Wijziging Regeling uniforme saneringen

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 19 augustus 2008, nr. DGR/LOK 2008080112, houdende wijziging van de Regeling uniforme saneringen in verband met de afstemming op het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op het Besluit uniforme saneringen;

Besluit:

Artikel I

De Regeling uniforme saneringen1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b komt te luiden:

b. streefwaarde: de getalsmatige invulling van het gehalte aan chemische stoffen in grondwater (tabel 1 van bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering 2006, Stcrt. 2008, 131);.

2. Onderdeel c komt te luiden:

c. interventiewaarde: de getalsmatige invulling van het gehalte aan chemische stoffen in grond en grondwater (tabel 1 van bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering 2006, Stcrt. 2008, 131);.

3. In onderdeel d wordt na ‘verontreinigende stof’ ingevoegd ‘in het grondwater’.

4. Onderdeel g komt te luiden:

g. achtergrondwaarden: de getalsmatige invulling van het gehalte aan chemische stoffen in de bodem, zoals opgenomen in tabel 1 van bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit;.

5. De onderdelen h tot en met n worden geletterd m tot en met s.

6. Na onderdeel g worden vijf onderdelen ingevoegd, luidende:

h. maximale waarden: de getalsmatige invulling van het gehalte aan chemische stoffen in de bodem, zoals opgenomen in tabel 1 van bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit;

i. lokale maximale waarden: de getalsmatige invulling van het gehalte aan chemische stoffen in de bodem, bedoeld in artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit;

j. bodemfuncties: bodemfuncties als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit en artikel 4.7.1 van de Regeling bodemkwaliteit;

k. bodemfunctieklassen wonen of industrie: bodemfunctieklassen wonen of industrie als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit;

l. gebiedsspecifiek toetsingskader: toetsingskader als bedoeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, van de Regeling bodemkwaliteit;.

B

In de artikelen 1.5, derde lid, 2.2, eerste lid, en 2.3, tweede lid, wordt de zinsnede ‘Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer of daarvoor in de plaats tredende regelgeving’ telkens vervangen door: Besluit bodemkwaliteit.

C

In artikel 3.1.2, onderdeel b, wordt de zinsnede ‘de ontgraven grond’ vervangen door: de ontgraven verontreinigde grond.

D

Artikel 3.1.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a, onder 1°, wordt ‘gebruiksfunctie’ vervangen door: bodemfunctie.

2. In onderdeel a, onder 3e, wordt ‘gebruiksbeperkingen’ vervangen door: beperkingen in het gebruik.

E

Artikel 3.1.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede ‘geen gebiedsgerichte bodemgebruikswaarden zijn bepaald’ vervangen door: geen gebiedsspecifiek toetsingskader is vastgesteld.

2. In het eerste lid wordt de zinsnede ‘de tussenwaarde’ vervangen door: de helft van de naar grondsoort gecorrigeerde interventiewaarde.

3. In het tweede lid, onderdeel a, wordt de zinsnede ‘de naar grondsoort gecorrigeerde tussenwaarden’ vervangen door: de helft van de naar grondsoort gecorrigeerde interventiewaarden.

4. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘gebruiksfunctie’ vervangen door: bodemfunctieklasse.

5. In het tweede lid, onderdeel c, wordt de zinsnede ‘de ontgraven grond’ vervangen door: de ontgraven verontreinigde grond.

F

Artikel 3.1.6 komt te luiden:

Artikel 3.1.6

Terugsaneerwaarde

De terugsaneerwaarden voor de saneringsaanpak, bedoeld in artikel 3.1.2, zijn ten hoogste gelijk aan:

a. de achtergrondwaarden voor situaties waarvoor geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld of voor gebieden die niet zijn ingedeeld in een bodemfunctieklasse;

b. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen of industrie van het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen; of

c. indien de saneringslocatie is gelegen in een gebied waarvoor een gebiedsspecifiek toetsingskader is vastgesteld, de hierin vastgelegde lokale maximale waarden voor de met de sanering te realiseren bodemfunctie.

G

Artikel 3.1.7 komt te luiden:

Artikel 3.1.7

Kwaliteit leeflaag en aanvulgrond

De kwaliteit van de grond in de leeflaag en de laag aanvulgrond komt, bij de saneringsaanpakken bedoeld in de artikelen 3.1.2, 3.1.3, onder a, 3.1.4 en 3.1.5, ten minste overeen met:

a. de achtergrondwaarden voor situaties waarvoor geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld of voor gebieden die niet zijn ingedeeld in een bodemfunctieklasse;

b. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse die behoort bij de bodemfunctie van het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen; of

c. indien de saneringslocatie is gelegen in een gebied waarvoor een gebiedsspecifiek toetsingskader is vastgesteld, de hierin vastgelegde lokale maximale waarden voor de kwaliteitsklasse die behoort bij de met de sanering te realiseren bodemfunctie.

H

Artikel 3.1.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘gebruiksfunctie’ vervangen door: bodemfunctie.

2. In het tweede lid wordt ‘gebruiksbeperkingen’ vervangen door: beperkingen in het gebruik.

I

In artikel 3.2.1 wordt in de onderdelen f en g de zinsnede ‘voor grond en grondwater, met gehalten aan te saneren verontreinigende stoffen’ telkens vervangen door: met te saneren verontreinigende stoffen in het grondwater.

