen een door de Raad te stellen termijn aan te vullen.

  • 5. De Raad registreert de binnengekomen klaagschriften en zorgt voor een goede voortgangscontrole op de behandeling ervan.

Artikel 7

  • 1. De Raad is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging:

    • a. waarover door de klager reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van deze regeling is afgedaan;

    • b. die langer dan twaalf maanden voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden;

    • c. waartegen de klager bezwaar als bedoeld in artikel 1:5, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht kan of had kunnen maken;

    • d. waartegen de klager beroep als bedoeld in artikel 1:5, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht kan of had kunnen instellen;

    • e. die anderszins door het instellen van een procedure aan het oordeel van een rechterlijke instantie kon of had kunnen worden onderworpen;

    • f. zolang terzake daarvan een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en terzake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is.

  • 2. De Raad is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.

  • 3. Van het niet in behandeling nemen van de klacht stelt de Raad de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis.

Artikel 8

  • 1. Indien een klacht in behandeling wordt genomen, zendt de Raad een afschrift van het klaagschrift en de daarbij meegezonden stukken aan de persoon wiens gedraging ingevolge artikel 2, tweede lid, wordt aangemerkt als een gedraging van de Raad.

  • 2. De Raad stelt de klager en de persoon wiens gedraging ingevolge artikel 2, tweede lid, wordt aangemerkt als een gedraging van de Raad in de gelegenheid te worden gehoord.

  • 3. Van het bieden van de gelegenheid zich te doen horen kan worden afgezien indien de klacht niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond wordt geacht.

  • 4. Van het horen wordt een verslag gemaakt.

Artikel 9

  • 1. De Raad handelt de klacht binnen zes weken na de ontvangst van het klaagschrift af.

  • 2. De Raad kan de behandeling voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de klager en aan de persoon wiens gedraging ingevolge artikel 2, tweede lid, wordt aangemerkt als een gedraging van de Raad.

  • 3. Wanneer de klacht een gedraging van een lid van de Raad betreft, neemt dit lid niet aan de behandeling van de klacht deel.

Artikel 10

  • 1. De Raad stelt de klager en de persoon wiens gedraging ingevolge artikel 2, tweede lid, is aangemerkt als een gedraging van de Raad schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht en van de conclusies die hij daaraan verbindt.

  • 2. Indien na behandeling van de klacht door de Raad nog een klacht kan worden ingediend bij een persoon of een ander college, aangewezen om klachten te behandelen over de persoon wiens gedraging ingevolge artikel 2, tweede lid, is aangemerkt als een gedraging van de Raad, wordt daarvan bij de kennisgeving melding gemaakt.

Artikel 11

De Raad doet jaarlijks verslag van de klachtenbehandeling.

Artikel 12

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Zij wordt aangehaald als: Klachtenregeling Raad voor de rechtspraak.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 2 maart 2005

De voorzitter,

A.H. van Delden.

TOELICHTING

Algemeen

Anders dan voor de gerechten schrijft de Wet op de rechterlijke organisatie voor de Raad voor de rechtspraak de vaststelling van een klachtenregeling niet voor. De Raad acht het echter wenselijk dat ook voor hemzelf een klachtenregeling zal gaan gelden. Daarbij speelt mee dat, na de voorgenomen invoering van een extern klachtrecht voor de rechtspraak, de wettelijke verplichting tot vaststelling van een klachtenregeling waarschijnlijk ook voor de Raad zal gaan gelden. De Raad acht het dan ook wenselijk enige ervaring op te doen met een dergelijke klachtenregeling.

De Raad heeft tot nu toe geen formele klachtenregistratie gevoerd. Het aantal klachten dat door de Raad sinds 1 januari 2002 is ontvangen is ook betrekkelijk gering; de ontvangen klachten hadden tot nu toe alle betrekking op het handelen van gerechten of op dat van de minister van Justitie of de wetgever. Voorzover de klachten niet al bij de bevoegde instantie ingediend waren, is tot doorzending daarvan overgegaan.

Bij de vormgeving van de klachtenregeling is zo veel mogelijk aangesloten bij het door de gerechten gebruikte model voor een klachtenregeling.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Onder ‘overige voor de Raad werkzame personen’ zijn onder meer uitzendkrachten, gedetacheerde werknemers, externe consultants en dergelijke te verstaan. Het begrip moet ruim worden uitgelegd. Het omvat, bijzondere daarop toepasselijke klachtenregelingen daargelaten, ook de personen die werkzaam zijn bij onder de Raad ressorterende diensten.

Artikel 6

Van een ‘kennelijk’ bevoegde andere instantie als bedoeld in het tweede lid is geen sprake als blijkt dat de klacht al eerder aan die andere instantie is voorgelegd. In zulke gevallen is er dus geen verplichting tot doorzending.

Artikel 8

De beslissingen op klachten worden voorbereid door het cluster Juridische Zaken van het bureau van de Raad. Het horen van een betrokkene zal in het algemeen plaatsvinden krachtens mandaat, door de behandelende ambtenaar. In aanmerking genomen dat naar de ervaringen tot nu toe relatief veel niet-ontvankelijke klachten moeten worden verwacht, zal het horen in veel gevallen telefonisch kunnen geschieden. Dat kan ook bijdragen aan een snelle voortgang van de afhandeling. Indien een betrokkene echter in persoon gehoord wenst te worden, wordt hij daartoe in beginsel in de gelegenheid gesteld.

Het afdoen van klachten kan in de meerderheid van de gevallen krachtens (onder)mandaat geschieden; in de praktijk gaan immers de meeste klachten over gedragingen van andere organen. Het afdoen krachtens mandaat van klachten die betrekking hebben op het handelen van voor de Raad werkzame personen is voorbehouden aan de secretaris van de Raad, directeur van het bureau. Klachten over gedragingen van de directeur van het bureau zelf of leden van de Raad worden ter beslissing aan (de voorzitter van) de Raad voorgelegd.

Artikel 11

De Raad acht het wenselijk publiekelijk verantwoording af te leggen over de wijze waarop met klachten wordt omgegaan. Het ligt voor de hand dat aan de verslagleggingsplicht zal worden voldaan door opneming van een passage in het jaarverslag van de Raad.

Artikel 12

Vanaf het moment van inwerkingtreding van deze klachtenregeling zal zij van toepassing zijn op de bij de Raad ingediende, op dat moment nog niet afgehandelde klachten en op de daarna te ontvangen klachten. Dat is het (beoogde) gevolg van het ontbreken van een overgangsbepaling in deze regeling.

De voorzitter,

A.H. van Delden.