Wijziging Vreemdelingencirculaire 2000 (2008/23)

Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 8 september 2008, nummer 2008/23, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

Artikel I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C24/Eritrea Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

Het asielbeleid ten aanzien van Eritrea

1 Achtergrond

Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Eritrea. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.

De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van januari 2008 over de situatie in Eritrea (zie de website van het Ministerie van BuZa).

2 Besluitmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Eritrea geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw.

3 Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen

3.1 Ethiopiërs en personen van gemengde afkomst

Toetsing van het asielrelaas vindt conform C2/2.4 plaats aan de hand van het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft, niet aan de hand van het land waar de vreemdeling laatstelijk heeft verbleven. Hierbij is van belang dat de huidige Eritrese nationaliteitsverordening qua regelgeving onvolledig is en ruimte biedt voor verschillende interpretaties. De Eritrese autoriteiten gaan daarom momenteel noodgedwongen pragmatisch om met de huidige nationaliteitsverordening.

Bij personen met de Ethiopische nationaliteit wordt Ethiopië als land van herkomst beschouwd, ook indien een vreemdeling daar nimmer heeft verbleven. Een (langdurig) verblijf van een persoon met de Ethiopische nationaliteit in Eritrea vormt blijkens het algemeen ambtsbericht voor Ethiopië geen reden om deze persoon bij terugkeer de toegang tot Ethiopië te ontzeggen.

Indien aannemelijk is dat de Eritrese autoriteiten betrokkene beschouwen als Eritrees burger, wordt van de Eritrese nationaliteit uitgegaan.

Ten aanzien van personen van gemengde afkomst met de Eritrese nationaliteit geldt, dat de situatie in Eritrea geen aanleiding vormt om personen van gemengde afkomst reeds op grond van die afkomst op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning. Indien op grond van het individuele relaas blijkt dat ondervonden discriminatie een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert, dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren, is het beleid zoals neergelegd in C2/2.5 van toepassing.

3.2 Aanhangers van nieuwe religies

Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat aanhangers van de nieuwe religies, waaronder Jehova’s getuigen, te kampen hebben met ernstige beperkingen van de vrijheid van godsdienst. Het komt voor dat leden van nieuwe religies op grond daarvan worden opgepakt en gedetineerd, waarbij opgepakte leden het slachtoffer worden van marteling en mishandeling. Ook binnen het leger komt het voor dat aanhangers van nieuwe religies worden lastiggevallen, gedetineerd en gemarteld vanwege het praktiseren van een nieuwe religie.

Personen die aannemelijk hebben gemaakt wegens hun geloofsovertuiging gegronde vrees te hebben voor vervolging, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming.

Er is voorts sprake van een zekere maatschappelijke aversie tegen leden van de nieuwe religies. In het geval een beroep wordt gedaan op discriminatie door medeburgers is C2/2.5 van toepassing.

Indien Eritrese asielzoekers zich hier te lande bekeren, is C2/2.6 van toepassing.

3.3 Politieke opposanten

Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat het in Eritrea verboden is om politieke campagnes te voeren.

Het is mogelijk dat personen die ervan verdacht worden aanhanger van een oppositionele beweging te zijn, bij terugkeer de aandacht van de Eritrese autoriteiten trekken. Zij zouden mogelijk problemen (arrestatie en detentie) kunnen ondervinden. Hetzelfde geldt voor hun familieleden.

De houding van de Eritrese autoriteit lijkt mede afhankelijk van factoren als de positie van deze persoon binnen de betreffende oppositiebeweging, in hoeverre de betreffende oppositiebeweging in verband wordt gebracht met gewelddadige of terroristische activiteiten en in hoeverre deze persoon verdacht wordt van voortdurende oppositionele steun. Hierbij dient overigens te worden opgemerkt dat arrestatie en detentie in Eritrea vaak tamelijk arbitrair lijken te gebeuren.

Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag omdat hij aanhanger is van een oppositionele beweging of vanwege politieke activiteiten, kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij aanhangers van partijen die zich bedienen van gewelddadige methodes wordt steeds beoordeeld of deze activiteiten mogelijk aanleiding zijn om toepassing te geven aan artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

3.4 Journalisten

Alle onafhankelijke kranten en tijdschriften in Eritrea, die naast de staatsmedia verschenen, hebben in september 2001 door de regering een verschijningsverbod opgelegd gekregen. Voor informatie over arrestaties en detenties van journalisten wordt verwezen naar eerdergenoemd algemeen ambtsbericht.