J

Artikel 3.2.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, vervalt de zinsnede ‘minerale olie,’.

2. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen voor de overige verontreinigende stoffen, bedoeld in bijlage 6 onder de categorie Mobiel, waarop het besluit van toepassing is.

K

Artikel 3.2.5 komt te luiden:

Artikel 3.2.5

Kwaliteit aanvulgrond

1. Voor de kwaliteit van de aanvulgrond onder de contactlaag geldt dat:

a. deze vrij is van mobiele verontreinigingen;

b. voor de immobiele verontreinigingen het concentratieniveau voor stoffen ten hoogste gelijk is aan het concentratieniveau voor stoffen van de aansluitende bodem.

2. De kwaliteit van de grond in de contactlaag komt ten minste overeen met:

a. de achtergrondwaarden voor situaties waarvoor geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld of voor gebieden die niet zijn ingedeeld in een bodemfunctieklasse;

b. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse die behoort bij de bodemfunctie van het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen; of

c. indien de saneringslocatie is gelegen in een gebied waarvoor een gebiedsspecifiek toetsingskader is vastgesteld, de hierin vastgelegde lokale maximale waarden voor de kwaliteitsklasse die behoort bij de met de sanering te realiseren bodemfunctie.

L

Artikel 3.4.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt onderdeel d, en wordt onderdeel e geletterd d.

2. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. de functieklasse van het huidig dan wel toekomstig gebruik van de saneringslocatie betreft wonen met moestuin, wonen met siertuin of industrie;.

M

In artikel 3.4.3 wordt de zinsnede ‘de gebiedsgerichte bodemgebruikswaarden’ vervangen door: de lokale maximale waarden voor de betreffende bodemfunctieklasse.

N

In artikel 3.4.4 wordt de zinsnede ‘de bodemgebruikswaarden voor bodemgebruikfunctie I bedoeld in bijlage 1’ vervangen door: de maximale waarden voor kwaliteitsklasse wonen bij de functieklassen ‘wonen met moestuin’ en ‘wonen met siertuin’ en de kwaliteitsklasse industrie bij de functieklasse industrie, genoemd in bijlage 3.

O

Bijlage 1 vervalt.

P

Bijlage 3 wordt vervangen door Bijlage 3 behorende bij de artikelen 3.4.1 en 3.4.3 van de Regeling uniforme saneringen die als bijlage I bij deze regeling is opgenomen.

Q

Bijlage 4 wordt vervangen door Bijlage 4 behorende bij artikel 1.3 van de Regeling uniforme saneringen die als bijlage II bij deze regeling is opgenomen.

R

Bijlage 5 wordt vervangen door Bijlage 5 behorende bij artikel 4.2 van de Regeling uniforme saneringen die als bijlage III bij deze regeling is opgenomen.

S

Bijlage 6 wordt vervangen door Bijlage 6 behorende bij de artikelen 3.1.1, 3.2.1, 3.2.4, 3.3.1 en 3.4.1 van de Regeling uniforme saneringen die als bijlage IV bij deze regeling is opgenomen.

Artikel II

Op de meldingen, bedoeld in de artikelen 1.3 en 1.4, en het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.2 van de Regeling uniforme saneringen, die zijn gedaan dan wel die is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, is van toepassing de Regeling uniforme saneringen zoals deze luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2008.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen II en III, die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van VROM en op internet worden geplaatst op www.vrom.nl.

Den Haag, 19 augustus 2008.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J.M. Cramer.

Bijlage I

Bijlage 3 behorende bij de artikelen 3.4.1 en 3.4.3 van de Regeling uniforme saneringen

Lokale maximale waarden in het projectgebied de Kempen

Waarden in relatie tot achtergrondwaarden en interventiewaarden voor een standaardbodem (25% lutum en 10% organisch stof) uitgedrukt in mg/kg ds.

Stof

Achtergrondwaarden

Maximale waarden

Interventiewaarden

    
 

Bodemfunctieklasse landbouw en natuur

Bodemfunctieklasse wonen met moestuin*

Bodemfunctieklasse wonen met siertuin*

Bodemfunctieklasse wonen**

Bodemfunctieklasse industrie

 
       
  

Kwaliteitsklasse wonen met moestuin*

Kwaliteitsklasse wonen met siertuin*

Kwaliteitsklasse wonen**

Kwaliteitsklasse industrie

 

Antimoon

4

15

15

15

22

22

Arseen

20

55

55

27

76

76

Barium

190

550

550

550

920

920

Cadmium

0,6

3,7

12

1,2

4,3

13

Chroom

55

62

62

62

180

180 (Cr III)

Cobalt

15

35

35

35

190

190

Koper

40

190

190

54

190

190

Kwik

0,15

0,83

0,83

0,83

4,8

36 (anorg)

Lood

50

210

276

210

530

530

Molybdeen

1,5

88

88

88

190

190

Nikkel

35

39

39

39

100

100

Tin

6,5

180

180

180

900

900

Vanadium

80

97

97

97

250

250

Zink

140

720

720

200

720

720

PAK (10-VROM)

1,5

6,8

6,8

6,8

40

40

DDT (som)

0,20

0,20

0,20

0,20

1

1

DDD (som)

0,10

0,13

0,13

0,13

1,3

1,3

DDE (som)

0,02

0,84

0,84

0,84

34

34

Drins (som)1

0,015

0,04

0,04

0,04

0,14

0,14

Minerale Olie

190

190

190

190

500

5000

       

Asbest

100

100

100

100

100

Andere stoffen

 

2

2

2

2

 

* De bodemfunctieklasse wonen en bodemkwaliteitsklasse wonen zoals opgenomen in bijlagen bij de Regeling bodemkwaliteit is alleen voor het projectgebied De Kempen verbijzonderd in het gebruik als moestuin en als siertuin voor zover sprake is van een beïnvloeding door zinkassen. De verbijzondering geldt binnen het projectgebied alleen voor de stoffen Arseen, Cadmium, Koper, Lood en Zink.

** Indien niet sprake is van een aantoonbare beïnvloeding door zinkassen dan gelden de generieke waarden voor de bodemfunctieklasse en kwaliteitsklasse wonen van tabel 1, bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit (Regeling van 13 december 2007, nr. DJZ2007124397).

1 Som aldrin, dieldrin, endrin, isodrin, telodrin.

2 Zie tabel 1 van bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit.

Met bovenstaande gebiedsgerichte verbijzondering voor moestuin en siertuin is door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant ingestemd op 6 april 2004 onder nummer 982886 en door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg op 1 juni 2004 onder besluit 2004/30014.

Voor het gebruik van de concentraties in de tabel geldt, dat voor andere bodems dan de standaard bodem een bodemtype correctie moet worden uitgevoerd conform de bestaande formules voor het corrigeren van genoemde waarden.

De situering en omvang van het projectgebied van Actief Bodembeheer de Kempen staat weergegeven in de volgende tekening (in kleur).

stcrt-2008-167-p28-SC87215-1.gif

Figuur 1. Overzicht projectgebied De Kempen.

Het Projectgebied De Kempen betreft de volgende gemeenten:

Asten

Bergeijk

Best

Bladel

Boxtel

Cranendonck

Deurne

Eersel

Eindhoven

Geldrop - Mierlo

Gemert - Bakel

Heeze - Leende

Helden - Panningen

Helmond

Hilvarenbeek

Horst aan de Maas

Kessel

Laarbeek

Leudal

Maasbree

Maasgouw

Meijel

Nederweert

Nuenen ca

Oirschot

Reusel - De Mierden

Sevenum

Sint-Michielsgestel

Sint-Oedenrode

Someren

Son en Breugel

Tilburg

Valkenswaard

Veghel

Veldhoven

Vught

Waalre

Weert

Bijlage IV

Bijlage 6 behorende bij de artikelen 3.1.1, 3.2.1, 3.2.4, 3.3.1 en 3.4.1 van de Regeling uniforme saneringen

Reikwijdte stoffen in de regeling uniforme saneringen

Stofgroepen en Stoffen

Categorie Mobiel*

Categorie Immobiel, tijdelijk uitplaatsen en De Kempen*

1. metalen

JA

JA

2. overige anorganische stoffen

JA

JA

3. aromatische stoffen

JA

NEE

4. pak’s

JA

JA

5. gechloreerde koolwaterstoffen

NEE

NEE

a. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen

  

b. chloorbenzenen

  

c. chloorfenolen

  

d. PCB’s

  

e. overige gechloreerde kws

  

6. bestrijdingsmiddelen

NEE

 

a. organochloorbestrijdingsmiddelen

 

JA

b. organofosforpesticiden

 

NEE

c. organotinbestrijdingsmiddelen

 

NEE

d. MCPA

 

NEE

e. overige bestrijdingsmiddelen

 

NEE

7. minerale olie

JA

JA

8. asbest

n.v.t.

JA

9. overige stoffen

NEE

NEE

* JA = BUS is van toepassing.

NEE = BUS is niet van toepassing.

Toelichting

Algemeen

1. Inleiding

Met de voorliggende wijzigingsregeling wordt de Regeling uniforme saneringen afgestemd op het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit met name wat betreft gehanteerde (maximale) waarden en begrippen. Tevens wordt de regeling geactualiseerd in verband met de actualisatie van de Circulaire bodemsanering (10 juli 2008, Staatscourant 131). Verder worden enkele wijzigingen doorgevoerd om de uitvoeringspraktijk nog beter te faciliteren.

Deze wijzigingen worden hieronder toegelicht.

Door de wijziging wordt de bodemregelgeving uniformer en eenvoudiger.

Een van de doelen van het huidige bodembeleid is het verder vereenvoudigen van regelgeving. Vereenvoudiging is onder meer mogelijk door het zoveel mogelijk hanteren van hetzelfde normenstelsel, dezelfde waarden, voor zowel het toepassen van grond, als bodemsanering. Met het van kracht worden van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit, het normenstelsel voor het toepassen van grond, is een belangrijke stap gezet. De Circulaire bodemsanering is daar reeds mee in overeenstemming gebracht. Met onderhavige wijzigingsregeling wordt ook de Regeling uniforme saneringen daarmee zoveel mogelijk in overeenstemming gebracht.

Dit is vooral een technische wijziging naar aanleiding van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. In deze toelichting worden de wijzigingen in perspectief geplaatst.