Journalisten kunnen, indien zij aannemelijk maken dat zij vanwege hun activiteiten vervolging vrezen van de Eritrese autoriteiten, op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3.5 Vrouwen

Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing.

(Seksueel) geweld tegen vrouwen

Geweld tegen vrouwen en meisjes, met name huiselijk geweld, komt veelvuldig voor in Eritrea. Er bestaat de mogelijkheid tot het inroepen van mediation en het inschakelen van de rechter. Daar zijn echter geen gevallen van bekend.

Het is onduidelijk hoeveel vrouwen slachtoffer worden van seksuele intimidatie en misbruik. Verkrachting geldt als een misdrijf. De Eritrese overheid probeert de situatie van vrouwen te verbeteren, maar de uitvoering van de strafwet is niet afdoende en er is weinig controle aanwezig.

Vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor geweldpleging in Eritrea, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ten aanzien van de mogelijkheid van het inroepen van bescherming van de autoriteiten zal in zijn algemeenheid de aanwezigheid van bescherming niet snel kunnen worden aangenomen, tenzij uit individuele omstandigheden dan wel uit algemene bron kan worden afgeleid dat het inroepen van bescherming daadwerkelijk soelaas kan bieden.

Genitale verminking

Hoewel genitale verminking door de Eritrese overheid wordt ontmoedigd, komt dit overal in het land en in vrijwel alle gemeenschappen voor. In Eritrea is de leeftijd waarop genitale verminking wordt uitgevoerd afhankelijk van de etnische groep waartoe men behoort. Met inachtneming van hetgeen hieromtrent bekend is uit algemene bron, wordt beoordeeld of er gelet op de leeftijd sprake is van een aannemelijk beroep op vrees voor vrouwenbesnijdenis.

Indien een vrouw nog niet besneden is en dit in haar land van herkomst niet kan ontlopen, kan sprake zijn van een reëel risico voor een schending van artikel 3 EVRM. In die situatie kan op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend.

Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. Een vestigingsalternatief binnen Eritrea wordt in beginsel niet aanwezig geacht.

3.6 Dienstplichtigen en deserteurs

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing.

Ten aanzien van Eritrea heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict.

Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat dienstplichtontduikers, dienstweigeraars en deserteurs in de praktijk niet worden berecht, ook niet door de militaire rechtbank. In plaats daarvan worden zij zonder proces bestraft.

Voor de beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel omdat er sprake is van een onevenredige of discriminatoire bestraffing, wordt niet (enkel) gekeken naar de theoretische strafmaten, maar wordt tevens de praktijk meegewogen.

Indien er grond is voor het oordeel dat de vreemdeling het leger heeft verlaten in het kader van een demobilisatieprogramma, is niet aannemelijk dat de asielzoeker een reëel risico loopt in de zin van artikel 3 EVRM.

Indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt uit het leger te zijn gedeserteerd, komt hij in beginsel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Indien contra-indicaties in de weg staan aan verlening van de vergunning, kan vanwege de absolute bescherming van artikel 3 EVRM evenwel geen sprake zijn van uitzetting naar het land van herkomst.

In het geval van dienstweigeraars en dienstplichtontduikers geldt dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning indien zij aannemelijk maken dat zij op grond van hun dienstweigering of dienstplichtontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan. Indien contra-indicaties in de weg staan aan verlening van de vergunning, kan vanwege de absolute bescherming van artikel 3 EVRM evenwel geen sprake zijn van uitzetting naar het land van herkomst.

Hierbij wordt in aanmerking genomen dat blijkens het ambtsbericht van de Minister van BuZa vrouwen alleen dienstplichtig zijn als zij kinderloos zijn en ongehuwd in de leeftijd tussen 18 en 27 jaar. Het komt echter ook voor dat gehuwde vrouwen en vrouwen ouder dan 27 jaar zich beroepen op het ontwijken van de dienstplicht. Indien een vrouw boven de genoemde leeftijd Eritrea heeft verlaten en toch aannemelijk heeft gemaakt dat zij op grond van haar dienstweigering of dienstontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat, wordt de asielaanvraag niet afgewezen op de enkele grond dat zij niet (meer) binnen de dienstplichtige categorie valt. In dat geval is het hierboven beschreven beleid van toepassing. Wel dient specifiek aandacht te worden besteed aan de verklaringen van de vreemdelinge op dit punt.