2. Generiek en gebiedsspecifiek normkader

Gemeenten kunnen bij de uitvoering van het Besluit bodemkwaliteit kiezen voor het toepassen van het generiek toetsingskader of voor het vaststellen van een gebiedsspecifiek toetsingskader. Met onderhavige wijziging van de Regeling uniforme saneringen wordt aangesloten bij de in het generiek toetsingskader gehanteerde achtergrondwaarden en maximale waarden die zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit. Die waarden komen in plaats van de bodemgebruikswaarden.

Zo wordt de zogenaamde terugsaneerwaarde voor de saneringsaanpak (artikel 3.1.6.) dienovereenkomstig aangepast: de terugsaneerwaarde is niet meer ten hoogste gelijk aan de functieafhankelijke bodemgebruikswaarden, maar aan de achtergrondwaarden of maximale waarden uit de Regeling bodemkwaliteit. De wijziging in de terugsaneerwaarde wordt verder toegelicht onder 3.

Verder is bijvoorbeeld de kwaliteitseis voor leeflaag en aanvulgrond (artikel 3.1.7) aangepast aan het genoemde besluit: het concentratieniveau voor stoffen in die lagen is niet meer ten hoogste gelijk aan de bodemgebruikswaarden, maar komt ten minste overeen met diezelfde achtergrondwaarden of maximale waarden.

In beide artikelen van de regeling worden dus de generieke maximale waarden uit de Regeling bodemkwaliteit gehanteerd.

Op deze wijze worden de generieke waarden uit het kader van bodemkwaliteit van toepassing binnen het kader van de uniforme bodemsaneringen.

Als een gemeente heeft gekozen voor het vaststellen van een gebiedsspecifiek toetsingskader geldt voortaan als gevolg van onderhavige wijzigingsregeling dat terugsaneerwaarden en kwaliteitseisen van aanvulgrond en leeflagen overeenkomen met de vastgestelde lokale maximale waarden voor het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen als bedoeld in artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit.

3. Terugsaneerwaarden in relatie tot het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit

In het Besluit bodemkwaliteit zijn de voorschriften vastgelegd voor het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. In de Regeling bodemkwaliteit zijn verschillende waarden opgenomen zoals achtergrondwaarden, maximale waarden voor bodemfunctieklasse wonen of industrie die ook relevant zijn voor uniforme saneringen.

In het Besluit bodemkwaliteit worden zeven bodemfuncties (waarvan drie met subfuncties) onderscheiden. De zeven bodemfuncties zijn:

a. wonen met tuin;

b. plaatsen waar kinderen spelen:

i. met een gemiddelde ecologische waarde;

ii. met weinig ecologische waarde;

c. moestuinen en volkstuinen:

i. met veel gewasconsumptie (grote moestuinen);

ii. met een gemiddelde gewasconsumptie (kleinere moestuinen);

d. landbouw;

e. natuur;

f. groen met natuurwaarden;

g. ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie:

i. niet (nagenoeg) geheel verhard;

ii. (nagenoeg) geheel verhard.

Voor elk van de zeven bodemfuncties (inclusief subfuncties) zijn risicoscenario’s aangegeven. Uiteindelijk zijn deze bodemfuncties geclusterd tot drie bodemfunctieklassen (zie Besluit en Regeling bodemkwaliteit). Voor elke bodemfunctieklasse is één generieke norm aangegeven voor blijvende geschiktheid, op basis van het meest gevoelige scenario binnen de bodemfunctieklasse. Ter informatie is deze indeling in een bijlage bij de toelichting van deze wijzigingsregeling opgenomen, namelijk in de tabel van bijlage A bij deze toelichting.

In de daarop volgende tabel van bijlage B behorende bij deze toelichting zijn ter informatie een aantal verschillende waarden aangegeven, namelijk achtergrondwaarden en maximale waarden uit de Regeling bodemkwaliteit (tabel 1 van bijlage B), en daarnaast interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering (tabel 1 van bijlage 1). Deze waarden worden gehanteerd bij de uitvoering van de met onderhavige regeling gewijzigde artikelen 3.1.6 (terugsaneerwaarde) en 3.4.4 (kwaliteit aanvulgrond) van de Regeling uniforme saneringen. Deze waarden zijn uit oogpunt van overzichtelijkheid in een tabel gezet, ter informatie.

De achtergrondwaarden en maximale waarden geven de bovengrens aan van de kwaliteit van de bodem die nodig is om deze ook op de lange termijn geschikt te houden voor de betreffende functie.

Deze waarden uit de Regeling bodemkwaliteit worden door onderhavige wijzigingsregeling ook gehanteerd bij uniforme saneringen van de categorie immobiel. Als er voor deze categorie saneringen geen gebiedsspecifiek toetsingskader is vastgesteld, dan worden genoemde waarden gebruikt als (generieke) terugsaneerwaarden.

Met de inwerkingtreding van de tweede fase van het Besluit bodemkwaliteit op 1 juli 2008 is de Circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering (Stcrt. 2000, 39) vervallen. In het Besluit bodemkwaliteit wordt de term achtergrondwaarden gebruikt in de plaats van streefwaarden. In de Circulaire bodemsanering 2006 (Stcrt. 2008, 131) zijn de begrippen van het Besluit bodemkwaliteit overgenomen, hiermee vervallen de streefwaarden voor grond. Voor de categorie van uniforme saneringen mobiel was de terugsaneerwaarde, met uitzondering van vluchtige aromaten en minerale olie, gekoppeld aan deze streefwaarden. Tot de categorie mobiel kunnen saneringen behoren die verontreiniging met stoffen betreffen die als zodanig staan vermeld in Bijlage 6 van de Regeling uniforme saneringen. De terugsaneerwaarde hield in twee maal de streefwaarde voor de betreffende stoffen met uitzondering van vluchtige aromaten en minerale olie. Met onderhavige wijziging van de Regeling uniforme saneringen wordt aangesloten bij het normkader van het Besluit bodemkwaliteit. Als terugsaneerwaarde wordt voor deze categorie uitgegaan van de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen.

Omwille van de uniformiteit wordt ook voor minerale olie hierbij aangesloten. De reden om eerder voor minerale olie in de Regeling een uitzondering te maken, en voor de terugsaneerwaarde uit te gaan van 0,1 maal de interventiewaarde, was de zeer lage streefwaarde voor minerale olie (50 mg/kg.ds). In de Regeling bodemkwaliteit is de maximale waarde voor minerale olie voor de bodemfunctieklasse wonen vastgesteld op 190 mg/kg.ds. Dit wordt gezien als een goede basis voor de terugsaneerwaarde van deze stof voor de categorie mobiel. De consequentie kan zijn dat in een enkel geval iets meer grond moet worden ontgraven.

Voor vluchtige aromaten bestaat geen aanleiding om af te wijken van de bestaande in de Regeling opgenomen terugsaneerwaarde.

4. Kwaliteit leeflaag en aanvulgrond in relatie tot het Besluit en Regeling bodemkwaliteit

In het Besluit bodemkwaliteit wordt voor het toepassen van grond uitgegaan van verschillende bodemkwaliteitsklassen. Deze bodemkwaliteitsklassen hebben een samenhang met de functie van de bodem, ingedeeld in bodemfunctieklassen.

Met onderhavige wijziging van de Regeling uniforme saneringen wordt voor de kwaliteit van aanvulgrond in de contactlaag en leeflaaggrond voortaan uitgegaan van de gehanteerde indeling van bodemkwaliteitsklassen gerelateerd aan bodemfunctieklassen van het Besluit bodemkwaliteit. Het normkader van de bodemkwaliteitsklassen voor het toepassen van grond komt bovendien volledig overeen met die van de bodemfunctieklasse. Dit vergemakkelijkt de toepassing ervan in de praktijk.

Indien een gemeente een gebiedsspecifiek toetsingskader heeft vastgesteld in het kader van de Regeling bodemkwaliteit voor het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen dan wordt voor de kwaliteit van de leeflaag en aanvulgrond in de contactzone hier ook op aangesloten (zie paragraaf 2).

5. Aanpassing bepaling categorie mobiel

In de Regeling uniforme saneringen staat als een van de voorwaarden voor de reikwijdte van de categorie mobiel dat uit de melding moet blijken dat het verontreinigde bodemvolume voor grond en grondwater, met gehalten aan te saneren verontreinigende stoffen boven de streefwaarde, ten hoogste gelijk is aan 1.000 m3. Doordat de streefwaarde voor grond is komen te vervallen, wordt door de wijziging van deze regeling deze voorwaarde uitsluitend gehanteerd voor het tot boven de streefwaarde voor grondwater verontreinigd bodemvolume. De inhoudelijke consequentie hiervan is zeer beperkt doordat de streefwaardecontour voor grondwater in de praktijk vaak ruimer is dan de streefwaardecontour voor grond.

6. Overige aanpassingen

In bijlage 6 bij de Regeling was de stofgroep Bestrijdingsmiddelen in zijn geheel uitgesloten van het Besluit uniforme saneringen, terwijl in de oorspronkelijke bijlage 1 de organochloorbestrijdingsmiddelen wel stonden vermeld. Impliciet is daarmee het beeld ontstaan dat deze stoffen wel onder het Besluit uniforme saneringen vallen bij toepassing van grond in aanvullagen en leeflagen.

In de huidige Regeling is bijlage 6 op dit punt aangepast en is het Besluit ook van toepassing verklaard voor de organochloorbestrijdingsmiddelen voor de categorie immobiel, tijdelijk uitplaatsen en De Kempen (bijlage IV bij deze regeling).

In bijlage 3 van de oude Regeling zijn voor enkele stoffen gebiedsspecifieke waarden opgenomen in de kolom voor de functie Industrie- en bedrijfsterreinen. Met de inwerkingtreding van het Besluit bodemkwaliteit is de noodzaak voor het hanteren van gebiedsspecifieke waarden komen te vervallen. De daarin voor deze functie vermelde waarden vallen allemaal binnen de generieke maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie van het Besluit bodemkwaliteit. De betreffende bijlage is hierop aangepast.

Het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer en de daarbij behorende regeling (Kwalibo) zijn integraal opgenomen in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. In de Regeling uniforme saneringen zijn verwijzingen naar het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer gewijzigd in verwijzingen naar het Besluit bodemkwaliteit

7. Handhaving

De effecten op de handhaving ten opzichte van de oude Regeling zijn minimaal tot licht positief, omdat de systematiek van de Regeling vrijwel gelijk is gebleven en er inhoudelijk wordt aangesloten op het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit en er afstemming is gezocht met de gewijzigde Circulaire bodemsanering 2006 (Stcrt. 2008, 131).