3.7 Homoseksuelen

Homoseksuelen ondervinden in Eritrea ernstige maatschappelijke discriminatie en omtrent homoseksualiteit heerst een groot taboe. Het is mogelijk dat daar waar homoseksuele geaardheid vermoed wordt, de betrokken persoon in een sociaal isolement raakt.

Indien een Eritrese asielzoeker die zich beroept op discriminatie vanwege homoseksualiteit, aannemelijk kan maken dat de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren, dan kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Het inroepen van bescherming van de autoriteiten kan slechts op basis van concrete aanknopingspunten in het individuele asielrelaas worden tegengeworpen. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen de omstandigheid dat uit het ambtsbericht blijkt dat homoseksualiteit mogelijk strafbaar is, daar de Eritrese Penal Code Proclamation ‘seksuele afwijkingen’ verbiedt. Hieronder zou ook het verrichten van seksuele handelingen met iemand van dezelfde sekse vallen.

3.8 Personen die illegaal zijn uitgereisd

Uit het ambtsbericht van de Minister van Buza blijkt dat illegale uitreis formeel niet strafbaar is, maar dat in de praktijk op het illegaal uitreizen uit Eritrea een gevangenisstraf en/of een boete staat. In beginsel loopt iedereen die Eritrea illegaal uitreist een risico. Bepaalde groepen zoals politieke opposanten, dienstplichtontduikers, journalisten en personen die een nieuwe religie aanhangen lopen een verhoogd risico. Overigens geeft het ambtsbericht aan dat Jehova’s getuigen geen uitreisvisum kunnen krijgen.

Het is moeilijk aan te geven wanneer het genoemde risico zo groot is dat sprake is van een risico op een behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Om deze reden kan de vreemdeling, indien hij aannemelijk maakt dat hij illegaal is uitgereisd en hij met geringe indicaties kan onderbouwen dat hij bij terugkeer naar Eritrea een risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM, op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

4 Traumatabeleid

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Eritrea geen bijzonderheden.

5 Categoriale bescherming

Asielzoekers uit Eritrea komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5).

6 Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten

6.1 Vlucht- en/of vestigingsalternatief

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing.

6.2 Veilig land van herkomst

Eritrea wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.

6.3 Veilig derde land / land van eerder verblijf

Eritrea wordt niet beschouwd als veilig derde land.

6.4 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.

6.5 Legale uitreis

Om Eritrea te kunnen verlaten is een uitreisvisum vereist. Aan de verstrekking hiervan gaat een uitvoerige controle vooraf.

Indien de vreemdeling het land heeft verlaten met een uitreisvisum, vormt dit in beginsel een contra-indicatie bij de beoordeling of betrokkene op grond van gegronde vrees voor vervolging in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

7 Opvangmogelijkheden Amv’s

Voor Amv’s is adequate opvang in Eritrea voorhanden.

Traditioneel worden alleenstaande minderjarigen door familie opgevangen. De familie heeft de functie van een sociaal vangnet. Indien plaatsing bij familie niet mogelijk is, kunnen de minderjarigen in groepshuizen worden geplaatst. Kinderen in de leeftijdscategorie van vijf tot achttien jaar kunnen in deze groepshuizen verblijven. De groepshuizen functioneren goed en de kwaliteit is naar lokale maatstaven gemeten acceptabel. Daarnaast bestaat er momenteel één door de overheid beheerd weeshuis in Eritrea. Kinderen kunnen in een weeshuis terecht indien zij in de leeftijdscategorie vallen van nul tot en met vier jaar. Vervolgens worden zij overgebracht naar een van de groepshuizen.

Amv’s van Eritrese nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.

8 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Eritrea geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 8 september 2008.
De Staatssecretaris van Justitie,
namens deze:
de directeur-generaalWetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken, R.K. Visser.

Toelichting

Algemeen

De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in januari 2008 een algemeen ambtsbericht over Eritrea uitgebracht. Het ambtsbericht beslaat de periode van april 2006 tot en met augustus 2007. Het ambtsbericht heeft geen aanleiding gegeven tot wijziging van het beleid. In dit wijzigingsbesluit zijn wel enkele actualiseringen als gevolg van het ambtsbericht opgenomen.

De Staatssecretaris van Justitie

namens deze:

de directeur-generaalWetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken,

R.K. Visser

Naar boven