Artikelsgewijs

Artikel I

A

Met onderdeel A worden de begripsbepalingen van artikel 1.1 van de Regeling uniforme saneringen aangepast aan de gehanteerde begrippen in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit.

B

Met deze wijziging worden in enkele artikelen van de Regeling de verwijzingen naar het inmiddels vervallen Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer vervangen door verwijzingen naar het Besluit bodemkwaliteit.

Hieronder wordt ingegaan op enkele gevolgen van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit voor de toepassing van de artikelen 1.5, 2.2 en 2.3.

Artikel 1.5, eerste lid, onderdeel a

Bodemkwaliteitskaarten zoals bedoeld in artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit met nadere duiding in artikel 4.3.5 van de Regeling bodemkwaliteit of een volwaardig historisch onderzoek kunnen worden aangemerkt als gelijkwaardig met het bedoelde vooronderzoek conform NVN 5725.

Artikel 1.5, derde lid

In de Regeling bodemkwaliteit zijn werkzaamheden aangegeven waarvoor de bedoelde erkenning is vereist. Het hier bedoelde bodemonderzoek staat vermeld in artikel 2.1, eerste lid, onder l, veldwerk, waaronder wordt verstaan het plaatsen van boringen en peilbuizen ten behoeve van het nemen van grondmonsters of grondwatermonsters of locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem zoals gedefinieerd en nader bepaald in de normdocumenten die in bijlage D bij de Regeling bodemkwaliteit voor deze categorie zijn aangewezen.

Artikel 2.2, eerste lid

In de Regeling bodemkwaliteit zijn werkzaamheden aangegeven waarvoor de bedoelde erkenning is vereist. De hier bedoelde saneringsuitvoering staat vermeld in artikel 2.1, eerste lid, onder k, uitvoering van bodemsaneringen, waarvoor de Beoordelingsrichtlijn uitvoering bodemsanering (BRL SIKB 7000, versie 4.1, mei 2008) en bijbehorende SIKB-protocollen 7001 en 7002 van toepassing zijn.

Artikel 2.3, tweede lid

In de Regeling bodemkwaliteit zijn werkzaamheden aangegeven waarvoor de bedoelde erkenning is vereist. De hier bedoelde milieukundige begeleiding staat vermeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, milieukundige begeleiding, waarvoor de Beoordelingsrichtlijn milieukundige begeleiding en evaluatie van bodemsanering (BRL SIKB 6000, versie 2, juni 2008) en bijbehorende VKB-protocollen 6001 en 6002 van toepassing zijn. Ook horen hiertoe de werkzaamheden vermeld onder punt 1, monsterneming bij partijkeuringen en de in bijlage C bij de Regeling bodemkwaliteit benoemde onderdelen van de Normdocumenten AP 04-M en BRL SIKB 1000.

C

In artikel 3.1.2, onderdeel b, wordt bepaald dat de saneringsaanpak voor immobiele uniforme saneringen onder meer bestaat uit het van de saneringslocatie afvoeren van de ontgraven grond. Met onderhavige wijziging wordt de term verontreinigde toegevoegd aan de ontgraven grond. De achtergrond hiervan is dat op grond van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit niet langer meer al de afgegraven grond behoeft te worden afgevoerd.

Hieronder wordt toegelicht wat de gevolgen zijn voor de toepassing van artikel 3.1.2.

Voor situaties waarbij een dunne laag met sterk verontreinigde grond direct onder het maaiveld in de bodem aanwezig is, kan de sanering op eenvoudige wijze worden gerealiseerd door het verwijderen van de betreffende verontreinigde laag. Na het verwijderen van de verontreinigde grond dient in de contactzone een kwaliteit aanwezig te zijn die minimaal overeenkomt met die van de vastgestelde bodemfunctieklasse voor het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen. Voor gebieden waarvoor (nog) geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld of die niet zijn ingedeeld in een bodemfunctieklasse dient de kwaliteit minimaal overeen te komen met die van de achtergrondwaarden. In tabel 3.2 in bijlage B van de toelichting bij deze regeling zijn, naast de achtergrondwaarden voor de meest gevoelige functieklasse, voor de functieklassen ‘wonen’ en ‘industrie’ de maximale waarden uit de Regeling bodemkwaliteit voor een standaard bodem weergegeven.

De eis met betrekking tot de contactzone geldt ongeacht of na de ontgraving een laag aanvulgrond wordt aangebracht. Dit betekent dat een laag aanvulgrond een kwaliteitsklasse dient te bezitten die overeenkomt met de aanwezige bodemfunctieklasse.

D

Artikel 3.1.3

Zie paragraaf 1 van de toelichting. Het betreft een wijziging van het gehanteerde begrippenkader.

E

Deze wijziging van artikel 3.1.5 vloeit voort uit de afstemming van het begrippenkader. De term gebiedsgerichte bodemgebruikswaarden in dit artikel wordt vervangen door de term gebiedsspecifiek toetsingskader uit de Regeling bodemkwaliteit. De term gebruiksfunctie door de term bodemfunctieklasse.

De term tussenwaarde komt te vervallen, daarvoor in de plaats wordt de bestaande term interventiewaarde gehanteerd uit de Regeling bodemkwaliteit.

Overigens zal deze saneringsaanpak met name van belang zijn in situaties waarbij (nog) geen bodemkwaliteitskaarten als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit met nadere duiding in artikel 4.3.5 van de Regeling bodemkwaliteit, zijn opgesteld en daarmee ook geen lokale maximale waarden zijn vastgesteld.

Bij het verwijderen van de laag aanvulgrond bedoeld in het tweede lid van artikel 3.1.5 geldt dan overeenkomstig dit gewijzigde artikel ten hoogste de helft van de naar grondsoort gecorrigeerde interventiewaarde van de aanwezige stoffen behorende bij deze verontreinigingssituatie als grenswaarde voor de ontgraving (in plaats van ten hoogste de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen van de Regeling bodemkwaliteit). De aanvulgrond dient overeenkomstig het tweede lid een dikte te hebben van ten minste een halve meter en te voldoen aan de eisen van de kwaliteitsklasse wonen van tabel 1 van bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit.

F

Artikel 3.1.6

Zoals aangegeven in het algemeen deel sluit met deze wijziging de regeling bij uit te voeren saneringen en de daarbij te realiseren terugsaneerwaarden aan op de normstelling van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. Onderscheid wordt gemaakt in algemeen geldende normen voortvloeiend uit het generiek toetsingskader en gebiedsspecifieke normen volgend uit gebiedsspecifiek toetsingskader. De algemene normen zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit in de vorm van de bodemfunctieklasse afhankelijke maximale waarden (zie toelichting op artikel 3.1.7). Deze normen gelden voor situaties waarbij gemeenten uitgaan van het generiek toetsingskader en geen noodzaak zien voor het vaststellen van een gebiedsspecifiek toetsingskader.

Indien gemeenten hebben gekozen voor gebiedsspecifiek toetsingskader, dan gelden de lokale maximale waarden van de betreffende bodemfunctieklasse voor het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen als terugsaneerwaarde.

G

Artikel 3.1.7

Zoals aangegeven in het algemeen deel vloeit deze wijziging eveneens voort uit het Besluit bodemkwaliteit. De kwaliteitseis voor de bovengrond en daarmee van de leeflaag en aanvulgrond in de contactzone hangt af van de bodemfunctie. Dit sluit aan bij het Besluit bodemkwaliteit waarbij voor toe te passen grond wordt uitgegaan van bodemkwaliteitsklassen en waarbij de daarbij behorende normen overeenkomen met die van de bodemfunctieklasse.

Voor de kwaliteit van de leeflaag en de laag aanvulgrond in de contactzone geldt dat deze voldoet aan de in de Regeling bodemkwaliteit vermelde maximale waarden voor de kwaliteitsklasse die behoort bij de bodemfunctie van het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen, tenzij de saneringslocatie is gelegen in een gebied waarvoor gebiedsspecifiek toetsingskader is vastgesteld.

Indien gemeenten hebben gekozen voor gebiedsspecifiek toetsingskader, dan gelden de lokale maximale waarden van de betreffende bodemfunctieklasse voor het gebied waarbinnen de saneringslocatie is gelegen als bovengrens voor de kwaliteit van de leeflaag en de laag aanvulgrond in de contactzone. Het staat de saneerder natuurlijk altijd vrij om te kiezen voor een betere kwaliteit grond.

H en I

Zie paragraaf 1 van het algemeen deel van de toelichting. De begrippen worden aangepast aan het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit.

J

Artikel 3.2.4

In de plaats van de streefwaarden worden nu de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen gehanteerd als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit.

K

Artikel 3.2.5

Door deze wijziging wordt aan artikel 3.2.5 een extra voorwaarde toegevoegd namelijk dat de kwaliteit van de grond in de contactlaag tenminste overeenkomt met de waarden uit de Regeling bodemkwaliteit.

Grond onder contactlaag

Het vrij zijn van mobiele verontreinigingen voor aanvulgrond betekent in de praktijk dat de concentraties van de aan te voeren grond voor stoffen, behorende bij de verontreinigingssituatie als bedoeld in artikel 3.2.1 en 3.2.4, eerste lid, voldoen aan de achtergrondwaarden voor deze stoffen uit de Regeling bodemkwaliteit. Voor overige verontreinigende stoffen geldt dat het concentratieniveau van deze stoffen ten hoogste gelijk mogen zijn aan die van de aansluitende bodem.

Grond in de contactzone

Voor grond in de contactzone wordt verwezen naar het gestelde hierover in de toelichting bij artikel 3.1.7.

Bovengenoemde kwaliteitseisen gelden als bovengrens. Als de saneerder er, gezien het kleinschalige karakter van de sanering, voor kiest om uit te gaan van aanvulgrond van dezelfde kwaliteit dan is de strengste norm vanuit bovengenoemd onderscheid maatgevend voor de keuze. Ook staat het de saneerder vrij om te kiezen voor een betere kwaliteit grond.

L

Artikel 3.4.1

Zie paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting.

M

Artikel 3.4.3

Met deze wijziging wordt de terugsaneerwaarde voor de categorie uniforme saneringen de Kempen aangepast aan de Regeling bodemkwaliteit.

De lokale maximale waarden voor de stoffen arseen, cadmium, koper en zink voor de bodemfunctieklasse ‘wonen met moestuin’ en ‘wonen met siertuin’ in de gewijzigde bijlage 3 zijn afgeleid van de in De Kempen aangetroffen achtergrondwaarden in de bodem voor locaties waarbij grond met zinkassen voorkomt of waarbij grond is beïnvloed door zinkassen en gebaseerd op een specifiek uitgevoerde risicobeoordeling vanuit de geldende bodemfunctie. Indien geen sprake is van beïnvloeding door zinkassen gelden voor de bodemfunctieklasse wonen de maximale waarden van bijlage 3.

N

Artikel 3.4.4

Zie paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting.

O

Bijlage 1. Deze bijlage is vervallen vanwege het vervangen van de bodemgebruikswaarden door de waarden uit het Besluit bodemkwaliteit.

Zie paragraaf 2 en paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting, alsmede de toelichting op artikel 3.1.6.

P

Bijlage 3 wordt vervangen door een nieuwe bijlage 3, betreffende de categorie projectgebied De Kempen (bijlage I bij deze wijzigingsregeling). Binnen het projectgebied De Kempen zijn ten opzichte van het generiek toetsingskader twee bijzondere bodemfunctieklassen benoemd. Het betreft de klassen ‘wonen met moestuin’ en ‘wonen met siertuin’. Voor deze klassen wijken de maximale waarden voor de stoffen arseen, cadmium, koper, lood en zink af van de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen.

Genoemde stoffen zijn kenmerkend voor het projectgebied De Kempen op plaatsen waar de bodem is beïnvloed door zinkassen.

Voor de in bijlage 3 genoemde gemeenten gelden voor uniforme saneringen uit de categorie de Kempen niet de waarden uit de Regeling bodemkwaliteit, maar de waarden die gelden op grond van bijlage 3 bij de Regeling uniforme saneringen.

Q en R

Bijlagen 4 en 5 worden vervangen door nieuwe bijlagen 4 en 5 (bijlagen II en III bij deze wijzigingsregeling). Vanwege de omvang van beide gewijzigde bijlagen (meldingsformulier en evaluatieverslag) worden deze niet in de Staatscourant gepubliceerd maar ter inzage gelegd.

S

Bijlage 6. Deze bijlage wordt gewijzigd zoals aangegeven in paragraaf 6 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel II

De overgangsbepaling is opgenomen om helderheid te scheppen voor de uitvoeringspraktijk door duidelijk aan te geven wat wel en niet onder de oude regeling valt. Zo worden meldingen voor uniforme saneringen die reeds zijn gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling op grond van de oude regeling afgehandeld. Aangezien uniforme saneringen eenvoudig zijn en van korte duur zal deze overgangsperiode naar verwachting niet van lange duur zijn.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer

Bijlage A behorende bij de toelichting

Indeling in bodemfunctieklassen en naam bodemnorm

Afgeleide bodemnorm voor blijvende geschiktheid

Bodemfuncties die één bodemfunctieklasse vormen

Achtergrondwaarden

Landbouw

Natuur

Moestuinen/volkstuinen

Maximale waarde wonen

Wonen met tuin

Plaatsen waar kinderen spelen

Groen met natuurwaarden

Maximale waarde industrie

Ander groen, bebouwing, infrastructuur, industrie

In het rapport: Ken uw (water)bodemkwaliteit, de risico’s inzichtelijk, (SenterNovem 1 september 2007, 3BODM0704) is de onderbouwing van deze normen beschreven. In de bijlagen bij de Regeling bodemkwaliteit zijn per stof de maximale waarden opgenomen.

Bijlage B behorende bij de toelichting

Maximale waarden bodemfunctieklasse en kwaliteitsklasse

Stof4

Achtergrondwaarden1

Maximale waarden1

Interventiewaarden grond1

 

Bodemfunctieklasse landbouw, natuur en moestuinen/volkstuinen

Bodemfunctieklasse wonen

Bodemfunctieklasse industrie

Bebouwing en verharding

 
  

Kwaliteitsklasse wonen

Kwaliteitsklasse industrie

  

Antimoon

4

15

22

22

Arseen

20

27

76

76

Barium

190

550

920

920

Cadmium

0,6

1,2

4,3

13

Chroom

55

62

180

180 (Cr III)

Cobalt

15

35

190

190

Koper

40

54

190

190

Kwik

0,15

0,83

4,8

36 (anorg)

Lood

50

210

530

530

Molybdeen

1,5

88

190

190

Nikkel

35

39

100

100

Tin

6,5

180

900

900

Vanadium

80

97

250

250

Zink

140

200

720

720

      

PAK (10-VROM)

1,5

6,8

40

40

DDT (som)

0,20

0,20

1

1

DDD (som)

0,10

0,13

1,3

1,3

DDE (som)

0,02

0,84

34

34

Drins (som)2

0,015

0,04

0,14

0,14

Minerale Olie

190

190

500

5000

      

Asbest

100

100

100

Andere stoffen

 

3

3

  

1 Waarden in relatie tot achtergrondwaarden en interventiewaarden voor een standaardbodem (25% lutum en 10% organisch stof) uitgedrukt in mg/kg ds.

2 Som aldrin, dieldrin, endrin, isodrin, telodrin.

3 Zie tabel 1 van bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit.

4 Voor het gebruik van de concentraties in de tabel geldt, dat voor andere bodems dan de standaard bodem een bodemtype correctie moet worden uitgevoerd conform de bestaande formules voor het corrigeren van genoemde waarden.

  • 1

    Stcrt. 2006, 29; gewijzigd bij Ministeriële regeling van 5 mei 2007 (Stcrt. 87).

Naar boven